Zoogdieren vervolgt de Havik met even onvermoeide volharding als

Vogels. "Jonge Hazen," zegt Brehm, de vader, "overmeestert hij zonder

moeite, op de oude echter maakt hij jacht volgens een goed overwogen

plan. Als Lampe zich door de vlucht tracht te redden, stoot de Havik

herhaaldelijk met den snavel op hem neer en grijpt den Haas eerst dan

met de klauwen aan, wanneer het slachtoffer door bloedverlies afgemat

is, waarna hij hem langzamerhand met den snavel en de klauwen om

't leven brengt." Als de gelegenheid gunstig is, bepaalt de Havik

zich trouwens volstrekt niet tot één enkel slachtoffer; hij begint

met zoovele Vogels te dooden, als hij vangen kan en eet ze daarna op

zijn gemak op.

Waarschijnlijk is de reden van de ongezelligheid van den Havik te

zoeken in zijn ongeloofelijke roofgierigheid. Bij gevangen exemplaren

werd dikwijls opgemerkt, dat zij de leden van hun eigen gezin niet

sparen. De sterkste Havik vreet zijn zwakkeren soortgenoot op, zelfs

wanneer deze zijn echtgenoot, zijn kind, zijn vader of zijn moeder is.

Een onbeschrijfelijke haat wordt den Havik betoond, zoodra hij zich

laat zien. Vooral de Kraaien, die gedurende hun rust waarschijnlijk

soms het slachtoffer worden van zijn roofzucht, vervolgen hem

onvermoeid en vallen hem met ware doodsverachting aan. "Een

Havik", verhaalt Brehm Sr., "die door drie Kraaien werd vervolgd,

trachtte nu en dan een van zijne belagers te grijpen; zij wisten

hem echter zoo behendig te ontwijken, dat het hem nooit gelukte er

een te verwonden. Nadat zij zóó een poos met den Havik rondgevlogen

hadden, zag deze op een afstand van 300 schreden Duiven op een dak;

onmiddellijk ijlde hij er heen en schoot in schuinsche richting 160

M. ver naar beneden, maar kwam zonder Duif terug. De Kraaien waren,

naar het schijnt, geheel verbluft over zijn "stooten". Zoolang hij

zweefde, konden zij hem zeer gemakkelijk bijhouden, toen hij echter

begon te stooten, was geen hunner in staat om hem te vergezellen. Eerst

toen hij weer omhoogsteeg, begonnen zij opnieuw hem te plagen. Zij

zaten hem nogmaals eenigen tijd na; plotseling begon hij in een niet

zeer schuinsche, bijna loodrechte richting te stooten, legde zoo een

afstand van 200 M. af, ving een Duif en vloog met haar weg. De Kraaien

bemerkten hem echter zeer spoedig en bestookten hem van zoo nabij,

dat hij zijn buit moest laten varen en iedere poging om een anderen

te krijgen moest opgeven."

De horst wordt op de oudste en hoogste boomen van het woud, meestal

op dikke takken dicht bij den stam gebouwd. In de laatste helft van

April of in het begin van Mei is de tijd van het broeden gekomen;

het nest bevat dan 2, 3 of 4 groote eieren, die op groenachtig witten

grond in geringe mate met gele vlekken geteekend en dikwijls geheel

ongevlekt zijn. Het wijfje broedt met groote zelfverloochening en

verlaat het nest niet, zelfs wanneer zij herhaaldelijk gestoord wordt;

zij vliegt soms niet eens op, wanneer er met hagel op het nest wordt

geschoten. Beide ouders trachten iederen aanval op hun horst af te

weren en toonen dan een moed, die soms in doldriftige vermetelheid

ontaardt. Men heeft opgemerkt, dat zij met woede toeschieten op iemand,

die in den boom klimt, waarin zich hun nest bevindt; zelfs is het

herhaaldelijk voorgekomen, dat een Havik gedurende den broedtijd,

zonder eigenlijk lastig te zijn gevallen, op menschen en zelfs op

Paarden aanviel. De jongen groeien schielijk; zij vreten trouwens

ongeloofelijk veel; beide ouders hebben volop werk om den honger van

hun kroost te bevredigen. De horst wordt dan een ware slachtplaats. De

beide volwassen Vogels brengen er al wat zij vinden, zelfs geheele

nesten met de daarin aanwezige jongen, vooral van Lijsters en Merels.

Wegens de onberekenbare schade, die de Havik aanricht en die zeer

dikwijls den mensch direct treft, wordt deze arglistige roover overal

ijverig vervolgd.

In gevangenschap gedraagt de Havik zich even afschuwelijk als

in de vrije natuur. Zijn woestheid en kwaadaardigheid, zijn

onverdraagzaamheid en moordzucht wekken in de hoogste mate onzen

afkeer. Jong uit het nest genomen jongen werden vroeger door onze

valkeniers veelvuldig voor het vluchtbedrijf afgericht en voornamelijk

gebruikt voor de vlucht op Patrijzen, Fazanten en Konijnen; dit

jachtbedrijf kon gemakkelijker uitgeoefend worden dan de hooge jacht

met den Valk, daar de Havik steeds in de laagte vliegt, zoodat men

ook in bosschen kan jagen en niet te paard behoeft te zijn. Door alle

Aziaten, die zich met de valkerij bezig houden, wordt de Havik ook

thans nog hooggeschat. In Indië is hij de meest gezochte van alle

jachtvalken. Voor een goed afgericht wijfje betaalt men gewoonlijk

20 à 50, voor een mannetje 10 à 30 ropijen.

In Afrika wordt de plaats van onze Haviken ingenomen door verwante

Vogels, die men Zanghaviken (Melierax) heeft genoemd. Zij onderscheiden

zich van hunne Europeesche neven door een slankeren lichaamsbouw,

een zwakkeren snavel, iets langere vleugels, een afgeronden staart en

voeten, welker hoogere en slankere loop betrekkelijk kortere teenen

en klauwen draagt.

De grootste soort van dit geslacht, de eigenlijke Zanghavik

(Melierax musicus), bewoont Zuid-Afrika, een kleinere, weinig van

hem verschillende vorm, de Sprinkhanenhavik (Melierax polyzonus),

Middel-Afrika. Levaillant bericht, dat de Zanghavik op alleenstaande

boomen zich ophoudt, Hazen, Patrijzen, Kwartels, Ratten, Muizen en

andere dieren rooft, een groot nest bouwt en hierin 4 zuiver witte,

rondachtige eieren legt. Volgens hem bezit de mannelijke Zanghavik de

gave van het gezang en draagt een tamelijk uitvoerig liedje, zij het

dan ook op een vreemdsoortige wijze, geruimen tijd achtereen voor. Bij

den Sprinkhanenhavik, die ik dikwijls heb nagegaan, was van gezang

geen sprake: een tamelijk lang gerekt gefluit was al wat hij ten

gehoore bracht. In de kooi gedragen deze Haviken zich geheel anders

dan hunne inheemsche verwanten; zij zijn bedaard en stil, blijven,

evenals de Edelvalken, uren lang op dezelfde plaats zitten, leeren,

evenals deze, hun verzorger spoedig kennen en worden, wanneer zij

geruimen tijd met hem omgegaan hebben, zeer gemeenzaam. Ons klimaat

verdragen zij niet lang.

De Kuikendieven (Circus) zijn middelmatig groote, slank gebouwde

Valkvogels met kleinen, zwakkelijken romp, een fijnen, zwakken,

sterk gekromden snavel met langen haak en stompen tand, zeer lange,

slanke voeten met korte teenen, groote en lange, maar tamelijk smalle

vleugels, een middelmatig langen, breeden staart en een zacht, als

zijde glinsterend vederenkleed. In den vleugel steken de derde en

de vierde slagpen voorbij de overige uit; de eerste daarentegen is

opmerkelijk kort. De veeren van het aangezicht vormen een sluier.

Onze Blauwe Kuikendief, in Gelderland Elsebusch of Blauwe Stootvogel,

in Noordbrabant Elsepuist, in Groningen Blauw Schild, in Friesland

Blauwe Valk of Blauwe Hanenschrobber genoemd (Circus cyanus),

is een van de fraaiste Valkvogels van ons werelddeel. De geheele

bovenzijde van het oude mannetje, met uitzondering van den bruin en

wit overlangs gestreepten nek, heeft een licht aschkleurig bruine,

de onderzijde een witte kleur. Bij het oude wijfje is de bovenzijde

vaalbruin; de veeren van achterkop, achterhals en bovenvleugel hebben

roestgeelachtige randen; de onderzijde heeft op roestgeelachtigen

grond bruinachtige, overlangsche vlekken; de staart is met bruine

en roestgele banden geteekend. De iris, de voet en de washuid zijn

citroengeel, de snavel is hoornzwart. Totale lengte 48, vlucht 113

cM. (vleugel 36, staart 21 cM.)

Het verbreidingsgebied van den Blauwen Kuikendief is tamelijk

uitgestrekt. Hij bewoont geheel Middel-Europa en bovendien een

groot deel van Middel-Azië, bezoekt op den trek alle landen van

Noord-Afrika tot aan den evenaar en eveneens geheel Zuid-Azië,

zoover het de eischen bevredigt, die hij aan een behaaglijk leven

stelt. In noordelijke richting vormt de 55e breedtegraad ongeveer

de grens van zijn verbreidingsgebied. Hij is een kenmerkende Vogel

voor de vlakten, vooral voor die met onderling afwisselende velden,

weiden en waterplassen. In Nederland ontmoet men hem van Maart tot

October. Enkele exemplaren blijven den winter over. In lage, moerassige

streken is hij niet zeldzaam. Broedend heeft men hem waargenomen in

Drenthe, Friesland, Overijsel, Gelderland en Noordbrabant.

In Zuid-Rusland, de Donau-laaglanden, Turkije en Griekenland, het

zuiden van Middel-Azië en Noord-Afrika ontmoet men, in plaats van

den Blauwen Kuikendief, den Steppenkuikendief (Circus macrurus),

die zeer zeldzaam ook hier te lande aangetroffen wordt. Het oude

mannetje onderscheidt zich door de bleekere of loodkleurig grijze, op

den rug witte kleur, de duidelijk aschgrauw gestreepte staartwortel-

en staartveeren en de zwarte vleugelspitsen, het oude wijfje door de

bruine veeren met lichtroestkleurige kanten van de bovenzijde en van

de borst, alsmede door de roodgele, roestkleurig overlangs gevlekte

veeren van de onderdeelen; de jonge Vogels hebben een ongevlekte,

roestgele onderzijde.

Tusschen de beide genoemde soorten van Kuikendieven bestaat slechts

een onbeduidend verschil in zeden en gewoonten; wij kunnen ons daarom

in het nu volgende overzicht tot den Blauwen Kuikendief bepalen. Als

deze in de laatste dagen van Maart bij ons teruggekeerd is en zich

weer in zijn broedgebied gevestigd heeft, leidt hij een zoo geregelde

levenswijze, dat men hem hier stellig niet voorbij zal zien. In

schommelende vlucht, wankelend en schijnbaar onvast van beweging,

dicht bij den bodem langs voortijlend, nu eens zwevend met boven

het lichaam opgeheven vleugels, dan weer door flauwe vleugelslagen

zijn vaart bespoedigend, volgt hij zijne gewone wegen, bij voorkeur

langs een boschje, een beek of een sloot, ook wel langs een reeks

van struiken, laat zich herhaaldelijk op den bodem vallen, alsof hij

bij iedere nederdaling een slachtoffer grijpt, rijst echter meestal

zonder iets gevangen te hebben weer omhoog, zet zijn vlucht als vroeger

voort en keert eindelijk langs een wijden boog naar het uitgangspunt

van zijn zwerftocht terug.

De Blauwe Kuikendief bouwt zijn horst op een slordige wijze, dit

geschiedt steeds op den grond, soms op een lagen doornstruik, op jonge

houtkappingen of in het jonge koorn, in het hooge gras van moerassige

weiden en zelfs tusschen riet en andere moerasplanten, hier echter

altijd op een droge, met biezen begroeide plek. Eigenlijk is het nest

eenvoudig een verwarde hoop van droge rijsjes, gras- en riethalmen,

aardappelstengels, mistkluiten en dergelijke stoffen, die eerst met

de pooten opgenomen en op haar plaats gelegd, vervolgens bijna zonder

medewerking van den snavel samengevoegd en van binnen met mossen,

haren van dieren, veeren en andere op dezelfde wijze aangesleepte,

zachte materialen slordig bekleed worden. De eieren ten getale van

4 of 5, zelden 6, gelijken nog het meest op die van Uilen; zij zijn

groenachtig wit van kleur, meestal zonder eenige teekening; indien

deze aanwezig is, bestaat zij eenvoudig uit enkele kleine, roodachtig

grijze of geelbruine, ronde vlekjes. De jongen zien er allerliefst

uit in hun dicht, aan de oppervlakte grijsachtig getint jeugdkleed;

in het nest zitten zij met de koppen bij elkaar, drukken zich bij de

komst van een vreemd wezen plat op den bodem neer en blijven in deze

houding, alsof zij dood zijn, totdat de vijand hen grijpt of zich

weder verwijderd heeft; intusschen houden zij zich stil, hoewel zij

anders hun geschreeuw, dat aan 't piepen van jonge kuikens herinnert,

duidelijk genoeg laten hooren. Aanvankelijk zwerven zij in gezelschap

van hunne ouders door het broedgebied en krijgen van deze onderricht

en opleiding voor de jacht; weldra echter wordt de lust om hun eigen

gang te gaan in hen levendig en voordat er 3 weken voorbijgegaan zijn,

leiden zij hetzelfde leven als de volwassen Vogels. Het valt niet te

ontkennen, dat de fraaie, lichtblauwe Vogel, vooral in het voorjaar,

als hij boven de groene akkers zweeft, een sieraad van de vlakte

genoemd mag worden. Evenmin mag men over 't hoofd zien, dat hij door

het verslinden van Muizen en Insecten, vooral Sprinkhanen, ons groote

diensten bewijst, door het wegvangen van Hagedissen en Kikvorschen, die

na de Muizen waarschijnlijk zijn voornaamste voedsel uitmaken, ons op

zijn minst genomen geen nadeel berokkent. Wegens de vele overtredingen,

waaraan hij zich schuldig maakt, kan hij echter geen aanspraken

doen gelden op onze bescherming. In weerwil van zijn schijnbare

zwakkelijkheid is hij een even drieste als gevaarlijke vijand van alle

dieren, die hij vermeesteren kan. Vele kleine Zoogdieren, voor zoover

zij niet grooter zijn dan een Ziesel of een jonge Haas, alle jonge,

nog weerlooze Vogels, die in een nest op den bodem geboren zijn,

de halfwassen Fazanten en Patrijzen zoowel als de Boschzangers,

hebben zijne roofgierige klauwen te vreezen. Hoewel Vogels, die

hun volkomen kleed reeds bezitten en tot vliegen in staat zijn, hem

gemakkelijk kunnen ontkomen, kost het medenemen van het broedende

wijfje hem in sommige gevallen niet meer moeite dan het ontvoeren

van de halfvolwassen Vogels uit hun nest of het rooven van de eieren.

Met de Kraaien leeft de Blauwe Kuikendief in voortdurenden strijd;

van moedige, kleine Vogels, vooral van Zwaluwen en Kwikstaarten,

heeft hij veel te verduren. Bovendien wordt hij lastig gevallen

door parasieten, die op en in zijn lichaam leven. De eierenzoeker

is voor hem de gevaarlijkste mensch, want den jager weet hij in de

meeste gevallen te ontkomen. Met den Ooruil lokt men in den regel

slechts jonge Vogels aan, tenzij in de nabijheid van de horst. Vallen

leiden gewoonlijk ook niet tot het gewenschte doel, met uitzondering

misschien van een zorgvuldig verborgen sprenkel, die op behoorlijke

wijze met een lokaas voorzien is. De uitkomst van de jacht is dus

steeds eenigszins twijfelachtig.

In de kooi houdt zelfs de oud gevangen Kuikendief zich veel rustiger

dan alle tot andere geslachten behoorende Valkvogels. Om hem in

't leven te houden moet men zijn disch met allerlei kleine dieren

voorzien, om hem groot te brengen het voedsel bovendien vooraf

stuk maken.

De Aschgrauwe Kuikendief (Circus pygargus) bewoont ten deele dezelfde

gewesten als de vorige soort en vervangt haar in andere. Hij heeft

een minder duidelijken sluier, is veel slanker en een weinig kleiner:

totale lengte 44, vlucht 125 cM.; de vleugels zijn naar evenredigheid

langer en puntiger, de staart langer (vleugel 48, staart 23 cM.). Het

oude mannetje, dat ongetwijfeld de fraaiste van onze Kuikendieven is,

heeft den kop en de bovenborst blauwachtig aschgrauw, welke kleur op

den nek en den rug, wegens de donkere vederzoomen, die hier duidelijk

op den voorgrond treden, in donker aschgrauw overgaat; de onderborst,

de buik en de verlengde schenkelveeren zijn wit, doch met smalle,

roestroode schaftstrepen zeer fraai geteekend. De handpennen zijn

zwart, de armpennen licht aschkleurig blauw met een zwarten band,

de achterste armpennen bruingrijs, de beide middelste staartveeren

aschgrauw, de overige lichter, de beide buitenste roestbruinachtig,

alle met zwarte dwarsbanden. De iris is bij de oude Vogels levendig

hooggeel, bij de jongen bruin, de snavel blauwzwart, de washuid geel,

de zeer hooge en dunne voet waskleurig geel.

Het verbreidingsgebied van den Aschgrauwen Kuikendief is niet minder

uitgestrekt dan dat van zijne reeds genoemde verwanten; deze Vogel

behoort echter meer in het oosten dan in het westen van het noordelijke

faunistische Rijk der Oude Wereld thuis. In Nederland houdt hij zich

van April tot October op; hij werd broedende gevonden in droge streken

van Noord- en Zuid-Holland, Noordbrabant, Gelderland, Overijsel,

Drente en Friesland, waar hij gewoonlijk in open bosschen en in de

duinen nestelt. In Duitschland behoort hij tot de minder veelvuldige

soorten van zijn geslacht, hoewel hij op voor hem geschikte plaatsen

niet ontbreekt. Hij houdt van uitgestrekte weiden of van moerassen,

die in den zomer grootendeels droog zijn, vestigt zich daarom bij

voorkeur in de nabijheid van rivieren en vooral in laaglanden, die

gedurende den winter bij hoogen waterstand blank staan.

De laatste soort van dit geslacht, die wij te beschrijven hebben,

is de Bruine Kuikendief, Klem, Kiekendief, Wouw of Rietwouw,

op Texel Schor, in Noordbrabant Koop, in Friesland Hanenbijter,

Hanenschrobber, Muizenbijter, Hanemosk, in 't Friesch Hoanskribber

genoemd (Circus aeruginosus). De kleur van het kleed loopt niet

slechts bij de mannetjes en wijfjes en bij de jongen en volwassenen,

maar ook in de verschillende tijden van 't jaar vrij sterk uiteen. Bij

het oude mannetje hebben de veeren van het voorhoofd en de kruin

bruingele randen, overigens zijn de bovendeelen koffiebruin; de

veeren van voorhals en voorborst zijn geelbruin gevlekt, die van de

overige onderdeelen roestrood, aan den top lichter, de handpennen

zwartbruin, een deel van de armpennen en de groote vleugeldekveeren

fraai aschgrauw, de stuurpennen lichter grijs en met een roodachtig

waas. De kleur van het oude wijfje is minder levendig en biedt minder

afwisseling aan dan die van het oude mannetje; vooral het aschgrauw van

den vleugel en den staart is zelden aanwezig; de staart is van boven

gezien grijsbruin, de kop geelachtig wit met donkere schaftstrepen,

een vlek aan weerszijden van den nek, de schouders, de (weinig

ontwikkelde) sluier en de borst zijn eveneens lichter van kleur. Bij

den jongen Vogel, die over 't geheel genomen op het wijfje gelijkt,

heeft effen donkerbruin de overhand; de bovenkop, de nek en de keel

zijn geelachtig. Het oog is bij de ouden geel, bij de jongen bruin;

de pooten en de washuid zijn geel. Totale lengte 55, vlucht 136,

vleugel 43, staart 24 cM. Het wijfje is 3 à 4 cM. langer en heeft 7

à 9 cM. meer vlucht.

Bezuiden den 57en breedtegraad ontbreekt de Bruine Kuikendief in geen

der landen van Europa; men treft hem hier aan in alle gewesten, die de

eischen bevredigen, welke hij aan zijn verblijfplaats stelt. Bovendien

ontmoet men hem geregeld in geheel West-Azië, in noordelijke richting

tot ongeveer op de breedte van het Altaï-gebergte; verder oostwaarts

wordt hij steeds zeldzamer; aan den Amoer en in China krijgt men hem

slechts zeer zelden te zien. Op den trek doorreist hij het vasteland

van Zuid-Azië en ook een groot deel van Afrika. Meer dan eenige andere

Kuikendief is hij aan de lage landen gebonden; moeras en water zijn

volstrekt noodig voor zijn bestaan; men mag gerust zeggen, dat hij

beide nooit uit het oog verliest. In ons vaderland vindt men hem

van Maart tot September in moerassige, met riet begroeide streken

overal. In vele van deze gewesten is hij de meest talrijke van alle

Roofvogels. Soms overwintert hier een enkel exemplaar.

Door levenswijze en aard is de Bruine Kuikendief een onedele

Roofvogel. Wegens zijn zwakken lichaamsbouw kan hij geen ander

dan krachteloos wild jagen, dat hij op den grond of in een

schuilhoek van het moeras overvalt en in den echten zin van 't woord

vermoordt. Angstvallig ontwijkt hij den mensch; behendig weet hij zich

in veiligheid te stellen door in het riet of naar ontoegankelijke

gedeelten van het moeras te vluchten; op deze wijze ontkomt hij,

zonder eigenlijk schuw te zijn, in de meeste gevallen aan zijne

vervolgers. Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit water- en

moerasvogels en hun kroost, zoowel wanneer dit nog in den eitoestand

verkeert, als na het verlaten van de eischaal. Alleen wanneer hij

geen Vogels kan krijgen, behelpt hij zich met Amphibiën, Visschen en

Insecten. Dat hij een even behendige als kwaadaardige nestenzoeker is,

weten de oude Vogels zeer goed; zij trachten hem daarom op allerlei

wijzen van hunne nesten verwijderd te houden en vervolgen hem met

jammerlijk geschreeuw en woedende snavelhouwen. De Wilde Ganzen,

Eenden en andere Zwemvogels bedekken hunne eieren, wanneer zij deze

voor een tijd moeten verlaten, met nestmateriaal en trachten ze

hierdoor voor de oogen van den Bruinen Kuikendief te verbergen.

Alleen in den paartijd verloochenen deze Roofvogels hun tragen aard,

hun als 't ware kruipend leven, alleen dan verlaten zij het moeras

en het rietveld om onder allerlei vreemdsoortige kapriolen hoog

in de lucht rond te stoeien, alsof zij toonen willen, wat zij van

't vliegen verstaan. Een paar van deze Vogels, die overigens zoo

verborgen leven, dat men ze bijna gedurende het geheele jaar niet

opmerkt, kan in de maand April een geheele streek verlevendigen.--Het

nest wordt op moerassige plaatsen, tusschen riethalmen of struiken,

van riet en andere waterplanten gebouwd; het rust veelal onmiddellijk

op het water. Op zijn vroegst in de laatste dagen van April, meestal

niet voor de eerste dagen van Mei, vindt men er het voor het broeden

noodige aantal eieren in, in den regel 4 of 5, zelden 6. Zij hebben

een oneffene of althans doffe, glanslooze schaal van groenachtig

witte of blauwgroene kleur.

Van alle Kuikendieven is de Bruine zonder eenigen twijfel de

schadelijkste.

Een afzonderlijke onderfamilie vormen de Gierbuizerden (Polyborinae),

Amerikaansche Roofvogels, welker kenmerken gelegen zijn in een

betrekkelijk langen snavel, welks bovenhelft aan den wortel recht

loopt, aan de spits zwak gebogen is en vóór den korten haak geen tand

bezit, voorts in voeten met een hoogen en dunnen loop, korte vleugels,

een langen en breeden staart en een hard vederenkleed, dat de teugels

(in enkele gevallen ook de keel en het voorste deel van 't voorhoofd)

onbedekt laat, terwijl het op den achterkop uit spitse veeren bestaat.

Deze merkwaardige Vogels vervangen in hun vaderland niet slechts

de Gieren, maar ook de Raven, Kraaien en Eksters. Men ontmoet ze in

Zuid-Amerika overal, van het zeestrand tot in de hooge bergstreken

der Andes. "De Gierbuizerden," zegt D'Orbigny, "zijn voor alle

bewoners van deze gewesten, op welken trap van beschaving zij ook

verkeeren, de indringendste parasieten. Trouwe metgezellen van den

wilden nomade, begeleiden zij hem van den eenen woudzoom tot den

anderen, langs de oevers der rivieren of door de vlakte en zetten

zich neer dicht bij de plek, die hij tot tijdelijke verblijfplaats

kiest. Waar men zich ook voor eenigen tijd moge vestigen en een hut

bouwen, steeds zal de Gierbuizerd zich op het dak neerzetten en als

't ware de eerste zijn, die de woning in bezit neemt; steeds is hij

gereed om zich te ontfermen over de weggeworpen overblijfselen van

het voedsel van den eenzamen kolonist. Overal waar een vereeniging

van menschelijke woningen, een gehucht of een dorp, ontstaat, ziet

men de Gierbuizerden verschijnen; zij vatten post in de nabijheid en

zwerven onophoudelijk rond tusschen de huizen, die een overvloed van

gemakkelijk verkrijgbaar voedsel beloven. De onvermoeide werkzaamheid

van den Gierbuizerd schijnt nog toe te nemen, wanneer de tot hoogere

beschaving geraakte mensch aanvangt landerijen te ontginnen en zich met

een groot aantal huisdieren omgeeft. Zijn kostwinning is nu verzekerd;

hij schroomt niet zijn bedrijf uit te oefenen te midden van het dorp,

waar hij zijn voordeel doet met de achteloosheid der bewoners, nu

eens door jonge hoentjes te rooven, dan weer door het vleesch, dat te

drogen hangt, te stelen. Evenals de Gier, moet ook hij de gevolgen van

de nalatigheid der bewoners van dorpen en steden afwenden door het

verslinden van krengen en drek." Twee soorten van deze onderfamilie

houden steeds de wacht bij de hutten der bewoners van de steppen en

woudzoomen, andere zwerven met dezelfde bedoeling om de woningen in

't gebergte, weer andere houden zich op in de uitgestrekte wouden,

eenige eindelijk treft men langs de zeekust aan.

De vliegende Gierbuizerden zijn op een afstand kenbaar aan den

vierhoekigen vorm der uitgespreide vleugels, welker slagpennen

schijnbaar alle even ver reiken.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 10 / 31 段