wijze van vliegen van de Edelvalken met het voorkomen van den Sperwer
vereenigt. Aan den Sperwer herinneren de voor een Edelvalk korte
vleugels en de langere staart. Zijn vlucht toont meer afwisseling
dan die van de Boomvalk, maar is iets minder snel. Op zijn vliegenden
buit schiet deze Valk nooit van een groote hoogte neer; zelfs is hij
in staat om zijn zelden ontsnappend slachtoffer te grijpen na een
vlucht in horizontale richting, of door eerst kort voor het bereiken
van het doel omhoog te stijgen. Hij maakt jacht op allerlei kleine
Vogels, Vinken, Gorsen, Leeuweriken, zeer gaarne ook op Lijsters,
bovendien aan de kust en op de Noordzee-eilanden, waar hij ten
tijde van het trekken der Lijsters zich ophoudt, op allerlei kleine
strandvogels. Als hij geen Vogels kan krijgen, vangt hij Veldmuizen
en Insecten. Het Smelleken is in weerwil van zijn geringe grootte
buitengewoon moedig en vlug; vooral het wijfje valt soms groote
Vogels aan. Onder de kleine Valken is het, met den Sperwer, de meest
geschikte soort voor de valkerij; het dient voor de vlucht op allerlei
kleine Vogels, o.a. Lijsters. Het was de lievelingsvogel van Keizerin
Catharina II van Rusland. In de bergachtige streken van het noorden
broedt het Smelleken op rotsen, in bosschen op boomen, in de toendra
of in andere gewesten zonder houtgewas, b.v. in de veengronden van het
zuiden van Yorkshire en het noorden van Derbyshire op den grond. In
de laatstgenoemde streek vindt men tegen het midden of het einde van
Mei in het slordig gebouwde nest 4 of 6 langwerpige of rondachtige
eieren, welker kleur dikwijls nagenoeg volkomen gelijk is aan die
van den Torenvalk.
Zijn geschreeuw klinkt luid en hoog als "ki ki ki".
De Torenvalk en zijne verwanten, die gezamenlijk het ondergeslacht der
Roodvalken of Zwemmers (Cerchneis) vormen, gelijken door gestalte, bouw
van den snavel, van de vleugels en van den staart nog op hunne edelere
verwanten; zij hebben langere en lossere veeren, kortere vleugels,
een langeren staart, pooten met een dikkeren loop en kortere teenen
en verschil van kleur bij het mannetje en het wijfje.
Niet minder dan door gestalte en kleur komen deze Valken in levenswijze
en gewoonten overeen. Men kan het hun aanzien, dat hunne bekwaamheden
geringer zijn dan die van de reeds beschrevene Edelvalken. Wel is ook
hun vlucht nog licht en tamelijk snel, zij staat echter ver achter bij
die hunner verwanten. Een zeer eigenaardige gewoonte is het zoogenaamde
"bidden" (in Friesland wiekelen genaamd, waarnaar de Torenvalk "Wiekel"
wordt genoemd).
Op middelmatige hoogte boven den grond zwevend, maken zij bij het
bespeuren van een buit plotseling halt, bewegen de vleugels geruimen
tijd trillend op en neer, leggen ze daarna tegen 't lichaam aan
en storten met tamelijk groote snelheid naar beneden om de prooi
te grijpen. Voor hun genoegen verheffen zij zich echter, vooral
op fraaie zomeravonden, soms hoog in de lucht en voeren dan de
sierlijkste zwenkingen uit. Bij 't zitten nemen zij een achteloozer
houding aan dan de Edelvalken en schijnen daardoor grooter, dan
zij zijn; bij uitzondering leggen ook zij hunne veeren glad tegen
het lichaam aan. Op den grond bewegen zij zich tamelijk behendig;
hun lange loop maakt zelfs een tamelijk lichten gang mogelijk. Hunne
zintuigen zijn volstrekt niet minder volkomen dan die der Edelvalken;
hun aard is echter anders. Zij zijn opgewekter en vroolijker dan
deze en tevens driest en geneigd tot stoeien. Zij vallen de grootere
Roofvogels dikwijls zeer lastig door ijverige vervolging en scheppen
veel behagen in het plagen van den Ooruil. Zelfs jegens den mensch
leggen zij dikwijls een bewonderenswaardigen moed aan den dag. Vroeg
in den morgen zijn zij reeds in de weer en begeven zich eerst laat te
rust. Dikwijls ziet men hen nog in de avondschemering rondzwerven. Hun
geschreeuw klinkt helder en vroolijk als "kli kli kli"; de intonatie
van dit geluid verschilt, al naar het angst of vreugde te kennen
geeft. Bij ons zijn zij tamelijk schuw en, zoodra zij vervolging
duchten, zelfs buitengewoon voorzichtig; in zuidelijker landen leven
zij met den mensch op den besten voet; vooral de eigenlijke Roodvalk
is volstrekt niet schuw voor den mensch, wiens woning hij als de zijne
gebruikt. In de gevangenschap worden zij spoedig zeer tam; voor een
goede behandeling toonen zij zich dankbaar door gehechtheid aan hun
meester. Zij kunnen gemakkelijk leeren vrij uit- en in te vliegen,
luisteren naar de stem van hun verzorger en begroeten zijn komst met
vroolijk geschreeuw.
De Torenvalk, Zwemmer, Steenschmetzer of Windwanner, in Zuid-Holland
Roodvalk of Muizenvanger, in Friesland Roode Wiekel, in Limburg
Krijter genoemd [Falco (Cerchneis) tinnunculus], is een zeer fraaie
Vogel. Bij het volwassen mannetje zijn de kop, de nek en de staart, met
uitzondering van de blauwzwarte, wit gezoomde eindstrook, aschgrauw,
de bovendeelen fraai roestrood, met een driehoekige topvlek op iedere
veer, de keelveeren witachtig geel, die van de borst en den buik fraai
roodgrijs of lichtgeel met een zwarte, overlangsche vlek, de slagpennen
zwart met 6 à 12 witachtige of roestroode, driehoekige vlekken op de
binnenvlag, aan den top met lichteren zoom. Het oog is donkerbruin,
de snavel hoornbruin, de washuid, evenals de naakte plek om het oog,
groenachtig geel, de voet citroengeel. De knevelvlek is tamelijk breed
en zwart. Totale lengte 63, vlucht 70, vleugel 24 cM.; de 16 cM. lange
staart steekt 4 cM. ver voorbij de vleugelspitsen uit. Bij de jongen en
het volwassen wijfje is ook de kop roestroodachtig met zwarte vlekken;
de staart heeft, behalve den breeden, zwarten eindband, een tiental
smalle, zwarte banden; de knevelvlek is minder duidelijk. Het wijfje
is 2 à 3 cM. langer en heeft 3 à 4 cM. meer vlucht dan het mannetje.
Van Lapland tot in het zuiden van Spanje en van de Amoer-landen tot
aan de westkust van Portugal ontbreekt de Torenvalk in geen der landen
of gewesten van Europa en Azië. Zijn broedgebied reikt tot Perzië en
Noord-Afrika met inbegrip van Madeira en de Kanarische Eilanden. Hij
bewoont zoowel vlakten als bergstreken, om 't even of zij met bosschen
bedekt zijn of niet, want hij is evenzeer een bewoner van rotsen als
van wouden. In 't zuiden van ons werelddeel komt hij veelvuldiger
voor dan in het noorden, hoewel hij ook hier volstrekt niet zeldzaam
is. Zijn nest vindt men in alle gewesten van Nederland in boomen
(vooral in oude kraaiennesten), op torens, oude gebouwen, enz.; hij
komt hier in Maart en vertrekt in November naar het zuiden. Op den
trek vliegt hij over de Zwarte- en de Middellandsche Zee; wanneer
hij onderweg door een hevigen storm wordt beloopen, zoekt hij soms
een toevlucht op schepen; na een rust van eenige uren of misschien
dagen aan gindschen oever wordt de reis naar Zuid-Azië en tot diep in
het binnenland van Afrika voortgezet. Enkele exemplaren overwinteren
echter in ons land; dit komt niet al te zelden, hoewel niet geregeld,
ook in Duitschland voor, veelvuldiger in Zuid-Duitschland en in
Oostenrijk, iederen winter in 't zuiden van Tirol en op alle drie
zuidelijke schiereilanden van ons werelddeel.
Van den vroegen morgen tot den laten avond dikwijls nog bij zwak
schemerlicht, houdt de Torenvalk zich met de jacht bezig. Van zijn
horst uit, die altijd het middelpunt is van het door hem bewoonde
gebied, vliegt hij alleen of paarsgewijs, in den herfst ook wel in
grootere troepen, althans in gezelschap van zijne halfwassen jongen,
naar het vrije veld, blijft hier "biddend" ("wiekelend") boven een
bepaalde plek staan, bespiedt van hier zeer zorgvuldig het terrein
en schiet, zoodra zijn buitengewoon scherpzichtig oog een muisje, een
Sprinkhaan, Krekel of ander groot Insect ontwaart, met dicht tegen het
lichaam aanliggende vleugels bijna als een vallende steen naar den
bodem, breidt op korten afstand van daar de wieken een weinig uit,
kijkt nogmaals naar zijn slachtoffer, grijpt het met de klauwen en
stijgt er mede omhoog. Een kleine prooi wordt gedurende het vliegen
verslonden, een groote naar een geschikte rustplaats vervoerd. Als het
wijfje op de eieren broedt, kondigt het mannetje door een langgerekt
en eenigszins snerpend gekrijsch, dat van zijn gewonen loktoon zeer
verschilt, reeds van verre zijn komst en den goeden uitslag van zijn
jacht aan. Als de Valk omgeven is door zijne in 't vangen nog niet
geoefende jongen, krioelen deze vroolijk om den kostwinner heen;
ieder streeft er naar de anderen voor te zijn en het eerst een deel
van den buit te ontvangen. In dit bekoorlijk familietafereel maakt
de trouw voor zijn kroost zorgende Vogel een nog aangenamer indruk
dan gewoonlijk.
Al naar de weersgesteldheid begint de Torenvalk vroeger of later te
leggen. Zelden is dit afgeloopen vóór het begin van Mei, in vele jaren
niet vóór het begin van Juni. Meestal dient een kraaiennest, een holte
in een rots of in een gebouw, niet zelden ook een eksternest of een
holle boom als broedplaats. Gezellig van aard, evenals alle onedele
Valken, vormt de Torenvalk soms echte broedkolonies: men heeft wel
eens 20 of 30 paren in het zelfde door akkers omgeven boschje vreedzaam
naast elkander zien nestelen. Overal waar hij met vrede wordt gelaten
door zijn erfvijand, den onverstandigen mensch, bekommert hij zich
weinig om diens doen en laten; niet zelden vindt men daarom zijn nest
in hooge gebouwen van volkrijke steden, ook wel in boomen langs wegen
in 't gebergte. In Zuid-Europa toont hij nog minder schroom voor den
beheerscher der aarde. Hier nestelt hij, evenals de verwante Roodvalk,
niet zelden op een huis in een dorp of een stad, hoe weinig geschikt
dit hiervoor ook is. Met de bouwmeesters van het nest, dat hij zich
toeeigenen wil, heeft hij dikwijls een ernstigen strijd te voeren,
want zoomin de Kraaien als de Eksters laten zich goedschiks door hem
berooven; soms gebruikt hij na herhaalde nederlagen het dak van het
door hem begeerde Eksternest als grondslag voor een door hem zelf
gebouwde horst, welks ondiepe holte met wortels, stoppels, mos en
haren van dieren gebrekkig bekleed wordt. De 4 à 9 (in den regel 4
à 6) rondachtige eieren zijn op witten of roestgelen grond overal
bruinrood gevlekt en gestippeld, maar loopen in grootte en vorm
zeer uiteen. Zij worden hoofdzakelijk door het wijfje uitgebroed,
dat intusschen gevoederd en nu en dan afgelost wordt door het
mannetje. Een mannetje, wiens wijfje in leven was, zag men zitten op
een nest met pas geboren jongen. Hij liet ze in den steek, toen zijn
ega gedood was; omdat hij, evenals de meeste mannelijke Roofvogels,
niet in staat is om den door hem gevangen en naar het nest gebrachten
buit voor de nog zwakke jongen hetzij met den snavel of in den krop
behoorlijk voor te bereiden. Bij sterkere jongen, o.a. bij die, welke
reeds vliegen kunnen, gaat hij trouw voort met het vervullen van
zijn vaderlijken plicht, nadat de moeder door een noodlottig toeval
om 't leven kwam. Evenals alle Roofvogels, toonen beide ouders een
innige liefde voor hun kroost en verdedigen het tegen den mensch met
grooten moed. Een tienjarige knaap, die hunne eieren wilde uithalen,
brachten zij zoozeer in 't nauw door in kleine kringen om zijn hoofd
te vliegen, dat de nestberoover den terugtocht moest aanvaarden;
een twaalfjarige knaap, die nu naar de horst klom, werd aangevallen
door het wijfje, dat hem de pet van 't hoofd rukte, en er zoo ver
mede wegvloog, dat de jongen zijn hoofddeksel niet terug kon vinden.
De Torenvalk vangt hoofdzakelijk Muizen, maar eet bovendien Insecten,
voorts kleine Vogels, als hij ze krijgen kan; misschien brengt hij
zijne jongen menig Leeuweriken- of Pieper-broedsel; ook acht ik
het niet onwaarschijnlijk, dat hij nu en dan een pasgeboren haasje
opspoort en doodt. Brehm (Senior) heeft gezien, dat een Torenvalk een
loopenden, volwassen Haas navloog, en van een hoogte van minstens 20
M. tweemaal met zulk een kracht op zijn slachtoffer neerschoot, dat de
haren in 't rond stoven. Het zou echter even onbillijk als dwaas zijn,
hem wegens deze betrekkelijk zeldzame misgrepen tot de schadelijke
Vogels te rekenen en te vervolgen, in plaats van hem zooveel mogelijk
te sparen en te beschermen. De uitgebraakte overblijfselen van het
maal van een uit 20 Torenvalken bestaande broedkolonie waren, naar
Preen heeft opgemerkt, uitsluitend uit haren en beenderen van Muizen
samengesteld. Niet slechts hierdoor, maar ook door het verdelgen van
Insecten maken onze Torenvalken zich zeer verdienstelijk, zoowel in
hun vaderland als in de door Sprinkhanen geteisterde gewesten, die zij
's winters bezoeken; dit moet voor ons een reden te meer zijn om hem
hier dezelfde bescherming te verleenen als in de bedoelde landen.
Een aan den Torenvalk zeer nauw verwante, nog fraaiere soort- de
Roodvalk (Falco cenchris)--komt nevens hem in Zuid-Europa voor. Zijn
lengte bedraagt 32 cM. De kop, de groote vleugeldekveeren, de achterste
slagpennen en de staart van het volwassen mannetje zijn blauwachtig
aschgrauw, de handpennen zwart, de veeren van den rug steenrood zonder
eenige vlekken, de borst en de buik roodachtig geel met zeer kleine,
dikwijls ternauwernood zichtbare schaftvlekken, de staartveeren aan
't einde met een zwarten band geteekend. Het oog, de snavel en de
voet hebben dezelfde kleur als bij den Torenvalk; de klauwen zijn
echter niet zwart, maar geelachtig wit.
In Zuid- en Middel-Spanje, op Sicilië en in Griekenland is hij
algemeen, in Turkije iets zeldzamer, maar toch overal verbreid; in de
Zuid-Russische, Siberische en Toerkestansche steppen is hij, naast
den Roodvoetigen Valk, de veelvuldigste Roofvogel. Voorts behooren
Marokko, Algiers, Tunis, Palestina, Syrië, Klein-Azië en Perzië tot
zijn broedgebied. Op den trek bezoekt hij Zuid-Azië en Zuid-Afrika. Ten
noorden van de Pyreneeën en Alpen dwaalt hij zelden af; in 't oosten
van Europa schijnt hij echter van jaar tot jaar verder noordwaarts
door te dringen. Uit Zuid-Stiermarken komen soms enkele exemplaren
naar Duitschland.
Evenals de Torenvalk en de Roodvoetige Valk, maakt de Roodvalk zich
verdienstelijk door het verdelgen van Sprinkhanen. Men moet de zwermen
van deze Insecten gezien hebben, om zich een denkbeeld te kunnen vormen
van hun ontzaglijken omvang. In sommige gedeelten van het woud, vindt
men, behalve de kaalgevreten boomen, niets anders dan Sprinkhanen,
die, opgejaagd, de lucht verduisteren. Onder de vervolgers van dit
vraatzuchtig gedierte, die zeer spoedig ten tooneele verschijnen,
nemen de genoemde Valken de eerste plaats in. Onbeweeglijk zitten
zij bij honderden op de hoogste toppen der mimosas of zweven, deels
"biddend", deels vliegend met allerlei draaiingen en zwenkingen,
boven de zwartachtig grijze menigte. Zoolang de Sprinkhanen aan de
takken hangen, zijn zij veilig voor de aanslagen der Roofvogels,
die wegens de lange doornen der boomen, zich niet op hun buit kunnen
storten; zoodra echter de Insecten in dichte drommen omhoog stijgen,
verlaten de Valken ijlings hunne zitplaatsen, schieten door de
levende wolk heen en pakken telkens met behendigen greep één der
schadelijke dieren. Vruchteloos tracht dit zich te verdedigen;
zijne scherpe kaken vermogen niets tegen den met schilden bedekten
voet van den overmachtigen vijand, wiens snavel met één houw den kop
van den Sprinkhaan vergruist. Om geen tijd te verliezen verslindt de
Valk al vliegend zijn prooi, rukt deze, terwijl hij in de lucht op
dezelfde plek blijft zweven, de vleugels van 't lijf, bijt de dorre
springpooten stuk en verzwelgt behagelijk het lekkere hapje, dat
nu overschiet. Binnen twee minuten is het pleit van den Sprinkhaan
beslecht en vliegt de geoefende jager opnieuw door den nog niet tot
rust gekomen insectenzwerm om hier nogmaals in één greep één of twee
slachtoffers te maken. Wij vonden deze jacht zulk een aantrekkelijk
schouwspel, dat wij telkens opnieuw de Sprinkhanen opjoegen door aan
de boomen te schudden; de Valken toonden zich erkentelijk door ons
voortdurend nieuwe proeven van hun behendigheid te geven. Het kwam
ons voor, dat de Sprinkhanen wel bewust waren van de aanwezigheid
van hun ergsten vijand. De vliegende schare week uiteen, zoodra een
der Vogels zich plotseling te midden van hun gewemel stortte.
Zeer nauw verwant aan den Torenvalk, maar vooral aan den Roodvalk, is
een andere insectenetende Roofvogel van Zuid-Europa, de Avondvalk of
Roodvoetige Valk (Falco vespertinus), een der fraaiste leden van zijn
geslacht. In grootte komt hij vrij wel met den Roodvalk overeen. Het
mannetje in zijn volkomen kleed is gemakkelijk te onderscheiden van
alle andere Valken. De onderbuik, de veeren, die den loop bedekken ("de
broek") en de onderdekveeren van den staart zijn donker roestrood;
de overige veeren zijn zeer gelijkmatig leikleurig blauw, aan den
staart alleen iets donkerder. De washuid, de naakte oogkring en
de voet zijn steenrood; de snavel is van achteren geel, van voren
blauwachtig. Het oog is bruin.
De Roodvoetvalk behoort in het zuidoosten van Europa en in Middel-Azië
thuis. Het westen van ons werelddeel wordt zelden door hem bezocht,
n.l. wanneer hij nu en dan op den trek de grenzen van zijn gebied
overschrijdt. Herhaaldelijk heeft men hem in verschillende gewesten
van Duitschland, op Helgoland, in Engeland en zelfs in Zweden
geschoten. In den volsten zin van 't woord is hij een steppenvogel;
men vindt hem daarom van de Hongaarsche poesta af door Zuid-Rusland
en geheel Middel-Azië heen tot aan de grens van China. Evenals de
andere Aziatische trekvogels begeeft hij zich tegen den winter vooral
naar Indië, niet naar Afrika. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit
Insecten in alle ontwikkelingstoestanden; het meest maakt hij jacht op
gevleugelde Insecten, bij voorkeur op Kevers; minder dikwijls doet hij
zijn maal met een Muis, een jong, hulpbehoevend vogeltje of een kleine
Hagedis. De Roodvoetvalk geraakt spoedig gewoon aan 't leven in de
kooi en maakt hier een aangenamen indruk op iederen toeschouwer. Hij
bezit alle goede eigenschappen van de Valken en bovendien hun
schoonheid. Zijn houding is bevallig, zijn aard verdraagzaam, zijn
roofzucht betrekkelijk gering, daar hij zich hoofdzakelijk met Insecten
voedt. In de kooi bevindt hij zich zeer wel bij gewoon lijstervoer:
een mengsel van fijn gehakt vleesch, broodkruimels, wortels en
mierenpoppen. Men kan hem zonder bezwaar met andere Vogels van zijn
soort of met Roodvalken in dezelfde kooi houden. Voor de zorg, die
men hem wijdt, toont hij zich dankbaar, herkent zijne vrienden zeer
goed en begroet hen met vroolijk geschreeuw.
De Dwergvalken (Hierax), waarvan ongeveer een half dozijn soorten
Indië, de Soenda-eilanden en de Philippijnen bewonen, zijn zoo
groot als een Leeuwerik, doch wedijveren in moed en koenheid met de
voortreffelijkste Edelvalken. Zij kenmerken zich door een korten en
stevig gebouwden snavel met een scherpen tand achter de haakvormige
spits van de bovenkaak; voor en achter den tand bevindt zich een
inkerving, hetgeen aanleiding geeft om van een dubbelen tand te
spreken.
De meest bekende soort is de Moeti der Indiërs, de Alap der Javanen
(Hierax coerulescens), een Vogel van hoogstens 20 cM. lengte (vleugel
9, staart 6 cM.). De kruin, de nek, de staart en de lange, fijne,
zijdeachtig zachte veeren, die den loop bedekken, zijn blauwachtig
zwart, de voorkop, de keel, de borst en een streep, die zich van
den mondhoek tot op de schouders uitstrekt, roestroodachtig wit,
de overige onderdeelen roestrood. Ronde, witachtige vlekken op den
staart vormen vier sierlijke banden; een soortgelijke teekening komt
op de slagpennen voor. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwzwart,
de voet lichtblauw.
Door de Indiërs wordt hij voor de jacht op Kwartels en dergelijk
wild afgericht. De naam "Moeti" beteekent "een handvol" en is aan
dezen Vogel gegeven, omdat de jager hem op de jacht in de holle hand
draagt. De kop steekt aan den eenen, de staart aan den anderen kant
voorbij de hand uit, de veeren blijven intusschen volkomen glad. Op
een afstand van 20 à 30 M. van het wild gekomen, werpt de valkenier
hem als een steen naar den begeerden buit. Oogenblikkelijk maakt het
valkje van zijne vleugels gebruik en stort zich met grooten moed,
op de wijze van een Havik op zijn buit neer.
De Buizerdachtigen (Buteoninae) hebben een korten loop; deze is meestal
korter, hoogstens een weinig langer dan de middelste voorteen. De
snavel, welks rug bij sommige van den wortel af gekromd, bij andere
voor een gedeelte recht is, mist steeds den tand, hoewel de zijranden
niet zelden eenigszins bochtig zijn. De leden dezer onderfamilie
staan, wat vlugheid en behendigheid betreft, bij de Valken en Haviken
achter. Hun buit bestaat meer uit loopend dan uit vliegend wild; er
zijn onder hen vele vischeters en muizenjagers; verscheidene maken
zelfs gebruik van aas en van plantaardigen afval uit 's menschen
keuken. De buit wordt onder 't voortvliegen opgespoord en door een
plotselinge, benedenwaartsche zwenking gegrepen; minder dikwijls ziet
men hen onbeweeglijk boven een plek staan.
De Arenden (Aquila) zijn groote, of zeer groote, krachtig gebouwde
Vogels, welker middelmatig groote, platte kop, met spits eindigende,
lancetvormige veeren begroeid is; de groote, dikke, aan den wortel
nagenoeg rechten, eerst bij de spits sterk gekromde snavel is
achter den stevigen haak niet getand, maar naar beneden gekromd;
de washuid is onbevederd; de neusgaten zijn rondachtig of eivormig;
de hals is middelmatig lang; de vleugels zijn breed en afgerond,
omdat de vierde of vijfde handpen de langste is en meestal zoo lang,
dat zij het einde van den staart bereiken; deze is breed, aan den
top recht afgesneden en in den regel half zoo lang als de vleugel;
de zeer stevige loop is middelmatig hoog, ongeveer zoo lang als de
middelste voorteen en geheel bevederd; de middelmatig lange teenen
zijn krachtig, met groote, spitse, sterk gekromde klauwen gewapend,
deze aan de onderzijde plat met zwak uitstekende kanten. Het goed
gevulde vederenkleed heeft een sombere, bruine kleur en bestaat uit
groote, naar den top smaller wordende veeren. Het verbreidingsgebied
van dit uit 15 soorten bestaande geslacht strekt zich uit over alle
werelddeelen met uitzondering van Zuid-Amerika.
De Arenden nemen wegens hun aanzienlijke grootte, die hen in staat
stelt groote dieren aan te vallen, hun statige vlucht, hun koenen,
fieren, woesten blik, tot welke het sterk uitsteken van den bovenrand
van den oogkas veel bijdraagt, een hoogen rang in onder de gevederde
roovers. Over het algemeen doen zij den naam "adelaar" eer aan,
daar zij werkelijk edele Vogels zijn. Weinige leden hunner orde
zijn hooger begaafd dan zij, alleen de Edelvalken moeten misschien
boven hen gesteld worden. Zoowel naar het lichaam als naar den
geest zijn zij hoog ontwikkeld. Alleen de Edelvalken en de Haviken
zijn bekwamer dan zij in allerlei bewegingen. Hun wijze van vliegen
mist het onrustige, dat de vlucht van den Edelvalk en van den Havik
kenmerkt en is uitnemend schoon; om van den grond op te stijgen,
bewegen zij de vleugels met kracht, hoewel betrekkelijk langzaam, en
breiden ze na het bereiken van een zekere hoogte eenvoudig uit; toch
zweven de Arenden buitengewoon snel; hoewel men dikwijls vele minuten
achtereen geen enkelen vleugelslag opmerkt, zijn zij spoedig uit het
gezicht verdwenen. Terwijl de Arend kringen in de lucht beschrijft,
is het duidelijk te zien, hoe hij door het draaien en wenden, door het
opheffen en laten zakken van den staart zijn richting wijzigt, hoe hij
in den wind op zich verheft, voor den wind af daalt. Bij den aanval op
een levenden buit stort de geweldige roover met buitengewone snelheid,
onder luid, ver hoorbaar ruischen van de vleugels naar beneden;
hoewel hij dit niet snel genoeg doet om een behendig vliegenden Vogel
te kunnen grijpen, is hij toch wel in staat, om een vliegende Duif in
te halen. Op den bodem beweegt hij zich gebrekkig; zijn gang bestaat
uit zonderlinge sprongen, waarbij met medewerking van de vleugels
poot voor poot verplaatst wordt. Gedurende het loopen heeft de Arend
het minst edele voorkomen. Een werkelijk grootschen indruk maakt hij
daarentegen op den toeschouwer, terwijl hij rechtop als een mensch
in een boom zit. Zijn fiere en kalme aard komt dan zeer duidelijk uit.