Nog in het begin van deze eeuw was de Arendbuizerd zeer weinig bekend;

eerst veel later heeft men hem leeren onderscheiden en zijn levenswijze

nagegaan. Misschien werd deze duidelijk herkenbare Roofvogel vroeger

met lichtkleurige Buizerden verward. Ons vaderland bezoekt hij vrij

zelden in 't najaar. In September 1838 werd er één geschoten te

Charlois (Zuid-Holland), in het najaar van 1848 één onder Nieuwerkerk

(Zuid-Holland) en in October één van twee exemplaren, die zich te

Vlijmen (Noordbrabant) vertoonden (Albarda). In Duitschland heeft men

den Arendbuizerd, hoewel in geringen getale, in verschillende oorden

broedend aangetroffen (andere bezoekt hij op den trek). Geregelder komt

hij voor in het zuiden van Oostenrijk-Hongarije, in Zuid-Rusland en op

het Balkan-schiereiland, voorts in Italië, Frankrijk en Spanje. Die

welke in Middel-Europa broeden, komen in 't begin van Mei, om in

September naar 't zuiden te trekken en in Middel-Afrika of Zuid-Azië

met de daar woonachtige standvogels van hun soort den winter door

te brengen. Zij nestelen in groote, eenzame wouden en leiden hier,

voor zoover men kan nagaan, een echt kluizenaarsleven; zij trekken

althans niet sterk de aandacht.

De levenswijze en gewoonten van den Arendbuizerd vertoonen meer

overeenkomst met die van onzen Buizerd dan met die van eenigen

Arend. Hij is een bedaarde, trage, nukkige en twistzieke Vogel,

die zich om niets anders schijnt te bekommeren dan om het wild,

dat hij jaagt, en om de leden zijner soort, die hem op de jacht

de loef hebben afgestoken. Volgens alle berichten is hij bij zijn

horst schuw en voorzichtig en laat er dikwijls zijn stem hooren;

in Afrika hoort men hem nagenoeg niet en leert men hem kennen als

een der minst voorzichtige Roofvogels. Als hij in een boom zit,

houdt hij zijne groote oogen op den naderenden jager gevestigd,

maar denkt niet aan wegvliegen. Men ziet hem echter niet anders dan

tegen den avond en in de eerste uren van den ochtend in den boom;

den geheelen overigen dag houdt hij zich langzaam en op zijn gemak

met de jacht bezig. Kringen beschrijvend, vliegt hij boven terreinen,

waar hij iets hoopt te vangen, of zit bewegingloos aan den waterkant,

loerend op buit. Onder het vliegen blijft hij dikwijls "wiekelend" op

dezelfde plaats, evenals zijn neef, de Buizerd; bij den aanval daalt

hij langzaam naar beneden en beweegt zich met eenige vleugelslagen

nog een tijdlang dicht bij den bodem langs, om eindelijk met ver

uiteen gespreide klauwen op den grond neer te storten en het door hem

begeerde dier te grijpen. Zeer opmerkelijk is het, dat hij al zijne

soortgenooten met schele oogen aanziet en hen vol afgunst aanvalt,

wanneer zij gelukkiger waren dan hij.

Te recht geeft men den Arendbuizerd ook wel den naam van

"Slangenarend", daar hij voornamelijk op deze Kruipende Dieren jacht

maakt. Hij bepaalt zich echter niet tot dezen buit, maar vangt ook

Hagedissen en Kikvorschen, loert op Visschen en vervolgt zelfs Ratten,

zwakke Vogels, Kreeften, groote Insecten en Duizendpooten. Hij

doet den aanval met zooveel beleid, dat zelfs de gevaarlijkste

Slang hem weinig of geen kwaad kan doen; deze vaardigheid schijnt

aangeboren te zijn. "De door mij grootgebrachte Slangenarend,"

schrijft Mechlenburg aan Lenz, "valt bliksemsnel aan op iedere Slang,

hoe groot en kwaadaardig deze ook is, pakt haar, terwijl hij luid

schreeuwt en met de vleugels slaat, met den eenen poot dicht achter

den kop en met den anderen gewoonlijk verder achterwaarts, bijt met

den snavel dicht achter den kop de pezen en banden stuk, zoodat het

dier na eenige minuten buiten staat is om weerstand te bieden. Het

doorzwelgen van de Slang, die zich nog altijd sterk kronkelt, begint

bij den kop, het overige lichaam volgt; bij elke slikbeweging wordt de

wervelkolom van het slachtoffer stukgebeten. Op één voormiddag verslond

mijn Slangenarend binnen weinige uren drie groote Slangen, waarvan

één meer dan 1 Meter lang en zeer dik was. Nooit verscheurt hij een

Slang, om haar broksgewijs te verzwelgen. De tot ballen vereenigde

schubben spuwt hij later uit. Aan Slangen geeft hij de voorkeur

boven iedere andere prooi. Als ik hem gelijktijdig levende Slangen,

Ratten, Vogels en Kikvorschen toewierp, schoot hij altijd, zonder

op de naderbij liggende dieren te letten, op de Slangen toe." Hij

bezit geen andere middelen om zich tegen slangengif te beveiligen dan

zijn behendigheid en zijn dicht vederenkleed; ten onrechte meende men

vroeger, dat hij onvatbaar zou zijn voor vergiftiging. Op aansporing

van Lenz liet Mechlenburg zijn Slangenarend door een Adder in de kop

bijten: de Vogel, die onmiddellijk daarna zijn opgewektheid verloor,

bezweek op den derden dag.

De horst, die in den regel op hooge loof- en naaldboomen, maar op

zeer verschillende hoogte boven den bodem, bij uitzondering ook wel

op rotsen voorkomt, wordt in het begin van Mei gebouwd of opnieuw in

gebruik genomen. Zelfs wanneer de eieren uitgehaald worden, keert

het paar vele jaren achtereen geregeld naar dezelfde broedplaats

terug. Kort daarna, in het begin van Mei, vindt men in het nest één

ei (nooit meer). Het is langwerpig rond en betrekkelijk zeer groot;

de dunne, oneffene schaal heeft een blauwachtig witte kleur.

Slangenarenden, die jong uit het nest genomen zijn, worden zeer tam

en gemeenzaam, wanneer men zich veel met hen bemoeit. Door afgunst

gedreven, komen zij bij de voedering met groote sprongen op de stukken

vleesch af, die men hun toewerpt, gaan met uitgespreide vleugels er

op liggen en laten met kracht hun welluidend geschreeuw weerklinken,

dat weinig verschilt van de stem van den Buizerd en op "blie blie"

gelijkt; intusschen kijken zij wantrouwig om, alsof zij vreezen,

dat de andere Vogels hun het voedsel zullen ontkapen.

Geheel Afrika, van 16° N.B. tot Kaapland, wordt bewoond door

een zeer merkwaardigen Valkvogel, wiens gestalte en voorkomen in

vele opzichten aan die der Arenden herinneren. Levaillant, die hem

ontdekte, gaf hem den eigenaardigen naam van Bateleur (de fransche

naam voor "kunstenmaker", dien Nederlandsche schrijvers gewoonlijk door

Goochelaar vertalen). Hij heeft een gedrongen lichaamsbouw; een korten,

krachtigen romp, een korten hals, een grooten kop met onbevederde

teugels, een snavel met flink ontwikkelden haak en ongetande zijranden,

voeten met een korten, stevigen, met dikke schilden bekleeden loop,

zeer lange vleugels, een buitengewoon korten staart en eindelijk een

buitengewoon goed gevuld, uit groote, breede veeren samengesteld kleed.

De kleur en de teekening van den Goochelaar (Helotarsus ecaudatus),

dien wij met den in Zuid-Afrika gebruikelijken naam Berghaan zullen

aanduiden, zijn even opmerkelijk als zijn gestalte. Helder steken

de licht kastanjebruine mantel, de evenzoo gekleurde staart, de iets

lichtere onderrug en een breede band over den vleugel bij de fraaie,

dofzwarte kleur van kop, hals, achterrug en onderdeelen af. De bedoelde

band wordt gevormd door de armpennen en de vier laatste handpennen,

die, op een breeden, zwarten eindrand na, een grijsachtig bruine kleur

hebben. Het oog is fraai bruin met goudachtigen glans, het bovenste

ooglid karmijnrood, het onderste witachtig, de snavel roodgeel aan

den wortel en hoornblauw aan de spits, de washuid bleek-, de voet

donkerder koraalrood; de kleur van den naakten teugel wisselt af van

rozerood tot bloedrood, in 't laatstgenoemde geval met roodachtig

gele vlekken. Het wijfje is 58 cM. lang en heeft 183 cM. vlucht; de

vleugel is 58, de staart slechts 13 cM. lang. Het mannetje is kleiner.

De Berghaan is over een groot deel van Afrika verbreid; hij ontbreekt

slechts in het noorden van dit werelddeel en komt daarentegen van den

Senegal tot aan het zuidelijke gedeelte van de kust van de Roode Zee

en van hier tot aan de zuidspits van Afrika overal voor. Hij houdt van

gebergten, zonder zich echter tot deze te bepalen; het schijnt zelfs,

dat hij in de eigenlijke steppe veelvuldiger is dan in bergachtige

streken.

Zelfs de minst geoefende waarnemer zal den Berghaan wel herkennen. Zijn

uiterlijk is zoo in 't oog vallend, dat het overal aanleiding heeft

gegeven tot bijgeloovige meeningen. De inboorlingen van Oost-Afrika

verzekerden Speke in allen ernst, dat de schaduw van dezen Vogel

onheil brengt. In andere deelen van Afrika daarentegen wordt hij met

zekeren eerbied beschouwd, omdat men hem voor den medicijnmeester

der Vogels houdt, die van verre wonderdadig geneeskrachtige wortels

aandraagt. De Abessiniërs noemen hem "Luchtaap". Niet zonder reden

gaf Levaillant hem den naam, die "kunstenmaker" beteekent, daar hij

zich als een acrobaat door de lucht beweegt, met de wieken roeit,

over den kop buitelt, onder het vliegen allerlei kapriolen maakt,

kortom, zich aanstelt, alsof zijn eenig doel is zich te vermaken,

in plaats van zijn buit na te gaan. Soms laat hij zich plotseling

over een zekeren afstand vallen en slaat daarna de vleugels zoo hevig

tegen elkander, dat men zou kunnen verwachten den Vogel met gebroken

vleugels op den grond te zullen zien neerstorten; men heeft hem echte

luchtsprongen zien uitvoeren. Het is niet wel mogelijk de vlucht van

den Berghaan te beschrijven, zij kan niet met die van eenigen anderen

Vogel vergeleken worden. De vleugels worden dikwijls hoog boven het

lichaam opgeheven, vele minuten achtereen niet bewogen en daarna weder

zoo hevig uitgeslagen, dat er een eigenaardig, op grooten afstand

hoorbaar gedruisch door ontstaat. Vliegend vertoont hij zich op zijn

voordeeligst; zittend levert hij eer een vreemd dan een aantrekkelijk

schouwspel op. Dikwijls blaast hij zich dan op tot een wanstaltige,

bevederde massa, zet de veeren van kop en hals overeind, terwijl

hij intusschen als een Ooruil den kop beurtelings naar boven en naar

onderen draait en wendt. Moedig kan men hem niet noemen: hoewel hij

dieren van de gevaarlijkste soort bevecht, verraden zijne handelingen

veeleer een tamelijk lafhartige en goedaardige inborst. Deze van nature

buitengewoon schuwe Vogel wordt in de gevangenschap spoedig zoo tam,

dat men met hem spelen kan als met een Papegaai. Andere Roofvogels

houden er niet van, dat men ze streelt, de Berghaan echter schijnt

het bijzonder aangenaam te vinden, dat men hem tusschen de veeren

van den hals krauwt of hem aait. Van de gevangene Berghanen hoort

men hoogst zelden een geluid, gewoonlijk een zacht "kwa kwa", minder

dikwijls een luid "kak kak" of een als "kau" klinkend gekrijsch;

gedurende het vliegen brengt hij niet zelden een geluid voort, dat

aan het geschreeuw van den Buizerd herinnert en op "hihihi" gelijkt.

Zijn buit bestaat uit zeer verschillende soorten van Kruipende Dieren,

hoofdzakelijk echter uit Slangen en Hagedissen; met de eerstgenoemde

ziet men hem dikwijls wegvliegen. Hij maakt op alle Slangen jacht:

op kleine en groote, op vergiftige en onschadelijke. Evenals alle

overige op Slangen azende Roofvogels van Middel-Afrika komt onze

Vogel van verre aanvliegen, wanneer het gras van de steppe in brand

gestoken wordt; hij ijlt dan voortdurend langs de vuurlijn op en neer

en schiet dikwijls door de dichte rookwolken heen, rakelings langs

de vlammen om een der Kruipende Dieren te grijpen, die voor het vuur

vluchten. Dat hij ook kleine Zoogdieren, Vogels en zelfs Sprinkhanen

buitmaakt, is uit het onderzoek van zijn maag gebleken.

In den laatsten tijd worden dikwijls levende Berghanen naar

Europa overgebracht; men vindt ze tegenwoordig in de meeste groote

dierentuinen. Zij behooren echter nog altijd tot de meest gezochte

Vogels en zijn, vooral wanneer zij hun volkomen kleed hebben, een

hoogen prijs waard. Geen enkele Roofvogel wekt trouwens zoozeer

de belangstelling van den toeschouwer, als de Berghaan met zijne

prachtige kleuren en merkwaardige bewegingen. Het is niet moeielijk

hem in 't leven te houden.

Het ver verbreide geslacht der Zeearenden (Haliaëtus) omvat een

zevental soorten. De hiertoe behoorende groote, voor 't meerendeel

zelfs zeer groote Roofvogels hebben een zeer stevigen, hoogen en langen

snavel, recht van rug op de wortelhelft, van voren uitloopend in een

krachtigen, sterk benedenwaarts gekromden haak. De forsch ontwikkelde

loop is slechts voor de helft bevederd; het naakte gedeelte is van

voren en van achteren met schilden, aan de zijden met wratten bedekt;

de lange, niet door spanvliezen verbonden teenen dragen lange, spitse,

sterk gekromde nagels. De groote, spits eindigende, voor 't zweven

geschikte vleugels reiken in den toestand van rust bijna tot aan den

top van den staart; deze is meestal middelmatig lang, breed en min of

meer afgerond. De grijze grondkleur is bij de verschillende soorten

meer of minder donker, levendig of somber; de staart is gewoonlijk wit,

de kop dikwijls ook.

Aan alle zeekusten van Europa ontmoet men den Zeearend, Vischgier

of Beenbreker; bij Haarlem heet hij Geelkop en Witstaart (alleen de

volwassen exemplaren), op Zuid-Beveland Kobi, in Friesland Ganzenarend

(Haliaëtus albicilla). Hij is even groot en somtijds zelfs zwaarder

dan de Steenarend (totale lengte 85 à 95, vlucht bijna 250, vleugel

65 à 70, staart 30 à 32 cM). In 't volkomen kleed zijn de kop en de

hals (nek, keel- en bovenhals) licht vaalgrijsgeel, de bovenrug en de

mantel vaalbruin, alle veeren met lichten (vaalgeelachtig grijzen)

rand en met donkere schaftstrepen, de onderrug en de onderdeelen

effen somber vaalbruin, de bovendekveeren en de pennen van den staart

zuiver wit. Vóór het ruien zijn de veeren gewoonlijk verbleekt tot

geelachtig vaalgrijs. De oogen, de snavel, de washuid en de voeten zijn

lichtgeel. Bij de jongen is het oog bruingeel, de snavel blauwachtig,

de voet groenachtig geel, de kop, evenals de staart, donker van kleur.

Het verbreidingsgebied van den Zeearend komt ongeveer overeen met dat

van den Steenarend, en omvat geheel Europa, Klein-Azië, Palestina en

Egypte, voorts geheel Noord- en Middel-Siberië.

De Witkoppige Zeearend (Haliaëtus leucocephalus) is iets kleiner

dan de bij ons inheemsche soort, die hij in Noord-Amerika vervangt;

afgedwaalde exemplaren zijn, naar men zegt, herhaaldelijk in Europa

waargenomen en zelfs in Thuringen geschoten.

In levenswijze en gewoonten stemmen alle groote Zeearenden overeen. Zij

zijn traag, maar sterk, taai en volhardend, bovendien roovers van de

gevaarlijkste soort. Audubon geeft van den Witkoppigen Zeearend de

volgende dichterlijke beschrijving:

"Sta mij toe, dat ik u naar de oevers van den Mississippi verplaats,

als de naderende winter millioenen van watervogels, die in het

zuiden een zachter klimaat willen zoeken, uit noordelijker gewesten

doet overkomen. Gij ziet den Arend in opgerichte houding op den

hoogsten top van den grootsten boom aan den oever van den breeden

stroom zitten. Zijne gloeiende blikken waren rond over een uitgestrekt

gebied; met ingespannen aandacht luistert hij naar ieder geluid, dat,

uit de verte komend, zijn fijngevoelig oor treft. Van tijd tot tijd

kijkt hij naar den bodem beneden hem; zelfs de onhoorbare tred van een

langs den oever sluipend hertkalf zou hem niet ontgaan. Zijn wijfje

heeft postgevat op een boom aan de andere zijde van den stroom; als

alles stil en rustig is, dringt nu en dan haar stem tot hem door. Bij

't hooren van dit geluid opent hij de breede vleugels, buigt het

lichaam voorover en antwoordt in tonen, die men voor het gelach van

een waanzinnige zou kunnen houden. Onmiddellijk daarna herneemt hij

zijn vorige houding en alles is weer stil in het rond.

"Verschillende soorten van Eenden, de Gewone Eend, de Pijlstaart,

de Smient, trekken snel voorbij, den loop volgend van den stroom;

maar de Arend laat hen ongemoeid. In 't volgende oogenblik echter

weerklinkt een woest, aan trompetgeschal herinnerend geluid in de

verte; het geeft de nadering van een Zwaan te kennen. Een sein van de

wijfjes-Arend aan den overkant schijnt het mannetje tot waakzaamheid

aan te sporen. Hij schudt zich en brengt met den snavel zijne veeren

in orde. De sneeuwwitte zwemvogel wordt zichtbaar: zijn lange hals

is naar voren gestrekt, zijn oog bespiedt den omtrek, houdt de wacht

tegen vijanden. De lange wieken hebben, naar het schijnt, moeite om

het gewicht van 't lichaam te torsen en worden daarom onophoudelijk

bewogen; de beide achterwaarts gerichte zwemvoeten moeten bij 't sturen

behulpzaam zijn. De buit, die de Arend voor zich uitverkoren heeft,

komt al nader en nader. Op het oogenblik dat de Zwaan het gevreesde

paar voorbijtrekt, vliegt het mannetje op met een ijzingwekkend

geschreeuw, dat den Zwaan verschrikkelijker in de ooren klinkt dan

het knallen van een geweerschot. Nu toont de Arend zich in zijn volle

kracht. Als een meteoor glijdt hij door de lucht en schiet bliksemsnel

neer op het sidderende wild, dat, door vreeselijken schrik bevangen,

wanhopige pogingen doet, allerlei kunstgrepen toepast om te ontkomen

aan den aanval van zijn wreeden tegenstander, wiens klauw hem met den

dood bedreigt. Het stijgt omhoog, neemt een andere richting aan en

zou zich in den stroom storten, ware het niet, dat de Arend, die met

alle listen van zijn slachtoffer bekend is, hem dwong in de lucht te

blijven. De Zwaan verliest de hoop op redding, de vrees overmant hem,

zijn kracht bezwijkt bij 't aanschouwen van de onverschrokkenheid en

vlugheid van zijn vijand. Nogmaals waagt hij een poging tot vluchten;

het is tevergeefs; de Arend boort hem de klauwen onder de vleugels

in 't lichaam en dwingt hem met onweerstaanbaar geweld op den

naastbijgelegen oever neer te dalen.

"Nu kunt ge u overtuigen van de wreedheid van den vreeselijken

vijand der bevederde schepselen. Overeind staande op zijn weerloos

slachtoffer, kromt hij de krachtige teenen, balt ze samen en drukt

de scherpe klauwen diep in het hart van den stervenden Vogel. Zijn

blijdschap geeft hij lucht door een juichkreet op het oogenblik,

dat hij de laatste stuiptrekkingen van zijn buit waarneemt. Het

wijfje heeft tot dusver van haar zitplaats iedere beweging van haar

gade nageoogd. Daar zij overtuigd was, dat de kracht en de dapperheid

van haar gemaal volkomen toereikend waren voor de te vervullen taak,

is zij hem niet te hulp gekomen. Thans echter zweeft zij naar den

overkant, waar hij zich met den buit bevindt; gezamenlijk wentelen

zij dezen om, zoodat de borst van den ongelukkigen Zwaan naar boven

gericht is en beginnen hun maal."

"Alle Zeearenden dragen dezen naam te recht. In de eerste plaats zijn

zij kustvogels; slechts bij uitzondering althans verwijderen zij zich

van het water. In het binnenland komen de volwassen Zeearenden bijna

niet anders voor dan aan de oevers van groote stroomen of groote meren;

de jongen daarentegen ontmoet men dikwijls op groote afstanden van de

zee; zij zwerven in den tijd, die aan hun eerste paring voorafgaat,

d. i. gedurende verscheidene jaren, zonder bepaald doel en vasten

regel door de wijde wereld en vertoonen zich op deze reizen ook

in het binnenland; zooveel mogelijk volgen zij steeds den loop van

groote stroomen of rivieren. Ook in ons vaderland merkt men bijna

niet anders dan jonge exemplaren op en wel uitsluitend in het koude

jaargetijde, van November tot Februari. Vooral bij sneeuw en strenge

koude worden zij meer binnenslands geschoten of gevangen, in sommige

jaren menigvuldiger dan in andere. Bij voorkeur houden zij zich op in

streken, waar bosschen, liefst van naaldhout, aan waterrijke vlakten

grenzen, zooals in de Friesche gemeenten Opsterland, Doniawerstel en

Gaasterland. Het eenige oude voorwerp, van welke vangst men kennis

draagt, werd niet in den winter, maar in Juli (1864, bij Haarlem)

gevangen" (Albarda). Het volk geeft aan deze soort niet zelden den

naam van "Konings-" of "Keizersarend".

Daar de oude Zeearenden het roovershandwerk beter verstaan dan de

jonge, verlaten zij veel minder dikwijls dan deze hun woonplaats.

Buiten den broedtijd leeft de Zeearend tamelijk gezellig, meer op

de wijze van de Gieren dan van de Arenden. Gunstig gelegen wouden

of rotsen dienen als plaatsen van vereeniging of van rust. In het

midden van den zomer brengt hij gaarne den nacht door op kleine

eilanden, vooral op klippen; in de wouden, die langs de kust of verder

binnenwaarts gelegen zijn, slaapt hij ook wel op hooge boomen. Hij

begeeft zich zeer laat te rust en begint reeds vroeg in den morgen,

meestal vóór zonsopgang, zijn jachtgebied te doorkruisen. Als hij zeer

spoedig een buit vindt, "kropt" hij in de voormiddaguren en rust,

na het schoonmaken van zijn snavel en het lesschen van zijn dorst,

gedurende eenige middaguren, brengt zijne veeren in orde, doet ook

wel een slaapje en vangt 's namiddags een tweeden jachttocht aan,

die voortduurt, totdat het tijd is om te gaan slapen.

Evenals de Steenarend, maakt ook de Zeearend jacht op alle dieren,

die hij overmeesteren kan; van zijne pooten, die door het grootendeels

onbevederd blijven van den loop voor het visschen een bijzondere

geschiktheid hebben, bedient hij zich op zeer verschillende wijzen. De

Egel is zoomin door zijn stekelkleed, als de Vos door zijn gebit

tegen deze gevleugelden vijand beveiligd, de Wilde Gans maakt hij

buit ondanks haar voorzichtigheid, den Duiker in weerwil van zijn

geschiktheid om onder den waterspiegel te verdwijnen. De Vogels, die

zich door duiken trachten te redden, loopen meer gevaar dan die, welke

niet duiken. Deze stijgen bij 't ontwaren van den algemeen gevreesden

roover zoo snel mogelijk omhoog en ontsnappen; gene vertrouwen

dikwijls te veel op de doelmatigheid van hun schuilplaats, wachten

den Arend rustig af, duiken en achten zich veilig, hoewel de booze

vijand weet, dat zij weldra weer aan de oppervlakte moeten komen. Zij

ontvlieden misschien twee- of driemaal den doodelijken klauw--als zij

voor de vierde maal boven komen en, op het punt van te stikken, een

oogenblik langer aan den waterspiegel blijven dan gewoonlijk, worden

zij gegrepen. De Zeearend paart aan vermetelheid en het bewustzijn van

zijn kracht een groote mate van hardnekkigheid. Het is voorgekomen,

dat hij herhaaldelijk een aanval deed op een Vos, ofschoon Reintje

zijn huid goed wist te verdedigen. Dat het kleinvee dikwijls veel

te lijden heeft van dezen Arend, is boven allen twijfel verheven,

zoo ook, dat hij soms op kinderen aanvalt.

Ook hij bezoekt geregeld de vogelbergen van het noorden en pakt

hier onbeschroomd de Zeevogels uit hunne nesten weg. Voorts vangt

hij Eidereenden, rooft jonge Zeehonden, hoewel hun moeder dichtbij

is en vervolgt de Visschen tot in het water. Soms mislukt hem deze

jacht. Lenz deelt hiervan het volgende voorbeeld mede: "Een Zeearend

zweefde, zoekend naar buit, boven den Havel en ontdekte een Steur,

waarop hij onmiddellijk "stiet"; de vermetele roover had echter te

veel van zijne krachten gevergd: de Steur was te zwaar en kon niet

boven het water opgeheven worden; daarentegen was de Visch niet

sterk genoeg om den Arend naar de diepte te sleuren, maar schoot,

terwijl deze met uitgespreide vleugels op hem zat, als een pijl uit

den boog over den waterspiegel heen; beide dieren te zamen maakten

den indruk van een zeilend schip. Eenige lieden, die getuigen waren

van dit vreemdsoortig schouwspel, begaven zich in een boot en vingen

zoowel den Steur als den Arend; deze had de klauwen zoo stevig in

zijn tegenstander vastgehaakt, dat hij niet los kon komen."

In begaafdheid staan alle Zeearenden bij de echte Arenden achter;

gene kunnen zich misschien beter op den bodem redden en beheerschen,

zooals reeds opgemerkt werd, tot op zekere hoogte ook den waterspiegel;

hun beweging mist echter de behendigheid en sierlijkheid, waardoor

de vlucht van de echte Arenden zich in zoo hooge mate onderscheidt.

In den voortplantingstijd, die in Maart begint, heeft de Zeearend,

om zijn wijfje te behouden, met ieder voorbijtrekkend mannetje

een zwaren strijd te voeren, die, als de uitslag ongunstig is, hem

misschien op het verlies van zijn gemalin komt te staan. De horst is

een kolossaal werkstuk, met een middellijn van 1,5 à 2 M., bij een

hoogte van 30 à 100 cM. of meer. Ook dit nest wordt door het paar

vele malen gebruikt en door jaarlijksche herstellingen in den loop

der tijden aanmerkelijk opgehoogd. Stokken van een arm dikte vormen

den grondslag, dunnere takken den bovenbouw van de horst; de zeer

ondiepe nestholte is met fijne twijgen bedekt en met droge grassen,

mossen en dergelijke stoffen bekleed.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 6 / 31 段