Dit dier bleek tot hetzelfde geslacht (Amblystoma = Stompbek)

te behooren als een twintigtal andere soorten van Amerikaansche

Salamanders, die alle de eigenaardigheid vertoonen van reeds als larve

geslachtsrijp te kunnen worden, waarna de gedaantewisseling achterwege

blijft. Deze kan alleen bij jonge larven plaats hebben; maar behoort

ook dan tot de uitzonderingen, daar allerlei omstandigheden, en wel

vooral het ontbreken van de gelegenheid om zich langzamerhand aan

het verblijf op het droge te gewennen, haar kunnen verhinderen. Van

duizenden Axolotls, die in den Parijschen "Jardin des Plantes" geboren

werden, hebben slechts 18 de gedaantewisseling ondergaan. Duméril heeft

te vergeefs getracht door het wegsnijden der kieuwen den overgang in

den Amblystoma-toestand te bevorderen; deze amputatie had geen ander

gevolg dan het weer aangroeien der weggenomen lichaamsdeelen. Betere

uitkomsten verkreeg een dame te Freiburg in Breisgau, Marie von

Chauvin. Het gelukte haar 4 van de 5 acht dagen oude Axolotls, waarmede

zij proeven nam, tot Amblystoma's op te kweeken. Een ongeveer 30

cM. wijde, glazen bak met water was de woonplaats der dieren, die in

't einde van Juni voorpooten, den 9en Juli achterpooten begonnen te

krijgen. Den 1en November werd een der Axolotls, die zich voortdurend

aan de oppervlakte van 't water ophield, in een grooten glazen bak

geplaatst, aan welks platten bodem zulk een helling werd gegeven, dat

de waterhoogte slechts op één plaats voldoende was voor het onderduiken

van het dier, dat bij het herhaaldelijk rondkruipen over den bodem

min of meer met de lucht in aanraking kwam. Op de volgende dagen

werd het water langzamerhand nog meer verminderd. Dadelijk werden

veranderingen in het dier opgemerkt. Den 4en November had het de

kieuwen reeds verloren en begaf het zich naar het deel van den bodem,

dat zich het meest boven den waterspiegel verhief; het verschool zich

in het vochtige mos, dat hier op een laag zand neergelegd was. Ongeveer

8 dagen later was de gedaantewisseling afgeloopen.--Later, in 1876,

in den "Jardin des Plantes" te Parijs, bleek, dat de Amblystoma's

ook in staat zijn om zich voort te planten.

Ten onrechte heeft men gemeend, dat de Axolotls in hun vaderland

geen gedaantewisseling ondergaan. In Mexico zijn deze dieren in

den Amblystoma-toestand zeer goed bekend en worden Tlalaxolotl (=

Aardaxolotl) genoemd, ook wel Ajolotes pelones of Ajolotes mochos

(Geschilde, Geschoren Axolotls).

Het onderscheidende kenmerk van de in Noord-Amerika zeer verbreide en

soortenrijke onderfamilie der Dwarsreekssalamanders (Amblystomatinae),

die Amblystoma tigrinum onder hare leden telt, werd reeds vroeger

opgegeven.

Onder den naam "Homo diluvii testis" (de mensch getuige van den

zondvloed) beschreef Scheuchzer in 1726 een fossiel, dat gevonden was

in een steengroeve bij Oeningen in Baden. Hij beschouwde het als een

overblijfsel van een mensch, die bij den zondvloed was omgekomen. In de

toelichting van de afbeelding, die in zijn verhandeling voorkomt, zegt

hij o.a.: "Dit voorwerp, dat een van de betrouwbaarste overblijfselen

uit den zondvloed is, vertoont niet slechts eenige lijnen, waaruit

de rijke en vruchtbare fantazie iets dat op een mensch gelijkt,

kan vormen, maar een grondige overeenkomst met de deelen van het

menschelijk geraamte." Dit exemplaar is thans het eigendom van Teyler's

museum te Haarlem. Door Cuvier werd in 1811 de steenlaag, die destijds

nog de wervelkolom en de voorste ledematen bedekte, weggenomen. Ieder,

die het beziet, zal zich moeten verwonderen over de door Scheuchzer

verkondigde meening, welke trouwens reeds in de vorige eeuw, o.a. door

Petrus Camper in 1787, uitdrukkelijk werd weersproken. Nauwkeurige

onderzoekingen hebben in 't licht gesteld, dat dit fossiel afkomstig

is van een Salamander, die in de middelste afdeeling van het tertiaire

tijdvak leefde en geen grootere overeenkomst met den mensch vertoont

dan eenig ander lid van zijn orde. De Reuzensalamander van Oeningen

kreeg van Tschudi den naam (Andrias Scheuchzeri). In verscheidene

musea komen skeletten van deze fossiele diersoort voor, o. a. in dat

van Leiden; de grootste en volledigste hebben een lengte van 1.2 M. In

één dezer exemplaren, dat in het museum van Constanz bewaard wordt,

bevindt zich het 14 cM. lange, zeer onvolledig verbeende skelet van een

larve dezer diersoort. Deze moet volgens de onderzoekingen van Van der

Hoeven, gebracht worden tot hetzelfde geslacht als de thans nog levende

Reuzensalamanders (Megalobatrachus), die wij als vertegenwoordiger

van de familie der Vischsalamanders zullen beschrijven.

De Vischsalamanders (Amphiumidae) hebben buiten verhouding kleine

oogen zonder eenig spoor van leden; ook de overige zintuigen staan

op een zeer lagen trap van ontwikkeling; de tong is hoogstens aan

de spits vrij. De meeste ademen in volwassen toestand behalve door

longen ook nog door kieuwen, die echter in de kieuwholte verborgen

blijven, zoodat de kieuwspleet het eenig uitwendig zichtbare kenteeken

van de waterademhalingsorganen is. De Reuzensalamanders wijken van

hare verwanten af, doordat de kieuwen en de kieuwspleet op lateren

leeftijd verdwijnen.

De Japansche Reuzensalamander (Megalobatrachus maximus) is een

buitengewoon plomp dier van 84 à 114 cM. totale lengte. De groote,

platte, zeer breede kop eindigt in een stomp afgeronden snuit; de korte

hals is aanmerkelijk smaller dan de achterkop en de romp; een dikke,

overlangsche opzwelling op iedere zijde verbreedt den (buitendien reeds

afgeplat rolvormigen) romp nog meer; de staart is kort en zijdelings

samengedrukt en vormt een breed roeiorgaan; de ledematen zijn plomp

en dik, de voorste met 4, de achterste met 5 goed ontwikkelde teenen

voorzien; de zeer kleine oogen zijn bijna door de geheele breedte van

den kop gescheiden. De kaakranden zijn ieder met een reeks van zeer

kleine tanden gewapend; een daaraan evenwijdige reeks van tanden komt

aan het gehemelte voor. De tong is over haar geheele ondervlakte met

den bodem der mondholte vergroeid. De licht grijsachtig bruine kleur

van de bovendeelen heeft een sombere, moeielijk te beschrijven tint

en gaat op de onderdeelen in lichtgrijs met zwarte vlekken over.

Deze soort bewoont de zuidelijke helft van het eiland Nippon en wordt

nergens anders aangetroffen (een tweede soort komt in West-China

voor). Steeds houdt zij zich op in koud, snel stroomend water, op

een hoogte van 200 à 1500 M. boven den zeespiegel. Hier leeft zij

in smalle, heldere bronbeken, op plaatsen, waar deze, nauwelijks

3 dM. breed, als besproeiingskanalen de grasrijke berghellingen

doorsnijden en de door 't water ondermijnde zoden van weerszijden

de kleine beekjes bijna geheel overdekken, ook lager, waar door de

vereeniging van zulke stroompjes een flinke, vischrijke beek wordt

gevormd. Onder de overhangende oevers leven vooral de oude dieren;

de jonge geven aan kleine stroompjes de voorkeur. De bewoners van deze

gewesten zeggen, dat de Salamanders de genoemde woonplaatsen slechts

zelden en niet anders dan 's nachts verlaten, en ook, dat zij nooit

aan land gaan. Wormen en Insecten, Visschen en Vorschen maken hun

voedsel uit.

Men vangt de Reuzensalamanders hetzij door het water af te leiden en

de dieren dan van onder de steenen en uit de gaten te voorschijn te

halen of ook wel met den hengel.

Deze groote, plompe dieren ontwikkelen zich uit zeer kleine

eieren. C. Sasaki, een Japansch natuuronderzoeker, heeft opgemerkt,

dat het wijfje de tot snoeren vereenigde 6 en 4 mM. dikke eieren,

die langwerpig van vorm en aan beide zijden op gelijke wijze afgerond

zijn, in Augustus en September legt.

F. von Siebold nam in het jaar 1829 twee levende Reuzensalamanders uit

Japan mede; deze werden in den Amsterdamschen dierentuin opgenomen

en hebben er een vijftigtal jaren geleefd. Later zijn vele van deze

plompe dieren levend naar Europa overgebracht en tegenwoordig kan

men ze in elke groote diergaarde aanschouwen. Traag en stompzinnig

als zij zijn, is er aan hen, behalve de wijze waarop zij hun voedsel

verkrijgen, niet veel op te merken. Al hunne bewegingen zijn uiterst

langzaam; altijd liggen zij stil op den bodem van hun waterbak, steeds

op de donkerste plaats. Van tijd tot tijd, om de 10 minuten ongeveer,

steekt het dier den snuit boven water om lucht te scheppen; het zakt,

zoodra de inademing heeft plaats gehad, langzaam weer naar beneden.

Het is gebleken, dat ook de Reuzensalamanders een taai leven

hebben. Een van hen kroop 's nachts over den rand van zijn waterbak en

viel van een hoogte van ongeveer 1 1/2 M. op den grond; hier werd hij

den volgenden morgen bewegingloos gevonden. Toch kwam hij, na in 't

water terug gebracht te zijn, weldra weer bij. Van andere exemplaren

heeft men opgemerkt, dat een strenge koude hen even weinig schaadt

als de inheemsche Watersalamanders; hun waterbak in den dierentuin te

Amsterdam is eens bevroren geweest en moest van ijs bevrijd worden;

toch had dit geen nadeelige gevolgen voor de bewoners.

De eenige vertegenwoordiger van een tweede geslacht van

Vischsalamanders wordt Aalsalamander (Amphiuma) genoemd, omdat zijn

romp werkelijk niet ongelijk is aan dien van een Aal en de 4 korte

pootjes nauwelijks dezen naam verdienen, hoewel aan hunne voeten nog

teenen waar te nemen zijn. Men heeft hiervan twee verscheidenheden,

den Tweeteenigen en den Drieteenigen Aalsalamander, die alleen door

het aantal vingers en teenen van elkander verschillen en daarom

tegenwoordig als één soort (Amphiuma means) worden beschouwd. Dit

dier bereikt een lengte van 76 à 89 cM.; van boven is het zwartachtig

bruin met groenachtige tint, van onderen lichter gekleurd. Levenslang

behoudt het aan weerszijden van den hals een opening voor het afvoeren

van het ademhalingswater. Zijne oogen liggen verscholen onder de huid,

die op deze plaats doorschijnend is.

De Aalsalamander bewoont de moerassen en andere stilstaande wateren

van het zuid-oostelijke deel der Vereenigde Staten van Noord-Amerika,

ongeveer van Louisiana tot Zuid-Carolina en van hier tot Florida;

hij zwemt tamelijk vlug met slangsgewijze kronkelingen van het

lichaam. Dikwijls kruipt hij in den modder rond, verschuilt zich hierin

gedurende den winter en bereikt er soms, door als een regenworm te

boren, een diepte van 1 M. Gevangen exemplaren, die toevallig op 't

droge waren geraakt en hier verscheidene dagen bleven, ondervonden geen

nadeelige gevolgen van deze verandering; men heeft ze zonder bezwaar

naar Europa kunnen overbrengen. Hun voedsel bestaat uit allerlei kleine

waterdieren. Het wijfje ligt spiraalsgewijs ineengekronkeld om den

eierenhoop, die uit twee rozenkransvormige strengen bestaat. Elk ei

heeft een middellijn van 9 mM.; de hierin aanwezige kiem is in rijpen

toestand 45 mM. lang. Het volwassen dier is in staat om geluid voort

te brengen.

De Olmen (Proteidae), die de derde familie van de Salamanders

vormen, hebben gedurende hun geheele leven aan weerszijden van den

hals 3 uitwendige kieuwen, waartusschen 2 keelspleten. Het lange

lichaam van deze dieren wordt gesteund door 4 zwakke pootjes; de

zijdelings afgeplatte staart is van boven en van onderen met een

huidzoom voorzien. Ook hier zijn de oogen door de huid bedekt.--Voor

ongeveer 200 jaar maakte Valvasor, schrijver van den "Roem van het

hertogdom Krain" voor 't eerst melding van het zonderlinge dier,

dat in navolging van Oken Olm wordt genoemd. De Krainers verhaalden,

dat in hun land van tijd tot tijd "Lintwormen" uit den grond komen om

onheil aan te richten. Valvasor, naar den oorsprong van dit sprookje

zoekend, vond deze in een klein "hagedisachtig" dier, een bewoner van

de zoo talrijke onderaardsche stroomen dezer gewesten. Bij hoogen

waterstand wordt het ook wel buiten de holen aangetroffen. Na de

overstrooming van 1751 ving een visscher in de Unz 5 onbekende

"Visschen", die een span lang en sneeuwwit van kleur waren, doch 4

pooten hadden. Laurenti, die de eerste beschrijving van deze diersoort

gaf, noemde haar Proteus anguinus.

Dit hoogst merkwaardige wezen gelijkt op den Aalsalamander door de

groote lengte van den romp en den hiermede samenhangenden, grooten

afstand tusschen de zeer gebrekkig ontwikkelde, drieteenige, voorste

en tweeteenige, achterste ledematen; doch verschilt er van door den

vorm van den snuit, welke op dien van een Snoek gelijkt en door het

nagenoeg geheel ontbreken der oogen; deze zijn uiterst klein en als

't ware slechts in grove trekken aangeduid, daar de lens en het

glaslichaam ontbreken, bovendien geheel onder de huid verborgen en

uitwendig geheel onzichtbaar.

De meeste Olmen hebben een geelachtig witte of lichtvleeschroodachtige

kleur, die echter meer of minder sterk verandert, wanneer zij aan

't licht blootgesteld zijn. Enkele worden effen roodbruin, andere

krijgen donkere, gewoonlijk blauwzwarte vlekken. De kieuwen zijn bij

het levende dier helder bloedrood, maar verbleeken in het licht. De

lichaamslengte kan tot 28 1/2 cM. toenemen, maar bedraagt in den

regel niet meer dan 25 cM.

Tot dusver heeft men den Olm uitsluitend in de onderaardsche wateren

van Krain, Karinthië, het Kustland en Dalmatië gevonden, vooral in

de holen van het Karstgebergte in de omstreken van Adelsberg, in de

Magdalena-grot en de Kleinhäusler-grot, bij Laas (in welks nabijheid

de beek, die hier Unzflusz wordt genoemd, zich in onderaardsche

waterreservoirs uitstort, waaruit hij eerst weer bij Ober-Laibach te

voorschijn komt), bij de zoogenaamde "Zee-vensters" van het Laibacher

moeras en in slooten, die met de Laibach-rivier in gemeenschap staan,

enz. De landlieden kennen den Olm (die door hen "Menschvischje"

of "Waterwoelster der duisternis" genoemd wordt) zeer goed; daar

de vangst van dit voor aquariën zeer gewilde dier hun een niet te

verwerpen bijverdienste oplevert. Zij zeggen, dat men het alleen

in diepe bochten der holen geregeld aantreft, in het aan 't licht

blootgestelde water boven den grond daarentegen slechts na hevige

regenbuien, die de onderaardsche wateren doen zwellen en op deze wijze

hunne bewoners tegen hun zin naar buiten meeslepen. Na iedere hevige

regenbui onderzoeken de boeren sommige plassen, die door gaten in den

bodem met water gevuld worden, voorts de uitmondingen der onderaardsche

beken, visschen hier de Olmen op, die uit de diepte aangespoeld zijn

en bewaren ze, totdat het tijd is om ze te verzenden. Ook begeven zij

zich soms bij fakkellicht in de grotten, waardoor beken stroomen,

of die plassen bevatten; zij laten hun licht zooveel mogelijk op

het water schijnen en vangen de dan zichtbare dieren met een netje of

eenvoudig met de handen. De gevangen Olmen worden bewaard en vervolgens

verzonden in wijdmondige flesschen, die voor de helft met water gevuld

en van boven met een fijn netje bedekt zijn.

Dikwijls hebben dierenliefhebbers en onderzoekers Olmen gedurende

geruimen tijd, enkele exemplaren zelfs 6 à 8 jaren, in eenvoudige

aquariën of zelfs in glazen bakken in 't leven gehouden. Gewoonlijk

liggen de gevangenen op den bodem van den bak; in den regel blijven

zij met gestrekt lichaam op dezelfde plaats; soms krabbelen zij af

en toe met de voeten over den grond om zich naar een andere plek

te begeven. Over dag blijven zij zeer rustig, althans wanneer hun

woning zich op een donkere plaats bevindt; iedere lichtstraal brengt

hen echter in beweging, noopt hen zoo spoedig mogelijk een duisteren

hoek op te zoeken. Wanneer het water in hun aquarium zelden ververscht

wordt, komen zij dikwijls aan de oppervlakte om lucht te scheppen,

sperren daartoe den bek open en laten tevens met gorgelend gedruisch

luchtbellen uit hunne kieuwspleten ontwijken. Indien het water dieper

is, of telkens ververscht wordt, krijgen zij de voor hun ademhaling

vereischte zuurstof door tusschenkomst van de kieuwen en vertoonen

zich nooit aan den waterspiegel. Na uit het water genomen te zijn,

bezwijken zij stellig binnen 2 à 4 uren; men kan ze echter wel in

zeer ondiep water in 't leven houden; in dit geval vergrooten hunne

longen zich, terwijl omgekeerd hunne kieuwen zich sterker ontwikkelen,

indien zij gedwongen worden voortdurend onder water te blijven.

Waarschijnlijk is de werking van de zintuigen van den Olm over

't geheel genomen zwak; juist die echter, welke men allicht voor

geheel onontwikkeld zou houden, toonen een merkwaardige geschiktheid

voor het opnemen van indrukken. De dieren bemerken onmiddellijk het

voedsel, dat men in het door hen bewoonde aquarium werpt, zwemmen er

regelrecht op af en grijpen het bijna zonder fout. Men zou kunnen

meenen, hieruit te moeten afleiden, dat de reuk of het gevoel bij

hen zeer sterk ontwikkeld zijn, daar men aan de stoffijne, verborgen

oogen toch moeielijk een onderscheidingsvermogen kan toeschrijven,

dat zich boven het verschil tusschen licht en donker verheft. Volgens

Dubois zetelt trouwens de gevoeligheid voor licht niet uitsluitend in

de oogen, maar in de geheele huid; hier bedraagt haar sterkte echter

slechts een derde van die, welke het oog bezit. Ook het vermogen om

plaatsen te herkennen is bij hen buitengewoon sterk ontwikkeld.

De gevangen Olmen eten Wormen en Slakken, maar hebben een bijzondere

voorliefde voor Watervlooien, die, zooals bekend is, tusschen alle

dicht vertakte waterplanten in grooten getale voorkomen. Enkele

Olmen weigeren hardnekkig al het voedsel, dat men hun geeft, maar

blijven toch vele jaren gezond, wanneer hun slechts voortdurend versch

water wordt verschaft; het is niet bekend, waarvan zij dan eigenlijk

leven. Wel heeft men in de door hen bewoonde wateren verscheidene

kleine, uitsluitend in holen voorkomende diertjes ontdekt, die hun

tot voedsel zouden kunnen dienen en bij enkele ook waargenomen, dat

zij schelpen van kleine Weekdieren uitbraakten; tot dusver zijn de

berichten over de wijze, waarop zij zich in de vrije natuur voeden,

nog zeer onvolledig.

Sedert 1875 weet men door een waarneming van den hoofdgids der grotten,

Prelesznig, dat de Olmen eieren leggen. Ook Marie von Chauvin heeft

in 1882 een wijfjes-Olm eieren zien vasthechten aan het gewelf van

den aquarium-grot. Het bolvormige ei heeft een middellijn van 11

mM. Het leggen van de eieren geschiedt 's nachts; één voor één worden

zij vastgekleefd.

In het jaar 1888 werd de larve van den Olm door E. Zeller voor

't eerst beschreven. Zijne gevangen Olmen hadden van 14 tot 16

April 76 eieren gelegd. Na 90 dagen kwamen twee larven uit; deze

verkeerden op een hoogeren ontwikkelingstrap dan andere pasgeboren

Salamanderlarven en waren aanvankelijk 22 mM. lang. Haar gestalte

gelijkt reeds veel op die van den volwassen Olm; de huidzoom strekt

zich echter over drie vierde van de lengte van den rug naar voren uit;

de oogen zijn veel duidelijker zichtbaar en betrekkelijk grooter dan

die van de volwassen dieren. De voorste ledematen hebben reeds drie

teenen, terwijl de achterste nog slechts stompjes zijn. De dieren,

waaraan Zeller deze waarnemingen deed, werden in de open lucht

gehouden; aan het aquarium kwam een inrichting voor, waardoor de

temperatuurswisseling van 't water tusschen 5 en 18° C. beperkt bleef.

Als men de levenswijze van den Olm in den gevangen toestand wil nagaan,

moet men hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Een gelijkmatige,

tusschen 9 en 11° C. gelegen temperatuur van 't water, dat zuiver

en middelmatig rijk aan lucht, tegen licht en schokken beveiligd

moet zijn, benevens een doelmatige voedering met Regenwormen en

kikvorschlarven, behooren tot de eerste vereischten voor het welzijn

van dit dier.

De vierde familie omvat de Arm- of Voorpootsalamanders (Sirenidae),

de laagst ontwikkelde der geheele orde.

De Voorpootsalamander (Siren lacertina) herinnert door het blijvend

bezit van drie paar uitwendige kieuwen (met drie keelspleten) aan de

Olmen en door den geheelen lichaamsbouw aan den Aalsalamander; van

beide verschilt hij door het gemis van achterste ledematen, waarvan

zelfs in het geraamte geen spoor voorhanden is; de voorpooten zijn

aanwezig en met 4 teenen voorzien. De romp is lang en rolvormig,

van achteren zijdelings afgeplat en spits toeloopend. De kleur is

zwartachtig, van onderen en van boven gelijk, of aan de buikzijde

iets lichter. De totale lengte bedraagt 67 à 72 cM. Dit dier bewoont

de zuidoostelijke Vereenigde Staten, westwaarts tot in het zuiden

van Texas.

De Voorpootsalamander wordt gevonden in moerassige oorden en houdt

zich hier hoofdzakelijk onder oude boomstammen aan den waterkant op;

soms klimt hij op deze stammen en laat, als het water uitdroogt,

een klagend geroep hooren, dat bijna overeenkomt met dat van een

jonge Eend, maar helderder en scheller klinkt.

In Juni 1825 kreeg Neill in Engeland een levenden Voorpootsalamander

van 5 dM. lengte, dien hij 6 jaren lang in 't leven hield. Aanvankelijk

werd hem een met water en zand gevulde tobbe tot woonplaats aangewezen;

de bodem had een hellenden stand om het dier in staat te stellen op

het droge te komen; later bleek het echter, dat het verblijf in mos

hem beter beviel en daar dit spoedig verrotte en telkens vervangen

moest worden, bracht men in de tobbe losdrijvende waterplanten,

n.l. kikkerbeet, waaronder hij zich gaarne verschool. In den zomer at

hij Regenwormen, kleine Stekelbaarsjes, larven van Watersalamanders,

later ook Voorntjes; hij vastte echter gedurende den winter, van het

midden van October tot aan het einde van April; toen stond de door hem

bewoonde tobbe in een koude kas. Wanneer men in dezen tijd zijn staart

aanraakte, liet hij luchtbellen ontsnappen en bewoog zich langzaam

vooruit. Toen men hem in het jaar 1827 in een warme kas bracht,

werd hij opgewekter en begon te kwaken als een Kikker, d.w.z. enkele

gelijksoortige geluiden te maken. In dezen zomer at hij dikwijls 2 à

4 kleine Regenwormen na elkander en was over 't algemeen hongeriger

dan vroeger. Bij aanraking maakte hij zulk een krachtige beweging,

dat het water omhoogspatte. Hij leefde tot den 22en October 1831 en

kwam door een ongelukkig toeval om 't leven: met verdroogde kieuwen

vond men hem buiten zijn tobbe liggen. Gedurende de 6 jaren van zijn

gevangenschap was hij 10 cM. langer geworden.

DERDE ORDE.

DE BLINDSLANGEN (Apoda).

"Meer dan eenige andere groep van Amphibiën mogen de Blindslangen

of Slangsalamanders aanspraak maken op den rang van orde," zegt

J. Wagler, "Hoewel zij door haar uitwendig voorkomen aan Slangen of

liever aan Wormhagedissen herinneren, wijst haar inwendig maaksel

op verwantschap met de Vorschen. Van de Wormhagedissen kan men ze

dadelijk onderscheiden aan haar naakte huid; bovendien hebben zij

nagenoeg geen staart: de ronde kloakopening is bijna aan het einde

van het lichaam gelegen, dat op een overal even dikken, van voren

zoowel als van achteren stomp uitloopenden rol gelijkt; de huid

is overal glad en effen, of vertoont ringvormige groeven, die meer

of minder dicht opeengedrongen zijn en is, zoolang het dier leeft,

met een kleverig sap bedekt.

"Alle Blindslangen hebben gelijksoortige, holle, dikke, kegelvormige

tanden, die aan den binnenrand van de kaakbeenderen aangehecht zijn

en een eenigszins achterwaarts gekromde spits hebben. De tong is

met de geheele ondervlakte aan den bodem der mondholte vastgehecht

en kan dus niet uitgestoken worden. Bovendien komen ook nog aan het

gehemelte tanden voor, die, evenals bij enkele Vischsalamanders,

hoefijzervormig gerangschikt zijn. Aan het tongbeen zijn drie paar

bogen gehecht, waaruit men kan afleiden, dat zij gedurende den

kiemtoestand kieuwen hebben en een gedaantewisseling ondergaan. De

neusgaten zijn aan de zijden of aan de spits van den snuit geplaatst;

de achterste neusopeningen komen aan het gehemelte voor. De oogen

ontbreken geheel, of worden zoozeer overdekt door de huid van

den kop, dat zij volkomen ongeschikt zijn voor het zien. Daarvóór

merkt men altijd een klein kuiltje op, dienende tot berging van een

taster, die uitgestoken en teruggetrokken kan worden, en waarin een

afzonderlijke zenuw eindigt. De gehoororganen liggen, evenals bij

den Salamander, verborgen onder de huid, hebben geen trommelvlies en

geen gehoorbeentjes, wel, evenals deze, een klein kraakbeenplaatje,

dat op het eironde venster ligt."

De wervels hebben zandloopervormige wervellichamen, evenals ook

bij de laagst ontwikkelde Salamanders en Visschen voorkomen. Bij

sommige zijn er meer dan 200, die alle, met uitzondering van den

eersten en den laatsten, ribben dragen; het borstbeen ontbreekt;

van den schouder- en den heupgordel en van de ledematen is, ook in

het skelet, geen spoor voorhanden. Bij hen komt, in tegenstelling

met de meeste overige Amphibiën (uitgezonderd Siren en Amphiuma),

een duidelijke luchtpijp voor, die door ringvormige kraakbeenderen

gesteund wordt. Evenals bij de Slangen, is de linkerlong zeer kort,

de rechter zeer lang. Kleine, door huidverbeening gevormde, in zakjes

verborgen schubjes, welke op kringschubben van Visschen gelijken,

zijn in de ringvormige opzwellingen tusschen de huidplooien gelegen.

Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën · 第 7 / 8 段