en van Azië verbreid. Het gebied, waarin hij broedt, begint reeds
in Neder-Oostenrijk en in het zuiden van Polen; het strekt zich
van hier naar de eene zijde over Galicië, Zevenbergen, Hongarije,
de Donau-laaglanden, Europeesch Turkije en Griekenland, naar de
andere zijde over het geheele zuiden van Rusland uit. Voorts broedt
deze Vogel in verscheidene gewesten van Frankrijk en in vrij grooten
getale ook op het geheele Iberische Schiereiland. In de wouden van den
zuidelijken Oeral is hij niet zeldzaam; hij broedt zelfs in Indië en op
Ceylon. Hij is een echte, edele Arend, naar den geest zoowel als naar
het lichaam en verschilt van zijne grootere verwanten slechts door
meer behendigheid en geringere voorzichtigheid. Zijn vlucht is snel,
krachtig en licht; gedurende geruimen tijd laat hij zich op zijne
wieken drijven, pijlsnel schiet hij neer op zijn buit. Voor zijn
genoegen vliegt hij op zeer bevallige wijze geruimen tijd achtereen
in kringvormigen baan boven eenzelfde plek; ook verheft hij zich
gaarne tot een aanzienlijke hoogte; bij 't jagen echter zweeft hij
tamelijk laag boven den bodem en "bidt" niet zelden op de wijze van
den Torenvalk. Als hij zich op een boom neerzet, zoekt hij minder
dikwijls den hoogsten top dan wel de lagere takken op. Hier zit hij
dikwijls lang achtereen rechtop, zonder eenig lichaamsdeel te bewegen,
maar let intusschen op al wat er rondom hem voorvalt, in afwachting
van een hier misschien aanwezigen buit. Het mannetje en het wijfje
blijven steeds bij elkander, ook gedurende den trek.
De stem van den Dwergarend klinkt als "koch koch kei kei" of als
"wuud wuud".
Deze flinke roover maakt bij voorkeur jacht op kleine Vogels. Bovendien
vangt hij kleine Zoogdieren, vooral Muizen; ook Kruipende Dieren
worden niet door hem versmaad; in Spanje maakt de Parelhagedis een
voornaam bestanddeel van zijn maal uit. Het liefst nestelt hij in
bosschen met breedbladige boomen, zoo mogelijk in de nabijheid van
groote rivieren; hij maakt echter ook wel gebruik van naaldhout. In de
Keizerlijke diergaarde niet ver van Schönbrunn nestelen ieder jaar 1
of 2 paren. Evenals de Schreeuwarend, maakt hij zich meester van alle
voor hem geschikte nesten in zijn gebied, zooals die van Zeearenden,
Buizerden, Wouwen en Raven, soms zelfs van het nest van den Reiger;
hoogstens worden deze woningen door hem een weinig opgeknapt.
Gewoonlijk bevat het nest in het begin van Mei het vereischte getal
eieren, nl. 2. Deze zijn op geelachtigen of groenachtig witten grond
met kleine, roestgele of roestroode stippels en vlekken onregelmatig
geteekend. In den broedtijd valt hij met bewonderenswaardigen moed
en met blijkbare woede alle groote Roofvogels aan, die op korten
afstand van zijn horst voorbijvliegen. De jongen verlaten gewoonlijk
in de tweede helft van Juni het ei; hun kleed bestaat dan uit lang,
zijdeachtig zacht dons en vertoont een lichte, op den kop geelachtige
kleur; het wordt weldra verwisseld voor het jeugdkleed.
Jegens den Ooruil geven de Dwergarenden blijken van doodelijken
haat. "Met het doel," schrijft Graaf Lázár, "om Schreeuwarenden te
schieten, plaatste ik mijn Ooruil op een afgemaaide weide en ging
achter een hooischelf staan. Op eens zag ik een kleinen, bruinen
Roofvogel zoo snel naderen, dat ik nauwelijks den tijd had om mijn
geweer te grijpen. De Dwergarend, want hij was het, naar mij spoedig
bleek, stootte met volle kracht op den Ooruil. Het schot ging af,
maar de Vogel vloog onbeschadigd weg. Hij verwijderde zich echter
niet, maar verhief zich tot een hoogte van omstreeks 150 M. en vloog
hier wel een half uur lang in kringen om den Ooruil. Eindelijk stortte
hij zich nogmaals omlaag en kwam goed onder schot; de jachtkoorts had
mij blijkbaar bevangen; ik schoot ten tweede male mis. Toen de Arend
nogmaals opvloog, had ik alle hoop om hem weer te zien, verloren; na 10
minuten kwam hij echter terug en beschreef wederom kringen in de lucht;
toen hij ten derden male op zijn vijand stootte, velde ik hem neer."
Dwergarenden, die jong uit het nest genomen en goed verzorgd worden,
doen in tamheid voor andere Arenden niet onder. In Spanje heb ik
ze op een eigenaardige wijze afgericht gezien. Een vindingrijke kop
is op het denkbeeld gekomen dezen Vogel voor dienaar van Fortuna te
laten fungeeren. Het gaat met een hok, welks afdeelingen Roofvogels
bevatten, op een druk marktplein staan en noodigt de voorbijgangers
uit zich door de Vogels een getal te laten aanwijzen, dat geluk
brengt in de loterij. De Valkvogels, waarbij ook Dwergarenden zijn,
hebben geleerd uit een hoop nummers, die de spelleman hun voorhoudt,
enkele met den snavel uit te kiezen.
In Australië speelt de Wigstaartarend (Aquila audax) de rol van
onzen Steenarend. Hij verschilt van dezen door zijn langen en toch
krachtigen snavel, door den langen staart, welks pennen van de
middelste tot de buitenste sterk in lengte afnemen en door de lange
veeren aan den achterhals. Zijn lengte bedraagt 98 à 100, zijn vlucht
ongeveer 230 cM. De kop, de gorgelstreek, de boven- en onderdeelen
zijn zwartachtig bruin, bijna alle veeren, vooral die van den vleugel
en de bovendekveeren van den staart, met lichtbruine randen en spits,
de rug en de zijden van den hals roestkleurig. Het oog is nootbruin,
de washuid en een naakte streep om het oog zijn geelachtig wit, de
snavel is aan den wortel geelachtig hoornkleurig, aan de spits geel,
de voet lichtgeel.
De Wigstaartarend bewoont geheel Australië en is nergens zeldzaam. Men
vindt hem in het dichte woud zoowel als in de vlakten, paarsgewijs en
bij troepen. Het veelvuldigst is hij in de gewesten, waar de Kangoeroes
leven: hier kon "the old Bushman" in den loop van één winter er meer
dan een dozijn stuks schieten. "Al wat de schrijvers van den moed,
de kracht en de roofzucht van den Steenarend verhalen," zegt Gould,
"is ook toepasselijk op den Wigstaartarend. Hij rooft alle kleine
soorten van Kangoeroes, die hij in de vlakten en op de niet met
bosch bedekte heuvels aantreft, overweldigt den edelen Trap en is de
grootste vijand van de schapenkudden, daar de lammeren veel van hem
te lijden hebben." De groote Kangoeroes kan hij niet vermeesteren,
maar wel hunne jongen; hij ziet zelfs kans om die, welke zich nog in
den buidel van de moeder bevinden, buit te maken. Door het verslinden
van aas, waarnaar hij even gretig is als de Gieren, vervult hij de
taak van deze in Australië niet voorkomende Roofvogels.
De horst wordt op de minst toegankelijke boomen gebouwd, niet altijd
hoog boven den grond, maar steeds zoo, dat het den mensch nagenoeg
onmogelijk is het nest te bereiken. De vele onbewoonde horsten,
die in de wouden voorkomen, zijn overblijfselen uit den tijd, toen
de blanke nog niet tot hier was doorgedrongen. De kolonisten voeren
een verdelgingsoorlog tegen den Wigstaartarend; hij laat zich door
een kreng naar den bodem lokken en kan dan gemakkelijk geschoten
worden. Nog minder moeite kost het, hem in allerlei soorten van vallen
te vangen. De inboorlingen nemen dikwijls jongen uit het nest, die in
de kuststeden grootgebracht en vervolgens naar Europa vervoerd worden,
waar zij in de diergaarden niet zelden voorkomen.
Een slank lichaam, betrekkelijk korte vleugels, welker spitsen het
uiteinde van den zeer langen staart niet bereiken, lange, tot op de
teenen bevederde voeten, een hooge loop en groote, krachtige teenen,
gewapend met lange, flauw gebogen klauwen, benevens een langwerpige,
maar toch stevige snavel kenmerken den Havikarend (Aquila fasciata,
Spizaëtus Bonelli). Zijn lengte bedraagt 70, de vlucht 145, de
vleugellengte 45, de staartlengte 26 cM.; het wijfje is grooter. In
het volkomen kleed zijn het voorhoofd en een streep boven het oog
wit, de kruin en de nek op bruinen grond donkerder gestreept, de
onderhals en de bovenrug wit met zwartbruine vlekken aan de kanten
van de veeren, de veeren van den mantel effen donkerbruin, die van
den onderrug zwartbruin, de bovendekveeren van den staart witachtig,
bruin gemarmerd, de keel, de borst en het midden van den buik op
witten grond met bruine schaftvlekken, de over den loop hangende
schenkelveeren echter met breede, donkere, uitgetakte bandvlekken,
die, welke de binnenzijde van de schenkels en de loop bekleeden,
roestbruinachtig, met grijze golflijnen geteekend, de slagpennen
zwartbruin met zwakken, purperkleurigen weerschijn, de handpennen
donkerbruin gestreept en gemarmerd. Het oog is bronskleurig geel,
de snavel hoornblauw, de washuid vuilgeel, de voet grijsgeel.
De Havikarend broedt tamelijk veelvuldig in het zuiden van Frankrijk,
Spanje, Portugal, het zuiden van Italië, Griekenland en Turkije,
Noordwest-Afrika en geheel Indië, van den Himalaja tot aan de
zuidelijkste spits. In Griekenland en Zuid-Italië is hij niet zeldzaam,
in Spanje en Algerië de menigvuldigste Arend. Kale gebergten met steile
rotswanden verschaffen hem hier een woonplaats; in Indië bewoont hij
bij voorkeur heuvelachtige, met dsjungels begroeide gewesten. Een
enkele maal zijn in Duitschland exemplaren van deze soort waargenomen.
De Havikarend is een buitengewoon behendige, moedige, vermetele,
ja zelfs drieste, brutale Vogel, die in aard volkomen gelijkt op den
Havik, maar hem in vele opzichten door zijne lichamelijke bekwaamheden
overtreft. Zijn wijze van vliegen gelijkt meer op die van een Edelvalk
dan op die van een Arend. De snelheid van den Valk, de behendigheid
van den Sperwer, de moed van den Arend en de moordzucht van den Havik
komen bij hem vereenigd voor.
Hij maakt op evenveel dieren jacht als de Steenarend. In Spanje is
hij de meest gevreesde vijand van de Huishoenderen, neemt ze mede,
terwijl de eigenaar er bijstaat en maakt met zooveel ijver jacht op
hen, dat hij het hoenderhok van menige afgelegene boerderij letterlijk
uitmoordt. De Duiven vervolgt hij niet minder hardnekkig. Zoogdieren
van de grootte van een Haas en kleinere worden onophoudelijk door
hem bedreigd.
De horst bevindt zich altijd in holten van steile rotswanden, dus op
plaatsen, die zoo veilig mogelijk gelegen zijn.
De Buizerden, welker naam een samenstelling is van de woorden "Buse"
[(spreek uit: Boese) = Kat] en "Aar" (= Arend) en dus "Kat-arenden"
beteekent, zijn plompe Roofvogels van middelmatige grootte. Hun snavel
is kort, van den wortel af gekromd, zijdelings samengedrukt, de zijrand
nagenoeg rechtlijnig, zonder tand; de voet heeft een middelmatig hoogen
loop, korte en zwakke teenen, die met spitse, scherp gekromde klauwen
gewapend zijn; de vleugel is tamelijk lang en afgerond, de vierde
slagpen gewoonlijk langer dan de overige, de staart middelmatig lang;
het vederenkleed is overvloedig en uit groote, lange, breede, min of
meer slappe veeren samengesteld, met uitzondering van de kopveeren,
die gewoonlijk smal en spits, bij enkele soorten zelfs tot een kuif
verlengd zijn. Sombere kleuren hebben de overhand; haar verdeeling
wisselt echter sterk af.
De Buizerden zijn in een vijftigtal soorten over de geheele wereld
verspreid; zij bewonen gebergten en vlakten, bij voorkeur boschjes,
die door akkers omgeven zijn. Akkers of hiermede overeenkomende
terreinen zijn hun gewoon jachtgebied. Gedurende den broedtijd beperkt
het paar zijne beweging tot een bepaalden kring waarbinnen het zich
tot heerschen gerechtigd acht, hoewel het, wegens zijn doorgaans
zeer vreedzamen aard, soortgenooten of andere Roofvogels slechts
uit de onmiddellijke nabijheid van de horst ijverzuchtig verwijderd
houdt. De in 't noorden levende soorten zijn trek- of zwerfvogels;
die, welke warme gewesten bewonen, kunnen als standvogels beschouwd
worden. Alle Buizerden vliegen langzaam, maar lang achtereen,
geruimen tijd zwevend, meer op de wijze van de Arenden dan op die
van de Kuikendieven. Als zij een buit hebben opgespoord, blijven
zij als de Torenvalk met trillende vleugelbeweging daarboven staan;
bij den aanval stooten zij betrekkelijk langzaam in scheeve richting
op hun prooi. Zeer gaarne jagen zij van een uitkijk af. Zij gaan op
een hooggelegen voorwerp in 't veld zitten, het liefst op een boom of
op een hoogen aardhoop en geven nauwkeurig acht op hetgeen er op den
grond voorvalt. Als ergens eenige beweging te bespeuren is, stijgen zij
omhoog en maken zich gereed voor den aanval. Op den bodem zijn zij niet
behendig: zij huppelen in plaats van te stappen. Hunne verstandelijke
vermogens schijnen geringer dan zij werkelijk zijn. Verstandiger dan
de meeste Kuikendieven zijn zij ongetwijfeld, hoewel zij soms zeer dom
handelen. Zij leeren echter spoedig gevaarlijke verschijnselen van
ongevaarlijke onderscheiden en worden, als zij eenige vervolging te
verduren hebben gehad, buitengewoon voorzichtig. Listig kan men ze
niet noemen; in al hun doen en laten zijn zij eerder plomp. Omdat
zij uren achtereen op een en dezelfde plaats blijven zitten,
worden zij als traag beschouwd, ten onrechte, want juist in deze
houding zijn zij zeer ijverig bezig, zij het dan ook slechts met de
oogen. Een vliegende Buizerd kan men in geen geval voor traag houden,
het allerminst, wanneer hij uit speelschheid halve uren achtereen
prachtige kringen beschrijft en, in zekeren zin zonder doel, volgens
een spiraallijn zich tot een ontzaglijke hoogte verheft. Zij oefenen
echter het rooversbedrijf niet op dezelfde wijze uit als vele van hunne
verwanten. Hun ontbreekt de onstuimigheid en de bloeddorst, waardoor
deze zich, niet altijd in hun voordeel, onderscheiden. Zij hebben
een uitstekende eetlust; zoodra deze bevredigd is, staken zij hun
jacht. Met andere Roofvogels leven zij zoo tamelijk in vrede; jegens
den Ooruil toonen zij doodelijken haat. Dikwijls worden zij echter
aangevallen door de vlugge en behendige Valken, die, naar het schijnt,
behagen scheppen in het plagen van hunne onbeholpene verwanten.
Kleine Gewervelde Dieren en Insecten, Slakken, Wormen, larven,
ja zelfs plantaardige stoffen maken het voedsel van de Buizerden
uit. Deze zijn zonder uitzondering als nuttige dieren aan te merken,
eenige zelfs in hooge mate. Zij verdelgen de zoo lastige Muizen in
ontelbare menigte, strijden bovendien wakker met Slangen en andere
dieren, die ons onaangenaam of schadelijk zijn en vallen slechts nu
en dan een dier aan, dat wij hun misgunnen, omdat wij er zelf jacht
op maken. Alle nuttige Vogels hebben, zoolang zij gezond en geschikt
tot beweging zijn, van de Buizerden niets te vreezen. Wel pakken zij
onbeholpen jongen en gewonde Vogels weg; de hierdoor veroorzaakte
schade is echter onbeduidend.
Eenige Buizerden, die de noordelijke landen der aarde, vooral echter
de toendra, bewonen, hebben, evenals de Arenden, den loop tot op
de teenen bevederd en zijn daarom vereenigd tot het geslacht der
Buizerdarenden (Archibuteo). (Bij nader onderzoek merkt men echter
aan de achterzijde van den loop een reeks van schilden op, hetgeen
bij de Arenden niet het geval is.) Een van deze, de Ruigpootbuizerd,
in Noordbrabant ook Deen, in Limburg Ruigpootige Muizenvalk genoemd
(Archibuteo lagopus), houdt zich als wintergast, van October tot Maart,
vrij algemeen, hoewel niet in grooten getale, in ons vaderland op,
het meest nog in de duinstreken; in sommige jaren is hij veelvuldiger
dan in andere. Zijn los vederenkleed bestaat in de gorgelstreek uit
borstelvormige, op den kop en in den nek uit middelmatig lange en
afgeronde, overigens uit groote en lange veeren. De kleur vertoont
naar geslacht en leeftijd weinig, overigens echter veel verschil. Aan
de bovenzijde zijn de veeren donkerbruin met lichter gekleurde randen,
aan de onderzijde wit; de borst vertoont bruine vlekken, de buik een
donkerbruin veld; de staartveeren zijn wit met een breeden, zwarten
band aan den top, de oogen bruin, de washuid en de teenen geel. Totale
lengte 65, vleugel 45, staart 24 cM.
In Europa ontmoet men hem gedurende den zomer vooral in Skandinavië
en het noorden van Rusland. In de toendra bouwt hij zijn horst van
dorre takjes, in den regel op den top van een heuvel, om 't even of
deze zich 40 à 50 dan wel 2 à 3 M. boven den bodem verheft. Hierin
worden van het midden van Mei tot het einde van Juni 4 of 5 eieren
gelegd, welke op die van den Buizerd gelijken.
Gedurende den zomer maakt hij jacht op Lemmingen of andere soorten van
't zelfde geslacht van Woelmuizen. Wegens de buitengewone talrijkheid
van deze Knaagdieren lijdt hij geen gebrek gedurende den tijd, waarin
hij jongen te verzorgen heeft. In zijne winterkwartieren, voedt hij
zich hoofdzakelijk met Muizen, hoewel hij ook andere kleine Zoogdieren,
zelfs Hazen en Konijnen, vooral jonge en gewonde exemplaren vervolgt
en zich tracht meester te maken van een prooi, die door een Edelvalk
of een Havik gevangen is.
De Gewone Buizerd, Haneschop of Muizerd, in Limburg Muizenvalk of
Blotsert genoemd (Buteo vulgaris of Buteo buteo), is een weinig
kleiner dan de Ruigpootbuizerd en onderscheidt zich van dezen door
het onbevederd zijn van het onderste deel van den loop, dat met
schubben en schilden bekleed is. Totale lengte 50 à 56, vlucht 120
à 125, lengte van den vleugel 38 à 40, van den staart 26 cM. Van
de kleur kan moeilijk iets in 't algemeen gezegd worden, daar deze
nog meer uiteenloopt dan bij de vorige soort, zoodat men zelden twee
volkomen gelijke exemplaren vindt. Enkele zijn effen zwartbruin, op den
staart met 12 (zelden 10 of 14) donkere dwarsstrepen. Andere hebben
de bovendeelen, de borst en de schenkels bruin, de overige deelen
van het vederenkleed op licht bruingrijzen grond dwars gevlekt. Nog
andere zijn lichtbruin, tot op den staart overlangs gestreept. Weer
andere zijn geelachtig wit met donkere slagpennen en staartveeren,
op de borst gevlekt, op den staart dwars gestreept, enz. Het oog is
in de jeugd grijsbruin, later roodachtig bruin, op hoogen leeftijd
grijs, de voet lichtgeel, de snavel aan den wortel blauwachtig,
aan de spits zwartachtig.
Het verbreidingsgebied van den Buizerd strekt zich niet ver
buiten Europa uit. Hij is in 't zuiden van Skandinavië, Noord- en
Middel-Rusland, Denemarken, Duitschland en Oostenrijk-Hongarije een
van de veelvuldigst voorkomende Roofvogels. In Nederland werd hij
in de meeste provinciën broedend aangetroffen, hoewel in kleinen
getale. Gedurende den winter zwerven sommige van deze exemplaren,
vermeerderd met die, welke uit het noorden zijn overgekomen, overal
rond. Men ziet ze dan soms bij honderden hoog in de lucht zweven. De
in Nederland en Noord-Duitschland broedende Buizerden trekken voor
't meerendeel in den herfst naar 't zuiden. Die welke bij ons
overwinteren, zijn voor een groot deel uit noordelijker streken
afkomstig. In Zuid-Duitschland heerscht tusschen de standvogels en
trekvogels de omgekeerde verhouding. Uit koudere streken trekken zij
in September en October zuidwaarts, om in Maart of April terug te
keeren. Hoewel zij in gezelschappen van 20 tot 100 (en meer) stuks
in dezelfde richting vliegen, vormen zij volstrekt geen zwermen,
maar verdeelen zich over een uitgestrektheid van verscheidene
kilometers. Als standplaats voor het nest kiest het paar hooge boomen
in allerlei bosschen, het liefst in zulke, die met velden en weiden
afwisselen; men treft het echter ook wel aan in uitgestrekte wouden
en hoog in het gebergte.
De geoefende waarnemer herkent zoowel den zittenden als den vliegenden
Buizerd op het eerste gezicht. Gewoonlijk zit hij ineengekrompen
met tamelijk ruige veeren, liefst op één poot, de andere opgetrokken
en tegen den buik verborgen. De steen, de aardhoop of de boom, die
hij tot rustplaats heeft gekozen, dient hem als uitkijk, van waar
hij zijn gebied overziet. Hij vliegt langzaam, maar zonder merkbare
inspanning, bijna zonder gedruisch en legt, op zijne wieken drijvend,
groote afstanden af. Op de jacht blijft de Buizerd dikwijls geruimen
tijd "staan" boven dezelfde plaats, om deze zoo nauwkeurig mogelijk
af te zoeken, of om een door hem opgemerkt dier beter in 't oog te
houden. Zijn stem gelijkt op het miauwen van een Kat; hieraan heeft
hij zijn naam te danken.
Tegen het einde van April of in het begin van Mei keert de Buizerd
naar zijn oude broedplaats terug, of bouwt een nieuwe horst, wanneer
hij geen voor hem geschikt raven- of kraaiennest kan vinden. Het
wijfje broedt op 3 of 4 eieren; deze zijn op groenachtig witten
grond lichtbruin gevlekt; de jongen worden door beide ouders
gemeenschappelijk gevoederd.
Het gaat den Buizerd ongeveer als den Vos. Iedere misstap, dien hij
begaat, wordt breed uitgemeten, zijn voor ons nuttige werkzaamheid
daarentegen in den regel door een verkleinglas bekeken. De jagers
beschouwen hem als de schadelijkste Roofvogel van ons vaderland
en vervolgen hem onmeedoogend. Het valt niet te ontkennen, dat de
Buizerd, behalve Muizen, Ratten en Hamsters, Slangen, Kikvorschen,
Insecten en Wormen, ook jonge Hazen vangt, of oude, zieke en vooral
gewonde exemplaren om 't leven brengt en verslindt; evenzeer is het
waar, dat hij soms Patrijzen doodt; zelfs is het niet onmogelijk,
dat hij behendig genoeg is om in den zomer en in den herfst gezonde
Patrijzen en Fazanten te overmeesteren; het is voorts een feit, dat
hij, behalve de zooeven genoemde wildsoorten, Mollen zoowel als Vinken,
Leeuweriken, Merels en andere jonge Vogels aan zijne jongen brengt;
ook worden hij en de Kuikendieven te recht beschuldigd van nu en dan
aan Eenden en misschien ook aan andere Vogels, waarop wij jacht maken,
eieren te ontrooven. Ondanks dit alles bestaat toch het hoofdvoedsel
van den Buizerd uit verschillende soorten van Muizen, uit Ratten,
Hamsters, Ziesels, Kikvorschen, uit Sprinkhanen en andere Insecten,
dus uit dieren, die ons groote schade toebrengen, of die, zooals de
Kikvorschen, in zoo grooten getale voorhanden zijn, dat het dooden
van eenige daarvan niet als een nadeel kan worden beschouwd. Blasius
vond 30 Muizen in de maag van één Buizerd. Martin heeft honderden
van deze Vogels geopend om ze op te zetten en in ieders krop niets
anders dan Muizen gevonden.
Om voor den Buizerd nog eenige vrienden te werven, wijzen wij er
met nadruk op, dat deze Vogel, die zoo dikwijls verkeerd beoordeeld
en van vele misdrijven beschuldigd wordt, een van de ijverigste
verdelgers van de zoo vergiftige Adder is. Lenz heeft, om hierover
zekerheid te verkrijgen, met groote zorgvuldigheid proeven genomen;
deze hebben tot de uitkomst geleid, dat de Buizerd het gevaarlijke
Reptiel bestrijdt zonder bestand te zijn tegen diens giftige beten,
welke voor hem doodelijke gevolgen hebben, wanneer zij een bloedrijk
lichaamsdeel treffen. Het komt misschien zelden voor, dat Buizerden
het onderspit delven in dezen strijd; dat enkele op deze wijze den
dood vinden, blijkt o. a. uit een werkelijk treffende gebeurtenis,
die aan Holland medegedeeld werd door een met hem bevrienden,
geloofwaardigen boschbeambte. Deze was in een boom geklommen, waarin
zich een nest van een Buizerd bevond, omdat de Vogel, die hij van den
grond af gezien had, niet weggevlogen was. Toen hij in de horst keek,
bemerkte hij, dat de Buizerd niet meer leefde. Hij tilde hem op en
zag tot zijn niet geringen schrik een levende Adder onder den dooden
Vogel liggen. Deze had dus, na het medenemen van de Slang naar zijn
nest den beet ontvangen, die hem het leven kostte.
De romp van de Arendbuizerden (Circaëtus) is slank, maar krachtig,
de hals kort de kop tamelijk groot; de stevige, van den wortel af
gekromde snavel heeft een langen haak en rechte zijranden; de lange
loop is met een echt pantser van schilden omgeven; de teenen zijn
zeer kort; de vleugel is breed en lang, de staart recht afgesneden.
De eenige Europeesche soort van dit geslacht, de Arendbuizerd
(Circaëtus gallicus), is 70 cM. lang en heeft 180 cM. vlucht, de
vleugel is 56, de staart 30 cM. lang. De spits toeloopende veeren
van den kop en den achterhals zijn dofbruin met lichteren zoom,
de rug-, schouder- en kleine vleugeldekveeren zijn donkerbruin met
lichtere randen, de slagpennen, zwartbruin met fijnen, lichtbruinen
zoom, aan den rand wit en met zwarte dwarsbanden geteekend, de
staartveeren donkerbruin met breede, witte spits en met drie breede,
zwarte dwarsbanden, het voorhoofd, de keel en de wangen witachtig met
smalle, bruine streepjes, de krop en de bovenborst helder lichtbruin,
de overige onderdeelen wit met weinige lichtbruine dwarsvlekken. Een
kring van wollig dons omgeeft het groote oog; de teugel is met naar
voren gerichte borstels bezet. Het oog is geel, de snavel blauwachtig
zwart; de washuid en de voeten zijn lichtblauw.