Tegen het einde van Maart, zelden vroeger, meestal nog iets later, is

het leggen afgeloopen; de eieren (2, hoogstens 3) zijn betrekkelijk

klein en hebben een dikke, oneffene, grofkorrelige schaal, van

verschillende kleur; soms zijn zij kalkwit en zonder eenige vlekken,

soms op witten grond met meer of minder talrijke, roodachtige, bruine

en donkerbruine vlekken bedekt. Beide ouders sleepen voor hunne jongen

een overvloed van voedsel aan, hun vermetelheid bij het jagen neemt

toe in dezelfde reden als de grootte van hun kroost; tengevolge van

hun ijverigen arbeid begint de horst hoe langer hoe meer op een echte

slachtplaats te gelijken, waar men de overblijfselen van de meest

verschillende dieren, vooral echter van Visschen en Watervogels,

aantreft. Zoodra zij den buit hebben gegrepen, begeven zij zich er

regelrecht mede naar hun horst; zij doorvliegen dan een afstand van

4 à 5 K.M. zoo schielijk, dat zij met nog levende Visschen bij hun

hongerig kroost aankomen. In gunstige omstandigheden duurt het 10

à 14 weken, voordat de jongen het nest verlaten, na het uitvliegen

keeren zij echter nog dikwijls naar hun geboorteplaats terug. Eerst

tegen den herfst scheiden zij zich van hunne ouders.

In de kooi gedraagt de Zeearend zich aanvankelijk woest en gaat zelfs

zijn oppasser te lijf; weldra echter wordt hij tam en treedt met den

mensch in een echt vriendschappelijke verhouding. Hij begroet zijn

meester, zoodra hij hem in 't oog krijgt, met een luid, vroolijk

geschreeuw en weet hem nauwkeurig te onderscheiden van alle overige

menschen.

Het grootste lid van dit geslacht en van de Arenden in 't algemeen,

is de Zeearend met witte schouders (Haliaëtus pelagicus). Deze

bewoont Kamtsjatka, doch komt zuidelijk tot Jedo voor. In den zomer

houdt hij zich aan de oevers van rivieren op en voedt zich nagenoeg

uitsluitend met visch. Behalve aan zijn buitengewoon hoogen snavel en

wigvormigen staart is hij in 't volkomen kleed zeer kenbaar aan zijn

purper-zwartbruine kleur, die echter op den staart en diens dekveeren,

op de schenkelveeren en het voorste gedeelte der vleugels door zuiver

wit vervangen is. Men ziet hem zeer zelden levend in Europa. Ruim

50 jaar geleden heeft de Gouverneur-Generaal Baron Van der Capellen

er één overgebracht. Zelfs opgezette voorwerpen behooren onder de

groote zeldzaamheden.

De Schreeuw-zeearend (Haliaëtus vociferus) is een van de fraaiste

Valkvogels, een waar sieraad van de door hem bewoonde gewesten. Bij den

volwassen Vogel zijn de kop, de hals, de nek en de bovenborst benevens

de staart schitterend wit, de mantel en de slagpennen blauwachtig

zwart, de vleugelrand (d.w.z. alle bovenste vleugeldekveeren van

het elleboogsgewricht tot aan het handgewricht) en de onderdeelen

prachtig bruinrood, de oogkring, de washuid en de voeten lichtgeel,

de met hoorn bekleede deelen van den snavel blauwzwart. Totale lengte

68 à 72, vleugel 50, staart 15 cM.

De Schreeuw-zeearend is over het grootste deel van de

keerkringsgewesten van Afrika verbreid, van ongeveer 18° N.B. tot

Kaapland. Veelvuldig houdt hij zich op in de oerwouden van Soedan;

deze moet men bezoeken om hem in al zijn luister te leeren kennen. Een

paar Schreeuw-zeearenden op een met slingerplanten oversponnen, boven

den stroom gebogen boom, levert een prachtig schouwspel op. Hoewel

het oog van den natuuronderzoeker in deze streken verwend wordt door

de prachtig gekleurde Vogels, die hier voorkomen, deze Roofvogel wekt

steeds zijn bewondering.

In levenswijze en gewoonten komt de Schreeuw-zeearend met zijn

verwanten overeen. Hij leeft in den regel paarsgewijs. Ieder paar

beheerscht een gebied van ongeveer 3 KM. middellijn en doorkruist het

in de morgenuren; om te spelen stijgen de Vogels 's middags omhoog,

beschrijven hier halve uren achtereen kringen in de lucht en brengen

intusschen een krijschend geluid voort, dat op grooten afstand hoorbaar

is. Bij het schreeuwen worden hunne bewegingen zoo onstuimig, dat

zij soms in de lucht over den kop schijnen te tuimelen.

Het voedsel van den Schreeuw-zeearend bestaat uit Visschen en aas. Op

de Visschen stoot hij, evenals de Vischarend, van boven uit de lucht,

om hen duikend tot diep in 't water te vervolgen; door krachtige

vleugelslagen verheft hij zich daarna met zijn buit op logge wijze naar

de oppervlakte. Het op het land liggende of op het water drijvende

aas wordt door hem medegenomen. Dat hij ook groote Schelpdieren

uit het water haalt en op de rotsen te pletter laat vallen, vernam

Hartmann van de Soedaneezen. De buit wordt in den regel naar een

eiland vervoerd en dicht bij den waterkant verslonden. Livingstone

heeft meermalen opgemerkt, dat de Schreeuw-zeearend de Pelikanen

zoolang plaagt, totdat zij de door hen gevangen Visschen uitbraken

en aan hem afstaan. Daarentegen wordt ook hij soms beroofd. Een

wijfjes-Schreeuw-zeearend had een grooten Visch uit het water gelicht

en was bezig dezen te verslinden op een zandbank in de Blauwe Nijl, die

tegenover onze standplaats gelegen was. Met behulp van een uitmuntenden

verrekijker kon ik zien, hoe hij het vel van den Visch afrukte en de

prooi vervolgens zeer zorgvuldig verscheurde. Gedurende dit bedrijf

verscheen een Krokodilwachter, die, den Arend naderend, een deel kwam

eischen van diens maal. Het was aardig, te zien, hoe de kleine, moedige

tafelschuimer te werk ging. Bliksemsnel liep hij naar den disch, nam

schielijk een paar brokken weg, ging onmiddellijk terug en verslond

zijn buit op veiligen afstand van den Arend. Deze keek nu en dan,

schijnbaar met een zekere goedaardigheid, naar zijn dischgenoot om

en maakte geen vijandige bewegingen. Toch ben ik overtuigd, dat de

Krokodilwachter het alleen aan zijn vlugheid en behendigheid te danken

had, dat hij ongemoeid werd gelaten. Zijn ambt bij den Krokodil zal

hem wel geleerd hebben, hoe men zich aan de tafel van groote heeren

moet gedragen.

Van den gevangen Schreeuw-zeearend valt ongeveer hetzelfde op te

merken als van zijne verwanten, die in dergelijke omstandigheden

verkeeren. Spoedig wordt hij tam en begroet zijn meester met luid

gekrijsch. De ervaring heeft geleerd, dat hij geen nadeel lijdt door

ons ruw klimaat en in diergaarden jaar in jaar uit in de buitenlucht

kan blijven.

De Vischarenden (Pandion) verschillen in sommige opzichten zoozeer

van hunne verwanten, dat verscheidene dierkundigen ze van alle

overige Grijpklauwvogels afscheiden en in een afzonderlijke groep

vereenigen, waaraan zij de rang van een onderorde toekennen. Deze

gelijkt op die van de Gieren der Nieuwe Wereld door het gemis van de

bijveder en van den krans van veeren, die bij de overige Roofvogels

de stuitklier omgeeft. De buitenteen kan, evenals die der Uilen,

sterk naar buiten en zelfs naar achteren gekeerd worden. De andere

kenmerken der Vischarenden wettigen hun plaatsing tusschen de Arenden

in engeren zin en de Kuikendieven.

De door gestalte en levenswijze evenzeer in 't oog vallende Vischarend

(Pandion haliaëtus) heeft een betrekkelijk kleinen, maar krachtig

gebouwden romp, een middelmatig grooten kop, een tamelijk korten, in

een langen haak eindigenden snavel, welks kromming reeds aanvangt daar,

waar hij met een washuid bedekt is; de pooten zijn dik, nauwelijks

verder dan het spronggewricht bevederd; de voet is buitengewoon

krachtig; de korte teenen dragen scherpe, zeer sterk gekromde nagels,

die geen spoor van scherpe kanten aan de benedenzijde vertoonen

en hier geheel afgerond zijn. Kenmerkend voor den Vischarend is

bovendien zijn glad aanliggend vederenkleed. De kop en de nek zijn

op geelachtig witten grond zwartbruin overlangs gestreept; alle

hier aanwezige veeren loopen spits uit; de veeren van de overige

bovendeelen zijn bruin met lichteren rand; de staartveeren hebben

bruine en zwarte dwarsbanden. De onderdeelen zijn wit of geelachtig

wit; op de borst vormen bruine veeren een vlek of een halsband; van

het oog tot het midden van den hals loopt een donkere band. Het oog

is hooggeel, de washuid en de voet zijn loodkleurig grijs, de snavel

en de klauwen glanzig zwart. Totale lengte 53 à 56, vlucht 156 à 164,

vleugel 50 à 52, staart 18 à 19 cM.

De Vischarend is een van de weinige Vogels, die letterlijk

overal voorkomen. Wel hebben sommige onderzoekers voorgesteld de

Amerikaansche, Aziatische en Australische Vischarenden van de onze

te scheiden, door nauwkeurige vergelijking van de leden der dus

gevormde soorten komt men echter tot de overtuiging, dat er volgens de

hedendaagsche zienswijze voor deze scheiding geen voldoende redenen

bestaan. Als broedvogel bewoont de Vischarend gedurende den zomer

alle landen van Europa: van Lapland, Finland en Noord-Rusland tot het

uiterste zuiden; enkele exemplaren bewonen ook eilanden, zelfs kleine

eilanden, die eenzaam te midden van den Oceaan gelegen zijn. In Azië

ontmoet men hem bij alle groote stroomen, zoowel van het noorden als

van het zuiden; hier blijft hij, evenals in sommige gedeelten van

Afrika, gedurende het geheele jaar wonen. In Amerika komt hij overal

voor, waar het binnenwater gedurende een behoorlijk deel van 't jaar

open blijft; van hier tot in Zuid-Brazilië ontbreekt hij nergens. In

Australië eindelijk treft men hem op geschikte plaatsen eveneens

allerwege aan. In het noorden is onze Vischarend een zomergast, in

het zuiden, naar het schijnt, een zwerfvogel. Deze eigenaardigheden

staan in nauw verband met de eenzijdigheid van zijn jachtbedrijf. Hij

voedt zich bijna uitsluitend met Visschen, gebruikt slechts in den

hoogsten nood Amphibiën en versmaadt iederen anderen buit.

In Nederland wordt de Vischarend gedurende de wintermaanden, doch

soms ook des zomers hier en daar, bij meren en plassen gevonden.

Tamelijk laat op den dag verlaten het mannetje en het wijfje

achtereenvolgens de horst en vliegen, zich steeds zeer nauwgezet aan

een bepaalden weg houdend, naar het dikwijls ver afgelegen water,

waar zij Visschen vangen. De lange vleugels stellen den Vischarend

in staat om over groote afstanden met gemak te vliegen. Eerst zweeft

hij op een aanzienlijke hoogte; boven den waterspiegel gekomen daalt

hij en begint nu zijn jacht op Visschen. Zoolang er een nevel boven

het water hangt, blijft hij weg, omdat hij door den nevel verhinderd

wordt zijn buit op te sporen. Kringen beschrijvend, komt hij nader,

overtuigt zich door zorgvuldig rond te kijken, dat geen gevaar hem

bedreigt, daalt nu naar beneden, vliegt op een hoogte van ongeveer 20

M. boven het water heen en weer, blijft ook wel gedurende eenigen tijd

"staan", "bidt" als een Torenvalk boven de plaats waar hij een Visch

heeft opgemerkt, die hij in 't oog wil houden en schiet daarna met

wijd uitgespreide, gestrekte teenen in eenigszins scheeve richting,

met groote snelheid en behendigheid op het water neer, verdwijnt

onder de oppervlakte, werkt zich echter schielijk weer naar boven,

verheft zich door eenige veerkrachtige vleugelslagen tot op den

waterspiegel, schudt nu met eenige trillende bewegingen zoo goed

mogelijk het water uit zijne veeren en verlaat vervolgens de plas voor

zoover deze een geringen omgang heeft, om 't even of zijn moeite al

dan niet met succes bekroond werd. In 't gunstige geval heeft hij de

klauwen van beide voeten met zooveel kracht in den rug van een Visch

geslagen, dat hij niet in staat is ze onmiddellijk weer los te maken;

de Basjkieren geven hem daarom den karakteristieken naam van "ijzeren

klauw". Niet al te zelden geraakt hij bij dit bedrijf in levensgevaar

of vindt zelfs den dood, wanneer hij een Visch heeft gegrepen, die hem

te zwaar is, en door dezen medegetrokken wordt naar de diepte. Van

den door hem gevangen buit verslindt hij slechts de beste stukken,

al het overige laat hij liggen; eenige van de schubben worden mede

verzwolgen, nooit echter de ingewanden. Slechts in den grootsten nood

maakt hij op ander wild jacht.

Tegenover andere dieren van zijn soort is de Vischarend

verdraagzaam. Met Vogels die tot andere soorten behooren, bemoeit hij

zich niet; waarschijnlijk zelfs acht hij zich gelukkig, als zij hem

met vrede laten. De Vischarend is bij alle Zwemvogels zoo goed bekend,

dat zij niet de minste vrees voor hem gevoelen; zij beschouwen hem

in zekeren zin als hun collega en dulden hem derhalve zonder eenige

tegenstribbeling in hun nabijheid. Daarentegen heeft hij van andere

Roofvogels veel te lijden.

Naast den Vischotter is de Vischarend de grootste vijand van een

geregelde exploitatie van het vischwater; door alle eigenaars van

visscherijen wordt hij daarom meer gehaat dan eenige andere Roofvogel.

De Wespendieven (Pernis) hebben een slanker gebouwd lichaam dan

de overige leden van hun familie; hun snavel is lang, laag, zwak

en slechts bij de spits sterk gekromd; de voet heeft een korten

loop, waarvan de onderste helft onbevederd is, en middelmatig lange

teenen, gewapend met lange, zwakke, weinig gekromde nagels; in den

vleugel is de derde slagpen de langste; hoewel de vleugels lang zijn,

reiken hunne spitsen niet tot aan den top van den langen, afgeronden

staart; de teugel is niet met borstelvormige, maar met korte, stijve,

schubvormige veeren bekleed; het vederenkleed is harder en ligt dichter

tegen het lichaam aan dan bij de verwante Valkvogels. In elk van de

drie rijken der Oude Wereld komt één soort van dit geslacht voor.

De Wespendief, in Zuid-Holland ook wel Bijenarend genoemd (Pernis

apivorus), bereikt een lengte van 59 à 62 en een vlucht van 135 à

140 cM.; de vleugel is 40, de staart 23 cM. lang. De kleur van het

vederenkleed wisselt sterk af; soms is het effen bruin met uitzondering

van den blauwachtig grijzen kop van het mannetje en van den staart,

die met drie groote en verscheidene kleine, bruine banden geteekend

is; bij andere voorwerpen zijn de bovendeelen bruin, de onderdeelen

daarentegen in meerdere of mindere mate wit gevlekt of wit en met

bruine schaftvlekken en dwarsstrepen geteekend. Behalve de genoemde

komen nog vele andere kleurverscheidenheden voor. De kleur van het

oog wisselt af van zilverwit tot goudgeel, de snavel is zwart, de

washuid goudgeel, de voet citroengeel.

De Wespendief bewoont nagenoeg geheel Europa; men ontmoet hem nog

in Middel-Skandinavië en in Finland; in alle landen (misschien met

uitzondering van Oost-Rusland, waar deze Vogel meer algemeen schijnt

te zijn) komt hij echter slechts hier en daar en in kleinen getale

voor. Bovendien broedt hij in Siberië. Zijn winterreis strekt zich door

West- en Middel-Afrika tot in het Kaapland uit. In Nederland ontmoet

men hem van April tot October in alle provincies, doch meest in kleinen

getale; broedend werd hij gevonden te Sint-Oedenrode (Noordbrabant),

Vorden (Gelderland), Heino (Overijsel) en Beetsterzwaag (Friesland)

(Albarda).

"De Wespendief," zegt Naumann, "is een zeer onedele, lafhartige

Roofvogel; geen van de inheemsche leden zijner orde kan in dit

opzicht met hem vergeleken worden. Goedaardigheid en vreesachtigheid,

gepaard gaande met domme koppigheid zijn de grondtrekken van zijn

karakter. Hij is schuw, vliegt langzaam en log, meestal dicht bij den

grond langs. Zijne handelingen verraden een zeer groote traagheid. Op

roof loerend, ziet men hem uren lang op dezelfde plaats zitten,

meestal op grenssteenen en afgezonderd te midden van 't veld staande

boomen. In tegenstelling met andere Roofvogels, is hij tamelijk goed

ter been en vervolgt daarom zeer dikwijls te voet de Insecten, die hem

tot voedsel dienen. Zijn stem klinkt als "kiekiekiek", welke geluiden

haastig, vele malen achtereen herhaald worden, en soms verscheidene

minuten lang zonder tusschenpoozing weerklinken."

Niet zonder reden draagt de Wespendief zijn naam, daar Wespen en

andere Vliesvleugelige Insecten werkelijk een voornaam deel van zijn

maal uitmaken. Naumann houdt hem echter voor een erge nestenberoover

en zegt, dat hij, behalve Muizen, Ratten, Hamsters enz., ook wel eens

jonge Hazen doodt. Soms noodt hij zichzelf te gast bij den Havik,

m. a. w. wacht zoo lang in de nabijheid van den etenden roover,

totdat deze wegvliegt en neemt dan de overblijfselen van het maal voor

lief. In 't laatst van den zomer eindelijk eet hij, naar men zegt, ook

roode en zwarte krakelbessen en andere dergelijke in 't bosch groeiende

vruchten. "Soms", zegt Altom, "is zijn krop gevuld met aardrupsen en

kleine grasrupsen, soms met larven en poppen van Wespen of liever nog

Hommels, soms met kleine, naakte Spanrupsen, soms met Kikvorschen;

voorts heeft men er wel eens een geheel broedsel van nestvogels in

gevonden; vooral van Lijsters schijnt hij veel te houden."

Alle onderzoekers, die de Insecten hebben nagegaan, die in de maag van

den Wespendief gevonden worden, maken de opmerking, dat de Vogel nooit

zal nalaten om de Angeldragende Vliesvleugeligen (de Wespen, Hommels

en Bijen), die hij verzwelgt, vooraf den angel af te bijten. Hij weet

deze dieren zoo behendig aan te vatten, dat zij dwars in zijn bek komen

te liggen en dat bij het snelle sluiten van den snavel de spits van

't achterlijf waaraan de angel zich bevindt, wordt afgebeten, zoodat

dit stukje ter lengte van eenige mM. op den grond valt; indien het werd

doorgeslikt, zou de angel een doodelijke verwonding van den mond, de

keel enz. kunnen veroorzaken. Alle Insecten worden steeds op deze wijze

verminkt; nooit was er onder de overblijfselen van het voedsel in de

maag één angel te vinden. Bij 't vangen van zijn prooi beschutten hem

zijn dicht vederenkleed en de harde schilden, die den voet bedekken.

Onmiddellijk na zijn terugkomst in het broedgebied begint de

Wespendief een horst te bouwen of het reeds vroeger gebruikte nest te

herstellen. Alleen wanneer het niet anders kan, bouwt hij zelf; veel

liever neemt hij bezit van de woning, die in 't vorige jaar een Buizerd

of een Wouw tot broedplaats diende, of zelfs van een oud kraaiennest,

dat hij, voor zoover dit hem noodig voorkomt, opknapt. Het wijfje legt

twee eieren, die zeer verschillend kunnen zijn van vorm en kleur. Soms

zijn zij rondachtig, soms eivormig; de schaal is meer of minder

glanzig en op geelwitten of bruinrooden grond lichter of donkerder

gemarmerd, soms gelijkmatig, soms op de eene helft donkerder dan op

de andere. Het mannetje en het wijfje lossen elkander bij 't broeden

af; het eene voedt het andere met het gebroed van Wespen en Hommels;

met dit doel worden de raten naar het nest gesleept en hier dikwijls

in groote hoeveelheid opeengehoopt. De jongen worden aanvankelijk

gevoederd met rupsen, Vliegen en andere Insecten; de ouders braken

deze spijs, die in den krop wordt meegenomen, voor hun kroost uit,

voorzien het later met raten en wespennesten, welker cellen met larven

en poppen gevuld zijn, nog later met jonge Kikvorschen, Vogels, enz.

In de gevangenschap is de Wespendief, volgens Behrends, een zeer

gezellige huisgenoot: "Een mannetje, dat vliegen kon, was reeds na

weinige weken met de menschen en ook met de Honden, die hij had leeren

kennen, in hooge mate gemeenzaam, ja zelfs aan hen gehecht; tegenover

vreemde Honden nam hij echter dadelijk een aanvallende houding aan,

zette de veeren overeind en ging op den vijand los. Voor één hondje

had hij een bijzondere genegenheid opgevat. De Vogel ging, wanneer

zijn vriend zich had neergevleid, tusschen diens pooten zitten en

speelde met hem of plukte met den snavel in zijn vacht, wat deze

zich goedwillig liet welgevallen. Hij liep binnenshuis en daarbuiten

vrij rond en schreeuwde, als hij een deur gesloten vond, uit al zijn

macht zoolang, totdat zij geopend werd. Hij luisterde naar den naam

"Hans", doch kwam, na geroepen te zijn, slechts als hij goed geluimd

of hongerig was."

"Een wijfje, dat gevangen werd, toen het reeds volwassen was, hield zoo

veel van jonge Wespen, dat het duidelijke bewijzen van opgewondenheid

gaf, zoodra men haar een wespennest voorhield; zij schoot er begeerig

op toe en slikte er groote stukken van door. Ledige wespennesten

scheurde zij, naar de bewoners zoekend, in flarden. Overigens waren

wittebrood en melk haar lievelingsspijzen. Jegens huisdieren was zij

buitengewoon verdraagzaam. Vermakelijk was het, te zien, hoe zij met

deze, n.l. met twee Guineesche Biggetjes, een Spreeuw, een Goudpluvier

en twee Kwartels, uit één schotel at."

De Bastaardwouwen (Elanus) zijn over alle werelddeelen, met

uitzondering van het onze verbreid; ook hier zijn zij echter geen

volslagen vreemdelingen, daar één soort herhaaldelijk naar Europa is

afgedwaald en zelfs in Vlaanderen geschoten werd. De vijf soorten van

dit geslacht gelijken veel op elkander. De kop is groot en rondachtig,

de romp gedrongen, de snavel kort en betrekkelijk hoog, sterk gekromd

en met een langen haak voorzien, de zijrand van den bovensnavel

flauw benedenwaarts gebogen; de loop is aan de voorzijde voor meer

dan de helft bevederd, korter dan de middelste voorteen en dus zeer

krachtig; de teenen zijn met sterk gekromde, buitengewoon spitse

klauwen gewapend; de vleugel, welks spits gevormd wordt door de tweede

slagpen, is zeer lang; in rust steekt hij uit voorbij den korten, flauw

uitgesneden staart; het vederenkleed is zeer overvloedig, buitengewoon

fijn, losbaardig en, evenals dat der Uilen, zoo zacht als zijde.

De Zwartvleugelige Bastaardwouw (Elanus melanopterus) is aan de

bovenzijde fraai blauwachtig aschgrauw; het voorhoofd en de onderdeelen

zijn wit, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren

zwart, de slagpennen en de middelste stuurpennen meer of minder

donker aschgrauw, de overige stuurpennen grootendeels wit. Het oog

is prachtig hoogrood, de snavel zwart, de washuid, evenals de voet,

oranjegeel. Totale lengte 35, vlucht 78, vleugel 30, staart 14 cM.;

het wijfje is iets grooter.

Reeds in Syrië is de Bastaardwouw niet zeldzaam, in Egypte is hij

algemeen. Van hier te beginnen verbreidt hij zich over geheel Afrika

en dwaalt (zooals reeds gezegd werd) niet al te zelden naar Europa

af. In Indië komt hij overal voor, waar het terrein voor zijn wijze

van jagen geschikt is.

De levenswijze van den Bastaardwouw komt in vele opzichten met die der

Buizerden, in andere met die der Wouwen en Uilen overeen. Zijn vlucht

verschilt van die der meeste Roofvogels, doordat hij de vleugels hoog

houdt, d. w. z. de vleugelspitsen aanmerkelijk boven den romp verheft;

den zittenden Vogel herkent men terstond aan zijn schitterende kleur,

die onder den helderen hemel van zijn vaderland in de stralen van

de zon reeds op grooten afstand in 't oog valt. In Egypte kiest

hij gewoonlijk tot standplaats de staken van de schepemmers,

waarmede de boeren hunne akkers besproeien en wordt daarom wel

"Schepemmervalk" genoemd. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk, ja zelfs

bijna uitsluitend, uit Muizen; soms eet hij ook Sprinkhanen. Jonge

nestvogels versmaadt hij natuurlijk ook niet; Woestijnhagedissen vallen

hem eveneens ten buit; zelfs vergrijpt hij zich aan Vleermuizen, die

overigens niet anders dan door enkele Uilen tot prooi worden gekozen.

De Bastaardwouw is niet minder lieftallig dan fraai. In Egypte

vertrouwt hij den mensch, omdat deze hem hier nooit aanleiding

tot wantrouwen geeft. Zonder schroom ziet men hem te midden van de

arbeidende landlieden opvliegen of neerstrijken; onbezorgd bouwt hij

zijn horst op oranjeboomen, hoewel de tuinman er iedere week vruchten

van plukt.

Bastaardwouwen, die jong uit het nest genomen zijn, worden even

tam als onze Toren- en Boomvalken in dezelfde omstandigheden; maar

ook zij, die oud of na verwonding gevangen werden, worden spoedig

gemeenzaam en maken tegen hun meester geen gebruik van hunne scherpe

wapenen; hoogstens openen zij nu en dan dreigend den snavel, zonder

te bijten. Reeds na verloop van weinige dagen nemen zij hun oppasser

het voedsel uit de hand.

De Wouwen (Milvus) zijn middelmatig groote slank gebouwde Valkvogels

met zwakken, flauw gekromden, ver gespleten snavel en korten, aan de

voorzijde weinig bevederden loop; de vleugels zijn naar verhouding

zeer groot, de staart is lang en gaffelvormig, het vederenkleed los,

uit groote, afstaande veeren samengesteld.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 7 / 31 段