den laatsten tijd door verscheidene onderzoekers aanmerkelijk
vermeerderd. Zij zijn het er vrij wel over eens, dat deze Vogel,
evenals zoovele andere leden van zijn familie, herhaaldelijk van
hetzelfde nest gebruikt maakt en in zuidelijke streken zonder eenig
bezwaar te midden van de Echte Gieren een broedplaats kiest. In den
regel is dit een ruim hol van een meestal ontoegankelijken rotswand. In
Januari, op zijn laatst in de eerste dagen van Februari, begint het
wijfje te leggen. In verreweg de meeste gevallen vond men niet meer
dan één ei in het nest. Het is groot en afgerond; de grofkorrelige
schaal is op vuil-witachtigen grond met kleine en groote, soms zeer
groote, aschgrauwe of roodgrijze vlekken en okergele, bruinroode of
roodbruine stippels en vlekjes geteekend, die van onderen of in het
midden van het ei dichter opeengehoopt zijn. Hoe lang de broedtijd
duurt, is niet bekend, wel, dat in het begin van Maart, op zijn
laatst in April, in Zwitserland zoowel als in het zuiden van Spanje
en in het noorden van Afrika, pas geboren jongen gezien zijn. In de
Pyreneeën vond mijn broeder een horst op een vooruitstekende rotspunt,
die door het eenigszins overhangende gesteente min of meer tegen de
zonnestralen beschut was; het nest lag weinig meer dan 15 M. boven
den voet van den laatsten rotskam en was dus betrekkelijk gemakkelijk
te bereiken. De middellijn van het onderste deel van het nest bedroeg
ten naastenbij 1.5 M., die van de ongeveer 12 cM. diepe nestholte 60
cM., de hoogte 1 M. De onderbouw bestond uit lange takken, welker
dikte afwisselde tusschen die van een kinderarm en van een duim;
hierop volgde een dunne laag van twijgen en takjes tot begrenzing van
de nestholte. Het bovenste deel van het nest was van soortgelijke,
maar iets fijnere bestanddeelen vervaardigd en van binnen zorgvuldig
bekleed met stukken bast en met haar van Runderen en Paarden. In de
nabijheid van het nest waren alle rotsterrassen met een sneeuwwitte
korst van drek bedekt.--Een dergelijke horst, die Krüper in Griekenland
vond, was van dikke takken gebouwd; de wand was geheel doorweven
(en de nestholte van binnen glad gevoerd) met haren van verschillende
dieren, vooral van Geiten. In het nest zat een jong van drie weken,
wiens disch voorzien was met beenderen, een geheelen ezelsvoet,
Schildpadden, enz. Niet ver vandaar waren zijne beide ouders; deze
lieten af en toe een fluitend geluid hooren. Hoewel zij ook op andere
wijze hun bezorgdheid toonden, blijkt het echter niet, dat zij den
onderzoeker van hun nest lastig gevallen hebben. Ook Salvin zegt,
dat alle Lammergieren, die hij bij het nest zag, terwijl de jongen
er uitgenomen werden, zich op een bescheiden afstand hielden en geen
aanval op den mensch waagden.
De indruk, dien men van den gevangen Lammergier verkrijgt, stemt
volkomen overeen met hetgeen van zijn leven in de vrije natuur bekend
is. Een jong gevangen Lammergier werd aanvankelijk met stukjes vleesch
grootgebracht; later at hij vleesch van allerlei Zoogdieren en ook
beenderen, nooit echter wilde hij Vogels of stukken van deze, die men
hem toewierp, aanroeren. Jegens zijn meester en bekende personen was
hij zeer tam en gemeenzaam; vreemdelingen trachtte hij te bijten. Hij
was gewoon water te drinken, maar vond het zeer onaangenaam, als hij
in 't water gezet en gewasschen werd. Tot gezelschap kreeg hij een
volwassen, vrouwelijke Lammergier, die vleugellam geschoten was. De
beide gevangenen konden zeer goed met elkander overweg. Ook het oude
wijfje versmaadde het vleesch van Vogels en was niet te bewegen om
er het kleinste stukje van te eten. Een Kauw, die in hetzelfde hok
werd opgesloten, had niet den minsten last van zijne lotgenooten;
deze lieten zich zelfs allerlei stoutigheden van haar welgevallen en
waren zoo goedaardig mogelijk. Bij dit gezelschap kwamen later nog
een jonge Steenarend en twee jonge Krenggieren, zonder dat de vrede
verstoord werd. Aan de goede verstandhouding kwam echter dadelijk
een einde, toen aan het gezelschap een Havikarend werd toegevoegd.
Girtanner merkt op, dat Lammergieren, die jong gevangen zijn, zich
gunstig onderscheiden van hunne soortgenooten, die eerst op lateren
leeftijd hun vrijheid verloren. Deze zijn traag, dom en koppig;
nooit verliezen zij hun wantrouwen jegens den mensch; de jongen
daarentegen zijn niet slechts veel beweeglijker, maar toonen ook veel
meer bevattingsvermogen, zijn naar geest en lichaam zelfstandiger,
gaan met hunne verzorgers vertrouwelijker om en stellen ons daarom in
staat een juister inzicht te verkrijgen in het leven der Lammergieren
in vrijen toestand. Een jonge Lammergier, die 7 maanden lang door
Baldenstein verzorgd werd, gaf zijn verlangen naar een bad zeer
duidelijk te kennen door op den grond te gaan liggen, de vleugels te
bewegen, alsof hij wilde zwemmen en met den staart heen en weer te
vegen. Toen er een tobbe met water in zijn kooi werd gezet, sprong
hij er dadelijk in en herhaalde alle bewegingen, die hij zooeven
op den grond vertoond had, met blijkbaar welgevallen in het water,
dook bijna geheel onder en maakte zich door en door nat. Als hij door
zijn meester te erg geplaagd werd, viel hij dezen spelenderwijs aan,
zonder hem leed te doen; steeds bleek uit al zijne handelingen een
innige gehechtheid aan den persoon, die hem verzorgde en dien hij als
zijn weldoener had leeren kennen. Een buitengewone uitspanning was
het voor hem om, terwijl hij op tafel stond en den kop even hoog kon
houden als het hoofd van zijn meester, met dezen te stoeien, hem den
snavel in den baard of bij den pols in de mouw te steken; door een als
"giech" klinkend geluid gaf hij dan zijn behagelijke gemoedstemming
te kennen. Baldenstein kon hem intusschen naar welgevallen streelen,
zonder dat hij ooit eenigen argwaan toonde. Tegenover vreemden
gedroeg hij zich geheel anders.--Een andere jonge Lammergier,
die door Amstein getemd was, vloog, toen deze bezig was hem uit te
schilderen en hem daarom voor zich had geplaatst, van tijd tot tijd
op den schouder van zijn meester, dien hij met den snavel streelde,
alsof hij wel begreep, dat men iets met hem voor had en alvast het spel
beginnen wilde. Dat evenwel Lammergieren, zelfs die, welke gewoonlijk
een goedaardig karakter toonen, soms zeer boos kunnen worden, merkte
Salis op bij een exemplaar, dat reeds een jaar lang in zijn bezit was
en sedert geruimen tijd met een Havik dezelfde kooi bewoonde. De goede
verstandhouding was verstoord door een twist over een stuk vleesch. Met
fonkelende oogen en overeindstaande halsveeren pakte de Lammergier
den Havik met de klauwen in de borst en ging, terwijl zijn kameraad,
doodelijk gewond, stuiptrekkend op den grond lag, bedaard weer aan
't eten, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
De schade, die de in vrijheid levende Lammergier den mensch
veroorzaakt, is gering, althans niet te vergelijken met die, welke de
Steenarend teweegbrengt. In de zuidelijke landen, waar hij gemakkelijk
aan den kost kan komen door het opzoeken van aas en beenderen,
Schildpadden en andere kleine dieren, vergrijpt hij zich slechts bij
uitzondering aan de bezittingen van den mensch; in andere gewesten
is hij zoo zeldzaam geworden, dat reeds hierdoor zijne rooverijen
van geen beteekenis zijn. Van een noemenswaard voordeel, dat de
mensch aan hem te danken heeft, kan trouwens evenmin sprake zijn,
tenzij men het van veel belang mocht achten, dat de Toearegs dezen
bij hen veelvuldig voorkomenden Vogel ter wille van zijn vleesch en
vet dooden, om het vleesch als voedsel en het vet als geneesmiddel
tegen den beet van vergiftige Slangen te gebruiken.
Van de jacht op dit dier en van de wijze waarop men het vangt, valt
niet veel te berichten. Als het toeval den jager niet begunstigt,
of het ontdekken van een horst hem de jacht gemakkelijk maakt, moet
hij er niet tegen opzien dagen achtereen in de nabijheid van een
aas op de loer te liggen. Met een goed geplaatste vossenklem kan
het beoogde doel spoediger bereikt worden; de klem moet dan echter
goed vastgemaakt zijn, zoodat de Vogel haar niet kan losrukken en
medevoeren. Gevaar levert de jacht in 't geheel niet op. Zelfs, als
hij gewond is, denkt de Lammergier er niet aan, zich tegen den mensch
te verweren, gelijk de Vale Gier in een dergelijk geval steeds doet.
De Gieren (Vulturinae), die door ons als een onderfamilie van
de Gier-valkvogels worden aangemerkt, zijn de grootste van alle
Roofvogels. Hun snavel is langer of althans niet korter dan de kop,
grootendeels recht, slechts kort vóór de spits van den bovensnavel
haakvormig naar beneden gebogen, hooger dan breed en met scherpe
zijranden voorzien; de washuid is groot en neemt een derde, bij
zwakkere Gieren zelfs de helft van de lengte van den snavel in. Bij
eenige soorten komen huidwoekeringen aan den hals voor. De pooten zijn
krachtig, de teenen echter zwak, de nagels kort, weinig gebogen en
altijd stomp, zoodat de voeten als middelen van aanval of verdediging
weinig te beteekenen hebben. De vleugels zijn buitengewoon krachtig,
maar tevens breed, meestal zeer afgerond, omdat de vierde slagpen
gewoonlijk de langste is. De middelmatig lange staart is afgerond
of sterk trapvormig en uit stijve veeren samengesteld. De slokdarm
verwijdt zich tot een krop van aanzienlijke grootte, die in gevulden
toestand als een zak aan de voorzijde van den hals zichtbaar wordt.
De begaafdheden van de Gieren zijn voor een deel hoog, hoewel
eenzijdig, ontwikkeld. Zij hebben een achtelooze houding, zitten
op den grond zeer laag, dragen de vleugels een weinig van het
lichaam verwijderd en besteden aan het in orde brengen hunner
veeren slechts zelden eenige zorg; hun meestal stappende gang is
niet zeer bevallig, maar tamelijk licht; zij vliegen langzaam, maar
met buitengewone volharding. Hunne zintuigen wedijveren in scherpte
met die der andere bevederde roovers. Daarentegen schijnen hunne
geestvermogens gering te zijn. Zij zijn schuw, zelden echter werkelijk
voorzichtig,--oploopend en hartstochtelijk, maar niet ondernemend
en nog veel minder stoutmoedig,--gezellig, maar volstrekt niet
vredelievend, integendeel geneigd tot bijten en boosaardig, tevens
echter lafhartig; hun geest verheft zich niet eens tot list. Zelden
worden zij werkelijk gehecht aan een ander wezen. Altijd gedragen
zij zich ruw en plomp. Zij onderscheiden zich door een merkwaardige
neiging om een onderneming, die zij eens begonnen zijn, door te
zetten. Men noemt hen traag, omdat zij soms uren achtereen met de
grootste kalmte bewegingloos op één plaats blijven; men zou echter
van hen, die het grootste deel van den dag vliegend doorbrengen, ook
wel het tegendeel kunnen beweren. Hun aard is een mengelmoes van de
meest verschillende en schijnbaar tegenstrijdige eigenschappen. Men
zou geneigd zijn, hen voor bedaarde en stille Vogels te houden, hoewel
uit een nauwkeurig onderzoek blijkt, dat zij tot de hartstochtelijkste
van alle Roofvogels gerekend moeten worden.
Eerst door het nagaan van de wijze waarop de Gieren hun voedsel
verkrijgen, worden hunne eigenaardigheden voor ons verstaanbaar. De
naam Roofvogel verliest bij hen een deel van zijn beteekenis. Weinige
Gieren (en ook deze waarschijnlijk slechts bij uitzondering) vallen
levende dieren aan met de bedoeling om ze te dooden; gewoonlijk zamelen
zij eenvoudig op, wat door een gunstig toeval voor hen beschikbaar
is. Zij verslinden lijken en afval.
Vogels, die zich op deze wijze voeden, kunnen slechts de warme of
gematige aardgordels bewonen. Het rijke zuiden is vrijgeviger dan
het noorden; het verschaft ook aan de Gieren zooveel als zij voor
hun onderhoud behoeven. Met uitzondering van Australië en Amerika
worden alle werelddeelen door Gieren bewoond. Eenige soorten komen in
nagenoeg gelijken getale in Europa, Azië en Afrika voor, of zijn, zoo
zij hier of daar ontbreken, door nauw verwante vormen vervangen. Men
ontmoet ze in de heete, door de zon geblakerde vlakten zoowel als in
het gebergte. Van een vaste standplaats kan bij hen trouwens bijna
geen sprake zijn. Hunne ontzaglijke vliegwerktuigen stellen hen in
staat om een uitgestrekter gebied te doorkruisen dan eenige andere
Roofvogel en hun eigenaardige kostwinning noodzaakt hen er toe. Alleen
in den voortplantingstijd bindt de zorg voor hun gebroed hen aan een
bepaald gewest, gedurende het overige deel van het jaar leiden zij in
meerdere of mindere mate een zwervend leven. Plotseling verschijnen
zij in grooten getale in streken, waar men dagen en weken achtereen
geen enkele van hun soort waarnam om even plotseling, als zij gekomen
zijn, te verdwijnen. Slechts enkele Gieren vermijden de nabuurschap
van menschelijke woningen; andere komen juist hier gemakkelijker aan
den kost dan in gewesten, waarover de mensch om zoo te spreken zijn
heerschappij nog niet heeft uitgestrekt. Geregeld ontmoet men deze
Roofvogels in de steden en dorpen van Zuid-Azië en Afrika.
Om de levenswijze van de Gieren aanschouwelijk te maken, zullen wij
eenige van deze Vogels handelend laten optreden.
Aan den zuidelijken zoom van de woestijn ligt een gestorven Kameel. De
vermoeienissen en ontberingen van de reis hebben zijne krachten
gesloopt; den vorigen dag heeft de drijver hem zijn last afgenomen om
hem onbeladen naast zijne bevrachte kameraads te laten loopen; toch
heeft hij de Nijloevers niet wedergezien, maar is, volkomen uitgeput,
voor altoos ter aarde gestort. Zijn meester, die duidelijk droefheid
liet blijken over het verlies, dat de dood van dezen dienaar hem
veroorzaakt, heeft den Kameel onaangeroerd laten liggen, omdat zijn
geloof hem verbiedt, iets, hoe weinig dan ook, te gebruiken van dieren,
die gestorven en niet volgens de wettelijke voorschriften gedood zijn.
Den volgenden morgen ligt het lijk nog ongeschonden op het vale zand,
zijn sterfbed. Daar verschijnt een Raaf boven den naastbijgelegen
bergtop. Haar scherpzichtig oog bespeurt het aas; schreeuwend schiet
zij met versnelde vleugelslagen er op toe en vliegt eenige malen in
een kring boven het gevallen dier, voordat zij neerstrijkt en op
een niet te grooten afstand van den buit den bodem betreedt, gaat
er vervolgens snel op af en loopt verscheidene malen, voorzichtig
toekijkend, om den buit heen. Andere Raven volgen haar voorbeeld;
weldra is een talrijk gezelschap van deze nergens ontbrekende
Vogels op het lijk verzameld. Nu komen ook andere liefhebbers
aanvliegen. De overal tegenwoordige Egyptische Wouw en de nauwelijks
minder veelvuldige Krenggier beschrijven boven het aas kringen in de
lucht, een hongerige Arend nadert, verscheidene Kropooievaars draaien
op duizelingwekkende hoogte volgens schroeflijnen rond boven de ook
voor hen aanlokkelijke spijs. Nog altijd laten de voorsnijders van
het gerecht op zich wachten. Wel wordt er door het reeds aanwezige
gezelschap hier en daar aan het op den grond liggend lijk geknaagd;
de dikke lederhuid is echter voor de zwakke snavels dezer Vogels
veel te stevig; het is hun onmogelijk zich groote stukken van den
buit toe te eigenen. Slechts het eene naar boven gerichte oog heeft
een Krenggier uit zijn kas kunnen scheuren. Allengs echter is de
tijd gekomen, waarin ook de groote leden van de Gieren-familie uit
vliegen om voedsel te zoeken. Het is 10 uur geworden; hun slapen en
droomen heeft lang genoeg geduurd; achtereenvolgens hebben alle hun
slaapplaats verlaten. Eerst vlogen zij laag, langs het gebergte;
daar zij er echter niets eetbaars vonden, verhieven zij zich in de
lucht en bereikten een onafzienbare hoogte. Hier vliegen zij nu in
kringen rond, al verder en verder; de eene volgt den anderen, althans
met de oogen; alle rijzen of dalen tegelijkertijd; ieder keert zich op
't zelfde oogenblik als zijn voorganger naar deze of gene zijde. Van de
hoogte waarop de Gier zich bevindt, kan hij een verbazend groot gebied
als 't ware met één blik overzien en zijn oog is zoo verwonderlijk
scherpzichtig, dat hem bijna niets ontgaat. Bij 't opmerken van het
gewemel daar beneden, verkrijgt hij hiervan dadelijk een heldere
voorstelling en komt tot de overtuiging, dat daar het gezochte maal
te vinden is. Na eenige spiraalwindingen in dalende richting is hij
in staat het geval van naderbij te onderzoeken. Zoodra hij zekerheid
heeft gekregen, legt hij plotseling de kolossale vleugels tegen het
lichaam aan en stort zich in suizenden vaart 100, misschien 1000
M. ver naar beneden en zou zich te pletter vallen, indien hij niet
te rechter tijd de vleugels half uitbreidde, ten einde de snelheid
van den val te verminderen en zijn richting te wijzigen.
Op den eerst aangekomen gast volgen zonder voorbehoud alle overige
feestgenooten, die zich binnen bepaalde grenzen bevinden. Het naar
beneden schieten van den eersten Gier is voor al zijne verwanten
een sein tot den maaltijd. Zij snellen nu van alle kanten toe en
verspillen geen tijd meer aan een nader onderzoek. Men hoort in den
loop van één minuut herhaaldelijk het suizende gedruisch, dat zij
bij het naar beneden storten maken. De uit alle richtingen afdalende
lichamen, die onder 't vallen schielijk grooter worden, zijn Vogels,
welker vlucht bijna 3 M. bedraagt, en die men kort te voren niet eens
als stipjes aan 't zwerk kon waarnemen. Niets zou thans deze dieren
kunnen tegenhouden. Zoodra zij aan den rijk voorzienen disch gezeten
zijn, schuwen zij geen gevaar meer en laten zich niet eens door het
verschijnen van een jager verdrijven. Onmiddellijk na hun aankomst
op den bodem ijlen zij met horizontaal naar voren gerichten hals,
opgeheven staart en half uitgespreide, over den grond slepende
vleugels op het aas toe. Nu toonen zij zich den naam van Gieren
waardig, want begeeriger, gulziger Vogels dan zij, kan men zich niet
voorstellen. Zij hebben geen ander doel voor oogen dan het bevredigen
van hun honger; voor andere overwegingen zijn zij niet vatbaar. Het
kleinere gepeupel wijkt vol eerbied voor hen uit; tusschen de leden
van even sterke soorten ontbrandt een hevige strijd. Het kost moeite
om een duidelijke voorstelling te verkrijgen van hun werkzaamheid;
het dooreenkrioelen, dringen, twisten, vechten, dat er mede gepaard
gaat, laat zich bijna niet beschrijven. Met twee of drie snavelhouwen
verscheuren de diksnavelige Gieren de lederhuid van het aas; eenige
andere snijden de spierlagen door; zoodra de buikwand geopend is,
steken de Vogels, die met een zwakkeren snavel gewapend zijn,
den langen hals zoo ver mogelijk in de lichaamsholte om bij de
ingewanden te komen. Met gulzige haast wroeten zij hierin rond; de
eene tracht intusschen telkens den anderen te verdringen of hem den
loef af te steken. De lever en de longen worden zelden in haar geheel
losgerukt, maar bij stukken binnen de lichaamsholte verslonden; de
darmen daarentegen worden naar buiten gesleurd, door een moeielijk
te beschrijven achteruit huppelen al verder en verder uitgetrokken
en vervolgens, na een woedenden strijd tusschen de vele mededingers,
bij stukken verzwolgen. Ook nu nog storten zich voortdurend hongerige
Gieren van boven af te midden van hunne reeds smullende verwanten,
met het vaste voornemen om zoo mogelijk enkele slempers van den
kostelijk voorzienen disch te verdrijven en hun plaats in te nemen;
dit geeft aanleiding tot nieuwen strijd, tot een hervatting van
het tieren, bijten en woedend kijven. De zwakkere gasten zitten,
terwijl de groote heeren feestvieren, watertandend op een afstand, vol
aandacht voor hetgeen er aan de tafel voorvalt; daar zij reden hebben
om te verwachten, dat de feestelingen hun nu en dan, natuurlijk zonder
opzet, in de verwarring van 't gevecht een brok zullen toewerpen. Niet
zelden zweven ook Arenden en Wouwen, beurtelings hoog en laag,
boven het schransende gezelschap en storten zich, alsof zij op een
vliegenden buit willen neerschieten, te midden van het feestgewoel,
grijpen met de klauwen een door de Gieren losgescheurd stuk vleesch
en vliegen er mede omhoog, voordat de beroofden tijd hebben kunnen
vinden om zich op hunne belagers te wreken.
Een klein Zoogdier wordt door zulk een vraatzuchtige bende binnen
weinige minuten met huid en haar verslonden; zelfs van een Rund
of van een Kameel blijft na één enkelen maaltijd weinig over. De
verzadigde dischgenooten verwijderen zich niet dan schoorvoetend van
de feestplaats.
Niet overal en altijd komt het beloop van een Gierengastmaal met
de bovenstaande beschrijving overeen. Reeds in Zuid-Europa en nog
vaker in geheel Afrika komen telkens, als Gieren in de nabijheid van
bewoonde plaatsen een kreng hebben op te ruimen, nog andere hongerige
klanten op het aas af. In alle zuidelijke landen bestaat het voedsel
van de Honden gedeeltelijk uit aas; de echte Paria-honden kunnen
zich werkelijk alleen dan eens volkomen zat vreten, als zij een kreng
vinden. Verderop in het binnenland van Afrika nemen behalve de Honden
ook de Maraboes aan de smulpartij deel. Zij laten zich zelfs door de
Gieren niet verdrijven, maar steken met hunne wigwormige snavels naar
rechts en naar links onder de schare, totdat zij een plaats hebben
gevonden, die hun aanstaat.
Hoewel de Gieren, wanneer de honger hen kwelt, nu en dan ook op
levende dieren, vooral op ziek vee, aanvallen, geven echter alle
soorten, naar het schijnt, aan aas of althans aan beenderen boven
ieder ander voedsel de voorkeur. Hoewel zij krengen van Zoogdieren
het hoogst schatten, versmaden zij de lijken van Vogels, Amphibiën en
Visschen niet. In Indië verslinden zij ook de lijken van menschen, die
de Hindoes aan den heiligen Ganges toevertrouwen, of die de Parsen op
de "torens van het zwijgen" te Bombay neerleggen, gelijk door Garbe,
Haeckel en anderen beschreven wordt. De kleinere soorten zijn minder
vraatzuchtig dan de groote. Enkele kunnen zich, naar 't schijnt,
geruimen tijd zonder aas redden; sommige voeden zich met beenderen,
andere hoofdzakelijk met drek van menschen en dieren en maken tevens
jacht op Insecten en kleine, niet al te behendige Gewervelde Dieren.
Na den maaltijd verwijderen de Gieren zich niet gaarne van den disch,
liefst blijven zij uren lang in de nabijheid zitten en wachten hier
het begin van de spijsvertering af. Geruimen tijd later begeven
zij zich naar de drinkplaats en brengen ook hier weer verscheidene
uren door. Zij drinken veel en baden zich zeer dikwijls. Weinige
Vogels hebben trouwens meer dan zij behoefte aan een zorgvuldige
reiniging; want, als zij van tafel gaan, zijn zij bedekt met vuil en
afval, vooral de langhalzige soorten zijn dikwijls overal met bloed
bevlekt. Wanneer ook de schoonmaakkuur naar behooren afgeloopen is,
brengen zij gaarne eenige uren op de traagst mogelijke wijze door;
zij buigen de pooten in het spronggewricht zóó, dat de geheele loop
op den grond rust en breiden de vleugels uit om zich flink door de
zon te laten verwarmen, of gaan plat op het zand liggen. Eerst in de
namiddaguren begeven zij zich op weg naar hunne slaapplaatsen.
Vóór het opvliegen doen zij snel achtereen eenige tamelijk hooge
sprongen; hierop volgen verscheidene langzame slagen met de breede
vleugels. Op een zekere hoogte gekomen, reppen zij zich bijna zonder
vleugelslagen voort; door wijziging van den stand der vliegwerktuigen
dalen zij langs een weinig hellend vlak naar beneden of laten zich
door den hun te gemoet stroomenden wind weer opheffen. Zonder eenige
merkbare inspanning, bereiken zij op deze wijze volgens een schroeflijn
stijgend, de verbazende hoogten, waarop zij vliegen, wanneer het doel
van de reis veraf ligt; met schijnbaar in rust verkeerende vleugels
bewegen de Gieren zich dan zeer snel door de lucht.
Vroeger dacht men, dat de Gieren door den reuk het gezochte aas
vinden. Daar zij echter ook neerstrijken op aas, dat nog volkomen
versch is en volstrekt geen dampen verspreiden kan, die voor het
reukzintuig waarneembaar zijn, daar zij zelfs bij krachtigen wind uit
alle richtingen komen aanvliegen, zoodra één van hen een lijk heeft
opgespoord, terwijl zij op een bedekt aas eerst dan verschijnen,
als het door de Raven en Krenggieren gevonden is en het gewemel
dezer Vogels hun aandacht getrokken heeft, bestaat er goeden grond
voor de bewering, dat het oog hen tot hun eigenaardige levenswijze
in staat stelt.