De merkwaardigste van alle Wouwen is ongetwijfeld de Koningswouw of

Milaan, die ook wel zonder nadere aanduiding Wouw wordt genoemd en in

Groningen onder den naam van Zwaluwstaart bekend is (Milvus ictinus,

regalis of milvus), een indrukwekkende Vogel van 65 à 72 cM. lengte,

140 à 150 cM. vlucht, 50 cM. vleugellengte en 38 cM. staartlengte

(langs de buitenste, langste veeren gemeten). Van zijne Europeesche

verwanten, en van de andere Wouwen in 't algemeen, onderscheidt

hij zich door zijn ongeveer 10 cM. diep gegaffelden staart. Bij het

volwassen mannetje zijn de kop en de keel wit, alle veeren in 't midden

met een zwartbruine schaftstreep geteekend, de veeren van den kop met

licht roestkleurig waas, de achterhals, de nek, de buik, de borst en

de verlengde schenkelveeren, die over den loop naar beneden hangen,

roestrood, de handpennen zwart, met roestbruin waas aan de oppervlakte

en met donkere, smalle dwarsbanden geteekend, de middelste staartpennen

roestrood, de buitenste zwartachtig, bij de spits met vuilwitten zoom,

de onderzijde van de slag- en stuurpennen wit met smalle, zwartachtige

dwarsbanden. De iris is zilverkleurig, op hoogen leeftijd lichtgeel,

de snavel aan den wortel geel, bij middelmatig oude Vogels blauwachtig,

aan de spits altijd zwart, de washuid geel, evenals de voet.

Deze Vogel, die door Schiller "koning der lucht" werd genoemd, bewoont

alle Europeesche vlakten, van 't zuiden van Zweden tot Spanje en van

hier tot Siberië. In de herfst- en wintermaanden ontmoet men hem in

alle provinciën van Nederland, hoewel in zeer kleinen getale. Een

enkele maal werd in Juni een exemplaar met broedplek waargenomen; dat

hij hier broedt, is echter niet gebleken. In Noord-Duitschland, waar

hij in den regel in het begin van Maart verschijnt en tot de eerste

dagen van October blijft, nestelt hij waarschijnlijk overal. In zachte

winters overwinteren enkele voorwerpen in hun vaderland. De bergstreken

van Duitschland bezoekt hij slechts op den trek; bij troepen van 50 à

200 stuks zoekt hij zijne winterkwartieren op; zijn reis strekt zich

door Noordwest-Afrika tot aan de Kaapverdische eilanden uit.

De Koningswouw is alles behalve een koninklijke Vogel, daar hij traag,

tamelijk log en afschuwelijk lafhartig is. Zijn naam wijst op de rol,

die hij vroeger speelde bij het vluchtbedrijf. De jacht met den Valk

op den Koningswouw, waarbij beide strijders zich hoog in de lucht

verheffen, levert een grootsch schouwspel op; vorsten en grooten waren

er zeer op gesteld. Het was een kostbaar vermaak, daar de Koningswouw

in vele streken in 't geheel niet of hoogst zelden aangetroffen wordt,

zoodat het veel moeite kostte het noodige aantal exemplaren te vangen

en naar het jachtveld te vervoeren, waar zij te gelijk met den Valk

werden losgelaten.

De Koningswouw vliegt langzaam, maar kan deze beweging buitengewoon

lang volhouden; zijn zacht zweven wordt soms wel een kwartier lang

door geen enkelen vleugelslag afgebroken en intusschen slechts door

den breeden staart geregeld; schijnbaar zonder eenige inspanning

verheft hij zich tot een ontzaglijke hoogte, waar het oog van den

mensch hem bijna niet volgen kan; even gemakkelijk legt hij, dicht

bij den bodem langs vliegend, of op grootere hoogte, een grooten

weg af. Op den grond beweegt hij zich gebrekkig, meer springend

dan stappend. De houding van den zittenden Vogel is merkwaardig,

doordat hij den hals zooveel mogelijk intrekt en de kop dan tusschen

de schouders schijnt te staan. Zijn verstand is ontegenzeggelijk niet

geringer dan dat van eenigen anderen inheemschen Valkvogel. Meer dan

een zijner familiegenooten wijzigt hij zijn gedrag in overeenstemming

met de omstandigheden; zonder fout onderscheidt hij den jager van den

landman; oorden waar hij onaangename ervaringen opdeed, vermijdend,

wordt hij elders een even drieste en indringende bedelaar als zijne

verwanten. Zijn stem, een verre van liefelijk, langgerekt geluid, dat

aan lachen en mekkeren herinnert, klinkt ongeveer als "hi-hi hi-è-è".

Het voedsel van den Koningswouw bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels,

die nog niet vliegen kunnen, Hagedissen, Slangen, Kikvorschen en

Padden, Sprinkhanen, Kevers en Regenwormen. Van het boerenerf rooft

hij de jonge kuikens weg, noopt den ganzenhoeder tot vermeerderde

waakzaamheid, verbittert den jager door het vervolgen van jonge

Hazen en Patrijzen en jaagt door onbeschaamd bedelen den Edelvalk

een buit af. Hoewel hij zich aan al deze misdrijven schuldig maakt,

is het twijfelachtig of men hem onder de schadelijke Vogels moet

rangschikken. Op de door Muizen geteisterde akkers ziet men ook hem

verschijnen; weken lang heeft hij hier een gemakkelijke jacht en volop

voedsel. Met het oog op zijne verdiensten als verdelger van Muizen

en schadelijke Insecten, zou het onbillijk zijn hem enkele jonge

Hazen of Ganzen te misgunnen. Indien hij minder brutaal was en door

zijn onbeschaamd bedelen niet de Edelvalken dwong meer te rooven, dan

zij voor hun eigen gebruik noodig hebben, zou men hem een eereplaats

moeten aanwijzen onder de natuurlijke beschermers onzer veldvruchten.

Korten tijd na zijn terugkomst begint de voortplantingsperiode. De

Koningswouw broedt zooveel mogelijk in dezelfde streek als het

vorige jaar, maar maakt niet altijd van dezelfde horst gebruik. Als

hij geen verlaten Kraaien- of Valkennest vindt, gaat hij zelf aan

't bouwen. Zijn nest verschilt van dat van andere Valkvogels door

de binnenbekleeding, waarvoor hij gaarne allerlei lompen en stukken

papier opzoekt, die niet altijd van de schoonste soort zijn.

De eieren (2 of 3, zeer zelden 4) gelijken zeer veel op die van den

gewonen Buizerd, maar zijn in den regel iets grooter. De grondkleur,

wit met een zwak groenachtige tint, is voorzien van een teekening

van bonte, druppelvormige vlekken en grove krieuwels van donker

roodbruine kleur.

Bij behoorlijke verzorging wordt de Koningswouw in de gevangenschap

weldra tam.

Nog zeldzamer dan de Koningswouw is in ons vaderland de Zwartbruine

Wouw (Milvus migrans). In verschillende maanden (September,

Juni, April, Mei) werden op verschillende plaatsen (Harderwijk,

Voorhout, Vogelenzang, Zandpoort) enkele voorwerpen, meest mannetjes,

gevangen. De lengte van dezen Wouw bedraagt 55 à 58, de vlucht 136 à

145, de vleugellengte 44 à 47, de staartlengte 26 à 29 cM. De eerste

afmetingen gelden voor het mannetje, de laatste voor het wijfje. Alle

deelen van het vederenkleed zijn aanmerkelijk donkerder dan bij den

Koningswouw. De kop, de nek, de kin, de boven- en onderkeel zijn

op grijsachtig witten grond met smalle, overlangsche, zwartbruine

strepen geteekend, de bovendeelen overigens bijna effen donkerbruin, de

onderdeelen iets lichter met donkere schaftvlekken; de staart is bruin

en slechts 3 of 4 cM. diep gegaffeld; hij heeft 9 à 11 donkerbruine

dwarsbanden en een lichten, vaalgrijzen zoom aan den top. Het oog is

bruingrijs, de snavel hoornzwart, de washuid geel, de voet oranjegeel.

Het verbreidingsgebied van dezen Wouw is, evenals dat van al zijne

verwanten, tamelijk beperkt. In Middel-Duitschland behoort hij

tot de zeldzame Vogels, in de Mark, vooral in de nabijheid van

de Havelmeren, in Pommeren, Mecklenburg, aan den Boven-Rijn en in

het Beneden-Main-gebied is hij veelvuldiger, in Neder-Oostenrijk,

Hongarije, de Donau laaglanden, een groot deel van Rusland en ook in

Italië en Spanje een geregelde verschijning, die op geschikte plaatsen

overal en zelfs gezellig nestelt. In Duitschland komt hij in Maart

en vertrekt in October naar Zuid-Europa, waar hij overwintert. Het

liefst houdt hij zich op in wouden, langs rivieren, vooral zulke,

die bij groote stroomen en moerassen gelegen zijn. De hooge boomen

heeft hij trouwens voor geen ander doel noodig dan om er te nestelen

en te slapen. In den loop van den dag vliegt hij voortdurend boven en

tusschen de struiken en langs het water rond. Voor zijn levenswijze

is een vlakke, waterrijke streek een vereischte.

Buitengewoon fraai is de beweging van dezen Vogel vooral, wanneer

hij spelend boven den waterspiegel van een grooten stroom vliegt,

hetgeen hij dikwijls een kwartier of langer achtereen doet.

Gewoonlijk begint het wijfje in het laatst van April te broeden op 3

of 4 eieren, welke sprekend gelijken op die van den Koningswouw; op

geelachtigen of grijsachtigen witten grond zijn zij bruin gemarmerd

en met vlekken bezaaid.

Algemeen wordt de Zwartbruine Wouw als een der schadelijkste Roofvogels

beschouwd. De meeste schade richt hij ongetwijfeld aan door zijn

bedelen bij andere Roofvogels, die zoolang lastig gevallen worden,

totdat zij hem den pas gevangen buit toewerpen, en hierdoor gedwongen

zijn om meer dieren te vangen dan zij voor hun eigen gebruik noodig

hebben. Zelf rooft hij trouwens al wat hij krijgen kan en benadeelt

den wildstand zoowel als het pluimvee; dit nadeel is evenwel alleen

gedurende de laatste dagen van de voortplantingsperiode van eenige

beteekenis. Bij nauwgezette overweging van het nadeel en het voordeel,

die hij ons aanbrengt, zal het blijken, dat de balans weinig of

niet doorslaat.

In de kooi is deze Wouw, evenals zijne verwanten, een aangename

huisgenoot. Hij stelt geringe eischen en berust spoedig in het verlies

van zijn vrijheid, vat na korten tijd een groote genegenheid voor

zijn verzorger op, begroet hem met vroolijk geschreeuw, als hij hem

van verre ziet en toont zijn gehechtheid op allerlei wijzen. Met

andere Roofvogels van zijn grootte kan hij zeer goed overweg. Hij

is te lafhartig om hen aan te vallen, maar verslindt zonder eenige

aarzeling het lijk van den kameraad, waarmede hij jaren lang vreedzaam

samenwoonde.

De Egyptische Wouw (Milvus aegyptius) is de veelvuldigste Afrikaansche

vertegenwoordiger van zijn geslacht; van de inheemsche Wouwen verschilt

hij vooral, doordat zijn snavel geel is in plaats van zwart. Hij is

een van de meest karakteristieke bewoners van het Nijlgebied. Meer dan

een zijner verwanten rekent hij er op, dat de mensch hem met voedsel

zal voorzien. Hij is de brutaalste, indringendste Vogel, die ik

ken. Als bedelaar van beroep houdt hij zich overal op, waar menschen

wonen. Niets ontgaat aan zijn scherpzichtig oog. Door nauwkeurig

acht te geven op de handelingen der menschen, heeft hij een beter

inzicht in hunne werkzaamheden gekregen, dan bij eenigen anderen

Vogel of zelfs bij eenig ander dier gevonden wordt. Nooit zal hij

verzuimen het Schaap, dat naar de slachtplaats wordt geleid, te volgen,

hoewel hij zich in andere gevallen niet om den herder bekommert; den

terugkeerenden visscher vliegt hij te gemoet, maar let niet op hem,

als hij ter vischvangst uitzeilt. Hij verschijnt boven of zelfs op

het schip, waar een dier geslacht wordt, toont groote belangstelling

in de werkzaamheden van den kok in de vaststaande of drijvende woning

van den reiziger, is de eerste bezoeker van de plek, waar deze halt

maakt, de eerste, die op den afval aanspraak maakt. Voor hem is geen

stuk vleesch veilig. Wee den onvoorzichtigen boodschapper, die ouder

gewoonte het korfje of den houten bak met het gekochte vleesch op

zijn hoofd van de slagerij naar huis draagt, hij loopt groot gevaar

zijn geld tevergeefs uitgegeven te hebben. In Habesch was onze kok

bezig met op een kist, die op de binnenplaats stond, een Haas stuk

te snijden; in 't zelfde oogenblik, dat hij omkeek naar iemand, die

hem riep, zag hij een van de stukken van den Haas reeds in de klauwen

van den gauwdief, die de gunstige gelegenheid niet ongebruikt voorbij

had laten gaan. Op gelijke wijze als zijne verwanten bedelt ook deze

Wouw andere Roofvogels hun buit af en vangt hij verschillende kleine,

in 't wild levende of tamme dieren.

"Door het geheel bevederd zijn van de zijden van den kop", schrijft

Reichenow, "onderscheiden de Havikachtigen (Accipitrinae) zich van

de Gierbuizerden. Door het bezit van een langen loop nevens een

langen staart en korte of middelmatig lange vleugels verschillen

zij daarentegen van de Buizerden. Alleen de Ruigpoothaviken en

Harpijen, die in deze onderfamilie de hoogste plaats innemen, vormen

een uitzondering op den regel, daar hun loop weinig of niet langer is

dan de middelste teen; toch zijn deze Vogels ook reeds aan hun langen

staart gemakkelijk te herkennen van de kortstaartige Buizerden. De

loop is steeds onbevederd, behalve bij de Ruigpoothaviken.

"De Kuikendieven, welker levenswijze en lichaamsvorm vele

eigenaardigheden aanbiedt, buiten beschouwing latend, kan men van de

levenswijze van alle leden der onderfamilie een algemeen overzicht

geven, geldig zoowel voor den kleinsten Sperwer als voor den Harpij,

die alle Roofvogels in kracht overtreft. Alle Haviken voeden zich

met levende dieren, die zij zelf vangen en dooden, in tegenstelling

met de Buizerden (in de uitgestrektste beteekenis van 't woord),

die ook met doode dieren, met aas, tevreden zijn. De wijze, waarop

de Haviken het roovershandwerk beoefenen, verraadt een grootere

veelzijdigheid dan bij eenig ander lid der orde voorkomt; zij stooten

even behendig op een vliegenden of loopenden als op een zwemmenden

of zittenden buit, vangen hun prooi niet minder flink in 't open

veld dan in het dichte woud. Daarom verschilt hun wijze van jagen

aanmerkelijk van die der Buizerden en Valken. Terwijl deze in de open

lucht kringen beschrijven, of op zekere hoogte blijven staan bij het

zoeken van buit en op dezen plotseling pijlsnel neerschieten, brengen

de Haviken bij het overrompelen van hun slachtoffer veel meer list

in praktijk. Hierdoor zijn zij in staat met evenveel succes te jagen

als de Roofvogels, die in de open lucht op hun slachtoffer stooten,

welke vaardigheid de Valken en sommige Buizerdachtigen, vooral de

Arenden, in veel hoogere mate bezitten. Soms glijden zij in snelle

vlucht langs woudranden en omheiningen, doen plotselinge wendingen

om boschjes en gebouwen heen, schieten door het kreupelhout naar open

plekken in het woud en verschijnen op deze wijze eensklaps, onverwacht

op de speelplaatsen hunner niets kwaads vermoedende slachtoffers,

die zij zonder inspanning na een vlugge zwenking grijpen. Een andere

maal loeren zij als echte struikroovers van uit de kroon van een

boom, waarin zij zich verborgen hebben, op een voorbijvliegenden of

-loopenden buit, waarop zij zich plotseling neerstorten. Deze wijze

van jagen treft men bij de Sperwers zoowel als bij de Harpijen aan;

ook de Kuikendieven toonen zich hierdoor waardige leden derzelfde

onderfamilie. Als standplaats voor hun horst kiezen de Haviken

verborgen plaatsen, nooit vrije, van verre zichtbare boomtoppen; in

het dichte, hoogstammige woud of in moeielijk doordringbaar onderhout

bouwen zij hun nest op lage takken en dicht bij den stam. De eieren

zijn zuiver wit of op witten grond roodbruinachtig gevlekt."

De Ruigpoothaviken (Spizaëtus) zijn slank gebouwde Haviken met

betrekkelijk korte vleugels, langen staart en hooge, krachtige voeten;

bovendien zijn zij gemakkelijk te herkennen aan een meer of minder

duidelijke kuif op den achterkop.

Het grootste en sterkste lid van dit geslacht, de Vechtarend (Spizaëtus

bellicosus), een kolossale Vogel van 80 à 86 cM. lengte, met vleugels

van 60 à 65 en een staart van 31 à 34 cM., bewoont Afrika. Op de

bovenzijde is bruinachtig aschgrauw de hoofdkleur, op den kop gemengd

met zwartbruin (de kleur van de schaft van iedere veer); op den mantel

hebben alle veeren lichte randen, waardoor een band over den vleugel

ontstaat, gevormd door de topranden der grootste vleugeldekveeren. Een

witachtige band strekt zich boven de oogen langs tot den achterkop

uit en loopt hier in den korten, breeden kap te niet. De geheele

onderzijde is wit met blauwachtig waas, bijna zonder vlekken. De

groote slagpennen zijn op de buitenvlag zwart, op de binnenvlag

afwisselend licht en donker gestreept, de onderste vleugeldekveeren

zuiver wit. Het oog is grijsbruin, de washuid groenachtig blauw,

de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.

De Vechtarend kiest een alleenstaanden boom tot rustplaats, omdat

hij zeer voorzichtig is en gaarne zien wil, wat er in zijn omgeving

voorvalt. Deze boom is het uitgangspunt voor de zwerftochten van

het vogelenpaar, dat steeds trouw vereenigd blijft en in zijn

uitgestrekt gebied geen soortgenoot en ook geen andere Roofvogels

duldt. De gewone buit van den Vechtarend bestaat uit Hazen en kleine

Antilopen; stellig worden ook de talrijke soorten van wilde Hoenderen

niet door hem gespaard. Uit zijn geheele voorkomen blijkt, dat hij

voor de Afrikaansche dieren een even gevaarlijke vijand is als onze

Steenarend voor de Europeesche. Geen der overige Zuid-Afrikaansche

Roofvogels evenaart den Vechtarend in kracht en geschiktheid voor 't

roovershandwerk. Hij is onbeperkt heerscher in zijn rijk; kracht en

vermetelheid gaan bij hem gepaard en maken hem tot een vreeselijken

vijand van alle weerlooze dieren. Zijn vlucht gelijkt volkomen op die

van den Arend, maar is lichter en sneller. Van zijn stem wordt bericht,

dat zij soms scherp en doordringend, soms heesch en dof klinkt.

"De Vechtarend", schrijft Levaillant, "is wel geschikt om de

belangstelling te wekken van ieder, die hem in de kooi ziet; hij is

dan zeer aantrekkelijk en schijnt zijn woestheid geheel afgelegd

te hebben. Uit zijn buitengewone tamheid en gemeenzaamheid blijkt

een welgemeende vriendschap voor den mensch; hij antwoordt althans

telkens, wanneer men hem roept. Zijn stem is merkwaardig klankrijk

en welluidend, en toch zacht en week, juist het tegendeel van hetgeen

men opmerkt bij andere Arenden, welker geschreeuw, gelijk bekend is,

niet op welluidendheid kan bogen; door "glioek glioek" zou men dit

geluid misschien nog het best kunnen weergeven."

Ongeveer in dezelfde gewesten ontmoet men een verwanten, doch

veel kleineren Havik, dien wij wegens zijn lange kuif Kuifarend

(Spizaëtus occipitalis), zullen noemen. Bij deze is de grondkleur

van het vederenkleed zeer donkerbruin, de buik donkerder, de borst

lichter, de loop vuilwit, de binnenzijde van den schenkel witachtig;

de bovenzijde vertoont een koperachtig purperbruinen weerschijn. De

wortelhelft van de handpennen is op de binnenvlag wit, op de buitenvlag

bruinachtig wit, de eindhelft donkerbruin, op de binnenvlag met

twee donkere dwarsbanden; de wortelhelft van de armpennen is wit,

de eindhelft bruin; de staartpennen zijn op de buitenvlag bruin,

op de binnenvlag bijna wit met drie breede, zwartbruine dwarsbanden

en een breeden eindband van gelijke kleur; de kleine dekveeren

langs den rand van 't handgedeelte van den vleugel zijn wit, de

overige zwartbruin. Het oog is hooggeel, de snavel hoornblauw, aan

de spits donkerder, aan den wortel lichter, de washuid lichtgeel,

het onbevederde deel van den voet stroogeel. Totale lengte 50 à 52,

vlucht 120 à 130, vleugel 33 à 35, staart 18 à 20 cM.

De Kuifarend is een van de meest algemeen verbreide, zoo niet de

algemeenste van alle Afrikaansche Ruigpoothaviken. In de wouden

van het Boven-Nijl gebied komt hij tamelijk veelvuldig voor. Hier

ziet men hem in een mimosa-top dicht bij den stam rustig zitten

en hoogst ernstig met zijn kuif spelen. Nu eens fronst hij het

voorhoofd, sluit de oogen half en zet daarna de kuif op, zoodat zij

loodrecht omhoog staat, dan weer spreidt hij de verschillende veeren

zijwaarts uit en verheft intusschen de overige veeren van zijn kleed

eenigszins; soms legt hij de kuif glad neer op den rug. Met deze

belangrijke bezigheid kort hij zich uren achtereen den tijd. Hij

is dan een volslagen toonbeeld van traagheid, een zeer weinig

belovende Roofvogel. Zoodra deze droomer echter een buit bespeurt,

leert men hem van een andere zijde kennen. Het zien van een Muis,

een Veldrat, een Aardeekhoorntje, een kirrend Duifje, van een vlucht

Wevervogels misschien, wordt gevolgd door bliksemsnelle bewegingen;

met korte, snelle vleugelslagen draait hij zich behendig tusschen

de dichtste struiken door, jaagt den waargenomen buit ijverig na en

vangt hem bijna altijd. In aard en gewoonten komt hij nog het meest

met onzen Havik overeen. Hij is even driest en roofgierig als deze

en in verhouding tot zijn grootte ongeveer de beste roover van het

woud. Alleen de Apen zijn veilig voor zijne aanslagen en voor die van

de overige groote Valkvogels der Oude Wereld. Bij dieren, die gelijk

de Apen van deze gewesten onderling in een geregeld verband staan,

elkander steunen en helpen, zouden zij trouwens slechte zaken maken.

De Kuifarend wordt niet al te zelden levend naar Europa gebracht en

kan bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi worden gehouden;

hij is taai en weinig gevoelig voor den invloed van het klimaat.

De Sperwerarenden (Morphnus), die in Zuid-Amerika de Ruigpoothaviken

vervangen, vereenigen in zich de grootte, de kracht en de fiere

houding der Arenden en de gestalte der Haviken. Hun romp is dik,

de kop groot, de snavel eenigszins langwerpig, laag en betrekkelijk

zwak; de bovensnavelspits is scherp haakvormig naar beneden gebogen,

de zijrand weinig naar beneden gekromd, de loop minstens dubbel zoo

lang als de middelste teen en slechts weinig onder het spronggewricht

bevederd, overigens met gordelvormige schilden bekleed; de teenen

zijn kort maar niet zwak en met krachtige, dikke en spitse klauwen

gewapend; de vleugel is kort, de staart breed en lang.

De meest bekende soort van dit geslacht is de Sperwerarend (Morphnus

guianensis), die 70 cM. lang is en 150 à 154 cM vlucht heeft (vleugel

40 à 42, staart 30 cM.). Het opmerkelijk losse, uilachtige vederenkleed

heeft zich aan den achterkop verlengd tot een 15 cM. lange kuif. Bij

den volwassen Vogel zijn de kop en de keel donkerbruin, de nek, de

rug en de overige bovendeelen, de vleugels, de onderhals en de borst

groenachtig zwart, de bovendekveeren van den staart met onregelmatige,

witte dwarsbanden en eindzoomen geteekend. In de jeugd is de kleur

veel lichter: de kop, de hals, de borst, de buik en de schenkels zijn

dan wit.

De Sperwerarend is over het grootste deel van Zuid-Amerika verbreid;

hij houdt zich op in de wouden langs de kust, zoowel als in de oasen

der steppen, het liefst echter aan de oevers van rivieren. De doode

toppen van hooge boomen dienen hem tot rustplaats; uren achtereen ziet

men hem hier zitten zonder eenige andere beweging dan het oprichten van

zijn prachtige kuif. Hij maakt vooral op Zoogdieren en Vogels jacht,

volgens de berichten der jagers het liefst op Apen. Zijn horst bevindt

zich in een boomtop.

De kolossaalste van alle Zuid-Amerikaansche Haviken, de Harpij

(Thrasaëtus harpyia of Harpyia destructor), de eenige vertegenwoordiger

van haar geslacht, gelijkt eenigszins op de vorige soort; haar snavel

is echter veel hooger en krachtiger, heeft een sterk afgeronden rug

en een scherpen zijrand, die onder het neusgat uitgesneden is en

daarvóór een stompen tand vormt. Ook hare andere wapens, de klauwen,

zijn zeer krachtig, krachtiger dan bij eenigen anderen Roofvogel, de

teenen zeer lang en met buitengewoon groote, dikke en sterk gebogen

klauwen gewapend; de achterteen is 4 cM. lang; zijn klauw heeft, langs

de kromming gemeten, een lengte van 8 cM.; de middelste voorteen is

8 cM. lang, met den klauw 12 cM. De loop is aan de achterzijde tot

aan het spronggewricht naakt, van voren tot op het midden bevederd,

op de naakte gedeelten met groote, plaatvormige schubben bekleed. Het

vederenkleed is rijk en zacht, bijna zooals dat der Uilen, in den nek

verlengd tot een lange en breede kuif, die opgericht kan worden. De

kop en de hals zijn grijs, de verlengde nekveeren, de geheele rug,

de vleugels, de staart, de bovenborst en de zijden van den romp

leikleurig zwart, de stuurpennen met drie witte banden geteekend;

de onderborst en de stuit zijn wit; hetzelfde geldt van de overige

onderdeelen en van de schenkels; gene zijn zwart gestippeld, deze

met zwarte golflijnen geteekend. De snavel en de klauwen zijn zwart,

de pooten geel; het oog is roodgeel. Totale lengte 1 M. (vleugel 54,

staart 34 cM.).

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 8 / 31 段