den Stillen Oceaan ontbreekt de Harpij in geen enkel groot woud. In
het gebergte bewoont zij echter slechts de diepste en heetste dalen:
in het eigenlijke bergland treft men haar niet aan. Overal waar zij
voorkomt, is zij wel bekend en sedert onheugelijke tijden in hoog
aanzien. Vele wonderlijke berichten zijn over haar in omloop. Een
van de eerste beschrijvers van de voortbrengselen van Amerika,
Fernandez, verhaalt, dat de Harpij bijna zoo groot is als een Schaap,
om onbeduidende redenen den mensch aanvalt, zelfs wanneer zij getemd
is, voortdurend een woesten en gemelijken aard toont, maar toch
gemakkelijk voor de jacht afgericht kan worden. Voorts verzekerde men,
dat een enkele snavelhouw van de Harpij voldoende is om den schedel
van een mensch te verbrijzelen. Door berichten uit lateren tijd werden
deze overdrijvingen tot de juiste maat teruggebracht.
De Harpij bewoont binnen de reeds genoemde grenzen vochtige,
waterrijke wouden, bij voorkeur rivieroevers. Zij komt overal voor,
maar is nergens veelvuldig, waarschijnlijk wegens de felle vervolging,
die zij te verduren heeft, omdat hare veeren sinds overouden tijd
door de Indianen als opschik gebruikt en op zeer hoogen prijs gesteld
worden. Buiten den paartijd ziet men haar steeds eenzaam, als 't ware
uit vrees voor de concurrentie van haar echtgenoot bij de uitoefening
van haar bedrijf. Evenals de Havik, ziet men haar niet vaak op hooge
boomen zitten, tenzij op de onderste takken. Van hier stijgt zij in
korten tijd, bij rukken, doch pijlsnel vliegend, in de eerste plaats
loodrecht omhoog, beschrijft eenige minuten lang kringen in de lucht
en stort zich, als zij het geluk heeft een buit op te merken, met
geweld hierop neer.
Uit verschillende berichten blijkt, dat de Harpij geen enkel
warmbloedig Gewerveld Dier versmaadt, voor zoover het niet door
grootte of weerbaarheid tegen hare aanvallen beveiligd is. Eenige
onderzoekers hellen over tot de meening, dat zij uitsluitend op
Zoogdieren en wel vooral op Apen en Luiaards jacht maakt; Tschudi
heeft evenwel opgemerkt, dat zij ook ijverig Vogels vangt. "Geen
Roofvogel," zegt hij, "wordt door de Indianen zoo zeer gevreesd als
de Harpij. Haar grootte, haar moed en haar vermetelheid maken haar
inderdaad tot een der gevaarlijkste vijanden van de Peruaansche
landlieden; waar zij zich ook moge vertoonen, wordt zij daarom met
de grootste woede vervolgd. In vele boschstreken is het den Indianen
gladweg onmogelijk pluimvee of kleine Honden te houden, daar de
onverzadelijke Roofvogel ze met bewonderenswaardige stoutmoedigheid
wegsleept. Wij hebben gezien, dat een Harpij op een hen stootte en haar
medevoerde, hoewel de Indiaan, aan wien de hen toebehoorde, zich op
nauwelijks drie schreden afstands bevond. In de wouden verschaffen de
talrijke Sjakoehoenderen en Tinamoes haar een overvloed van voedsel;
bovendien echter richt zij onder de Eekhoorns, Buidelratten en Apen
een groote slachting aan. Als een troep van de laatstgenoemde dieren,
vooral van Kapucijner-apen, de lucht krijgen van de nabijheid van een
Harpij, beginnen zij jammerlijk te huilen, vluchten alle, indien het
mogelijk is, in een boom en trachten zich in het dichte gebladerte
te verschuilen. Klaagtonen uiten is het eenige, wat deze weerlooze
dieren kunnen doen, als een vijand ze aanvalt."
De horst van de Harpij staat op een zeer hoogen boom, is zo groot
als het nest van een Jabiroe of Reuzenooievaar en wordt, volgens de
berichten der Indianen, jaren lang gebruikt.
A. d'Orbigny verhaalt, dat de Harpij door de Indianen zeer dikwijls
uit het nest genomen, grootgebracht en in gevangenschap gehouden wordt,
met het eenige doel om de veeren, waarop zoo veel prijs gesteld wordt,
op een gemakkelijker wijze te verkrijgen dan dit door het dooden van
den ouden Vogel kan geschieden. De Indiaan, die een levende Harpij
bezit, staat in hoog aanzien bij zijne stamgenooten. De zorg voor de
voedering van den Vogel is aan de vrouwen opgedragen, die hem moeten
meenemen bij de zwerftochten van den stam in de wouden. Zoodra de
gevangen Harpijen haar volkomen kleed verkregen hebben, begint haar
lijden, want haar eigenaar trekt haar tweemaal per jaar de veeren
van den staart en van de vleugels uit om zijne pijlen er mede te
versieren of er een hoofdtooi van te maken. Deze veeren zijn een van
de belangrijkste ruilartikelen van de Indianen; sommige stammen, die
als bekwame jagers van Harpijen bekend staan, verwerven daarmede al
wat een Indiaan begeerlijk voorkomt. In Peru valt den gelukkigen jager
nog een extra-belooning ten deel. "De Indiaan, die het geluk heeft
een Harpij te dooden," zegt Tschudi, "gaat er mede bij alle hutten
langs en krijgt van de bewoners een premie in den vorm van eieren,
Hoenderen, maïs en dergelijke producten." De wilden en de Europeanen,
die bij den Amazonenstroom wonen, beschouwen het vleesch, het vet en
den drek van dezen Vogel als uitmuntende geneesmiddelen.
Verscheidene malen reeds zijn levende Harpijen in de Europeesche
dierentuinen, vooral te Londen, Amsterdam en Berlijn, te zien
geweest. Het zijn fiere, statige Vogels. De wijze waarop zij zich in de
kooi gedragen, wordt verschillend beschreven; de volgende mededeeling
van Pourlamaques vinde hier een plaats: "Het Museum te Rio de Janeiro
kreeg een jonge Harpij, die nauwelijks kon vliegen; dit dier is nu
8 jaar oud en evenaart een Kalkoenschen haan in grootte. Soms houdt
zij zich in haar kooi zeer kalm, met opgeheven kop stijf om zich
heen ziende, en ziet er dan werkelijk statig uit; meestal echter
loopt zij onrustig op de zitstokken heen en weer. Zoodra de een
of andere Vogel voorbijvliegt, krijgt haar gelaat onmiddellijk een
woeste uitdrukking; zij maakt dan levendige bewegingen en schreeuwt
geweldig. In haar woede is zij sterk genoeg om de ijzeren staven van
haar kooi te buigen. Ondanks haar langdurige gevangenschap is zij
niet tam geworden, heeft niet eens voor haar oppasser genegenheid
opgevat en hem integendeel eens een niet onbeduidende wonde aan den
schouder toegebracht. Jegens vreemde toeschouwers is zij wild; ieder
die haar onvoorzichtig nadert, loopt gevaar door haar aangevallen te
worden. Over plagerijen met wandelstokken en parapluies wreekt zij
zich onmiddellijk door het voorwerp, dat men haar toesteekt, met de
klauwen te grijpen en woedend stuk te breken. Tegen dieren toont zij
een toomelooze woede. Zoo trok zij eens een teef, die onvoorzichtig in
de nabijheid van haar kooi kwam, onmiddellijk naar binnen en scheurde
haar in stukken; hetzelfde deed zij met een jong Stekelvarken. Ook
hare soortgenooten valt zij aan. Toen men een tweede levende Harpij
in de kooi bracht, namen beide dadelijk een vijandige houding aan. De
oudste begaf zich naar den hoogsten zitstok en breidde de vleugels
uit, de kleine nieuweling maakte zich op dezelfde wijze gereed tot
den strijd. De oppasser wierp een kip in de kooi, welke prooi door den
kleinen Vogel, die half razend was van honger, onmiddellijk gegrepen
werd. Dadelijk viel nu de groote Harpij op haar soortgenoot aan,
ontrukte dezen het Hoen en vloog er mede op haar zitstok. De jongste
roover liet een schreeuw hooren, waggelde, een bloederig slijm vloeide
hem uit den snavel en hij viel dood neer. Bij de ontleding bleek,
dat zijn hart getroffen was.
"Deze Vogel heeft een onverzadelijken honger en is zoo roofgierig,
dat hij alle dieren, viervoetige, zoowel als gevleugelde, die
hij vermeesteren kan, overvalt en met huid en haren of veeren
verslindt. Hij heeft een ontzaglijk groote hoeveelheid voedsel
noodig. Toen hij nog klein was, at hij op één dag een big, een Kalkoen,
een Hoen en een stuk rundvleesch. Hij wijst niets af; buitengewone
lekkernijen legt hij soms eenige uren ter zijde. Aan levende dieren
geeft hij de voorkeur boven doode. Als de prooi vuil of bedorven is,
werpt hij haar eerst in zijn drinkbak om haar te zuiveren. In weerwil
van zijn spierkracht is hij bij den aanval voorzichtig. Sterke
Vogels pakt hij met zijne klauwen zóó bij den snavel aan, dat zij
geen weerstand kunnen bieden. Gedurende het vreten schreeuwt hij
luid en slaat intusschen met de vleugels. Dit geschreeuw is zeer
doordringend en zelfs oorverdoovend; in niet opgewonden toestand
piept hij als een kuiken."
Onze Sperwer wordt beschouwd als het type van een naar hem benoemd
geslacht (Accipiter), welks leden over alle werelddeelen verbreid
zijn en zich kenmerken door een slanken romp, een kleinen kop met een
slanken snavel, die in een zeer scherpen haak eindigt, korte vleugels,
een langen, recht afgesneden staart en een zeer langen, zwakken loop
met dunne, lange teenen, welke met uiterst scherpe klauwen gewapend
zijn. De kleur en teekening van het vederenkleed bieden bij de ouden
en de jongen weinig verschil aan.
De Sperwers munten uit door vermetelheid en behendigheid bij het
uitoefenen van het rooversbedrijf; zij behooren tot de meest begaafde
leden der familie.
De Sperwer, in Zuid-Holland Vinkenvalk, Vinkendief of Vinkensperwer,
bij Nijmegen Stervalk, bij Haarlem Koekoeksveeren, in Noordbrabant
Schietvogel, in Limburg Spelver genoemd (Accipiter nisus), is een van
de kleinste soorten van zijn geslacht. Zijn lengte bedraagt 32, de
vlucht 64, de vleugellengte 20, de staartlengte 15 cM. Het wijfje is
8 à 9 cM. langer en heeft 12 à 15 cM. vlucht. Bij de volwassen Vogels
is de geheele bovenzijde zwartachtig aschgrauw, de onderzijde wit met
roestroode golflijnen en schaftstrepen van roestroode kleur; deze is
bij het mannetje gewoonlijk helderder dan bij het wijfje; de staart
heeft 5 of 6 zwarte dwarsstrepen en een witten zoom aan de spits. De
snavel blauw, de washuid geel, de iris goudgeel, de voet lichtgeel.
De Sperwer bewoont het geheele Noordelijke Rijk van de Oude Wereld,
van den Amoer tot Madeira. Hij broedt, naar het schijnt, in alle landen
van Europa, van Lapland en Noord-Skandinavië tot Griekenland, en is
ook in het grootste deel van Middel-Azië vermoedelijk standvogel. In
den herfst trekt hij de Vinken achterna en verhuist uit sommige streken
van Europa tot naar Noord-Afrika, uit enkele gewesten van Azië tot in
Indië. Bosschen, zooals hij ze wenscht, worden het meest in Europa
gevonden; daarom is hij in ons werelddeel veelvuldiger dan in Azië,
hoewel men hem ook hier ontmoet in elk gebied, dat de door hem gestelde
eischen eenigermate bevredigt. Allerlei bosschen verschaffen hem
een woonplaats; aan die, welke door akkers omgeven zijn, geeft hij
de voorkeur, vooral wanneer zij in bergstreken voorkomen. Wel verre
van den mensch te schuwen, zal hij zich gaarne in de onmiddellijke
nabijheid van dorpen en steden vestigen, deze, althans in den herfst
en den winter geregeld bezoeken en zelfs in kleine boomgaarden te
midden van steden zijn bedrijf uitoefenen. Wanneer zijn jacht in zulke
oorden gelukkig is geweest, ziet men hem er dagelijks op bepaalde
uren verschijnen; soms zal hij zich niet eens de moeite geven de hier
gevangen prooi ver weg te dragen, maar haar op een verborgen plekje,
in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen verslinden. Hier
te lande werd de Sperwer in kleinen getale broedend aangetroffen in
de provinciën Limburg, Noordbrabant, Gelderland, Utrecht, Overijsel
en Friesland. Deze exemplaren zwerven na den broedtijd rond en kunnen
als standvogels beschouwd worden. Andere komen in vrij grooten getale
als wintergasten uit het noorden.
De driestheid gaat bij den Sperwer gepaard met merkwaardige
tegenwoordigheid van geest, list en geveinsdheid. Hij is een type
van een zwervenden gauwdief of struikroover en onderscheidt zich
door zijne handelingen zeer van alle overige Europeesche Valkvogels,
met uitzondering alleen van zijn in Zuidwest-Europa voorkomenden,
kortteenigen verwant (Accipiter brevipes) en van den Havik. Beter
dan eenige andere Roofvogel verstaat hij de kunst om zijne booze
bedoelingen te verbergen. Reeds Naumann merkte op, dat de Sperwer soms,
om de kleine Vogels te bedriegen, als een Gaai vliegt. Hij is de meest
gevreesde vijand van alle kleine Vogels; niet zelden trouwens waagt
hij zich ook aan grootere. Alle Vogels, die niet grooter zijn dan een
Patrijs en niet kleiner dan een Goudhaantje, hebben, naar het schijnt,
van zijne aanvallen te lijden; kleine Zoogdieren worden evenmin
gespaard. Aan moed en roofzucht ontbreekt het den Sperwer stellig
niet; daar hij jacht maakt op ieder wild, dat hij meent te kunnen
vermeesteren; schijnbaar zonder doel valt hij soms zelfs weerbare
dieren aan. "Eens", verhaalt Naumann, "wandelde ik in mijn boschje
en keek een Reiger na, die op zijn gemak dicht bij de boomen langs
vloog. Plotseling schoot uit de dichte kroon van een der laatste boomen
een Sperwer naar buiten, die den verschrikten Reiger onmiddellijk
bij den hals te pakken had; beide tuimelden onder afgrijselijk
geschreeuw naar beneden. Dadelijk snelde ik toe; tot mijn spijt werd
ik te vroeg opgemerkt door den Sperwer, die, hierdoor verschikt, den
Reiger losliet, waarna deze rustig zijn weg vervolgde. Ik zou wel
eens hebben willen weten, hoe deze ongelijke strijd afgeloopen zou
zijn, als ik niet storend tusschen beide was gekomen. Zou de kleine,
doldrieste roover werkelijk den Reiger overwonnen en gedood hebben?"
Alle kleine Vogels kennen en vreezen dezen gevaarlijken vijand
in hooge mate. De Musschen kruipen uit benauwdheid in muizengaten;
alle trachten zich zoo goed mogelijk te redden en toonen hierbij soms
een niet geringe schranderheid. Eenige beschrijven kleine kringen om
boomtwijgen of boomstammen, krijgen zoodoende een kleinen voorsprong
op den Sperwer, die hen, hoe behendig hij ook is, toch niet zoo
snel kan volgen en sluipen dan bliksemsnel te midden van de dichte
struiken. Andere laten zich bij het verschijnen van den roover plat
op den grond vallen, waar zij zonder beweging blijven liggen en
dan dikwijls over 't hoofd gezien worden, kortom ieder neemt het
redmiddel te baat, dat hem het geschiktst voorkomt. De behendigste
vogeltjes vervolgen luid schreeuwend den geweldenaar, trekken hierdoor
de aandacht van andere Vogels en nopen hen voorzorgsmaatregelen te
nemen. Vooral de Boerenzwaluwen verijdelen op deze wijze dikwijls
de jacht van den Sperwer. Deze begeeft zich met zijn buit naar een
verborgen plekje, waar hij hem, na het uitplukken der groote veeren,
op zijn gemak verslindt. De tot ballen saamgeklonterde beenderen,
veeren en haren spuwt hij later weer uit. Jonge nestvogels, vooral
die, welke in nesten op den bodem uitgebroed zijn, behooren tot zijn
liefste spijzen; de eieren worden echter evenmin versmaad.
De Sperwer laat slechts zelden, gewoonlijk niet anders dan bij de
horst, zijn stem hooren. Deze bestaat uit de snel opeenvolgende
klanken "ki ki ki", die, naar het schijnt, tot waarschuwing dienen,
of uit het langzamere geroep "kèk kèk".
De horst staat in het kreupelhout of in bosschen met opgaande boomen,
zelden hoog boven den grond, maar steeds zooveel mogelijk verborgen,
bij voorkeur op naaldboomen, dicht bij den stam. Tusschen den 10den
Mei en den 20sten Juni vindt men in het nest 3 à 5 middelmatig groote
eieren, die gewoonlijk op krijtwitten, meer of minder grijsachtigen of
roodachtigen grond met roodbruine, leemroode en grijsblauwe, groote
en kleine vlekken en stippels bezaaid zijn. De beide ouders brengen
een overvloed van voedsel aan hunne jongen; dit kan echter alleen
door het wijfje op een behoorlijke wijze voor hen gereed gemaakt
worden. Men heeft opgemerkt, dat jonge Sperwers, welker moeder gedood
was, bij een ruim voorzienen disch verhongerden, omdat hun vader de
spijs voor zijn kroost niet geschikt kon maken.
De grootste soorten van Edelvalken en de Havik vreten den Sperwer
zonder complimenten op, wanneer zij hem te pakken kunnen krijgen;
de kleinere Vogels toonen hun haat minstens door hem te vervolgen. Te
recht wordt deze buitengewoon schadelijke Roofvogel door den mensch
niet gespaard, maar zonder mededoogen gedood. Toch is de Sperwer nog
in den tegenwoordigen tijd bij vele volken van Azië een hooggeschatte
jachtvogel. Ook in Europa werd hij voor het vluchtbedrijf gebruikt;
het mannetje diende zelden voor dit doel; het wijfje echter werd
afgericht voor de vlucht op Kwartels en allerlei kleine Vogels,
gelijk thans nog dikwijls geschiedt in de zuidelijke gedeelten van
den Oeral. Ook in Perzië en Indië jaagt men nog met Sperwers.
Onze Havik, Duivenvalk of Patrijzenvalk, in 't Oud-Friesch Hauck
geheeten (Astur palumbarius), beantwoordt geheel aan het type van de
groep, die zijn naam draagt. Van den Sperwer verschilt hij door een
meer gedrongen lichaamsbouw, een langeren snavel, een meer afgeronden
staart en dikkere pooten. Hij is een groote, forsch gebouwde Roofvogel:
het mannetje heeft 55 cM. lengte en 1.1 M. vlucht (vleugel 31, staart
22 cM.); het wijfje is 12 à 15 cM. langer en heeft 15 à 18 cM. meer
vlucht (vleugel 39 cM.). In het volkomen kleed zijn de bovendeelen
zwartachtig grijsbruin en meer of minder aschkleurig blauw getint,
de onderdeelen wit, elke veer met bruinzwarte schaftstrepen en
golflijnen. De snavel is hoornzwart, de washuid lichtgeel, het
oog hooggeel, de voet geel. In het jeugdkleed zijn de bovendeelen
bruin, elke veer met roestgele kanten en vlekken, de onderdeelen
roestroodachtig, later witachtig roestkleurig met bruine, overlangsche
vlekken. De snavel en het oog, de voet en de washuid zijn bij de
jongen lichter van kleur dan bij de volwassenen.
Het verbreidingsgebied van den Havik omvat het grootste deel van Europa
en van Middel-Azië; in de hiertoe behoorende landen komt hij volstrekt
niet overal voor, en niet in alle door hem bewoonde gewesten even
veelvuldig. Hier te lande broedt hij in alle eenigszins uitgestrekte
bosschen van Limburg, Noordbrabant, Utrecht, Gelderland en Friesland;
hij is hier standvogel, maar zwerft in het winterhalfjaar rond. In de
boschrijke streken van Duitschland is hij een gewone verschijning; daar
waar geen toezicht gehouden wordt op de jacht, neemt hij eerder toe dan
af, terwijl in andere districten het tegendeel voorkomt. Uit oorden,
waar hij zich eens gevestigd heeft en de voorwaarden voor zijn bestaan
verwezenlijkt vindt, laat de Havik zich moeielijk verdrijven. Hij
verlangt een met dicht houtgewas begroeide streek om veilig te kunnen
rusten en zich gemakkelijk op zijn buit te kunnen storten, maakt bijna
geen verschil tusschen naaldhout en breedbladige boomen en geeft de
voorkeur aan bosschen, die met akkers en weiden afwisselen; in groote
wouden komt hij echter veelvuldiger voor dan in kleine. In het koude
jaargetijde zwerft hij rond; de jonge Vogels, die in noordelijke
streken zijn uitgebroed, verlaten deze geregeld in den winter.
De Havik, een eenzaam levende, ongezellige klant, wiens verkeer met
zijn echtgenoote tot den paartijd beperkt blijft, is een hoogst
onstuimige, drieste, snelle, sterke en tevens listige en schuwe
Roofvogel. Zijn vlucht is altijd snel, doch wordt bij het stooten
zoozeer bespoedigd, dat zij aanleiding geeft tot een ruischend geluid;
ook laat hij zich dikwijls op zijne wieken drijven en spreidt den
langen staart dan gewoonlijk eenigszins uit. Misschien biedt bij
geen anderen Valkvogel de vlucht zooveel verscheidenheid van beweging
aan als bij den Havik. Hoewel hij een groote snelheid bereikt, maakt
hij scherpe en onverwachte wendingen; in 't eene oogenblik onstuimig
voortijlend, toont hij in het andere een voor zulk een grooten Vogel
werkelijk verrassende behendigheid. Plotseling snel omhoogstijgend,
zweeft hij eenige malen rond, stort eensklaps naar beneden, vliegt
zonder eenigszins te aarzelen tusschen dicht bijeenstaande boomen door
en bevindt zich nu eens op groote dan weer op geringe hoogte. Op den
grond beweegt ook hij zich gebrekkig, gewoonlijk huppelend, slechts
zelden stappend. Zijn stem is een krachtig, ver hoorbaar, wanluidend
gekrijsch, dat echter niet dikwijls weerklinkt. Het langgerekte "iwieè"
geeft boosheid of verdriet te kennen; vreugde over een welgeslaagde
jacht wordt aangeduid door "iwieè iwieè"; bij de paring schreeuwt hij
"gek gek gek", "giek giek giek" en later snel achtereen "kjak kjak";
als vrees hem bevangt, laat hij de klanken "wieè wieè" of het zachte
"wieswies" hooren.
Men ziet den Havik aan 't werk en in beweging op iederen tijd van den
dag, ook in de middaguren, die door de meeste Roofvogels aan de rust
worden gewijd. Tamelijk geregeld doorkruist hij een groot gebied;
op plaatsen, waar hij een gelukkige vangst heeft gedaan, keert hij
geruimen tijd achtereen iederen dag terug. Zijn verbazingwekkende
vraatzucht noodzaakt hem bijna voortdurend te jagen; evenals de
Sperwer, is hij zelden werkelijk bevredigd, maar altijd hongerig,
althans moordgierig. Hij maakt jacht op alle Vogels, hetzij ze zoo
groot zijn als de Trap of het Auerhoen of zoo klein als een Vink, en
op alle Zoogdieren, die hij meent te kunnen vermeesteren. Hij stoot
op den Haas om hem het leven te benemen, neemt de bijtlustige Wezel
van den bodem op, zooals hij het Eekhoorntje van het nest wegneemt,
rooft den vliegenden zoowel als den zittenden Vogel, den zwemmenden
Vogel zoowel als het loopende Zoogdier en haalt zijn buit zelfs uit
schuilplaatsen te voorschijn. Ontzetting maakt zich soms meester van
de dieren, die door hem aangevallen worden; dikwijls zijn deze er
zoo door bevangen, dat zij roerloos blijven zitten. De roofgierigheid
van den Havik wordt slechts door zijn vermetelheid overtroffen; beide
zijn echter nog geringer dan zijn moordlust: hij kent geen mededoogen.
Aanhoudend maakt hij jacht op onze huisdieren; een enkel paar Haviken
kan binnen weinige maanden de rijkst voorziene duiventil ontvolken. De
Duiven slaan, zoodra zij den Havik gewaar worden, ijlings op de
vlucht; deze echter schiet in schuins benedenwaartsche richting haar
pijlsnel achterna en tracht er een te grijpen, gewoonlijk door van
boven af op zijn slachtoffer te stooten. Dit geschiedt met zulk een
snelheid, dat het aanleiding geeft tot een ruischen, dat op 100 à 150
schreden afstands hoorbaar is. Als hij er niet in slaagt de Duiven
door vervolging buit te maken, neemt hij zijn toevlucht tot list. "Op
mijn landgoed in Podolië", bericht Graaf Wodzicki, "worden vele Duiven
gefokt; weldra zagen wij alle duiventillen overvuld. Het groote aantal
Duiven lokte weldra alle Haviken en Valken uit den omtrek aan. Men
weet, dat deze Vogels elkander niet slechts tegen gevaar waarschuwen,
maar ook op een gelegenheid tot rooven attent maken, elkander dus een
gastmaal aanbieden. Mijne Duiven werden nu fel vervolgd; hun aantal
verminderde sterk; zij durfden niet meer naar den akker vliegen en
zochten daarom haar voedsel tusschen de gebouwen. De vermeerderde
ervaring van de Duiven, spoorde de Roofvogels tot grootere list
aan. De Duiven verlieten hare schuilplaatsen zeer zelden en vlogen
altijd dicht bij den grond langs; ook begaven zij zich nooit ver
buiten den hof. Toen deze eigenaardige toestand meer dan een week
geduurd had, gaven de meeste Roofvogels de jacht op en verlieten
de streek; twee sluwe Haviken echter wisten door een verstandige
handelwijze iederen dag hun kost te verdienen. De eene zat uren lang
met opgezette veeren in een tamelijk verborgen hoek op een stroodak,
roerloos, met ingetrokken hals, blijkbaar de houding van een Uil
nabootsend. Weldra werden de Duiven gemeenzamer en gingen op hetzelfde
dak zitten: de booswicht verroerde zich niet; zoodra echter de Vogels
af- en aanvlogen, schoot hij als een pijl uit den boog op hen los en
miste zelden zijn buit, waarmede hij telkens in de boomgaard vloog,
waarschijnlijk, omdat de ervaring hem geleerd had, dat in dezen
tusschen de gebouwen liggenden tuin geen geweer werd afgeschoten. De
tweede Havik, nog schranderder, moediger en vindingrijker dan de
vorige, kwam iederen dag omstreeks hetzelfde uur aanvliegen, maakte de
Vogels zoo verschrikt, dat zij in de duiventil de wijk namen en begon
daarna een formeele drijfjacht. Hij ging n.l. op het invliegplankje
zitten, liep om het hok heen, nam daarna met uitgespreide vleugels
plaats op de eene zijde van de duiventil en trommelde, steeds op
dezelfde plaats ronddansend, zoolang tegen de planken, dat eindelijk
een Duif haar woning verliet, die hij dan onmiddellijk nazette".