De mensch heeft sinds overouden tijd partij getrokken van de

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project

Gutenberg.

TIENDE ORDE.

DE STOOTVOGELS (Pelargornithes).

Door de onderzoekingen uit den laatsten tijd zijn in het stelsel

der Vogels velerlei diep ingrijpende wijzigingen van de vroegere

rangschikking noodzakelijk geworden; een der meest in 't oog vallende

voorbeelden hiervan is de nieuwe orde der Stootvogels, die de drie

onderorden der Wurgvogels (Ciconiiformes), Fuutvogels (Colymbiformes)

en Gansvogels (Anseriformes) omvat. De onderorde der Wurgvogels

is samengesteld uit de groepen der Grijpklauwvogels (Accipitres),

Stapvogels (Pelargo-Herodii), Flamingovogels (Phoenicopteri) en

Pelikaanvogels of Roeivoetigen (Steganopodes).

De eerste rang in deze orde komt toe aan de Grijpklauwvogels

(Accipitres), die in vroegere stelsels met de Uilen tot de orde der

"Roofvogels" vereenigd werden en onder den naam van "Dagroofvogels"

er een onderorde van uitmaakten. Hen bedoelen wij, wanneer wij den naam

Roofvogels bezigen. Alle tot deze groep behoorende wezens voeden zich,

op zeldzame uitzonderingen na, zoo goed als uitsluitend met andere

dieren. Hoewel vele ook aas voor lief nemen, dooden de meeste hunne

slachtoffers bij voorkeur zelf, nadat zij hen onverhoeds overvallen,

of in de lucht, op den grond, tusschen de twijgen of zelfs in 't water

nagejaagd hebben, kortom, zij verkrijgen hun buit geheel op de wijze

van de Zoogdieren, die de orde der Roofdieren vormen.

De Grijpklauwvogels verschillen aanmerkelijk in grootte: sommige worden

hierin slechts door eenige Zwemvogels en de Struisvogels overtroffen,

terwijl enkele in omvang met een Leeuwerik overeenkomen. Alle

tusschenliggende grootten komen bij hen voor. Hoezeer zij echter in

dit opzicht uiteenwijken, zonder uitzondering hebben zij eigenschappen

gemeen, die hen op onmiskenbare wijze tot leden van dezelfde groep

stempelen. Hun lichaamsbouw heeft veel overeenkomst met dien van de

Papegaaien. De groote, afgeronde, slechts bij uitzondering langwerpige

kop is door den meestal korten en gespierden hals verbonden met den

korten, gedrongen, vooral over de borst breeden romp; forsch gebouwd

zijn ook alle afdeelingen van de ledematen, ondanks hun in sommige

gevallen bijna ongeëvenredigd groote lengte. Het is daarom niet

eens noodig op de wapens en het vederenkleed van de Grijpklauwvogels

te letten om hen als zoodanig te herkennen. Toch zijn deze de meest

karakteristieke bestanddeelen van hun uitrusting. De snavel gelijkt in

vele opzichten op dien van de Papegaaien. Evenals deze is hij kort, op

den snavelrug sterk gebogen, het voorste deel van den bovensnavel sterk

naar beneden gekromd, het achterste deel met een washuid bedekt. De

bovensnavel is echter breeder dan de ondersnavel en omgeeft dezen;

hij is onbeweeglijk; zijn haak is spitser, de zijranden zijn scherper

dan bij de Papegaaien het geval is. Dikwijls wordt de snijdende werking

van de zijranden nog bevorderd door de aanwezigheid van een tand boven

de spits van de onderkaak; indien deze tand ontbreekt, is de zijrand

van de bovenkaak minstens benedenwaarts gekromd; slechts bij groote

uitzondering ontbreekt ook deze kromming geheel. De voet herinnert

eveneens aan dien van den Papegaai. Hij is, evenals deze, kort, dik

en met lange teenen voorzien, onderscheidt zich echter steeds door de

ontwikkeling der klauwen, die den voet geschikt maken tot het grijpen

van de prooi. De klauwen zijn meer of minder sterk gebogen en dan

zeer spits, zelden flauw gekromd en stomp, aan de bovenzijde afgerond,

aan de onderzijde echter meestal een weinig uitgehold, waardoor twee

bijna snijdende randen ontstaan; hierdoor is de klauw niet slechts

een voortreffelijk grijpwerktuig, maar ook een vreeselijk wapen.

Het vederenkleed biedt bij vele familiën en geslachten niet weinig

verschil aan. Over het algemeen zijn de veeren groot en weinig talrijk;

bij de Valken komt echter juist het tegendeel voor. Soms ontbreken

de veeren op enkele plaatsen van den kop, dikwijls op den teugel en,

evenals bij vele Papegaaien, op een plek om het oog. De slagpennen

en stuurpennen hebben altijd een aanzienlijke lengte; hun aantal

is zeer standvastig: 10 handpennen; minstens 12, meestal echter

13 à 16 armpennen; bijna altijd 12 stuurpennen, die 2 aan 2 aan

elkander gelijk zijn. Sombere kleuren hebben op 't vederenkleed de

overhand; een bevallige samenvoeging van kleuren is echter geenszins

uitgesloten en nog minder een teekening, die ons schoonheidsgevoel

bevredigt. Enkele Grijpklauwvogels mag men zelfs fraai gekleurde

wezens noemen. De naakte plekken aan den kop, de kammen en lellen aan

den snavel, die bij sommige soorten voorkomen, de teugel, de washuid,

de voet en het oog hebben somtijds sterk sprekende kleuren.

De spijsverteringsorganen verrichten hun arbeid snel; de vleezige tong

is van voren afgerond, van achteren langs den rand getand en gelobd;

de zeer rekbare, in rust geplooide slokdarm is tot een krop verwijd,

de kliermaag is wijd en rijk aan klieren, de spiermaag klein en

dunwandig, de blinde darmen zijn lang. Van de zintuigen verdient in

de eerste plaats het oog vermelding. Het is altijd groot; de inwendige

bewegingen, die met het bezit van een "kam" gepaard gaan, hebben hier

een hoogen trap van volkomenheid bereikt; de geschiktheid van het oog

om op verschillende afstanden even scherp te zien en om zeer spoedig de

hiervoor noodige wijzigingen te ondergaan, hangt hiermede samen. Het

gehoororgaan is bij de Grijpklauwvogels eveneens hoog ontwikkeld;

het reukzintuig is echter in vergelijking met het oog en het oor zeer

ten achteren gebleven.

Slechts weinige Grijpklauwvogels geven blijken van bekrompen

verstandelijke vermogens; dat de overige een hoogen trap

van verstandelijke ontwikkeling bereikt hebben, valt niet te

betwijfelen. De goede eigenschappen, die het spraakgebruik hun toekent,

zijn voor 't meerendeel werkelijk bij hen aanwezig: zij kenmerken

zich door moed en zelfvertrouwen, daarentegen ook door gulzigheid,

wreedheid, list en zelfs valschheid. Zij handelen, na vooraf gewikt

en gewogen te hebben, maken plannen en volvoeren ze. Aan hunne

familieleden, in de maatschappelijke beteekenis van 't woord, zijn

zij in hooge mate gehecht; onverschrokken stellen zij zich te weer

tegen hunne vijanden en tegenstanders, een innige band vereenigt hen

met hunne vrienden. Het treffendste bewijs van de hooge ontwikkeling,

die hunne geestvermogens kunnen bereiken, leveren de Edelvalken, de

best bewerktuigde van alle Grijpklauwvogels, doordat zij afgericht

kunnen worden tot dienaars van den mensch.

Eén gave, die aan de Vogels in 't algemeen toekomt, wordt bij de

Grijpklauwvogels gemist: zij hebben geen melodieuse stem. Vele van hen

kunnen slechts één, twee of drie verschillende, eenvoudige klanken

voortbrengen en deze zijn in den regel onwelluidend. Bij de Gieren

van de Nieuwe Wereld ontbreekt het onderste strottenhoofd zelfs geheel.

De Grijpklauwvogels bewonen de geheele aarde, ontbreken op geen enkelen

breedte- of hoogte-gordel. Hoewel zij voor 't meerendeel boomvogels

zijn en zich dus vooral in de bosschen ophouden, vermijden zij toch

zoomin de boomlooze gebergten als de eenzame steppen of woestijnen. Men

ontmoet ze op het kleinste eiland in den Oceaan en op den hoogsten

top van het gebergte; zij zweven boven de ijsvelden, die de kusten van

Groenland en Spitsbergen blokkeeren, en boven de door de zon geblakerde

vlakten der woestijn, zijn zoowel in het slingerplanten-labyrint der

oerwouden als op de kerken der groote steden te vinden.

Vele Grijpklauwvogels volgen, als de winter hun jachtgebied ontvolkt,

hun wild naar zuidelijker gewesten; juist de soorten, die het hooge

noorden bewonen, trekken niet, maar zwerven. Soms vereenigen zij

zich op zulke reizen tot zwermen, welk verschijnsel men in andere

omstandigheden niet bij hen waarneemt, daar slechts weinige soorten

als gezellige dieren beschouwd kunnen worden. Als de lente nadert,

splitsen deze troepen zich in kleinere vluchten en ten slotte in paren.

Alle Grijpklauwvogels broeden in de eerste lentemaanden en doen dit

slechts éénmaal in 't jaar, wanneer zij niet gestoord worden. Het

nest of de "horst" wordt op zeer ongelijke plaatsen en in verband

hiermede op zeer verschillende wijzen gebouwd. In verreweg de meeste

gevallen staat het op boomen, dikwijls ook op uitstekende rotspunten;

soms is het tegen onbeklimbare rotswanden aangevoegd of in gaten

van muren van oude gebouwen geborgen; minder dikwijls dient een

holle boom als broedplaats; het zeldzaamst is de naakte bodem het

fundament van den hoop rijs, waarop de eieren gelegd worden. Alle

horsten, die op boomen of rotsen voorkomen, zijn groote en breede,

maar lage nesten met ondiepe holte; daar zij echter meestal gedurende

vele opeenvolgende jaren gebruikt en telkens weer hersteld worden,

neemt hun hoogte langzamerhand aanmerkelijk toe. Bij 't bouwen van

't nest wordt het wijfje door 't mannetje geholpen, althans bij

't aanvoeren van de bouwstoffen. Waarschijnlijk mag men zeggen,

dat slechts zeer weinige soorten hun eigen horst bouwen. De kleine

soorten van Valken toonen een besliste voorliefde voor reeds bestaande,

verlaten nesten; meestal gebruiken zij die van Raafvogels en van andere

Grijpklauwvogels, misschien ook die van Reigers en Zwarte Ooievaars;

ook nestelen zij gaarne in een hollen boom. De arbeid, dien zij

verrichten om een nest te verkrijgen, is dus in ieder geval gering.

Aan de paring gaan allerlei minnespelen vooraf, die met den aard van

deze fiere Vogels overeenkomen. Prachtige vliegoefeningen, ware dansen

hoog in de lucht, dikwijls zeer verschillend van de gewone wijze van

vliegen, eigenaardige, krijschende of buitengewoon teedere geluiden

geven bij enkele soorten lucht aan de opgewonden gemoedsstemming. De

ijverzucht speelt natuurlijk ook in dit geslacht van heerschers

haar rol; iedere indringer in hun gebied wordt aangevallen en zoo

mogelijk verjaagd, niet eens een vreemde (d. i. niet tot dezelfde

soort behoorende) Vogel wordt er geduld.

De eieren zijn rondachtig, hebben meestal een tamelijk ruwe schaal

en zijn zuiver wit, grijsachtig, geelachtig of op lichten grond met

donkerder vlekken en stippels geteekend. Hun aantal wisselt af van 1

tot 7. Bij de meeste soorten van Grijpklauwvogels broedt alleen het

wijfje; bij enkele wordt het tijdelijk door het mannetje afgelost. De

bebroeding duurt 3 à 6 weken; bij het verlaten van 't ei zijn de

jongen hulpbehoevende, kleine, ronde, geheel en al met witachtig

grijs, wollig dons bekleede dieren met grooten kop; meestal zijn

hunne oogen open. Zij groeien snel en krijgen althans op de bovenzijde

spoedig een dicht vederenkleed. De ouders zijn zeer op hunne eieren

gesteld en toonen een buitengewone gehechtheid aan hunne jongen,

verlaten hen nooit en sterven liever dan dat zij hen aan zich zelf

overlaten, zoolang zij nog te zwak zijn om zich tegen hunne vijanden

te verweren. Ook nog na het uitvliegen worden de jonge roovers geruimen

tijd door hunne ouders geleid, gevoederd, onderwezen en verdedigd.

Gewervelde Dieren van alle klassen, allerlei Insecten, vogeleieren,

Wormen, Slakken, krengen, menschendrek, bij uitzondering ook vruchten

vormen het voedsel van de Grijpklauwvogels. Voor het grijpen dienen

de voeten--(Duitsch: Fänge; Fransch: mains), welker vingers door

onze jagers "klauwen" worden genoemd--voor het verscheuren van den

buit de snavel. Insecten worden ook wel onmiddellijk met den snavel

opgenomen. De spijsvertering heeft zeer schielijk plaats. Voor zoover

een krop aanwezig is, wordt het voedsel hierin met speeksel gemengd en

voor een deel verteerd; door het scherpe maagsap wordt deze vervorming

voortgezet. De beenderen, pezen en banden veranderen in een breiachtige

massa; de haren en veeren klonteren samen tot ballen, die van tijd tot

tijd worden uitgebraakt. De drek is een vloeibare, kalkachtige brei,

die straalsgewijs wordt uitgeworpen. Alle Grijpklauwvogels kunnen

veel te gelijk eten, maar ook zeer lang honger lijden.

De werkzaamheden van de Grijpklauwvogels moeten ook nog uit een

economisch oogpunt beschouwd worden: de slachtoffers van hunne

rooverijen kunnen dieren zijn, die ons voordeel, en ook zulke,

die ons schade toebrengen; de roovers zelve kunnen dus ten deele

schadelijk, ten deele nuttig geacht worden. Over 't algemeen mag men

de Grijpklauwvogels zeer nuttig noemen; ons belang brengt echter mede,

enkele van deze Vogels tegen te werken en zelfs op meer of minder

strenge wijze te vervolgen, omdat zij onder dieren, die voor ons nuttig

zijn, een vreeselijke slachting aanrichten. Slechts van weinige leden

dezer groep kunnen wij onmiddellijk voordeel verwachten; wij althans

hebben de diensten, die de meest begaafde Roofvogels den mensch

bewijzen, nadat zij door hem gevangen en afgericht zijn, niet meer

noodig; het nut van die, welke in kooien opgesloten worden gehouden,

is voor velen onbegrijpelijk en bestaat derhalve voor hen niet. Toch

ware het te wenschen, dat zelfs de meest bekrompen menschen eindelijk

leerden inzien, welke ontzaglijk groote diensten de zoo dikwijls als

vijanden aangemerkte roovers ons indirect bewijzen, hoe zij in ons

belang werkzaam zijn door paal en perk te stellen aan de onrustbarend

snelle vermenigvuldiging der schadelijke Knaagdieren en Insecten.--Het

vleesch van de Grijpklauwvogels is voor ons oneetbaar; adelaarsveeren

zijn alleen bij de Alpenjagers en bij de Indianen of Mongolen in trek.

Behalve den mensch hebben de Grijpklauwvogels weinige vijanden. Hun

spierkracht of hun behendigheid beschermen hen tegen gevaarlijke

tegenstanders. Ook zij hebben echter veel te lijden van lastige

woekerdieren.

Fürbringer verdeelt de Grijpklauwvogels in drie familiën: de

Gier-valkvogels (Gypofalconidae), de Gieren van de Nieuwe Wereld

(Sarcorhamphidae) en de Secretarisvogels (Serpentariidae); van deze

is de eerste het hoogst ontwikkeld.

De Gier-valkvogels (Gypofalconidae) kenmerken zich o.a. door den

vorm van den snavel, die aan den wortel het hoogst (vóór de washuid

niet ingesnoerd) is; de neusholten zijn door een volkomen verbeend

tusschenschot vaneengescheiden; de achterteen is op gelijke hoogte

aan den loop gehecht als de drie voorteenen.

Van de zes onderfamiliën, waarin de ± 350 soorten van deze familie

worden gerangschikt, kan men er vier (de Valken, de Buizerden, de

Haviken en de Gierbuizerden, die samen ruim 336 soorten omvatten)

onder den naam van Valkvogels bijeenvoegen. Deze hebben een forsch

en gedrongen gebouwden romp, een grooten of middelmatig grooten kop

en een korten hals; het oog is middelmatig groot, maar zeer vurig, de

snavel betrekkelijk kort, de bovensnavel aan den wortel met een meestal

onbevederde washuid, van voren met een scherpen haak voorzien. Ofschoon

er ook onder hen eenige gevonden worden, die zich met aas tevreden

stellen, voeden echter verreweg de meeste zich met een door hen zelf

vermeesterden buit; zij vervolgen dezen, terwijl hij loopt of vliegt of

aan de oppervlakte van het water zwemt, en halen hem zelfs uit holen,

waarin hij een toevlucht zocht. Bij den aanval gebruiken zij steeds

hunne klauwen als wapens; slechts bij uitzondering dient de snavel, die

veel minder krachtig is dan de geweldige, met klauwen gewapende voeten,

als verdedigingsmiddel. Met de klauwen grijpt, worgt en doorboort de

Valkvogel zijn slachtoffer, de snavel dient slechts om het vóór het

doorslikken te verscheuren. Zonder er zich om te bekommeren, of het

door hem gegrepen dier nog leeft of reeds bezweken is, begint hij

het gedeeltelijk te plukken en daarna het vleesch er af te scheuren,

waarbij in den regel de zachtste en vleezigste lichaamsdeelen het eerst

aan de beurt komen. Zelden doodt hij zijn reeds weerlooze prooi door

een beet in den kop. Kleine beenderen, haren, veeren en schubben worden

mede verzwolgen en maken bij verreweg de meeste een zoo noodzakelijk

bestanddeel van het voedsel uit, dat de roover ziek zou worden,

indien hij niet in de gelegenheid was, zulke onverteerbare stoffen

door te slikken, hiervan ballen te vormen en deze weder uit te braken.

De leden van de onderfamilie der Valkachtigen (Falconinae).--2

geslachten, die te zamen ongeveer 60 soorten omvatten en over de

geheele aarde verbreid zijn--hebben aan den bovensnavel dicht

bij den haak een duidelijken "tand," die in een hoekigen inham

van den ondersnavel past, een middelmatig langen loop en lange,

spitse vleugels, die bijna tot aan het einde van den langen staart

reiken. De Valken voeden zich slechts met dieren, die zij zelf

hebben buit gemaakt. Zij overtreffen alle andere Grijpklauwvogels

door de sierlijkheid en snelheid van hun vlucht. Zij storten zich met

zooveel geweld op hun buit neer, dat de onstuimigste van hen slechts

op vliegende Vogels en Insecten jacht maken; daar de schok tegen een

op den grond rustenden buit voor hen zelf noodlottige gevolgen zou

hebben. Hun horst is gebouwd op hooge boomtoppen, op rotsen of torens;

hunne eieren onderscheiden zich van die der andere Grijpklauwvogels

door een roestbruine grondkleur en een uit donkerder vlekken bestaande

teekening.

In de orde der Grijpklauwvogels komt aan het ongeveer 50 soorten

omvattende geslacht der Valken (Falco) den voorrang toe, omdat zijne

leden, evenals de Katten onder de Roofdieren, in alle opzichten

het best voor het rooversbedrijf zijn uitgerust. Spierkracht

en behendigheid, moed en jachtlust, een edel voorkomen (men zou

bijna geneigd zijn om te spreken van een edele gezindheid) zijn

eigenschappen, die men hun niet ontzeggen kan. Hun romp is zeer

gedrongen gebouwd, de kop groot, de hals kort, de snavel betrekkelijk

kort, maar krachtig, de washuid onbevederd, de snavelrug sterk

afgerond; de bovenkaak loopt uit in een scherp naar beneden gebogen

haak en is achter dezen aan den zijrand ook nog met een meer of minder

hoogen "tand" gewapend; de scherpe zijrand van den korten ondersnavel

is in overeenstemming met den "tand" ingesneden. De klauwen zijn naar

verhouding grooter en forscher dan bij eenigen anderen Roofvogel. De

schenkel is dik en gespierd, de loop kort; de teenen zijn echter zeer

lang; bij de Edelvalken komt de middelste voorteen nagenoeg overeen in

lengte met den loop. De veeren zijn dicht en hard, vooral de pennen

zijn zeer dik. De tweede (bij uitzondering de derde) slagpen is de

langste, de eerste is even lang als de derde (of de tweede gelijk

aan de vierde). De staart is gewoonlijk afgerond. Kenmerkend voor de

Valken is een naakte plek om het oog, die aan dit belangrijk zintuig

de grootst mogelijke werkingskring verschaft en door zijn levendige

kleur in 't oog valt.

Alle werelddeelen en alle gewesten der aarde herbergen Valken. Men

ontmoet ze van de zeekust af tot aan de toppen der hooge gebergten,

het meest in wouden, nagenoeg even veelvuldig echter op rotsen en

oude gebouwen, in schaars bewoonde oorden zoowel als in volkrijke

steden. Iedere soort is over een groot deel der aardoppervlakte

verbreid en wordt in andere gewesten door zeer overeenkomstige soorten

vervangen; bovendien doorreizen alle een uitgestrekt gebied. Vele

soorten trekken, andere zijn zwerfvogels.

Alle Valken zijn uitermate geschikt om zich te bewegen. Zij vliegen

voortreffelijk, daar zij een buitengewone snelheid kunnen bereiken,

niet schielijk vermoeid worden en een zeer groote behendigheid

toonen. De Valk legt een grooten afstand in zeer korten tijd af en

stort zich bij den aanval op zijn prooi soms van een aanzienlijke

hoogte met zulk een snelheid naar beneden, dat men zijn vorm niet

meer kan onderscheiden. Bij de Edelvalken bestaat de vlucht uit snel

opeenvolgende vleugelslagen, slechts zelden afgewisseld met een

korte periode, waarin zij op hunne wieken drijven. Bij de overige

Valken is de beweging langzaam en meer zwevend; ook blijven deze vaak

geruimen tijd met trillende vleugelslagen "zwemmend" of "biddend",

gelijk de jagers het noemen, op dezelfde plaats in de lucht "staan",

hetgeen de Edelvalken in den regel niet doen. In den voortplantingstijd

verheffen de Valken zich tot een onmetelijke hoogte; prachtige kringen

beschrijvend, zweven zij dan lang heen en weer, en voeren tot hun eigen

vermaak en ten pleiziere van de wijfjes hoog in de lucht een soort van

dansen uit. Ook op den trek vliegen zij hoog, overigens blijven zij

gewoonlijk op een hoogte van 60 à 120 M. boven den grond. De kortheid

hunner pooten noodzaakt hen om bij het zitten den romp sterk naar

voren en naar boven te richten, bij 't gaan houden zij hem waterpas;

hun gang op den grond is echter zeer gebrekkig: den eenen poot na den

anderen verplaatsend, strompelen zij op zeer onbeholpen wijze voort;

gewoonlijk maken zij ook bij deze beweging van hunne vleugels gebruik.

Hun voedsel bestaat uit Gewervelde Dieren, vooral uit Vogels, maar ook

uit Insecten. Bijna altijd vangen zij hun prooi in de vlucht, daar zij

niet in staat zijn een op den grond zittenden Vogel te vangen. In de

vrije natuur voedt geen enkele Valk zich met aas, hoewel in de kooi

de honger hem noopt zich met doode dieren te behelpen. De buit wordt

zelden verslonden daar, waar hij gevangen werd, maar gewoonlijk naar

een geschikter plaats vervoerd, die een vrij uitzicht toelaat of op

een doorzichtige wijze gedekt is, hier eerst geplukt of gedeeltelijk

gevild en daarna verslonden.

De Valken jagen vooral des morgens en des avonds. Gedurende de

middaguren zitten zij gewoonlijk met gevulden krop op een hooge,

rustige plaats bewegingloos en stil, met ruige veeren, half sluimerend,

bezig met de spijsvertering. Zij slapen tamelijk lang, begeven zich

echter laat ter ruste; enkele ziet men nog gedurende de schemering

jagen.

Aan gezelligheid hebben de Valken volstrekt geen behoefte, hoewel zij

hun niet vreemd is. Des zomers leven de meeste bij paren; ieder paar

heeft zich een gebied gekozen, waar het geen ander paar van dezelfde

soort en zelfs geen anderen Roofvogel duldt. Op den trek vereenigen

zij zich met soortgenooten of verwanten, enkele soorten vormen dan

vrij aanzienlijke zwermen, die, naar het schijnt, weken en maanden lang

bijeenblijven. De haat, dien iedere Valk in zijn vaderland aan Arenden

en Uilen toont, wordt door de trekkende scharen in niet mindere mate

aan den dag gelegd. Geen der genoemde, dikwijls veel sterkere roovers

kan ongestoord zijn weg vervolgen.

De Valken bouwen hun horst op verschillende wijze, het liefst in

geschikte holten van steile rotswanden, op hooge gebouwen en op

den top van de hoogste boomen in het woud; in streken waar boomen

en rotsen ontbreken, nestelen enkele soorten echter ook wel op den

naakten grond; soms dient een ruime holte in een boom voor hetzelfde

doel. Zeer gaarne nemen zij een nest van een anderen Vogel, vooral

van de een of andere soort van Raaf in bezit. Veel moeite besteden zij

niet aan de samenstelling van hun nest. Wanneer zij het zelf bouwen,

is het in den regel plat van vorm, op de plaats waar men de nestholte

zou verwachten, eenvoudig met eenige fijnere worteltjes bekleed. De 3 à

7 eieren, die er in voorkomen, stemmen veel met elkander overeen. Zij

zijn rondachtig, hebben een eenigszins oneffene schaal en zijn in den

regel op licht roodachtig bruinen grond dicht bezet met donkerder,

fijne stippels en groote vlekken van dezelfde kleur. Het wijfje

broedt alleen.

Ongelukkig behooren de grootste soorten van Valken tot de schadelijke

Vogels; men kan ze daarom hier te lande niet dulden; niet eens

alle kleine soorten zijn zoo nuttig, dat zij gespaard verdienen te

worden. Behalve den mensch hebben zij weinig vijanden; de leden van

de zwakste soorten hebben in volwassen toestand waarschijnlijk alleen

hunne sterkere verwanten te vreezen.

De mensch heeft sinds overouden tijd partij getrokken van de

voortreffelijke eigenschappen der Valken en hen voor de vangst van

allerlei dieren gebruikt; in verscheidene landen van Azië en Afrika

bewijzen zij hem ook thans nog dezen dienst. Zij zijn de "Valken" van

onze dichters; zij worden voor het "vluchtbedrijf" of de "valkerij"

(thans dikwijls minder juist "valkenjacht" genoemd) afgericht. "Deze

kunst", bericht Lenz, "is overoud. Reeds omstreeks het jaar 400

v. C. vond Ktesias haar bij de Indiërs; omstreeks 75 n. C. oefenden de

Thraciërs haar uit; omstreeks 330 n. C. maakt Julius Firmicus Maternus

melding van het africhten van Haviken, Valken en andere Vogels voor

de vogelvangst. In 480 n. C. deden de Romeinen nog weinig aan de

valkerij, want volgens Sidonius Apollinaris was Hecdicius, den zoon

van den in dien tijd levenden Romeinschen keizer Avitis, de eerste,

die in zijn land het vluchtbedrijf heeft ingevoerd. De liefhebberij

hiervoor nam echter in korten tijd zoozeer toe, dat in het jaar 506

de kerkvergadering te Agda het noodig achtte den geestelijken het

jagen met Jachtvalken en Jachthonden te verbieden. Omstreeks het jaar

800 vaardigde Karel de Groote een wet uit, die betrekking had op de

jacht met afgerichte Haviken, Valken en Sperwers, en aldus luidde:

"Wie een Havik steelt of doodt, die den Kraan vangt, zal er een

moeten teruggeven even goed als gene was en zes schellingen, en drie

schellingen voor een Valk, die den Vogel vangt in de lucht. Wie een

Sperwer of een anderen Vogel, die op de hand gedragen wordt, steelt

of doodt, moet er een teruggeven, die even goed is als gene was en

één schelling".--Keizer Frederik Barbarossa richtte zelf Valken,

Paarden en Honden af. Keizer Hendrik VI was eveneens een groot

liefhebber van de valkenierskunst. Keizer Frederik II, de bekwaamste

en hartstochtelijkste valkenier van zijn tijd, schreef een boek:

"Over de kunst om met Vogels te jagen", dat echter eerst in 1596 te

Augsburg gedrukt werd. Philips August, koning van Frankrijk, wien

bij de belegering van Akko een verwonderlijk fraaie Valk wegvloog,

bood den Turken voor het teruggeven van dezen Vogel tevergeefs 1000

goudstukken. Omstreeks het jaar 1270 schreef Demetrius, waarschijnlijk

arts van den Griekschen keizer Michaël Palaeologus, in de Grieksche

taal een boek over de valkerij; het werd in het jaar 1612 te Parijs

gedrukt. Eduard III van Engeland strafte het stelen van een Havik met

den dood en liet ieder, die een haviksnest uithaalde voor één jaar en

één dag in de gevangenis zetten. Toen Bajazet in het jaar 1396 den

hertog van Nevers en vele Fransche edellieden gevangen had genomen,

sloeg hij ieder losgeld, dat voor hen geboden werd, af. Toen hem

echter, in plaats van geld, 12 witte Valken geboden werden, die de

Hertog van Bourgondië zond, gaf hij daarvoor onmiddellijk de vrijheid

aan den Hertog en de overige gevangene Franschen. Frans I van Frankrijk

had een oppervalkenier, die 15 edellieden en 50 valkeniers onder zijne

bevelen had. Het aantal van zijne Valken bedroeg 300. Keizer Karel V

beleende de Johannieter ridders met het eiland Malta, op voorwaarde,

dat zij jaarlijks een Witten Valk zouden leveren. Nadat aan de

geestelijken van Engeland eindelijk met goed gevolg het uitoefenen

van het vluchtbedrijf verboden was, bleven de baronnen nog het recht

handhaven om hunne Valken gedurende de godsdienstoefening op het

altaar neer te zetten." "Allengs," schrijft Schlegel, "was dus de

kunst om met Roofvogels andere dieren te vangen in ons werelddeel bij

de vorsten en den adel meer en meer in aanzien gekomen; zij werd de

machtige mededingster van de overige jachtbedrijven en verduisterde

deze zelfs onder Lodewijk XIII van Frankrijk, toen zij het toppunt

van haar bloei bereikte. Toen later de uitvinding van den hagel

langzamerhand de kleine jacht weer op den voorgrond deed komen,

werd de valkerij meer en meer beperkt, totdat zij ten gevolge van

de groote Fransche omwenteling geheel in verval geraakte en in ons

werelddeel slechts nog in Rusland en in Groot-Britannië uitgeoefend

werd." Zij herleefde intusschen in nieuwere tijden en voornamelijk

in Nederland op een grootsche schaal, maar ging ook weldra, uit

gebrek aan deelneming weder te niet. De geschiedenis dezer kunst is

sedert verscheidene eeuwen nauw saamgeweven met die van ons land en

voornamelijk met die van Valkenswaard en eenige andere dorpen van

Noordbrabant. De Nederlandsche Valkeniers werden reeds in de 17e eeuw

voor de bekwaamste van allen gehouden en traden niet zelden in dienst

van buitenlandsche vorsten. Zij verkregen dikwijls als meestbiedenden

het recht om uitsluitend in een groot gedeelte van Noorwegen Giervalken

te vangen, haalden de Witte Valken, die op last der Deensche regeering

in IJsland gevangen waren, van dit eiland en belastten zich dikwijls

met het verdere vervoer dezer Vogels aan andere hoven, zelfs tot

Marokko. Vele andere bedrijvige Nederlanders hielden zich jaarlijks

met de valkenvangst bezig op de heiden van Noordbrabant, of zelfs op

die van Holland, Oldenburg of andere streken van Noord-Duitschland

en de alzoo gevangen Valken werden naar Valkenswaard gebracht,

waarheen de vreemde vorsten en grooten hunne Valkeniers zonden

om Valken te koopen. Onze Valkeniers richtten tevens hunne eigene

Valken af, waarmede zij zich aan vreemde hoven of op de goederen

van vreemde edellieden begaven, om aldaar de jachten met den Valk

te besturen. Toen geheel Europa geschokt werd tengevolge der groote

Fransche omwenteling, konden zij hun vak nog slechts in het van vreemde

krijgsbenden verschoonde Groot-Britannië uitoefenen. Het was eerst,

toen Koning Lodewijk toevallig deze omstandigheid had vernomen, dat hij

de valkerij op het Loo wederom deed oprichten. Deze werd echter weldra,

met de inlijving van onzen Staat in het Fransche keizerrijk, naar

Fontainebleau verplaatst, waar zij echter wegens de onverschilligheid

van den Keizer voor het jachtbedrijf, een plantenleven leidde en

bij den val van Napoleon geheel verviel. Onze Valkeniers zagen

zich thans opnieuw tot Groot-Britannië beperkt. Intusschen werden

ook in dit rijk de weinige nog overgebleven reigerbosschen allengs

uitgeroeid. Dientengevolge werd in 1836 door onze valkeniers aan

eenige Engelsche liefhebbers voorgesteld, verlof te vragen aan den

Koning der Nederlanden om in de nabijheid van het Loo, bij het groote

Soerensche Bosch, waar duizenden Reigers broeden, met den Valk te

mogen jagen. Dit voorstel leidde tot de vorming van een club onder

het voorzitterschap van wijlen Prins Alexander der Nederlanden. De

glans en pracht waarmede de valkerij hier uitgeoefend werd, konden

intusschen niet verhinderen, dat zij allengs begon te kwijnen en uit

gebrek aan deelneming in 1853 werd opgeheven."

Valkenswaard ligt op een geheel open heide. Van de Valken, die hier

gedurende den trektijd (in de lente en in den herfst) gevangen worden,

behield men in den regel slechts de wijfjes en wel het liefst die

van hetzelfde jaar, omdat deze het best geschikt zijn voor dressuur;

de tweejarige zijn ook nog bruikbaar, de oudere laat men echter weer

vliegen. Voor het vangen was o. a. noodig een hut, gedeeltelijk

bestaande uit een kuil in den grond, aan alle zijden zorgvuldig

bekleed en overdekt met plaggen (of heidezoden) en voorzien van

een deur en kijkgaten. 35 à 40 M. verder staat een rij van drie

masten met tusschenruimten van 18 à 20 M. Van den top van iederen

mast loopt een touw naar den grond en langs dezen naar de hut. Door

tusschenkomst van een dunne lijn is aan het midden van het eene

touw een levende Duif vastgemaakt, die zoo noodig een schuilplaats

vindt in een kooi aan den voet van den mast; aan het tweede touw

is op dezelfde wijze een levende, aan het derde een houten Valk

bevestigd; naast ieder van deze beide hangt een "loer" (een klos,

waaraan duivenvleugels zijn vastgespijkerd). Gedurende den vangtijd

zit de valkenier iederen morgen vóór zonsopgang in de hut verscholen

en let op de voorbijtrekkende Vogels. Door forsche rukken aan het touw

brengt hij den houten Valk en den "loer" in beweging, hierdoor den

verafzijnden wilden jachtvogel naar de vangplaats lokkend door bij

hem den indruk te wekken, dat een zijner soortgenooten bezig is een

Duif te vangen. Zoodra de wilde Roofvogel nadert, laat de valkenier

den houten Valk rusten en trekt aan het touw met den levenden Valk,

zoodat deze, te gelijk met den "loer" zichtbaar wordend, den gelokten

Vogel in zijn waan versterkt. Iets later wordt het tweede touw met rust

gelaten en aan het derde getrokken, waardoor de levende Duif begint

te fladderen. Zoodra de "gelokte" Valk op den Duif wil stooten,

stelt de valkenier, door niet langer aan haar touw te trekken,

haar in staat zich te verschuilen en haalt meteen een andere Duif,

vastgehecht aan een touw van 100 M. lengte te voorschijn uit het hok,

waarin zij tot dusver verborgen was en dat zich op een afstand van 40

M. van de hut bevindt. Dicht bij het hok loopt dit touw door een ring;

hierheen sleurt de valkenier derhalve de Valk, zoodra deze op de Duif

gestooten en zich aan haar vastgehecht heeft. Beide komen op deze wijze

langs een slagnetje, dat, door een in de hut eindigend ijzerdraad in

beweging gebracht, den roover zoowel als zijn slachtoffer bedekt. Drie

op deze wijze uitgeruste slagnetjes zijn in de omgeving van de hut

aangebracht; al naar de richting waarin de Valk komt aanvliegen, moet

het eene of het andere vangtoestel dienst doen. Op korten afstand van

de hut zijn op 1.5 à 2 M. hoogte twee levende Groote Klauwieren op

zulk een wijze vastgelegd, dat zij zich desnoods verschuilen kunnen

in een gat in den grond. Deze ijverige en scherpzichtige wachters

("handwerk" genaamd) laten onmiddellijk een luid geschreeuw hooren,

zoodra zij op een onafzienbaren afstand hun vijand opmerken.

De gevangen Valk wordt dadelijk "uitgehaald" (om beschadiging van

de vleugels te voorkomen), "opgehuifd" (een kap van stijf leer,

zoodanig ingericht, dat de oogen niet gedrukt worden, bedekt den

geheelen kop met uitzondering van den snavel), "gebroekt" (de "broek,"

het achterste deel van den romp, wordt met een leeren riem omgeven,

zoodat de vleugels in rust blijven) en "geschoeid". (Riempjes,

"vangschoenen" genaamd, die met een "schoenpen" schielijk vastgemaakt

kunnen worden, bedekken den voet en zijn voorzien van een koperen

wartel of "draal," waardoor de korte riemen of "kortveters" gestoken

zijn, die de valkenier in de linkerhand houdt, terwijl hij den Valk

op de linkervuist draagt; deze moet door een dikken handschoen tegen

de klauwen van den Vogel beveiligd zijn. Aan de kortveters kunnen

2 M. lange riemen of "langveters" spoedig vastgesplitst worden). De

op deze wijze uitgeruste Vogel wordt in den "valkenzak" (een linnen

lap met een gat, waardoor de kop van het dier naar buiten steekt)

gewikkeld, naar de "valkenkamer" gebracht en aan een der dwarsstangen

van het hier aanwezige "rek" vastgebonden.

"Voordat het "treinen" (africhten) van den jachtvogel kan beginnen,

moet hij 24 uur honger geleden hebben; dan neemt de valkenier hem op

de linker vuist, doet hem de "huif" af en houdt hem met de rechterhand

een Duif voor. Weigert de Valk op de vuist te "kroppen" (te eten),

dan wordt hij weer "opgehuifd" en moet nogmaals 24 uur op het "rek"

honger lijden. Al zou hij ook 5 dagen achtereen op de vuist niet willen

"kroppen," toch wordt hij telkens weer zonder mededoogen "opgehuifd"

en hongerig op het rek vastgebonden. Hoe vaker hij trouwens gedurende

dezen tijd op de vuist genomen en "afgehuifd" wordt, des te eerder

zal hij "seeg" (tam) zijn en vrijwillig op de vuist "kroppen." Zoodra

dit het geval is, begint de eigenlijke dressuur. Vóór iedere oefening

wordt hij geruimen tijd zonder kap op de vuist rondgedragen; na iedere

oefening wordt hij "opgehuifd" en op 't rek vastgelegd om over het

geleerde te kunnen nadenken. Gedurende de eerste les wordt de Vogel

zonder huif op de leuning van een stoel gezet; hij zit vast aan den

langveter, waarvan het einde door de linkervuist van den valkenier

wordt vastgehouden. Deze roept en fluit den Valk en houdt hem een

doode Duif voor, om hem te bewegen van den stoel op de vuist over

te stappen of over te vliegen en daar te kroppen. Dagelijks wordt

de les op een grooteren afstand van den stoel herhaald. Vervolgens

heeft een soortgelijke oefening in de open lucht plaats, waarbij

het ontvluchten van den Valk door een aan den langveter gehecht touw

wordt voorkomen. Bovendien staat de valkenier zóó, dat de Vogel in den

wind op moet vliegen, daar hij, evenals alle Vogels, niet gaarne voor

den wind vliegt. Wanneer hij dit alles naar wensch heeft verricht,

wordt hij 's avonds "opgehuifd" in een hangenden hoepel geplaatst

en den geheelen nacht door geschommeld, zoodat hij in 't geheel

niet slapen kan. Den volgenden morgen worden de vorige oefeningen

herhaald; de Valk krijgt op de vuist te kroppen, wordt daarna tot 's

avonds gedragen en vervolgens weer gedurende den geheelen nacht in den

hoepel geschommeld. Op dezelfde wijze wordt hij op den derden dag en

in den derden nacht behandeld. Op den vierden dag worden alle lessen

weer herhaald; eerst daarna wordt den Vogel nachtrust gegund. Den

volgenden dag wordt hij zonder touw, maar met den langveter vrij

op den grond neergezet, en moet om te kroppen op de vuist vliegen;

als hij deze voorbijvliegt volgt men hem na en lokt hem zoolang,

tot hij eindelijk komt. Deze oefening wordt nu dikwijls in de open

lucht herhaald, waar de Valk tevens leert op de vuist van den te paard

zittenden jager te vliegen en zoomin menschen als Honden te schuwen.

"Nu begint het africhten voor het eigenlijke vluchtbedrijf, voor het

"vliegen," "betten" of "beiten." Men werpt een doode Duif omhoog;

de haar naschietende, aan een lang touw bevestigde Valk moet haar

grijpen en krijgt er de eerste maal iets van te kroppen; later wordt

hem de Duif dadelijk afgenomen en krijgt hij op de vuist iets te

eten. Dezelfde oefening wordt op de volgende dagen herhaald met

levende, gekortwiekte Vogels. Daarna gaat men met den Patrijshond

Patrijzen, zoo mogelijk één enkele, zoeken; zoodra het wild opvliegt,

moet de Valk, wien de kap schielijk afgezet wordt, het vervolgen en

vangen. Als hij misstoot, lokt men hem met een levende, gekortwiekte

Duif of met een omhooggeworpen "loer" terug. Om den Valk er aan te

gewennen ook krachtiger Vogels, b.v. Reigers en Kranen, te grijpen,

oefent men hem eerst met jonge Vogels van deze soort of met oude,

welker wieken men ingekort heeft en die door een "reigerspijp"

(twee door een draad samengehouden stukjes vlierhout) om den snavel

weerloos gemaakt zijn; bovendien laat men hem zoo mogelijk voor 't

eerst jagen in gezelschap van een goed afgerichten, ouden Valk. De

voor deze oefening bestemde Reigers en Kranen legt men, opdat zij niet

zoo licht geworgd zullen worden, een foedraal van zacht leer om den

hals. Schielijk omhoog stijgend, trachten de Valken boven den Reiger te

komen om van boven af op hem te stooten; de Reiger tracht eveneens al

hooger en hooger te rijzen en houdt met bewonderenswaardige snelheid

zijn spitsen snavel den op hem neerschietenden vijand voor, opdat

deze zich daaraan spietst. Eindelijk wordt de Reiger door den Valk

"gebonden" (gegrepen en vastgehouden), waarna beide uit de hoogte

naar beneden storten, draaiend, wanneer de Reiger niet doodelijk

gewond werd en dus de vleugels kan uitspreiden, anders in loodrechte

richting. Te paard of te voet, door dik en dun, volgen de jagers de

Vogels die boven hunne hoofden strijden, maken zich bij 't einde van

't gevecht schielijk van den Reiger meester en gebruiken Duiven om de

hongerige Valken te vangen en te beloonen. De Reiger wordt vrijgelaten,

maar moet vooraf zijne fraaiste veeren missen en krijgt aan een poot

een metalen ring te dragen, waarop, behalve de naam van den eigenaar

der jacht, de datum en de plaats van de vangst vermeld zijn. Enkele

Reigers, die meermalen, soms na een tusschenpoos van vele jaren "gebet"

werden, prijken daarom met verscheidene ringen.--Om een Jachtvogel

(gewoonlijk dient hiervoor een Havik) te leeren goed op Hazen te

stooten, maakt men gebruik van een opgestopt hazenvel, waarop men

den Vogel herhaaldelijk laat kroppen; vervolgens bindt men een stuk

vleesch vast aan een opgestopten, op wieltjes rustenden Haas, die

men door een man eerst langzaam, later sneller over den grond laat

voorttrekken; men spant er ook wel een flink Paard voor, waarmede

een persoon snel wegrijdt, terwijl een andere hem den Vogel achterna

zendt.--De valkerij wordt uitgeoefend in onbebouwde, vlakke, boomlooze

gewesten, bij voorkeur op heidevelden en dergelijke terreinen."

Op de grootste schaal heeft men zich van oudsher in Middel-Azië met

het vluchtbedrijf bezig gehouden. "In Maart," schreef Marco Polo

omstreeks het jaar 1290, "is Koeblaï Khan gewoon Kambaloe te verlaten

met een gevolg van ongeveer 10000 valkeniers en vogelaars. Deze worden

in afdeelingen van 200 à 300 manschappen over het land verdeeld;

al wat zij vangen, moet aan den Khan afgeleverd worden." Tavernier,

die zich vele jaren in Perzië opgehouden heeft, berichtte (in het

jaar 1681) het volgende: "De koning van Perzië houdt meer dan 800

Valken, waarvan sommige voor de "vlucht" op Wilde Zwijnen, Wilde

Ezels, Antilopen, Vossen, andere voor die op Kranen, Reigers, Ganzen,

Patrijzen afgericht zijn." Dat ook in lateren tijd dit jachtbedrijf

in Perzië beoefenaars vond, blijkt uit John Malcolm's reisschetsen,

die in 1827 het licht zagen. "Men jaagt," verhaalt hij, "te paard met

Valken en Windhonden. De opgejaagde Antilope vlucht met de snelheid

van den wind. De Honden en Valken worden losgelaten. De jachtvogels

vliegen dicht bij den grond langs, bereiken het wild spoedig, stooten

tegen zijn kop en houden het op, totdat de Honden naderbij gekomen

zijn en het pakken." In den laatsten tijd heeft Von Hügel tusschen

Lahore en Kasjmier den Radja van Bajauri met Valken Patrijzen zien

jagen. Murawiew vond in 1820 in China overal gedresseerde Valken;

zij werden ook op Wilde Geiten losgelaten. Erman vond in 1828 bij de

Basjkieren en Kirgiezen afgerichte Valken in gebruik voor de jacht op

Hazen en tamme Arenden voor die op Vossen en Wolven. Ook Eversmann zag

in 1852 bij de Basjkieren gedresseerde Steenarenden, Koningsarenden,

Haviken en Sperwers. Atkinson heeft den sultan der Kirgiezen Beck

geteekend, terwijl hij zich bezig houdt met het voederen van zijn

liefsten jachtarend. Bij de Kirgiezen, waar de valkerij nog als een

wetenschap beoefend wordt, waar men Valken voor klein en Arenden

voor groot wild gebruikt, wordt een uitmuntende Valk zoo hooggeschat,

dat de eigenaar er eerder toe zou overgaan, zijn vrouw dan zijn Vogel

te verkoopen.

Geregeld wordt de jacht met Valken nog uitgeoefend door de Arabieren,

vooral door de Bedoeïnen van de Sahara, door de Perzen, Indiërs,

door verscheidene Kaukasische en Centraal-Aziatische volken, door de

Chineezen en andere Mongolen.

De naam Edelvalken, een jagersterm ter aanduiding van Valken, die voor

africhting geschikt zijn, wordt dikwijls gebruikt als collectief-naam

voor de krachtigste leden van het geslacht (ongeveer 30 soorten);

deze vormen vier ondergeslachten, waarin men als typen onderscheidt:

de Jachtvalk, de Slechtvalk, de Boomvalk en het Smelleken. Zij hebben

buitengewoon harde en veerkrachtige pennen; de rug van den snavel

is niet half zoo lang als de middelteen met inbegrip van de klauw;

de buitenste voorteen is weinig langer dan de binnenste. Zij maken

uitsluitend jacht op vliegende Vogels.

De volkomenste Edelvalken zijn die, welke men onder den naam

Jachtvalken (Hierofalco) tot een ondergeslacht vereenigt. Zij bewonen

het hooge noorden en kenmerken zich door een zeer aanzienlijke grootte,

een betrekkelijk forschen, sterk boogvormig gekromden snavel, den

voor twee derde van zijn lengte bevederden loop (van achteren is een

smalle strook tot op het spronggewricht naakt) en den in verhouding

tot de vleugels langen staart. Sommige dierkundigen beschouwen alle

Jachtvalken als leden van één soort; andere onderscheiden, zooals

hier zal geschieden, twee soorten (de Witte Valk en de Giervalk);

nog andere spreken van 3 of zelfs van 4 soorten.

De hoofdkleur van het kleed van den Witten Valk [Falco (Hierofalco)

candicans] is zuiver wit, in meerdere of mindere mate met dof

zwartbruine vlekken geteekend, die druppel- of pijlspitsvormig den top

der kleine veeren innemen, maar mettertijd bijna volledig verdwijnen

kunnen. Het oog is bruin en met een naakten, groenachtig gelen ring

omgeven, de snavel bij de oude Vogels geelachtig blauw, aan de spits

donkerder, met gele washuid, de voet bij de volwassen dieren stroogeel,

gedurende de jeugd blauw. Broedend heeft men ze uitsluitend in 't

hooge noorden aangetroffen, n.l. in Noord-Groenland en op Nowaja

Semlja. Zij bezoeken slechts gedurende den winter het zuiden van

Groenland, het noorden van IJsland, den noordrand van Oost-Azië

en het hoogste noorden van Amerika. De hier broedende, donkerder

gekleurde Edelvalken (zie onder) worden door sommige dierkundigen

niet als verscheidenheden van de volgende soort aangemerkt, maar

nevens den reeds beschreven vorm geplaatst, die dan onder den naam

van Noordschen Valk (Falco arcticus) van hen onderscheiden wordt.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 1 / 31 段