Schreeuwbuizerden vertegenwoordigt, is vuilwit van kleur; een streep,
die zich van het oog naar den achterkop uitstrekt, de rug, de vleugels
en de staart zijn donkerbruin, de staartveeren hebben op witachtigen
grond smalle, zwartbruine dwarsbanden en een breede, zwartbruine
spits. Het mannetje en het wijfje verschillen weinig in kleur. Lengte
van het mannetje 38, van 't wijfje 40, staartlengte 16 à 17 cM.
De Chimachima is over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid:
in Brazilië overal veelvuldig, in Guyana hoofdzakelijk beperkt tot
de steppe, vooral tot uitgedroogde moerassen, in Chili algemeen, op
Chiloë buitengewoon talrijk, niet ongewoon aan de kust van Patagonië
en van Vuurland. Het liefst houdt hij zich op in opene, vlakke
gewesten, vooral in veeweiden. Op Chiloë zit hij op alle daken en
volgt iederen ploeg. Geregeld ontmoet men hem ook aan de zeekust, in
't gebergte daarentegen boven een zekere hoogte niet meer. Met vasten
tred beweegt hij zich op den bodem; zijn vlucht is niet zeer snel, daar
zijn zweven door tamelijk vele vleugelslagen wordt afgebroken. In hooge
mate twistziek ligt hij met zijne soortgenooten voortdurend overhoop,
hoewel hij met andere, niet tot zijn orde behoorende Vogels in tamelijk
goede verstandhouding leeft. Hij vreet, naar Darwin bericht, alles,
zelfs het brood, dat met het aanveegsel buitenshuis geworpen is,
ook rauwe aardappelen, die hij niet slechts bij de huizen wegsteelt,
maar ook uit den grond haalt, kort nadat zij gepoot zijn. Van alle
Vogels verlaat hij het geraamte van een kreng het laatst; men ziet
hem dikwijls in de borstkas van een Koe of van een Paard als in
een kooi. Wormen en insectenlarven zijn hem gedurende een deel van
't jaar als spijs zeer welkom, zoo ook de Luizen en andere Insecten
of maden, die de huisdieren kwellen. In de moerassen verzamelt hij
Slakken en Amphibiën; aan de kust vergast hij zich op de zeedieren,
die door de golven op het strand worden gespoeld. Op Vogels en
Zoogdieren schijnt hij geen jacht te maken. In zijn maag vond men
maden en Wormen, Slakken en Visschen, nooit echter overblijfselen
van Vogels. Hij wordt lastig door zijn diefachtigheid en driestheid,
nog veel lastiger echter door zijn fijn, schelklinkend, dikwijls
herhaald gefluit, dat soms met recht oorverdoovend mag heeten.
De Falkland-Chimango (Ibycter australis) onderscheidt zich o.a. door
donkerder kleur en aanzienlijker grootte van de vorige soort; hoewel
hij met deze eenige gewesten gemeenschappelijk bewoont, wordt hij
veelvuldiger aangetroffen aan de zuidelijke spits van het vasteland,
en is buitengewoon talrijk op de Falkland-eilanden, die het middelpunt
van zijn verbreidingskring schijnen uit te maken. Zijn voedsel bestaat
voor een groot deel uit het vleesch van doode dieren. Op sommige
eilanden moet voornamelijk de zee in zijn onderhoud voorzien. "Deze
Roofvogels," zegt Darwin, "zijn alles behalve schuw; zij komen in
de onmiddellijke nabijheid van de huizen en zoeken er allerlei afval
op. Bij het door de jagers gedoode wild verschijnen weldra een aantal
Chimango's, die, op den grond zittend, geduldig wachten op hetgeen
er voor hen overschiet. Dikwijls vallen zij ook gewonde dieren aan:
een aangeschoten Aalscholver, die naar den oever was gevlucht,
werd hier oogenblikkelijk aangevallen door verscheidene Chimango's,
die door snavelhouwen zijn dood verhaastten. De officieren van een
oorlogschip, dat in den winter bij de Falkland-eilanden gestationeerd
was, vermeldden verscheidene staaltjes van de buitengewone vermetelheid
en roofgierigheid van deze Vogels. Zoo overvielen zij een Hond, die
in de nabijheid van een der leden van het gezelschap lag te slapen. Op
de ganzenjacht hadden de jagers groote moeite om de Chimango's van het
door hen gedoode wild af te houden. Dikwijls loerden verscheidene van
deze Vogels voor een konijnengat en vielen gezamenlijk op het Konijn
aan, zoodra het zijn hol verliet. Voortdurend vlogen zij om het schip
heen; zoolang het in de haven lag, was een nauwgezet toezicht noodig
om te verhoeden, dat zij het leer van het touwwerk scheurden, of het
vleesch en het wild van het achterdek van het schip stalen." Op den
grond loopen zij opmerkelijk snel, bijna zoo vlug als Fazanten; hun
vlucht is echter log en plomp; zij bewegen zich daarom meer loopend dan
vliegend. De robbenvangers noemen hen "Kraaien" wegens hun geschreeuw.
Tot de Eigenlijke Gierbuizerden (Polyborus) behoort de Carancho,
Caracara of Traro (Polyborus brasiliensis). Deze bereikt een lengte
van 70 bij een vlucht van 125 cM., de vleugel is 38, de staart 20
cM. lang. De veeren van den boven- en achterkop, die als een kuif
opgericht kunnen worden, zijn donker bruinachtig zwart, die van den
rug zwartbruin met witte dwarsstrepen, de vleugels donkerbruin;
de achterste groote dekveeren en de schouderveeren hebben lichte
dwarsstrepen; de wangen, de kin, de keel en de onderhals zijn wit of
geelachtig wit; de zijden van borst en hals zijn op dezelfde wijze
gestreept als de rug; de buik, de schenkels en de stuit zijn effen
zwartbruin; de slagpennen zwartbruin aan den wortel en de spits,
in 't midden echter wit met fijne, donkere dwarsbanden, stippels en
driehoekige randvlekken op de buitenvlag, de stuurpennen wit met zeer
smalle, lichtbruinachtige dwarsbanden en een breeden, zwartbruinen
eindband. Het oog is grijs of roodachtig grijs, de snavel licht
blauwachtig, de voet oranjegeel.
Paarsgewijs bewonen deze Vogels alle vlakke gewesten van Zuid-Amerika,
vooral de steppen en schraal bezette wouden. In de oerwouden vindt
men ze evenmin als in het gebergte. Buitengewoon talrijk komen zij
voor in moerassige landstreken.
Hun voedsel bestaat uit allerlei dierlijke stoffen. In de steppen
maken zij, evenals onze Buizerden, jacht op Muizen, kleine Vogels,
Amphibiën, Slakken en Insecten; aan 't zeestrand gebruiken zij
't geen door de golven wordt aangevoerd. De Prins Von Wied vond in
hun maag overblijfselen van Insecten, vooral van Sprinkhanen, die in
de Braziliaansche vlakten zoo talrijk zijn. Azara leerde hen kennen
als vervolgers van Nandoes, van lammeren en van hertkalveren. "Als
een schapenkudde," verhaalt hij, "niet door een goeden Hond bewaakt
wordt, gebeurt het soms, dat de Carancho de pasgeboren lammeren
bij levenden lijve begint te verslinden en hen de darmen uit de
lichaamsholte rukt. Als een van deze vogels vreest, dat zijn kracht
niet voldoende zal zijn voor het overmeesteren van een buit, roept
hij 4 of 5 van zijne kornuiten te hulp; vooral hierdoor wordt hij
gevaarlijk." Op krengen treft men hem geregeld aan. "Een dier, dat in
de vlakte sterft," zegt Darwin, "verschaft eerst een gastmaal aan den
Gallinazo, daarna pikt de Carancho de beenderen schoon. Langs de wegen
in de woestijnachtige vlakten van Patagonië ziet men dikwijls een vrij
groot aantal van deze Vogels bezig met het verslinden van de lijken der
dieren, die van honger en dorst omgekomen zijn." Bij het landvolk is
de Carancho zeer gehaat, omdat hij het vleesch, dat te drogen ligt,
met de grootste brutaliteit wegsteelt, tot afwisseling echter ook
zeer gaarne jonge Hoenderen rooft of andere zwakke en zelfs sterke
huisdieren lastig valt. Dikwijls ziet men hem op den rug van een Paard
of van een Muildier staan, zoekend naar parasieten, maar tevens bezig
met het wegpikken van de korsten hunner wonden; het arme dier blijft
met ingezakten rug en hangende ooren rustig staan, daar het zich tegen
den Vogel toch niet verweren kan. Jachtgezelschappen, die met Honden en
Paarden uittrekken, worden over dag voortdurend begeleid door eenige
Carancho's; deze nemen de geschoten Vogels dikwijls voor de oogen van
de schutters weg. Ook andere Roofvogels vliegen zij na, met het doel
hun een zooeven gevangen buit af te troggelen. Op hun beurt worden
zij zelve ook door allerlei Vogels gekweld en vervolgd. Zelfs met
hunne naaste verwanten twisten zij aanhoudend.--Bij 't schreeuwen legt
de Carancho den kop geheel op den rug en brengt het ratelend geluid
"traaa" voort, licht hem vervolgens weer op en roept "rooo" met een
krijschende, heesche stem. Zijn geschreeuw herinnert eenigszins aan
het knarsend geluid van twee stukken hout, die met geweld op elkander
geslagen of gewreven worden. Het is op grooten afstand hoorbaar en
maakt een zeer onaangenamen indruk.
De broedtijd is verschillend al naar de landstreek, waar de Carancho
woont. In Paraguay nestelt hij in den herfst, in Middel-Amerika
gedurende de lentemaanden. De horst is groot en plat, van rijsjes
vervaardigd, inwendig bekleed met fijne wortels, gras en mos; men vindt
hem zoowel op zeer hooge, als op lage boomen. De eieren ten getale
van drie, hoogstens 4, dikwijls slechts 2, zijn zeer verschillend
van kleur en teekening, meestal echter op geelachtigen grond bruin en
bloedrood gevlekt. De jongen komen in een wit donskleed ter wereld,
worden door hunne ouders met de grootste zorgvuldigheid opgevoed,
bijgestaan, zoolang zij hulp behoeven, kort daarna echter verstooten
of althans met onverschilligheid behandeld.
Audubon beschrijft het leven van een uit het nest genomen Carancho-paar
in de kooi. Het mannetje toonde zich dikwijls heerschzuchtig jegens
zijn zuster en liet zelden een gelegenheid voorbijgaan om haar
door herhaalde en hevige slagen te kwellen, hetgeen van weerszijden
aanleiding gaf tot een luid geschreeuw. Jegens hun verzorger waren
de Carancho's volstrekt niet vriendschappelijk gezind. Als men ze met
de hand aanvatte, verweerden zij zich zoo hevig met den snavel en de
klauwen, dat men wel genoodzaakt was ze los te laten. Zij aten doode
zoowel als levende dieren, Ratten, Muizen en verschillende soorten
van Hoenderen. Even behendig als Arenden en Valken droegen zij hun
buit in de klauwen weg. Bij 't "kroppen" hielden zij hun voedsel
met de klauwen vast en slikten de losgescheurde stukken spiervleesch
met huid en haren of veeren zonder nadere voorbereiding door. In de
tweede lente verwisselden zij hun kleed tegen dat van de oude vogels;
de volle schoonheid van deze verkregen zij echter eerst later.
Tusschen de Valkvogels, die nu afgehandeld zijn, en de Gieren
verdient het geslacht der Baardgieren (Gypaëtus) een plaats. Zij
onderscheiden zich van alle andere Roofvogels zoozeer door hun in
't oog vallend gerekten lichaamsbouw, dat zij als vertegenwoordigers
van een afzonderlijke onderfamilie beschouwd worden. Hun romp is
krachtig, de kop groot en lang, de vleugel zeer lang en spits, de zeer
lange, uit 12 pennen samengestelde staart trapvormig of wigvormig;
de groote en lange snavel heeft ongetande zijranden en loopt uit
in een scherpen haak; de snavelrug is bij den wortel zadelvormig;
de korte, betrekkelijk zwakke loop draagt middelmatig lange, zeer
zwakke teenen, die met dikke, hoewel weinig gekromde en tamelijk
stompe nagels gewapend zijn. Borstelachtige haarveeren omgeven den
snavelwortel, bedekken de washuid aan weerszijden en vormen aan het
achterste deel van den ondersnavel een naar onderen gerichten "baard"
van zwarte kleur. De kop is bekleed met korte, dons- of borstelvormige,
de hals daarentegen met groote, eenigszins opgerichte veeren; het
vederenkleed van den romp ligt iets gladder tegen het lichaam aan;
de loop is geheel bevederd; de veeren van de schenkels zijn sterk
verlengd, vormen een "broek", die tot op de teenen reikt.
In den regel worden alle Baardgieren der aarde als leden van één
soort beschouwd. Die van Abessinië en Zuid-Afrika onderscheiden zich
van de overige door hun minder ver bevederden loop. In levenswijze
en gewoonten stemmen alle Baardgieren overeen.
De Baardgier of Lammergier (Gypaëtus barbatus) is 1 à 1.15 M. lang
en heeft 2.4 à 2.6 M. vlucht; de vleugellengte bedraagt 79 à 82,
de staartlengte 48 à 55 cM. De eerstgenoemde afmetingen gelden voor
het mannetje, de andere voor het wijfje. In het volkomen kleed zijn
het voorhoofd, de kruin en de zijden van den kop geelachtig wit,
met een door de borstelvormige veeren gevormde, donkere teekening;
de achterkop en de achterhals zijn fraai roestgeel. De veeren van den
rug en den staartwortel zijn, evenals de bovendekveeren van vleugel en
staart, donkerzwart met witachtige schaften en een geelachtige vlek
aan den top. De slagpennen en stuurpennen zijn zwart met aschgrauwe
binnenvlag en hebben witachtige schaften. De geheele onderzijde
is hoog roestgeel, het donkerst aan den voorhals. De borst draagt
een krans van witachtig gele veeren met zwarte vlekken. Een zwarte
teugelstreep loopt van den snavelwortel door het oog en buigt zich
aan den achterkop om; zij bereikt die van de andere zijde niet geheel
en vormt dus slechts een onvolledigen krans. Het oog is zilverwit,
de buitenste oogkring menie-rood, de washuid blauwachtig zwart,
de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet loodkleurig grijs.
De Lammergier is ver verbreid. In Europa bewoont hij de Alpen en de
hooge gebergten van Zevenburgen, in kleinen getale ook den Balkan en
de Pyreneeën, benevens alle hooge gebergten van de drie zuidelijke
schiereilanden en eindelijk den Kaukasus. In Azië strekt zijn
gebied zich uit over alle hooge gebergten, van den Altaï tot aan de
Chineesche rand- en middel-gebergten en van deze zoowel als van gene
tot aan den Sinaï, de gebergten van Zuid-Arabië en de Himalaja. In
Zwitserland broedt hij sedert eenige jaren waarschijnlijk niet
meer. Hij bewoonde hier min of meer geregeld de hoogste gebergten
van Bern, Grauwbunderland, Tessino en Wallis. De laatste Lammergier
van Zwitserland, was vermoedelijk die, welke bekend stond onder den
naam van "'t oude wijf", zich ophield in de Lötschenthaler Alpen (van
Wallis) en op den Hochgleifen nestelde. Dit oude wijfje werd in den
winter van 1887 vergiftigd gevonden en bevindt zich nu opgestopt in
't museum te Lausanne. In de Duitsche en Oostenrijksche Alpen is de
Lammergier bijna of geheel uitgeroeid; het is mogelijk, dat hij enkele
van deze bergketenen nog bezoekt en zich daar tijdelijk ophoudt. Op
het Balkan-schiereiland ontbreekt hij in geen der hooge gebergten;
zoo is het ook in Spanje, met uitzondering van Galicië en Leon. Het
hier voorkomende ras bewoont ook den noordrand van Afrika.
Meer dan eenig ander lid van zijn familie, misschien zonder andere
uitzondering dan de Kondors, mag men den Lammergier beschouwen als
een bewoner van den hoogsten gordel van het gebergte. Tot vermijding
van misverstand moet hier bijgevoegd worden, dat hij wel is waar van
de hooge streken houdt, maar toch de lage volstrekt niet vermijdt. Om
storm en boos weer, om ijs en sneeuw bekommert hij zich niet, maar ook
de hitte, die in den regel in de lagere gedeelten van de zuidelijke
gebergten heerscht, hindert hem niet merkbaar; bij zijn snelle beweging
zullen zelfs heete luchtlagen hem afkoeling verschaffen; ten allen
tijde kan hij trouwens een hinderlijk hooge temperatuur ontgaan en
zich baden in de zuivere lucht van de koude hoogte. In Spanje, waar
hij in alle hooge gebergten volstrekt geen ongewone verschijning is,
nestelt hij ook op bergruggen van 200 à 300 M. hoogte. Hetzelfde geldt
voor Perzië. Naar mij gebleken is, leeft hij paarsgewijs of eenzaam,
hoogstens in kleine vluchten. Ieder paar bewoont een gebied van vele
vierkante kilometers oppervlakte en doorkruist dit iederen dag; het
doet dit zelfs op eenigszins regelmatige wijze. In streken waar hij
zich ophoudt, zal men hem dus stellig opmerken.
In de morgenuren ziet men hem zelden of nooit; eerst ongeveer 1 1/2
uur na zonsopgang begint hij in zijn gebied rond te zwerven; niet
later dan 5 uur 's avonds begeeft hij zich naar zijn slaapplaats. Het
mannetje en het wijfje vliegen op een niet al te grooten afstand
van elkander langs de voornaamste richtingslijnen van het gebergte,
gewoonlijk niet hooger dan ongeveer 50 M. boven den bodem. Zij volgen
de lengteas van het gebergte, keeren soms terug bij den top van
een buiten de richting liggenden berg en zoeken dan de andere zijde
af. Over dwarsdalen, die door den hoofdketen heenbreken, vliegen de
Vogels heen op dezelfde hoogte, waarop zij zich tot dusver bevonden;
zelden doorzoeken zij deze meteen; boven ketelvormige dalen blijven
zij daarentegen meestal een geruimen tijd kringen beschrijven. Een
Lammergier, die een inspectiereis maakt, laat zich niet licht ergens
door ophouden. Menschen schuwt hij in 't geheel niet, dikwijls zweeft
hij hun bij 't zoeken van buit op een afstand van weinige meters
voorbij. Ook bij het rondzwerven vliegt de Baardgier buitengewoon snel;
zonder merkbare beweging van de vleugels maken zijne veeren dan een
luid hoorbaar geruisch. Om deze reden en wegens zijn sierlijke houding
kan men hem onmogelijk met een anderen Gier of met een Arend verwarren.
Bij het vliegen laat hij zijne blikken naar alle zijden waren; zoodra
hij iets ontdekt heeft, begint hij onmiddellijk boven dit voorwerp
schroeflijnen te beschrijven; zijn metgezel volgt dit voorbeeld
onverwijld; beide vliegen nu dikwijls langen tijd boven één plek rond,
voordat zij hun tocht voortzetten. Indien het gevonden voorwerp
van eenig belang blijkt te zijn, dalen zij langzamerhand verder
naar beneden, zetten zich eindelijk op den grond neer en loopen nu
als Raven naar den gezochten buit. Steeds kiest de Lammergier hoog
gelegen plaatsen uit om zich neer te zetten, het liefst uitstekende
rotspunten of althans rotsterrassen. Blijkbaar valt het opvliegen
hem zwaar en acht hij het daarom wenschelijk zich bij den aanvang van
den tocht op een zekere hoogte te bevinden; van hier kan hij zonder
vleugelslag verder komen, want, zoodra hij zweeft, is de geringste
luchtstrooming voldoende om hem tot iedere gewenschte hoogte te doen
opstijgen. Gewoonlijk moet hij, wegens de lengte van zijn staart,
bij 't zitten den romp een horizontalen stand geven. Op rotsen, waar
zijn staart hem niet hindert, zit hij tamelijk rechtop. Hij gaat
betrekkelijk goed, stappend en niet huppelend.
Als men een geloofwaardigen Spaanschen jager vraagt, wat de Lammergier
eet, zal hij stellig geen jacht-, spook-, roof- en moordgeschiedenissen
vertellen, gelijk de Zwitser van zijn "Gierarend"; hij zal eenvoudig
zeggen, dat de "Beenderenbreker" (Quebrantahuesos) aas, Konijnen,
Hazen en nog andere kleine Zoogdieren eet, hoofdzakelijk echter
beenderen, die hij verbrijzelt door ze van een aanzienlijke hoogte
naar beneden te laten vallen. Als ik naar den Vogel vroeg, die Geiten
en Schapen, kinderen en Honden rooft en verslindt, noemde men mij
nooit den Lammergier, maar steeds den Steenarend. Van dezen, maar
alleen van hem, had men evenveel staaltjes van roofzucht te verhalen,
als bij ons in omloop zijn over den Lammergier. Deze wordt in Spanje
als een zeer onschadelijken Vogel beschouwd. Geen herder vreest hem,
geen veefokker weet iets van rooverijen, waaraan hij zich zou hebben
schuldig gemaakt. Iedereen verzekert echter, dat hij geregeld met de
Gieren op het aas aanvalt en, zooals reeds gezegd is, beenderen naar
beneden werpt om ze te verbrijzelen. Er is dan ook werkelijk geen
reden om te betwijfelen, dat hij op deze wijze groote beenderen stuk
maakt. Zeearenden en andere Roofvogels en ook Raven en Meeuwen, doen,
volgens de verzekeringen van de nauwgezetste onderzoekers, precies
hetzelfde. De Lammergier draagt zijn Spaanschen naam dus te recht.
Van den Abessinischen Lammergier bericht Von Heuglin, "dat zijn
voedsel bijna uitsluitend bestaat uit beenderen en anderen afval van
slachterijen, dat hij verongelukte dieren en lijken van menschen
verslindt, maar slechts in geval van nood zelf jaagt; want het
gelukt hem zelden een Haas of een verdwaalde of gewonde Geit te
vangen. Gedurende den veldtocht van Koning Theodorus tegen de Galla
begeleidden deze Vogels bij dozijnen het leger."
"Het woord Lammergier," zegt Krüper, "wekt onwillekeurig de
voorstelling van den stoutmoedigsten van alle Roofvogels; een rilling
bevangt ons bij het hooren van zijn naam, zoo vreeselijk zijn de
verhalen, die over hem in omloop zijn. Is de Lammergier werkelijk
voor menschen en vee zoo verschrikkelijk? Brengt hij zooveel schade
teweeg? Of kreeg hij zonder zijn schuld den slechten naam, dien hij
in wetenschappelijken werken en hoofden heeft? In Arkadië, waar de
gebergten niet zeer hoog zijn, begint zijn gebied in de onmiddellijke
nabijheid van de zee. Wat rooft deze gevaarlijke buurman dan daar
in de vlakte? Zoekt hij daar lammeren, Geiten of misschien zelfs
Runderen, om ze te verslinden? Men ziet hem soms op vrij geringe
hoogte aan den voet van een met veel kreupelhout begroeiden berg
rondvliegen, met naar beneden gerichten kop het terrein bespiedend;
plotseling daalt hij neder en verdwijnt. Stellig heeft hij op dit
oogenblik een buit gegrepen. Is het een Geit?--Neen, het is maar
een Schildpad, die dienen zal om zijn eigen honger te stillen of die
aan zijne jongen goed zal smaken. Om het vleesch van den Schildpad
te kunnen verkrijgen, werpt hij haar van boven neer op een rots,
waardoor zij verbrijzeld wordt. De Engelsche reiziger Simpson, die
den Lammergier in Algerië heeft waargenomen, is van dezelfde meening;
hij verhaalde mij dat elk van deze Vogels op een bepaalde rots de
buitgemaakte schildpadden te pletter laat vallen. Den 14en Mei 1861
bezocht ik de horst van een Lammergier. Aan den voet van den rotswand
lagen een groot aantal Schildpadden benevens verscheidene beenderen."
"Mergpijpen," zegt Simpson, "zijn de lekkernijen, die het meest in
den smaak van den Lammergier vallen. Bij 't einde van den maaltijd,
nadat andere Gieren het vleesch van het geraamte van een dood dier
hebben afgevreten, komt hij de beenderen verslinden, die vooraf
stuk gebroken worden, wanneer het niet mogelijk is op een andere
wijze het merg te verkrijgen."--"Deze Vogel," zegt ook Gurney,
"verzwelgt groote beenderen. De maag van het exemplaar, dat ik (op
de zuidoostkust van Afrika) schoot, was er mede gevuld. De beenderen
waren ongetwijfeld doorgeslikt zonder eenig vleesch er aan; zelf heb
ik gezien, dat de Lammergier een afgekloven bonk opnam. Het grootste
been, dat ik in zijn maag vond, was een runderwervel, die 10 cM. lang,
7 cM. breed en 5 cM. dik was. Tusschen de beenderen vond ik een groote
hoeveelheid haar van Klipdassen, waaruit blijkt, dat de Lammergier
ook zulke dieren rooft, waarschijnlijk, terwijl zij zich over dag
buiten hun hol door de zon laten koesteren."--Hij vangt, volgens Adams,
"Marmotten, maar bepaalt zich niet uitsluitend tot een levenden buit,
want men ziet hem ook op zijn gemak langs de hellingen van den berg
zweven om aas en ander afval te zoeken. In de maag van een Vogel, die
door mij in het gebergte van Kasjmir gedood werd, vond ik verscheidene
lange beenderen en een hoef van een Steenbok."
Deze talrijke, bijna volkomen overeenstemmende mededeelingen
wekken twijfel aan de juistheid van de uit Zwitserland afkomstige
berichten over de spierkracht, de vermetelheid en de roofzucht van den
Lammergier. Zij voeren tot het besluit, dat deze Vogel een evenknie
is op vergroote schaal van den in vele opzichten zoo nauw met hem
verwanten Aasgier: een zwakke, lafhartige, zoomin lichamelijk als
geestelijk begaafde Roofvogel, die slechts nu en dan een zwak, levend
Gewerveld Dier buit maakt, maar gewoonlijk zich voedt met beenderen
en ander afval van dieren. Wij mogen echter niet verzwijgen, dat
de Lammergier volgens enkele nauwgezette onderzoekers soms met goed
gevolg groote dieren en zelfs kinderen aanvalt. Waarschijnlijk zijn
deze feiten echter zeldzame uitzonderingen.