gedurende den zomer althans dulden zij in hun gebied geen tweede
paar. Vereenigingen merkt men onder hen slechts gedurende de winterreis
of voor weinige minuten gedurende een voor velen voldoenden maaltijd
op: b.v. op het lijk van een groot dier. De band, die tusschen hen
bestaat, is zelfs gedurende de winterreis zeer los. Zij komen op
plaatsen, waar veel buit te behalen is, toevallig, bijeen, verrichten
hier dezelfde bezigheden en schijnen daarom dikwijls gezellig,
hoewel strikt genomen ieder zijn eigen gang gaat. Natuurlijk zijn
hiervan uitgezonderd de leden van één paar. Deze blijven elkander in
hooge mate trouw; er is geen reden om te betwijfelen, dat hun verbond
voor het geheele leven gesloten wordt. Met andere Vogels vereenigen
de Arenden zich evenmin; wel neemt men hen soms in gezelschap van
Gieren, Wouwen en Buizerden waar, maar deze samenkomsten hebben niet
plaats ter wille van de gezelligheid. De gelijke wijze van kostwinning
brengt hen bijeen; zoodra hunne behoeften bevredigd zijn, houdt de
vereeniging op. De Arenden verzetten zich er echter niet tegen, dat
kleine bedelaars, zooals wij ze zullen noemen, sommige soorten van
Vinken b.v., als woonplaats gebruik maken van den onderbouw van hun
horst. Dit verlof wordt niet vrijwillig gegeven, werkelijk geduld
worden deze gasten niet. De Arend laat hen in zijn onmiddellijke
nabijheid wonen, omdat hij er niets tegen kan doen. De behendigheid
van den indringer is zijn vrijbrief tegen den dreigend opgeheven klauw
van den geweldenaar. Dit neemt echter niet weg, dat enkele Arenden
soms een dergelijke grootmoedigheid toonen, als de Leeuw in bepaalde
gevallen aan den dag legt. De edelste van hen zijn niet bezield met de
moordzucht van den Havik. Zij zijn roovers, maar fiere, edele roovers:
zij rooven, omdat zij honger hebben. Juist andersom is het gesteld met
de minder edele leden van het Arendengeslacht. Eenige van hen dragen
niet zonder reden den naam van Havikarenden, daar zij niet alleen
door hun gestalte, maar ook door hun aard op de Haviken gelijken.
De in vrijheid levende Arend voedt zich bij voorkeur met dieren, die
hijzelf heeft buit gemaakt, hoofdzakelijk met Gewervelde dieren. Geen
enkele mij bekende soort versmaadt echter aas; geheel ongegrond is de
bewering, dat slechts de honger den Arend tot het eten van zulk een
spijs dwingt. Hij geeft de voorkeur aan levende dieren, maar vindt het
gemakkelijk aan een reeds gedekten disch plaats te nemen. Kieskeurig
is hij trouwens volstrekt niet; met weinige uitzonderingen is ieder
Gewerveld Dier hem welkom. Visschen vormen, naar het schijnt, een
gewild tusschengerecht, daarentegen zijn waarschijnlijk slechts
weinige soorten op Amphibiën belust. De Arend rooft zittende zoowel
als loopende en zelfs vliegende dieren, vliegt weg met den buit, dien
hij gevangen heeft, om hem, indien dit mogelijk is, naar een bepaalde
rustplaats te dragen en hier te verslinden. Bij den aanval ontwikkelt
hij zijn volle kracht; de buitengewone opgewondenheid, die hem dan
bezielt, kan in echte woede ontaarden. Door tegenstand laat hij zich
zelden of nooit van zijn voornemen afbrengen: hardnekkig volhardt
hij in een eens opgevat plan, valt moedig sterke en groote dieren
aan, maar weet zich ook te behelpen met kleine en zwakke. Zijn komst
beteekent, gelijk Naumann zeer te recht zegt, de dood voor alle dieren,
die hem niet te zwaar of te vlug zijn. De sterkste Arenden voeren den
bijtgragen Vos mede naar boven, of rukken den weerbaren Marter los
van zijn tak. Slechts de krachtigste grootste en zwaarste Zoogdieren
en de behendigste Vogels zijn veilig voor hen. Een afgerichte Arend
zal zonder aarzelen een Struis aanvallen en dooden; zijn in vrijheid
levende soortgenoot schiet zelfs op menschen neer.
Behalve den mensch heeft de Arend geen vijand, die voor hem
gevaarlijk kan worden, wel echter vele tegenstanders. Alle kleine
Valken, Klauwieren, Raven, Zwaluwen, Kwikstaarten enz. haten hem en
toonen hun vijandschap door aanvallen, die, hoe machteloos ook, den
fieren roover het leven zoo onaangenaam maken, dat hij gewoonlijk het
hazenpad kiest om de lastige plaaggeesten kwijt te zijn. De mensch
moet vijandig tegen de Arenden optreden, omdat de meeste soorten hem
niet anders dan nadeel berokkenen.
De Steenarend (Aquila chrysaëtos), overtreft zijn naaste verwanten in
grootte, zwaarte en krachtigen lichaamsbouw; hij is de "Arend" bij
uitnemendheid, de jachtvogel van de jagersvolken in Centraal-Azië,
de held van de fabel, het prototype van den heraldischen adelaar,
het zinnebeeld van kracht en dapperheid. Zijn lengte bedraagt 80 à
95, de vlucht 200 en meer cM.; de vleugel is 58 à 64, de staart 31
à 36 cM. lang. De eerste afmeting heeft betrekking op het mannetje,
de laatste op het grootere wijfje. Bij den ouden Vogel zijn de nek
en de achterhals roestbruingeel, de overige veeren bij den wortel
voor twee derde deel wit, aan de spits zeer gelijkmatig donkerbruin;
de staartveeren zijn aan den wortel voor een derde gedeelte wit,
verderop gestreept of gevlekt, aan de eindhelft zwart. Bruine veeren
hangen over den loop (vormen den "broek"); wit zijn de onderdekveeren
van den staart. De lengte van de washuid, over den snavelrug gemeten,
is grooter dan haar breedte aan den snavelwortel; haar kleur is geel,
evenals die van de teenen en van het oog. De vleugelspitsen bereiken
den top van den staart niet geheel. In het jeugdkleed zijn de kleuren
lichter: het lichtbruin van den nek strekt zich veel verder, tot op
de kruin en de zijden van den hals uit; de vleugel heeft een grooten,
witten spiegel; de veeren van den staart zijn grauwwit en slechts voor
een derde deel (aan de spits) zwart, die van den "broek" zeer licht
van kleur, dikwijls eveneens wit; het oog is bruinachtig. De hier
genoemde kleurverdeeling komt het veelvuldigst voor; de talrijke
kleursverscheidenheden, die men waargenomen heeft en soms als
soortverschillen aanmerkt, hebben o. a. aanleiding gegeven tot de
onderscheiding van den ook door grootte uitmuntenden Bruinen Arend
(Aquila fulva).
De Steenarend bewoont in Europa en Azië hooge gebergten en
zeer uitgestrekte wouden; soms, doch zelden, bezoekt hij ook
Noordoost-Afrika. Naar ons vaderland dwaalt hij zeer zelden af. Hij
werd geschoten in de Wouwsche plantage bij Bergen-op-Zoom, éénmaal
zelfs 7 voorwerpen in één winter, voorts bij Vollenhoven, bij
's Gravenhage, bij Groningen. De eenige streken van Duitschland,
waar hij geregeld nestelt, zijn het Beijersche hooggebergte en de
uitgestrekte, aan den staat behoorende bosschen van Pommeren en van
het zuidoostelijke deel van Oost-Pruisen; de overige gewesten van
Duitschland bezoekt hij soms op zijne zwerftochten, maar vestigt
zich er uiterst zelden. Veelvuldiger is hij in Oostenrijk-Hongarije,
vooral in de Alpen van Stiermarken, Tirol, Karinthië en Krain,
evenmin zeldzaam in de Karpathen en de Zevenburger Alpen, bovendien
in het grootste deel van Hongarije en in het geheele zuiden van
het keizerrijk. Voorts is deze Vogel verbreid over Zwitserland,
Zuid-Europa, het Atlas-gebied, Skandinavië(?), geheel Rusland(?),
voor zoover het boschrijk of rotsachtig is, Klein-Azië, Noord-Perzië
en Middel-Azië, van den Oeral tot in de nabijheid van China en van
den Siberischen woudgordel tot aan den Himalaja.
Zonder de groote wouden te vermijden, geeft de Arend toch duidelijk de
voorkeur aan een woonplaats in het hooge gebergte, op een rotswand,
die moeielijk of in 't geheel niet beklommen kan worden. Ieder
paar toont een taaie gehechtheid aan het eens gekozen gebied; het
overwintert zelfs hier, wanneer de omstreken rijk genoeg zijn aan wild,
en bezoekt dan geregeld de horst, als 't ware om eigendomsrechten
te handhaven. Deze plek is het uitgangspunt van de zwerftochten,
die het mannetje en het wijfje iederen dag en dikwijls in dezelfde
richting ondernemen. Zij verlaten hun slaapplaats eerst lang na
zonsopgang en doorkruisen vervolgens hun gebied, op vrij aanzienlijke
hoogte kringen beschrijvend. Voor de Arenden zijn de bergketenen als
't ware straten, waarlangs zij zich bewegen, meestal zonder zich
zeer ver daarboven te verheffen; als de bergen hoog zijn, vliegen
zij dikwijls niet eens op een geweerschot afstand van den bodem. De
beide echtgenooten vermeesteren en verslinden gemeenschappelijk hun
buit; gedurende den maaltijd kibbelen zij wel eens: een lekker stuk
kan zelfs bij het liefdevolste paar aanleiding geven tot strijd. De
jacht duurt tot omstreeks den middag; dan keert de roover naar een
dicht bij zijn horst gelegen plek terug of zoekt een andere veilige
rustplaats op. Dit gebeurt geregeld, wanneer hij een gelukkige jacht
heeft gehad. Hij blijft dan met gevulden krop en achteloos gedragen
veeren geruimen tijd op dezelfde plaats zitten om te rusten en zich
aan de spijsvertering te wijden; intusschen verliest hij de zorg
voor zijn veiligheid niet uit het oog. Na den rusttijd zoekt hij in
den regel de drinkplaats op. Er wordt wel eens beweerd, dat hij geen
anderen drank noodig heeft dan het bloed van zijn slachtoffer: aan
iederen Arend in de kooi kan men het tegendeel opmerken. Hij drinkt
veel en heeft ook water noodig om een bad te nemen. Bij warm weer
doet hij dit nagenoeg geregeld iederen dag. Na het drinken en baden
gaat hij nogmaals op roof uit; tegen den avond is hij gewoon zich
te ontspannen in de lucht; voorzichtig en zonder eenig geschreeuw
begeeft hij zich, zoodra de schemering valt, naar zijn slaapplaats,
die steeds met groote zorg gekozen wordt. Zoo is, in korte woorden
geschetst, de dagverdeeling van onzen Vogel.
Schoon en statig is de Arend slechts, terwijl hij zit of vliegt;
loopend maakt hij door zijn onervarenheid en onbeholpenheid een
belachelijken indruk. De recht afgesneden staart verschaft den
vliegenden Steenarend zulk een eigenaardig voorkomen, dat men hem
niet met een Gier kan verwarren. Als hij, hoog in de lucht zwevend,
een buit bespeurt, zal hij gewoonlijk eerst eenige spiraalwindingen
nader bij den bodem komen, om het voorwerp beter te kunnen zien,
vervolgens plotseling de vleugels tegen 't lichaam aanleggen en zich
met ver uitgestokene, geopende klauwen, hoorbaar suizend in schuinsche
richting naar beneden storten, op de prooi, die met de klauwen van
beide pooten aangegrepen wordt. Hij durft ook wel sterke dieren
aanvallen en wordt zelfs door het scherpe gebit van den listigen
Vos niet afgeschrikt. Dat hij soms kleine kinderen aangrijpt en
zoo mogelijk medeneemt, is geen fabel; zelfs maken berichten, voor
welker waarheid ingestaan wordt, melding van volwassen menschen,
die zich tegen hem te verweren hadden, zonder dat een aanslag op den
Vogel of zijn horst hiertoe aanleiding gaf. Een vermakelijk geval van
dezen aard wordt door Nordmann beschreven: "Ik kreeg," zegt hij, "een
Steenarend, die in de volgende ongewone omstandigheden gevangen werd:
De hongerige Vogel stootte doldriest midden in een dorp op een groot,
vrij rondloopend Zwijn, dat door zijn luid geschreeuw de bevolking
in opschudding bracht. Een boer verjoeg den Arend, die zijn zwaren
buit slechts noode liet varen en van den rug van het vette Zwijn
onmiddellijk overging op dien van een kater, dezen medenam naar een
omheining en hier ging zitten. Het gewonde Zwijn en de bloedende kater
hieven een hartverscheurend duet aan. De boer wilde ook de Kat redden,
maar durfde den kwaadaardigen Vogel niet ongewapend naderen, snelde
daarom naar zijn woning en kwam met een geladen geweer terug. De
Arend, den verstoorder van zijn maaltijd voor de derde maal ziende
verschijnen, liet de Kat vallen, pakte den boer en klemde zich met
de klauwen aan hem vast; uit drie kelen weerklonk nu angstgeschreeuw:
de in 't nauw gebrachte jager, het vette Zwijn en de oude kater riepen
om hulp. Andere boeren snelden toe, die den Arend met de handen grepen
en hem gebonden naar een van mijne vrienden brachten."
Hoogst waarschijnlijk moeten de misdrijven, waarvan men den Lammergier
beschuldigd heeft, minstens grootendeels op rekening van den koenen
Arend geplaatst worden.
Het zou veel te omslachtig zijn alle dieren te noemen, waarop de Arend
jacht maakt. Van de inheemsche Vogels zijn slechts de Roofvogels, de
Zwaluwen en de vlugste Zangvogels veilig voor hem, van de Zoogdieren,
behalve de groote Roofdieren, slechts Even- en Onevenvingerigen. Hunne
jongen spaart hij echter niet, evenmin versmaadt hij kleine
dieren. Radde zag hem Leeuweriken buitmaken. Zoomin het stekelkleed
van den Egel als het steenharde pantser van den Schildpad schrikken
hem af. De Zwemvogels, die zich door duiken tegen zijne aanslagen
trachten te beveiligen, worden toch door hem gevangen; hij jaagt ze na,
tot zij niet meer duiken kunnen en pakt ze dan van den waterspiegel
op. Het gevangen en gedoode of althans half afgemaakte slachtoffer
wordt door den Arend vóór het verslinden gedeeltelijk geplukt; daarna
begint hij het bij den kop op te vreten, verbrijzelt de beenderen en
slikt ook deze door, voor zoover dit mogelijk is. Van groote Vogels
laat hij niet anders dan den snavel liggen. Na den kop komt de hals
aan de beurt en na dezen het overige lichaam. Hij is gedurende den
maaltijd zeer voorzichtig, kijkt van tijd tot tijd om en luistert
in alle richtingen. Als het maal afgeloopen is, maakt hij zich den
snavel zeer zorgvuldig schoon. Ook voor hem is het verzwelgen van
haren en veeren volstrekt noodig; deze dienen, naar het schijnt, tot
het schoonhouden van de maag en klonteren, als de spijsvertering in
de maag afgeloopen is, tot ballen samen, die gewoonlijk éénmaal in
de 5 à 8 dagen uitgebraakt worden. Als men gevangen exemplaren haar
en veeren onthoudt, slikken zij hooi of stroo door. De doorgeslikte
beenderen worden volkomen verteerd.
De Arend zoekt gewoonlijk reeds tegen het midden of het einde van Maart
zijn nest op. Dit heeft een middellijn van 1.3 à 2 M., de nestholte van
70 à 80 cM.; het nest neemt echter, daar het lang achtereen gebruikt
wordt, van jaar tot jaar toe, zoo niet in omvang dan toch in hoogte;
het wordt mettertijd een werkelijk reusachtig gebouw.
De eieren zijn een weinig kleiner dan ganzeneieren, rondachtig, ruw
van schaal en op witachtig grijzen grond onregelmatig geteekend met
groote en kleine, grijsachtige en bruinachtige vlekken en stippels,
die dikwijls ineenvloeien. Men vindt 2 of 3 eieren in het nest;
het aantal jongen is echter zelden grooter dan 2, dikwijls slechts
één. Het wijfje broedt ongeveer 5 weken. De jongen, die gewoonlijk
reeds in de eerste dagen van Mei de eischaal verlaten, zijn, evenals
die van de andere Grijpklauwvogels, dicht bedekt met een grijsachtig
wit, wollig dons. De beide ouders wijden zich met zelfverloochenende
teederheid aan hun kroost; vooral de moeder is zeer nauwgezet in
het bevredigen van de behoeften harer kinderen. Tegen het einde van
den broedtijd gelijkt het arendsnest op een slachtplaats of meer nog
op een vilderij. Want hoeveel moeite de ouders zich ook getroosten
voor het vernieuwen van het nestmateriaal, toch bekommeren zij zich
er in 't geheel niet om, dat de ligplaats hunner jongen bedekt is
met rottende overblijfselen van vleesch; Vliegen en ander ongedierte
komen in grooten getale hierop af en geven aanleiding tot het ontstaan
van een menigte maden. Hoe groot het aantal dieren is, die het leven
moeten verliezen, om dat van twee jonge Arenden te doen voortduren,
blijkt uit een mededeeling van Bechstein, volgens welke men in de
nabijheid van een horst de overblijfselen van 40 Hazen en 300 Eenden
vond. Deze schatting is misschien overdreven, een feit is het echter,
dat de Arenden een groote slachting aanrichten onder de dieren in
de omgeving van hun horst; het woord omgeving moet in zeer ruime
beteekenis opgevat worden, daar men opgemerkt heeft, dat Reigers van
een afstand van 20 à 30 KM. naar de horst werden vervoerd. Gedurende
den broedtijd is de Arend een ware geesel voor het kleinvee, een plaag
voor den herder; het ligt daarom voor de hand, dat de eigenaar van
't vee alle middelen in 't werk stelt om den vreeselijken roover
te bestrijden.
Arenden, die jong uit het nest genomen en door den mensch grootgebracht
zijn, worden spoedig tam en gemeenzaam; zij geraken zoo gewend aan
hun meester, dat zij hem missen, als hij een geruimen tijd niet bij
hen was, hem met vroolijk geschreeuw begroeten, als hij terugkomt en
hem nooit eenig leed aandoen. Als zij behoorlijk behandeld worden,
kunnen zij vele jaren lang in gevangenschap leven. Volgens een sinds
verscheidene eeuwen bestaande gewoonte van de vorsten uit het huis van
Habsburg worden in den keizerlijken hofburg te Weenen levende Arenden
gehouden en zorgvuldig verpleegd. Een Goudarend heeft hier van 1615
tot 1719 geleefd; te Schönbrunn stierf in het jaar 1809 een Arend van
dezelfde soort, die bijna 80 jaar in gevangenschap had doorgebracht.
Van den dooden Arend wordt veel meer partij getrokken dan van den
levenden. Door de Tirolers en de bewoners van Opper-Beieren, die tot
denzelfden stam behooren, worden sommige deelen van den Arend als
kostbare sieraden beschouwd. Het meest geschat is het "arenddons",
de onderdekveeren van den staart, die voor 2 à 5 gulden koopers
vinden. Aan den meestal van zilver vervaardigden horlogeketting,
worden, behalve hoektanden van het Edelhert en van den Vos en klauwen
van den Havik en van den Ooruil, als schoonste sieraad ook de klauwen
van den Arend opgehangen. Het meest begeerd is de achterklauw, waarvoor
de bergbewoner gaarne 7 gulden betaalt; de waarde van den geheelen
Steenarend beloopt daarom in het gebergte wel 36 à 48 gulden. Bij de
Chineezen doen de kop en de pooten als geneesmiddel dienst, de pennen
worden tot waaiers en pijlen verwerkt. Ook door de Boerjeten worden de
pennen op hoogen prijs gesteld; de Mongolen wijden ze als offergaven
aan de goden. Merkwaardig is het, dat ook bij de Indianen van Amerika
dergelijke denkbeelden voorkomen. Zij houden Arenden, die jong uit het
nest genomen zijn, in 't leven om hen de staartveeren te ontnemen;
iedere veer is hun een dollar waard. Deze veeren gelden bij alle
Indiaansche stammen van Noord-Amerika als kenteekenen van verrichte
heldendaden; de meeste krijgslieden voegen er één aan hun opschik
toe, als zij een vijand hebben gedood. Andere Indianen versieren
hunne vedermutsen met arendsveeren; deze worden in een lange reeks
rechtop bevestigd aan een strook rood laken, waaraan van boven de
vedermuts wordt gehecht. Ook hunne wapens tooien zij dikwijls met
adelaarsveeren, die ook wel in de haren worden gedragen; de vleugel
doet als waaier dienst.
De Konings- of Keizersarend (Aquila melanaëtus, A. imperialis) is
aanmerkelijk kleiner dan de Steenarend: zijn lengte bedraagt 80
à 86, de vlucht 190 à 220 cM.; de vleugel is 60 à 63, de staart
27 à 29 cM. lang; het wijfje is dus nog niet recht zoo groot als
het mannetje van den Steenarend. De lichaamsbouw is gedrongen, de
staart betrekkelijk kort, de vleugel echter zoo lang, dat hij in
den toestand van rust voorbij de spits van den staart uitsteekt. De
grondkleur van het vederenkleed van den volwassen Vogel is zeer
gelijkmatig donkerbruin. De kop en de nek zijn roestkleurig bruin
of licht vaalgeel; de eindhelft van de schouderveeren is zuiver
wit; de staart heeft een niet zeer breeden, zwarten eindband en
is overigens op aschgrauwen grond met smalle, regelmatige, zwarte
banden geteekend. De washuid is even lang als breed. In de jeugd
is het kleed vaal bruinachtig geel, met donkerbruine, overlangsche
vlekken, die door de vederkanten veroorzaakt worden; de witte vlek
op den schouder ontbreekt dan.
Het verbreidingsgebied van den Koningsarend is zeer uitgestrekt,
want het reikt van Hongarije tot China. In Duitschland en in ons land
wordt deze soort zeer zelden waargenomen. Slechts éénmaal werd een
exemplaar in de Wouwsche plantage bij Bergen-op-Zoom geschoten.
Veelvuldiger dan een der reeds genoemde soorten, doch ook nog vrij
zeldzaam ontmoet men hier te lande den Schreeuwarend (Aquila pomarina,
A. naevia). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Steenarend en de
Koningsarend (totale lengte 65 à 70, vlucht 168 tot 185, vleugel 48
à 52, staart 24 à 26 cM); zijn hoofdkleur is zeer gelijkmatig, zwak
glanzig koffiebruin, in de jeugd met lichtere vlekken, o. a. aan
den top der middelste en der grootste bovenvleugeldekveeren, die
gezamenlijk op den vleugel twee roestkleurige banden vormen. De iris,
de washuid en het onbevederde deel van den voet zijn geel; de snavel
is hoornblauw, aan de spits zwart.
Voor zoover men weet, broedt de Schreeuwarend, behalve in
Noord-Duitschland, in Europa nergens anders dan in Polen, West-Rusland,
Hongarije, Galicië, Europeesch Turkije en Griekenland. Van tijd tot
tijd vertoonen zich exemplaren van deze soort in Nederland, voor
't meerendeel jonge mannetjes; ook naar Groot-Brittannië en Zweden
dwalen zij af; reeds in Spanje echter ontbreken zij geheel. In het
oosten van Europa wordt deze soort vervangen door den Bastaardarend
(Aquila clanga) en den Steppenarend (Aquila nipalensis), die beide
aanmerkelijk grooter zijn; de laatstgenoemde evenaart in dit opzicht
den Koningsarend.
De Schreeuwarend is de lafhartigste en onschadelijkste
vertegenwoordiger van zijn geslacht. Hij is zachtmoedig van aard en
gelijkt hierdoor meer op een Buizerd dan op een Arend, zooals men
reeds uit zijn voorkomen, uit zijn blik zou kunnen opmaken. Terwijl
hij zit, heeft hij geen edel voorkomen, zijn vlucht is echter die
van een echten Arend.
Hij voedt zich met kleine Gewervelde dieren, hier te lande vooral
met Kikvorschen, ook met andere Amphibiën, Reptiliën en kleine
Knaagdieren. Vorschen zullen wel overal het hoofdbestanddeel van zijn
maal uitmaken; hierin is een voldoende verklaring te vinden van zijn
veelvuldigheid in sommige gewesten, terwijl hij in andere zelden
voorkomt of geheel ontbreekt. Waarschijnlijk wordt hij eerst tegen
het einde van den broedtijd voor Zoogdieren en Vogels gevaarlijk. Daar
zijne jongen nu hoe langer hoe meer voedsel noodig hebben, rooft hij,
wat hij krijgen kan; dan vallen hem niet slechts jonge Lijsters en
Spreeuwen, maar waarschijnlijk ook jonge Hazen ten buit. Zijn nest
bevindt zich op oude, dikke boomen, het meest op beuken en eiken; zelf
bouwt hij het waarschijnlijk alleen dan, wanneer hij geen geschikte
buizerden- of havikenhorst kan vinden.
Schreeuwarenden, die jong uit het nest genomen zijn, geraken spoedig
aan het leven in de kooi gewend.
De Dwergarend (Aquila pennata) is misschien de lieftalligste Vogel
van het geheele geslacht. Het mannetje is 47 cM. lang en heeft 113
cM. vlucht, het wijfje is 4 cM. langer en heeft 8 cM. meer vlucht. Men
kent van deze soort twee verscheidenheden, de eene licht, de andere
donker van kleur. Bij de eerstgenoemde zijn het voorhoofd en de teugel
geelachtig wit, de kruin, de wangen en de oorstreek donkerbruin, alle
overige bovendeelen bruin in verschillende tinten, de onderdeelen op
lichtgeelachtigen (bij de jongen witten) grond met bruine schaftvlekken
geteekend. Bij de donkere exemplaren is het geheele vederenkleed meer
of minder donkerbruin. Beide variëteiten hebben een witten vlek op den
schouder; het oog is bij de eene licht bronskleurig, bij de andere
bruin, de snavel aan den wortel blauwachtig, aan de spits zwart,
de washuid stroogeel of citroengeel. De 36 cM. lange vleugels reiken
niet geheel tot aan de spits van den 19 cM. langen staart. Zelfs bij
jongen van hetzelfde nest treft men het genoemde kleurverschil aan.