De Giervalk of Geervalk [Falco (Hierofalco) rusticulus] is op de

bovendeelen donker grijsblauw, op den rug en den mantel zwart, op den

licht grijsblauwen staart met donkerder strepen, op de slagpennen

bruinzwart; de grijsachtige of geelachtig witte onderzijde is met

donkere overlangsche vlekken geteekend, die op de zijden en op de

pooten in dwarsvlekken overgaan. De snavel heeft op elken leeftijd

een zwartblauwe kleur. Verscheidenheden van grootere afmetingen

en met meer wit in het kleed zijn de Groenlandsche Giervalk, die

Zuid-Groenland bewoont, en de IJslandsche Valk, die op IJsland broedt

en zijn vaderland niet verlaat. In grootte bestaat er tusschen de

Edelvalken weinig verschil. De Giervalk is echter kleiner dan de Witte

Valk. Van het wijfje bedraagt bij gene de lengte 60, de vlucht 126

cM. (lengte van den vleugel 40, van den staart 24 cM.). Het mannetje

heet bij de Edelvalken Tersel, welke naam oorspronkelijk beteekent,

dat het een derde korter is dan het wijfje; zoo groot is echter bij

onze jachtvogels het verschil tusschen mannetje en wijfje niet; het

is hier ongeveer een zevende. De naam "Giervalk" is, volgens Geszner,

ontleend aan de beweging van dezen Vogel bij het aanvallen van zijn

prooi, hij vliegt ("giert") er eenige malen in kringen omheen. Zijn

verbreidingsgebied is, voor zoover thans bekend, tot het noorden

van Skandinavië en Rusland en het oosten van Siberië beperkt. Hier

bewoont hij bij voorkeur steile zeekusten, op welker rotswanden

hij zich vestigt, zonder evenwel het woud geheel te mijden. Het

liefst houdt hij verblijf in de nabijheid van de vogelbergen,

waar gedurende den zomer millioenen van zeevogels zich vereenigen

om te broeden. De jonge Giervalken, meer bepaaldelijk die, welke,

hoewel geslachtsrijp, nog niet gepaard hebben, zwerven dikwijls

rond en begeven zich soms ver in het binnenland; niet zelden treft

men ze in de Skandinavische Alpen aan, terwijl daarentegen de oude

Vogels zelden in het gebergte gevonden worden. Daar de Giervalk voor

de valkerij zeer gezocht was, reisden de Nederlandsche valkeniers

vroeger jaarlijks naar de hoogvlakten van Noorwegen om hem hier op

dezelfde wijze als op onze heiden te gaan vangen. Een 60-tal jaren

geleden is dit nog gedurende twee opeenvolgende jaren geschied, bij

welke gelegenheid twaalf exemplaren, uitsluitend jongen, buitgemaakt

werden. Jonge Vogels zijn het ook, die soms gedurende den winter de

grenzen van het verbreidingsgebied der soort ver overschrijden en,

behalve in geheel Skandinavië, op de Fär-öer, in Groot-Britannië,

Denemarken, Duitschland en Nederland waargenomen worden. In onze

kust- en heidestreken treft men ze, hoewel in zeer kleinen getale,

toch nagenoeg jaarlijks aan (Schlegel). Geschoten werden hiervan 4

exemplaren, in Zuid- en Noord-Holland, Friesland en Zeeland (in 1849,

1864, 1870 en 1878) (Albarda).

De oude Vogels verlaten hun gebied zelfs in den zomer niet; ieder

paar blijft met taaie volharding trouw aan de plek, die het als

woonplaats heeft uitgekozen; deze wordt, indien de oorspronkelijke

bewoners van hier verdreven zijn, spoedig door een ander paar in

bezit genomen. Sommige rotswanden in Lapland herbergen Giervalken,

zoolang het de menschen in de buurt heugt.

In aard en gewoonten gelijkt de Giervalk zeer veel op onzen Slechtvalk;

hoogstens kan men zeggen, dat gene een minder snelle vlucht en een

zwaarder stem heeft dan deze.

Het voedsel van de Giervalken bestaat uit zeevogels in den zomer

en Sneeuwhoenderen in den winter; bovendien zegt men, dat zij op

Hazen jacht maken en maanden lang van Eekhoorns leven. Zij zijn de

schrik van alle bewoners der vogelbergen. Holböll verzekert, zelf

gezien te hebben, dat een Noordsche Valk twee jonge Drieteenige

Meeuwen te gelijk met zijne klauwen oppakte, in iederen poot één,

en dat hij op gelijke wijze twee Strandloopers buitmaakte. Faber

vond een door hem bezochte horst rijkelijk voorzien met Zeekoeten,

Papegaaiduikers, Alken en Drieteenige Meeuwen. Behalve voor zeevogels

zijn de broedende Jachtvalken ook gevaarlijk voor de Moerashoenderen

en Duiven. Na den broedtijd komen zij dikwijls in de nabijheid van

menschelijke woningen, zijn dan over 't algemeen niet bijzonder schuw

en laten zich zelfs naderlokken, wanneer men een Sneeuwhoen of een

anderen Vogel herhaaldelijk omhoog werpt. In den winter verlaten zij

de zeekust en volgen op de bergen het spoor van het Sneeuwhoen. Dit

is voor den Edelvalk, zijn gevaarlijksten vijand, zoo bevreesd, dat

het zich, zoodra het hem in 't oog krijgt, met onstuimige haast op

de sneeuw neerstort, en met de grootst mogelijke inspanning hierin

een gang graaft om zich te verschuilen.

De groote, ondiepe horst van den Jachtvalk staat in een nis van

een ontoegankelijken rotswand dicht bij de zee. Gewoonlijk maakt de

Giervalk zich meester van het nest van een Raaf, dat hij onbezet vindt,

of waaruit hij den rechtmatigen eigenaar met geweld verdrijft. Dit

nest bevat in het begin van Mei, soms reeds in het einde van April,

het voor 't broeden vereischte aantal eieren. Het land is dan nog met

een dikke sneeuwlaag bedekt. Waarschijnlijk broedt de Jachtvalk op

Nowaja Semlja (en misschien ook in andere zeer noordelijke gedeelten

van zijn verbreidingsgebied) eerst later in 't jaar.

Toen de jacht met Valken nog meer algemeen beoefend werd, zond de

Deensche regeering ieder jaar een schip, dat het "valkenschip" werd

genoemd, naar IJsland om van daar Jachtvalken te halen. Hoewel de

regeering zich thans niet meer met de valkenvangst bemoeit, brengt het

schip, dat in den zomer IJsland bezocht, bijna ieder jaar nog eenige

levende Valken naar het moederland; deze exemplaren zijn het, die men

nu en dan in de diergaarde te zien krijgt. In de kooi gedragen zij zich

als Slechtvalken en vereischen dezelfde zorg. Zij leven hier echter in

den regel niet lang; men mag van geluk spreken, als zij er hun volkomen

kleed verkrijgen; onder de uitmuntende, maar kostbare verzorging van

de valkeniers konden sommige Jachtvalken 20 jaar lang dienst doen.

De Slechtvalk ("slecht" heeft hier de beteekenis van "eenvoudig" of

"gewoon") in Zuid-Holland Passagier, in Friesland Noordsche Valk

genoemd (Falco peregrinus), onderscheidt zich van de Jachtvalken

door geringere grootte, door den betrekkelijk kleineren en sterker

gekromden snavel, den minder ver bevederden kop en den in verhouding

tot de vleugels korteren staart. De geheele bovenzijde is licht

leikleurig grijs, geteekend met op dwarsbanden gerangschikte,

donker leikleurige, driehoekige vlekken. Het voorhoofd is grijs,

de door zwarte knevelvlekken begrensde keel witachtig geel evenals

de bovenborst. De onderborst en de buik zijn leemroodachtig geel;

de eerste bruingeel gestreept en met rondachtig hartvormige vlekken

geteekend; de buik versierd met donkere dwarsvlekken, die vooral op de

aars en de pooten duidelijk uitkomen en als dwarsbanden gerangschikt

zijn. Bij levende exemplaren vertoonen de veeren een grijsachtig

waas. Het oog is donkerbruin, de snavel lichtblauw, aan de spits

zwart; de washuid, de mondhoek, de naakte plek om het oog en de voet

zijn geel. Het wijfje is gewoonlijk frisscher van kleur en steeds

aanmerkelijk grooter dan het mannetje; haar lengte bedraagt 47 à

52, de vlucht 110 à 120, de vleugellengte 40, de staartlengte 20

cM. Deze afmetingen zijn bij het mannetje resp. 42 à 47, 84 à 104,

36 en 20 cM. (De middelste teen is 50 à 55 mM. lang.) Er bestaan

trouwens vele niet onbelangrijke afwijkingen van kleur en grootte,

waarvan sommige als afzonderlijke soorten beschreven zijn. Bij de

jongen is de bovenzijde zwartgrijs, iedere veer met roestgele randen,

de kropstreek witachtig of geelachtig grijs, de onderzijde overigens

witachtig en overal met licht- of donkerbruine, overlangsche vlekken

geteekend. Hun snavel is lichtblauwachtig, de voet blauwachtig of

groenachtig geel, de washuid groenachtig blauw, evenals de overige

naakte plekken van den kop.

De Slechtvalk broedt in Nederland niet, maar is in alle provinciën

een geregelde wintergast. Voor 't meerendeel zijn de bezoekers van

ons land jonge Vogels; zij komen gewoonlijk niet vóór October uit het

noordoosten tot ons en houden zich hier, al naar de omstandigheden,

meer of minder lang op; sommige blijven, vooral in zachte winters;

de meeste vertrekken in December naar zuidelijker streken, vanwaar

zij in Maart of April terugkeeren, om na een kortstondig verblijf

hunne noordoostwaarts gelegen broedplaatsen weer op te zoeken. Deze

vindt men trouwens in nagenoeg alle landen van Europa, voorts in

geheel Middel-Azië en in de noordelijke landen van Amerika. In de

toendra van beide werelden is hij de veelvuldigste van alle Valken;

in noordelijker streken wordt hij door de Jachtvalken vervangen. Het

ligt voor de hand, dat hij genoodzaakt is het groote deel van dit

broedgebied vóór den winter te verlaten, daar hij vooral op Vogels

aast; zijn wetenschappelijke naam (die "Zwerfvalk" beteekent) heeft

betrekking op zijn cosmopolitische neigingen: hij bezoekt bijna alle

landen van de wereld, sommige overwinteren reeds in Middel-Europa,

andere trekken ons werelddeel door tot aan de zuidelijkste gewesten,

waar men ze hier en daar in den winter zeer veelvuldig aantreft; nog

andere volgen de trekvogels tot over de Middellandsche Zee en tot in

de binnenlanden van Afrika. In Noordoost-Afrika zijn zij gedurende de

wintermaanden bij alle strandmeren en in het geheele stroomgebied van

den Nijl tot in Middel-Nubië te vinden. In Azië bezoekt de Slechtvalk

op dezelfde wijze gedurende het koude seizoen Japan, China, Indië

(van den Himalaja tot Kaap Comorin) en de Soenda-eilanden, in Amerika

de Vereenigde Staten, Middel-Amerika en West-Indië.

Kleiner dan de hoofdsoort is de Zuid-Afrikaansche Kleine Slechtvalk

(Falco peregrinus minor), grooter, rood en ongevlekt op de onderdeelen

de Schahien (Falco peregrinus ruber) van het Indische vasteland,

eveneens grooter, maar zonder wit aan de zijden van den kop de

Australische Zwartwangige Slechtvalk (Falco peregrinus melanogenys).

In Duitschland nestelt de Slechtvalk in uitgestrekte wouden, bij

voorkeur in die, welke steile rotswanden omgeven. Even veelvuldig

bouwt hij zijn horst in bergstreken zonder bosschen; volstrekt niet

zelden geschiedt dit te midden van groote, volkrijke steden. Van

de kerktorens van Berlijn en den Stephanustoren te Weenen, van de

domkerken van Keulen en Aken is hij een nagenoeg vaste bewoner. Op

bijzonder gunstig gelegen plaatsen, vooral op onbestijgbare rotswanden,

wordt zijn nest even geregeld gevonden als dat van den Jachtvalk op

de vogelbergen van het noorden. De Falkenstein in het Thuringer Woud

draagt zijn naam terecht, daar hier, zoo lang het de menschen heugt,

een paar Slechtvalken nestelt.

De Slechtvalk is een moedige, sterke en buitengewoon behendige Vogel;

zijn forsche lichaamsbouw en zijn bliksemend oog verraden dit op 't

eerste gezicht. Zijn stem klinkt krachtig en vol als "kgiak kgiak"

of "kajak kajak."

Naar het schijnt voedt de Slechtvalk zich uitsluitend met Vogels. Hij

is de schrik van alle bevederde wezens, welker grootte tusschen die

van de Wilde Gans en die van den Leeuwerik in ligt.

Alle Vogels, waarop de Slechtvalk jacht maakt, kennen hem zeer goed

en doen onmiddellijk hun best om buiten zijn bereik te komen. Zelfs

de moedige Kraaien bieden geen tegenweer, maar vliegen, zoodra zij

hem zien, ten spoedigste weg; zij hebben trouwens voldoende reden om

voor hem te vluchten, want hij laat zich door deze Vogels, die bijna

iederen Valk aanvallen en langen tijd vervolgen, volstrekt niet van

zijn voornemen afbrengen; integendeel hij stijgt in de lucht boven

de misschien nog onervaren exemplaren, die de vermetelheid hebben

hem te willen plagen, stoot van boven af op hen neer en "bindt" ze,

zonder ooit te missen.

Als de Slechtvalk een buit vangt, doodt hij hem gewoonlijk reeds in

de lucht; zeer zware Vogels echter, die hij niet voortslepen kan,

zooals Boschhoenderen en Wilde Ganzen, maakt hij op den bodem af,

na ze zoolang geplaagd te hebben, tot zij met hem op den grond

vallen. Bij het vervolgen van zijn buit vliegt hij zoo fabelachtig

snel, dat men geen kans ziet op eenigerlei wijze zijn snelheid te

schatten. Men hoort een bruischend geluid en ziet een voorwerp uit

de lucht naar beneden storten, maar is niet in staat om te zien, dat

het een Valk is. Waarschijnlijk omdat zijn aanval te onstuimig is,

stoot hij slechts zelden op zittende Vogels. Hij loopt gevaar zich

te pletter te vallen; het is wel eens voorgekomen, dat de schok tegen

boomtakken, waar hij langs moest schieten, hem bedwelmd en zelfs gedood

heeft. Pallas verzekert, dat de Slechtvalk soms bij het vervolgen van

Eenden in 't water verongelukt; zijn "stoot" is zoo hevig, dat hij

diep onder den waterspiegel geraakt en verdrinkt. Zelden trouwens

mist hij zijn prooi, maar vangt haar met gemak, spelenderwijs, en

vervoert haar vervolgens naar een vrije plaats om haar te verslinden;

alleen groote Vogels kropt hij op de plaats, waar zij gedood zijn.

Het liefst nestelt de Slechtvalk in holten van steile, moeielijk of

niet beklimbare rotswanden, des noods echter ook op hooge boomen in

het bosch. Waarschijnlijk bouwt hij slechts zelden zelf een horst,

maar vestigt zich in de woning van een anderen Roofvogel, van een

Zeearend of van een Wouw, ook wel in een verlaten of met geweld

overmeesterd kraaiennest. In Duitschland begint hij in April of Mei,

soms ook eerst in Juni, te broeden op 3, hoogstens 4, rondachtige

eieren, die op roodachtig gelen grond bruin gevlekt zijn.

Daar de Slechtvalk een zeer belangrijke schade aanricht, kan men hem

niet dulden. Misschien zou men den fieren roover kunnen laten begaan,

indien hij uitsluitend ten eigen behoeve zijn beroep uitoefende:

hij verzorgt hierdoor echter tevens een groot aantal tot andere

soorten behoorende familieleden. Het is een opmerkelijk feit, dat

alle Edelvalken, als zij aangevallen worden, den pas verworven buit

weer wegwerpen. De tafelschuimers onder de Roofvogels zijn hiermede

zeer goed bekend. "Deze luie en onbekwame Vogels," schrijft Naumann,

"geven van hun zitplaats op grenssteenen en aardhoopen in het veld

nauwkeurig acht op den Valk; zoodra zij zien, dat hij iets gevangen

heeft, vliegen zij zoo schielijk mogelijk naar hem toe en nemen hem

zonder complimenten den buit af. De Valk, dien het in den regel aan

moed en vermetelheid niet ontbreekt, laat, wanneer hij de ongenoode

gasten ziet komen, zijn prooi liggen, stijgt onder het vele malen

herhaald geschreeuw van "kja-kjak" weer naar boven en snelt heen. Zelfs

door een lafhartigen Wouw, die geen kuiken durft aanvallen, wanneer

de klokhen zich onverschrokken toont, laat hij zich den buit ontnemen."

Als men den Slechtvalk zorgvuldig verpleegt, kan hij jaren lang in de

kooi in 't leven gehouden worden; hij neemt dan allerlei versch vleesch

voor lief, maar heeft veel voedsel noodig. De Slechtvalk werd bij

voorkeur voor het vluchtbedrijf afgericht, niet alleen omdat hij meer

algemeen verspreid en gemakkelijker te verkrijgen is dan de overige

soorten, maar ook omdat zijn kracht slechts weinig achterstaat bij

die van den Giervalk, den IJslandschen Valk en den Witten Valk, welke

Vogels hij in moed en behendigheid evenaart, in leerzaamheid overtreft.

De Slechtvalk wordt wegens de schade, die hij onder het wild en de

huisvogels aanricht, overal door den mensch vervolgd. Hij maakt jacht

op Bosch- en Korhoenders, Fazanten, Eenden, Snippen en andere moeras-

en watervogels en op Java op wilde Hoenderen. Hij is ook bijzonder op

Duiven gesteld. De voorwerpen die hier te lande overwinteren, kiezen

streken, waar vele Patrijzen voorkomen, somtijds ook kerktorens of

andere hooge gebouwen, tot hun verblijfplaats, vanwaar zij hunne

verwoestingen, vooral onder de Hoenderen en Duiven aanrichten. Alle

mogelijke middelen worden aangewend om den Slechtvalk uit te roeien. In

één opzicht zou het jammer zijn, dat deze toeleg gelukte, daar onze

wouden en velden dan een merkwaardig sieraad zouden missen.

In Noord-Afrika en Noordwest-Azië is de Slechtvalk vervangen door

den aanmerkelijk kleineren Barbarijschen Valk (Falco barbarus). Deze

is gemakkelijk te herkennen aan een roestrooden vlek, die zijn nek

versiert, ook de onderdeelen zijn in het volkomen kleed ros en met

weinige dwars gerichte golflijnen voorzien. Hij bewoont de geheele

zuidkust van de Middellandsche Zee, dringt van hier uit diep in

het binnenland van Afrika door en eveneens door Perzië naar Indië;

niet zeer zelden dwaalt hij naar Spanje af; twee malen is zelfs een

exemplaar in Nederland (Noordbrabant) gevangen. Ook deze soort wordt

in de valkerij gebruikt.

In Middel-Afrika en Indië ontmoet men een kleinen, verwanten vorm,

die wegens zijn buitengewone schoonheid vermelding verdient. Deze,

de Roodhalzige Valk, de Toeroemdi der Indiërs (Falco chiquera,

F. ruficollis), is misschien de fraaiste van alle. Hij is over

geheel Indië, van 't noorden tot het zuiden, verbreid, in boschrijke

gewesten echter zeldzaam, daar hij de voorkeur geeft aan open streken

in de buurt van volksplantingen, aan tuinen en boomgroepen. Hij

jaagt bij paren en vangt voornamelijk kleine Vogels, onder anderen

Kalander-leeuweriken, Musschen en Pluvieren, maar ook Veldmuizen. De

horst van den Toeroemdi staat gewoonlijk op hooge boomen en bevat in

den regel 4 geelachtig bruine, met bruine vlekken gesprenkelde eieren.

Nu en dan wordt hij getemd en voor de vangst van Kwartels, Patrijzen,

Meinas, vooral echter van de Indische Scharrelaars, afgericht.

De Boomvalk, in Friesland Blauwe Wiekel, door de valkeniers Baillet

genoemd (Falco subbuteo), vertegenwoordigt een ondergeslacht

(Hypotriorchis), dat zich van den Slechtvalk en zijne verwanten

onderscheidt door de betrekkelijk lange, sikkelvormige vleugels,

die tot aan of voorbij de spits van den staart reiken. Het mannetje

van de genoemde soort is slechts 31 cM. lang (vlucht 78, vleugel 25,

staart 16 cM.), het wijfje is 4 cM. langer (en heeft 5 à 7 cM. meer

vlucht). De geheele bovenzijde is blauwzwart, de kop grijsachtig, de

nek wit gevlekt; de slagpennen zijn zwartachtig met roestgele kanten,

de stuurpennen van boven leikleurig blauw, van onderen grijsachtiger,

op de binnenvlag met 8 roestgeelachtig roode dwarsvlekken versierd,

die zich tot banden vereenigen, maar op de middelste ontbreken. De

onderdeelen, bij den krop te beginnen, zijn op geelachtig witten

grond met zwarte, overlangsche vlekken geteekend; de veeren die den

loop bedekken (de "broek"), de stuitveeren en de onderdekveeren van

den staart zijn fraai roestrood. Het oog is donkerbruin, de naakte

ring er omheen, de washuid en de voeten zijn geel, de snavel is aan

de spits donker-, aan den wortel lichtblauw.

Europa, bij 't midden van Skandinavië, Zuid-Finland en Noord-Rusland

beginnend, tot Griekenland en Spanje, verschaft aan dezen Vogel, den

snelsten onzer Edelvalken, broedplaatsen. Bovendien bewoont hij geheel

Azië, van den Oeral tot den Amoer en broedt ook in Toerkmenië. Bij

ons broedt hij in alle boschrijke streken, zwerft in het najaar rond,

vertrekt half October naar het zuiden (tegelijk met de Leeuweriken)

en komt in April terug. Aan boschjes te midden van het veld, vooral

wanneer zij uit breedbladige boomen bestaan, geeft hij boven alle

andere plaatsen de voorkeur; slechts op den trek treft men hem in

uitgestrekte wouden aan.

De gewoonten van den Boomvalk verschillen in sommige opzichten

van die der andere Edelvalken. Hij is een zeer wakkere, drieste en

behendige roover, die in snelheid van vlucht met iederen anderen Valk

wedijveren kan. Zijn wijze van vliegen gelijkt veel op die van de

Zwaluwen. Evenals deze houdt hij zijne vleugels meestal sikkelvormig,

breidt den staart weinig uit en gelijkt door zijn geheele houding

zeer op een Muurzwaluw. Op den bodem strijkt hij zelden neer, in

den regel echter op boomen; zijn buit verslindt hij hier zoowel als

daar. Hij voedt zich met kleine Vogels en allerlei groote, vliegende

Insecten. In de valkerij werd hij weinig gebruikt, zoowel omdat hij

niet zeer vlug is in het grijpen der Vogels, als om het feit, dat

hij zijn buit ongemoeid laat, wanneer hij groote Insecten ontmoet,

die hij dan bij voorkeur vervolgt en vangt.

Zijn stem is een helder en aangenaam klinkend "geth-geth-geth", dat

vaak en snel herhaald wordt. Gedurende den broedtijd hoort men van

hem een schel "giek".

De Boomvalk is altijd schuw en voorzichtig en gaat daarom eerst als

het geheel duister is op den boom zitten, waar hij den nacht zal

doorbrengen; bijna angstvallig ontwijkt hij ieder mensch. Al zijne

handelingen openbaren een goed ontwikkeld verstand.

De Boomvalk is de schrik van de Leeuweriken, maar versmaadt ook andere

Vogels niet en is zelfs voor de vlugge Zwaluwen gevaarlijk. Gewoonlijk

vliegt hij snel en dicht bij den grond langs. Als in de lente de

Leeuweriken hem van verre zien aankomen, stijgen zij schielijk op tot

zulk een hoogte, dat het menschelijk oog hen ternauwernood waarnemen

kan en kwinkeleeren ijverig hun liedje, wel wetend, dat hij hen op

deze hoogte geen kwaad kan doen, omdat hij, evenals de vorige soorten,

steeds van boven af op zijn prooi stoot en hen daarom, wanneer zij

eens op zulk een groote hoogte zijn, nooit aanvalt. Het zou hem te

veel moeite kosten nog hooger te stijgen dan zij. De Zwaluwen maken

een groot geraas, zoodra hij komt, vereenigen zich tot een zwerm en

schieten warrelend omhoog. Op die, welke afzonderlijk en laag vliegen,

maakt hij jacht en vangt ze op een open terrein in 4 à 10 stooten;

als hij echter dikwijls misgestooten heeft, wordt hij ontmoedigd en

gaat elders zijn geluk beproeven.

Zijn horst staat op een boom, in het gebergte ook wel op een rots,

in de steppen ergens op den grond. In 't eerstgenoemde geval gebruikt

hij in den regel een oud kraaiennest als grondlaag voor zijn horst;

het komt echter ook wel voor, dat hij deze geheel en al van doode

takjes bouwt en inwendig met haar, borstels en mos bekleedt. De 4

of 5 eieren hebben een langwerpige, bij uitzondering ook wel een

meer ronde gedaante; zij zijn op witachtigen of roodachtigen grond

meer of minder dicht met zeer fijne, geelroodachtige ondervlekken en

roodbruinachtige bovenvlekken geteekend.

Ook de Boomvalk richt een niet onbelangrijke schade aan. Lenz heeft

uitgerekend, dat hij jaarlijksch minstens 1095 vogeltjes verdelgt. Hij

is evenwel een van de lieftalligste huisgenooten, die wij uit zijne

familie kunnen verkrijgen. "Ik heb", zegt Brehm, de vader, "nooit een

Vogel gehad, die mij meer genoegen heeft verschaft dan mijn tamme

Boomvalk. Als ik den stal, waarin hij geborgen was, voorbijging,

schreeuwde hij, nog voordat hij mij zag, vloog naar de deur, nam den

voor hem bestemden Vogel in ontvangst en verslond dezen. Als ik den

stal binnenging, zette hij zich op mijn hand, liet zich streelen en

keek mij intusschen met trouwhartige blikken aan. Als ik hem naar de

kamer bracht en op de tafel zette, bleef hij rustig zitten en vrat

ook wel met grooten smaak en zonder overhaasting, in het bijzijn van

vreemden een Vogel, die hem hier gegeven werd. Als men hem plaagde, of

zijn buit ontnemen wilde, kneep hij met den snavel, maar wondde nooit

met de klauwen. Ieder die dezen Valk zag, hield veel van hem en had

er schik in hem te liefkoozen. Niemand zal het berouwen een Boomvalk

gevangen te houden. Hij kent zijn meester, stelt zijn genegenheid op

prijs en schijnt hem door zijn blik hiervoor te danken."

Het Smelleken, in Friesland Blauwe Gier genoemd (Falco aesalon), de

kleinste van de inheemsche Valken, is slechts weinig kleiner dan de

Boomvalk, hoewel het wegens de kortheid van de vleugels, die in den

toestand van rust weinig meer dan twee derden van den staart bedekken,

vooral gedurende het vliegen veel kleiner en meer ineengedrongen

schijnt. (Lengte van het mannetje 32, vlucht 86, vleugel 20, staart 13

cM.; het wijfje is 2 cM. langer en heeft 3 à 4 cM. minder vlucht.) De

knevelvlek is smal. Het volwassen mannetje is aan de bovenzijde,

met uitzondering van een onduidelijke roestkleurige vlek in den nek,

blauwachtig grijs met fijne, zwarte schaftstrepen op iedere veer en een

breeden, zwarten band aan de spits van den staart, aan de onderzijde

roestgeelachtig met donkerbruine, overlangsche vlekken. Van de wijfjes

en de jongen zijn de bovendeelen grijsbruinachtig met roestkleurige

kanten en vlekken en 5 à 6 lichtere dwarsbanden op den staart, de

onderdeelen vuil witachtig geel met bruine, overlangsche vlekken.

Het eigenlijke broedgebied van dezen Vogel is het hooge noorden

van Europa, vooral de toendra en de naar 't zuiden daarop volgende

woudgordel, ongeveer tot op de breedte van het eiland Gothland. In

Siberië strekt het zich nog verder zuidwaarts uit, oostwaarts, naar

't schijnt, tot aan den benedenloop van den Amoer. Hier te lande

komt hij van September tot April in alle boschstreken voor. Enkele

exemplaren worden ook nog 's zomers in ons land waargenomen. Schlegel

vermoedde, dat deze op de heidevelden van Gelderland zouden broeden,

waarvan men tot dusver geen zekerheid heeft gekregen. In Europa

overwintert hij voorts in vrij aanzienlijken getale op de drie

zuidelijke schiereilanden, nog veelvuldiger echter in Noord-Afrika,

vooral in Egypte, waar hij soms, geheel in strijd met de gewoonten van

zijn geslacht, in talrijke troepen wordt waargenomen. In Azië strekt

zijn winterreis zich uit tot aan de noordelijke grenzen van Voor-

en Achter-Indië; talrijker dan hier wordt hij echter in Zuid-China

aangetroffen. In Amerika wordt hij door een nauw verwante soort [Falco

(Aesalon) columbarius] vervangen.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 2 / 31 段