thans nog niet geheel voldoende. Dat hij levende jongen ter wereld
brengt staat vast; bij exemplaren in de kooi heeft men het leggen van
eieren opgemerkt, die echter zeer schielijk door de larven verlaten
werden. Hij is een landdier, dat zich alleen om zijn jongen ter
wereld te brengen naar het water begeeft; met dit doel ziet men
hem in April, of althans niet later dan Mei, op den bodem van het
water rondloopen. Het aantal larven is betrekkelijk groot. Gewoonlijk
bedraagt het 8, 16 of 24, zeldzamer 30 à 42, die tegelijk of spoedig
achtereenvolgens in een tijdsverloop van 2 à 5 dagen het lichaam
van de moeder verlaten. De larve is dan reeds met 4 pooten voorzien
en volkomen in staat om zich op soortgelijke wijze als een geheel
ontwikkelde kikvorschlarve in 't water te bewegen. De moeder kiest
bij voorkeur koud bronwater als woonplaats voor hare jongen uit;
hoewel deze dikwijls nog in October in het water te vinden zijn,
verliezen zij gewoonlijk hunne kieuwen reeds in Augustus of in het
begin van September en zijn dan in staat om zich naar de woonplaatsen
hunner ouders te begeven, welker kleur zij reeds vroeger hebben
aangenomen. Den winter brengen de Landsalamanders op betrekkelijk
droge, vorstvrije plaatsen, diep verborgen in de met mos bedekte kloven
van 't gesteente, in schijndooden toestand door. Bij gunstig weer
verlaten zij omstreeks het begin van April hunne winterkwartieren;
de jongen, die nog niet voor de voortplanting geschikt zijn, doen
dit ongeveer een week vroeger dan de oude dieren.
De Salamanders worden door het scherpe, bijtende sap hunner
huidklieren beschermd tegen vele vijanden, die hiervan een onaangename
gewaarwording en zelfs gevaar ondervinden. Als men een Salamander in
den nek pakt en hem hier drukt, spuit het sap naar buiten: het dier
kan zijne klieren echter ook willekeurig ledigen en doet dit in den
regel, wanneer het angstig is, om een aanval af te weren. Men heeft
dikwijls een overdreven voorstelling gegeven van de nadeelige werking
van het gif en zelfs beweerd, dat kinderen gestorven zouden zijn na
het drinken van water uit een bron, waarin zich Salamanders ophielden;
uit talrijke proeven is gebleken, dat de werking van het bedoelde sap
zich bepaalt tot een hevige prikkeling der slijmvliezen, dat het een
soort van ontsteking teweeg brengt, waardoor kleine, zwakke Vogels,
ook wel Reptiliën en Amphibiën, kunnen bezwijken. Laurenti merkte op,
dat de Hagedissen, die hij gedwongen had Salamanders te bijten, onder
stuiptrekkingen stierven; Honden, Kalkoenen en Hoenderen daarentegen,
die hij met stukgesneden Salamanders voederde, verteerden deze spijs
zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden; soms echter kwam
het voor, dat de Honden braakten.
Abini heeft het Salamander-gif bij dieren, zoowel direct, als door
tusschenkomst van het spijskanaal in den bloedstroom gebracht; in
beide gevallen kwamen vergiftigings-verschijnselen voor; de werking
van het gif was echter sneller en heviger, wanneer het door den mond
aan Vogels en Vorschen werd ingegeven, dan wanneer deze dieren er mede
werden ingeënt. Daarentegen had het eten van het vleesch der door
Salamandergif gedoode dieren geen nadeeligen invloed op de wezens,
die er mede gevoederd werden.
De Gevlekte Salamander kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang
de gevangenschap verduren. Men moet hem houden in een hok, dat een
kleinen waterbak en geschikte schuilplaatsen bevat, van soortgelijken
aard als die, welke hij in de vrije natuur opzoekt. Als voedsel kan
men hem Meelwormen en Regenwormen, Insecten en Slakken geven; kleine
exemplaren van zijn eigen soort vreet hij ook op.
Opmerkelijk is het, dat dit in vele opzichten zoo weinig gevoelige
dier tegen sommige werkingen zoo slecht bestand is, en dat met name
gewoon zout een zeer nadeeligen invloed op hem oefent.
In de Alpen wordt de Gevlekte Salamander vervangen door een verwante,
veel op hem gelijkende soort, de Alpensalamander (Salamandra atra);
deze is iets kleiner, minder plomp van gestalte en effen glinsterend
zwart van kleur, dus zonder vlekken.
Zijn verbreidingsgebied omvat de Alpen van Savoye, Zwitserland,
Tirol, Salzburg en Opper-Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en
Krain, benevens eenige bergketenen van Wurtemberg en Beieren, die
met de Alpen samenhangen. In de Alpen bewoont hij in aanzienlijken
getale alle voor hem geschikte plaatsen in een tusschen 700 en 2850
M. gelegen hoogtegordel. Meestal ontmoet men deze dieren bij dozijnen
onder steenen, mos, alpenrozen en lage struiken, op soortgelijke
plaatsen dus als hun inheemsche verwant. Evenals deze, zijn zij traag,
langzaam van beweging en slaperig van voorkomen; ook zij verlaten
hunne schuilplaatsen alleen bij vochtig weer en zijn tegen groote
droogte niet bestand.
Van de 20 of meer eieren, die iedere eileider van het wijfje in het
voorjaar bevat, komt slechts één tot ontwikkeling; deze kiem voedt
zich met de overige eieren en heeft op het oogenblik van de geboorte
een lengte van 45 à 50 mM. bereikt; de kieuwen zijn dan, op kleine
knobbeltjes na, reeds geheel verdwenen, hoewel zij gedurende den
kiemtoestand buitengewoon groot waren en tot aan de achterpooten
reikten. Een eigenlijke larvetoestand komt dus bij deze dieren
niet voor.
De Watersalamanders (Molge) hebben een langwerpigen romp, voorpooten
met 4, achterpooten met 5 teenen, benevens een zijdelings sterk
samengedrukten, hoogen roeistaart; niet zelden strekt een vliezige
kam zich uit langs den rug; deze is bij het mannetje gedurende den
paartijd dikwijls sterker ontwikkeld; de staart is zoowel aan de boven-
als aan de onderzijde met een vliezige vin omzoomd. Dit geslacht omvat
21 soorten, die Europa, Noord-Afrika, West-Azië, het noordoosten van
China, Oost-Azië, en Noord-Amerika bewonen. Twee daarvan komen ook
in Nederland voor.
De Groote Watersalamander (Molge cristata, Triton cristatus)
bereikt een lengte van 13 à 15 cM. en is, behalve aan den diep,
doch onregelmatig getanden rugkam, die bij het mannetje gedurende
den voortplantingstijd (in Mei) voorkomt, doch later weer verdwijnt,
ook kenbaar aan de kleur van de onderzijde; deze is, bij de keel te
beginnen, op dooiergelen grond met zwarte vlekken van verschillende
grootte geteekend. De grondkleur van den rug, van de zijden, van den
staart en van de bovenzijde der ledematen is donkerbruin; de teekening
bestaat uit groote, zwarte vlekken, aan de zijden gemengd met witte,
die dikwijls tot groepen vereenigd zijn.
Tot het verbreidingsgebied van deze soort behooren Engeland, het
noorden en midden van Frankrijk, België, Nederland, Zwitserland,
Zweden, Denemarken, Duitschland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Rusland,
Griekenland, Turkije en Klein-Azië tot in Trans-Kaukasië en Perzië. Bij
ons is zij veel minder talrijk dan de volgende.
De Kleine Watersalamander (Molge vulgaris, Triton taeniatus) wordt 7.5
à 8.5 cM. lang; de rugkam waarmede het mannetje in den paartijd (Mei)
getooid is, bereikt een geringere hoogte en is minder getand dan die
van zijn grooteren verwant; bij dezen is hij aan den wortel van den
staart lager, als 't ware uitgesneden, bij den Kleinen Watersalamander
daarentegen op de genoemde plaats hooger dan elders. De teenen
van de achterpooten van het mannetje zijn ter zelfder tijd aan
weerszijden met een gelobden huidzoom voorzien. Bij beide seksen
is de buik oranjegeel met zwarte vlekken en loopt de staart spits,
bijna draadvormig toe. Bij het wijfje is de rugkam door een smalle
lijst vervangen, worden de vliezen aan de teenen niet aangetroffen
en heeft de staart slechts een smallen huidzoom. De olijfgroene of
bruine grondkleur van de bovenzijde gaat op de zijden in witachtig
geel over; ook hier bestaat de teekening uit zwarte vlekken, die
gewoonlijk overlangsche reeksen vormen (taeniatus beteekent gestreept).
Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal zijn de eenige deelen van Europa,
waar deze soort ontbreekt.
De Alpen-watersalamander (Molge alpestris, Triton alpestris) is 7
à 10 cM. lang, heeft een ongetanden rugkam en (behalve aan de keel)
geen donkere vlekken op de oranjeroode buikzijde. De grondkleur van
de rugzijde is bruin of leikleurig grijs. De teekening bestaat uit
donkerbruine, getakte vlekken.
Deze soort is over Noord- en Middel-Frankrijk, België, Duitschland
(met uitzondering van de Noord-duitsche vlakte), Zwitserland, Italië,
geheel Oostenrijk-Hongarije en Noord-Griekenland verbreid.
De Zwemvoetsalamander (Molge palmata, Triton palmatus) is 7 à 8
cM. lang en slank gebouwd. Bij het mannetje komt in den paartijd een
zeer lage rugkam voor en hebben de achterpooten volslagen zwemvliezen
tusschen de teenen. Door een overlangsche lijst aan weerszijden van
den rug heeft de romp een vijfkantigen vorm. De staart loopt uit in
een draadvormige spits, die bij het mannetje 7, bij het wijfje ruim
2 mM. lang is en vrij achter den vinvormigen huidzoom van het overige
deel van den staart uitsteekt. Op een min of meer naar geel zweemenden,
olijfbruinen grond vertoont de bovenzijde van den kop donkere streepen,
de rug donkere vlekken; de onderdeelen zijn dof oranjegeel met weinige
zwartachtige vlekken, die op de keel geheel ontbreken.
De Zwemvoetsalamander bewoont het noorden van Spanje, Frankrijk,
Engeland, België, het westen van Duitschland en Zwitserland.
De Watersalamanders verschillen in aard en gewoonten zoo weinig van
elkander, dat een levensbeschrijving van één dezer dieren voor alle
kan gelden.
Waterdieren noemt men ze gewoonlijk, en niet ten onrechte, daar
zij niet slechts den paartijd, maar ook nog verscheidene maanden
bovendien in 't water doorbrengen; sommige verlaten het zelfs
in 't geheel niet. Toch moet men niet uit het oog verliezen,
dat zij ook geruimen tijd op het land verkeeren; sommige soorten
brengen hier zelfs hun geheele leven door, met uitzondering van
de voortplantingsperiode. Om te paren en eieren te leggen kiezen
zij bij voorkeur heldere, door struikgewas omgeven wateren uit,
die hun het noodige voedsel kunnen verschaffen; eigenlijk vermijden
zij alleen snelstroomende beken en rivieren. Op het land plomp en
onhandig, bewegen zij zich in 't water zeer vlug, waarbij de breede
staart hun de meeste dienst bewijst; dikwijls verheffen zij zich in
verticale richting naar de oppervlakte om versche lucht op te nemen;
naar diepere lagen teruggekeerd, ademen zij uit en laten dan eenige
luchtbellen omhoogstijgen, dalen onder slangsgewijze kronkelingen nog
verder naar beneden om, terwijl zij dicht bij den grond heen en weer
zwemmen, op buit te loeren en te jagen. In den zomer verlaten zij het
water om in ruimten onder steenen en boomwortels en gaten aan den
waterkant verblijf te houden; later, in den herfst zoeken zij hier
een gemeenschappelijke winterherberg. Wanneer zij echter een water
bewonen, dat niet tot op den bodem bevriest, kunnen zij hier veilig
het koude jaargetijde doorbrengen. Zij, die dit doen en zich aan land
begeven, komen gewoonlijk in het laatst van Februari te voorschijn uit
hunne winterslaapplaatsen op den bodem van 't water. Vlug en vroolijk
dartelen de mannetjes en wijfjes in 't water om en zoeken elkander op;
paarsgewijs zwemmend, blijven zij zoo dicht bijeen, dat de heen en
weer kronkelende staarten tegen elkander slaan. Verscheidene weken
lang houdt deze opgewondenheid aan.
Als de tijd voor het eierenleggen gekomen is (van April tot Juni),
bevestigt het wijfje ieder ei afzonderlijk aan de onderzijde van het
blad van een waterplant, welks beide helften naar elkander toegebogen
en door het kleverige hulsel van het ei in dezen stand gehouden
worden. Na 13 dagen begint de larve haar zelfstandig leven. Met vier
aan de zijde van den kop voorkomende hechtdraden blijft zij halve
dagen achtereen vastgehecht aan de waterplanten, die aanvankelijk na
iederen rooftocht haar rustplaats verschaffen. Zwemmend, met vlugge
zijwaartsche krommingen van den staart, vervolgt zij haar buit,
die uit allerlei kleine, in 't water levende Gelede Dieren en Wormen
bestaat. De kieuwen, die bij de geboorte reeds duidelijk zichtbaar
zijn, verkrijgen hoe langer hoe meer vertakkingen. De ontwikkeling
der voorpooten, die bij het verlaten van het ei slechts knobbeltjes
waren, gaat intusschen geregeld voort. Als de larve (van den Grooten
Watersalamander) 2 cM. lang is, komen ook de achterpooten voor den
dag. Haar eetlust neemt steeds toe; als zij zeer hongerig is, overvalt
zij ook larven van haar eigen soort en bijt deze de kieuwen en den
staart af. Na drie maanden is de gedaantewisseling afgeloopen, zijn de
kieuwen verdwenen en is de kleur gelijk geworden aan die der volwassene
dieren. Evenals deze voedt zij zich met allerlei Insecten, die aan de
oppervlakte van het water zwemmen, met Slakken en andere Weekdieren,
Wormen, kikkerrit, larven van Visschen en andere Amphibiën, zelfs
met die van hare soortgenooten. Schade richten de Watersalamanders
niet aan; eerder zou men ze nuttig kunnen noemen, omdat zij een groot
aantal larven van Muggen verslinden.
Ook bij de Watersalamanders merkt men kleursveranderingen op, die
door de werking van chromatophoren in de huid veroorzaakt worden.
In de lente heeft om de 2 à 8 dagen een vervelling plaats, na de paring
minder dikwijls, gedurende het verblijf op het land misschien in
't geheel niet meer. Hoewel de verwisseling van opperhuid zeer snel
plaats heeft, schijnt zij de dieren nog al aan te doen, gelijk uit
de daaraan voorafgaande, in 't oogvallende traagheid en lusteloosheid
valt af te leiden.
In gewone omstandigheden hoort men van de Watersalamanders geen
geluid; toch zijn zij niet stom. Als men ze eenigszins haastig en
onzacht aanvat, toonen zij door een helder, kwakend geluid, dat zij
evenals andere Amphibiën een stem bezitten.
De gevangen Watersalamanders stellen geen hooge eischen en kunnen
zonder eenige moeite in een eenvoudig aquarium in 't leven gehouden
worden. Den toeschouwer verschaffen zij een aangenaam tijdverdrijf. Zij
zijn buitengewoon vraatzuchtig en worden daarom weldra zeer tam,
wanneer men zich met hen bemoeit, d. w. z., ze dikwijls voedert. Vooral
de voedering met Regenwormen levert menig vermakelijk tooneeltje op,
dat dikwijls ook voorkomt, als men ze Vliegen geeft. Zij trachten
elkander door bijten te verjagen; soms wordt een van hen door een
afgunstigen kameraad bij een poot gepakt, waarop een hevig gespartel
en geworstel volgt, totdat beide den strijd opgeven. Dikwijls grijpen
zij elkander bij den kop en vechten verwoed. Wanneer eindelijk de
vrede hersteld is, gaan alle aan den maaltijd en blijven bedaard,
totdat twee van de gasten, die onbewust bezig zijn denzelfden Worm
te verslinden, van de beide einden naar het midden voortschrijdend,
elkander als concurrenten leeren kennen. De buit scheurt dan in den
regel niet, maar de eene trekt hem den anderen weer uit den bek.
Met Watersalamanders zijn verscheidene proeven genomen betreffende
hun levenstaaiheid en herstellingsvermogen. Reeds vroeger had
men hun ongevoeligheid voor den invloed van een lage temperatuur
waargenomen; ook was reeds gebleken, dat afgesneden lichaamsdeelen
weder aangroeien. Door proeven werd voorts aangetoond, dat alle
lichaamsdeelen merkwaardig volledig op nieuw worden gevormd; er
ontstaan niet slechts stompjes ter vervanging van het weggenomen stuk,
maar er heeft een werkelijke vernieuwing plaats van het orgaan met al
zijne beenderen en gewrichten. Een afgesneden staart wordt volkomen
vervangen, verkrijgt nieuwe wervels en bereikt dezelfde lengte als
de vorige; in de plaats van afgesneden pooten ontwikkelen zich nieuwe
met een volledig skelet; dit geschiedt telkens weer, wanneer dezelfde
verminking herhaald wordt; zelfs geamputeerde kaken groeien weer
aan. Spallanzani sneed het oog van een Watersalamander voor viervijfde
deel weg en zag bij het dier binnen 10 maanden een nieuwen oogbal met
hoornvlies, iris, lens, kortom, een volledig gezichtszintuig ontstaan,
dat van het vorige alleen door een iets geringere grootte verschilde.
De Ribbensalamander (Molge Waltlii), een tot het Iberische schiereiland
en Marokko beperkte soort, is slank en lang gebouwd, de kop is plat
en afgerond als die van een Pad, de staart mesvormig samengedrukt
en zoowel aan den boven- als aan den onderrand met een huidkam
voorzien. De klierachtige huid is eigenaardig door een reeks van
groote, hoornachtige knobbels, die op de grens van den rug en de
zijden van den romp voorkomen, en waardoor dikwijls de lange, in een
scherpe punt eindigende ribben naar buiten treden. De kleur van het
dier is vuilbruin en heeft een eenigszins naar grijs zweemende tint; de
vlekken vallen hier niet zeer in 't oog; de buikzijde is op okergelen
grond met kleine, ronde, zwartachtig grijze vlekken geteekend.
Meer nog dan door uitwendige gedaante en kleur wijkt de
Ribbensalamander door het skelet van de overige leden zijner onderorde
af. Hij bezit het groote aantal van 56 wervels. Geen andere Salamander
heeft zoovele en zulke goed ontwikkelde ribben. Waltl, naar wien
dit dier genoemd werd, ontdekte het in de regenbakken, die men in
geheel Andalusië zoo veelvuldig aantreft. Later is het gebleken,
dat de Ribbensalamander zich niet uitsluitend in deze vergaarbakken,
maar ook in plassen en meertjes ophoudt.
Vier teenen aan elken poot en een beenige boog over de slaapholte
zijn de meest in 't oog vallende kenteekenen van de Brilsalamanders
(Salamandrina), een door den Brilsalamander, de Tarantolina der
Italianen (Salamandrina perspicillata), vertegenwoordigd geslacht. Bij
de dofzwarte kleur van de bovenzijde steekt de roodachtig gele,
brilvormige teekening boven de oogen duidelijk af; de zwarte keel
heeft een witte vlek; op de licht gekleurde onderdeelen komen
vele onregelmatige vlekken en stippels voor; de aarsstreek, de
binnenzijde van de pooten en de onderhelft van den staart zijn fraai
karmijnrood. De lengte van dit aanvallige diertje bedraagt slechts
8 à 10 cM. Het bewoont bergachtige, koele, schaduwrijke oorden op
het eiland Sardinië en aan de Middellandsche zeekust van Noord- en
Middel-Italië. Het schijnt in hooge bergstreken niet voor te komen,
maar de voorkeur te geven aan heuvelachtige gewesten en in 't algemeen
woeste oorden te vermijden.
"In de buurt van de stad Mexico," verhaalt Hernandez (later lijfarts
van Philips II van Spanje), "vindt men een soort van meervisschen met
zachte huid en vier pooten, zooals die der Hagedissen, een span lang
en een duim dik, "Axolotl" of "Waterhond" genoemd. De kop is plat
en groot, de teenen zijn als die der Vorschen. De kleur is zwart of
bruin en gevlekt. Het dier wordt zoo genoemd wegens zijn ongewone en
potsierlijke gedaante. Zijn vleesch gelijkt op dat van de Alen en is
gezond en smakelijk; het wordt, op verschillende wijzen toebereid,
gegeten."
Deze mededeeling bleef nagenoeg onopgemerkt, totdat in een der eerste
jaren van onze eeuw twee exemplaren van het bedoelde dier, door A. von
Humboldt naar Frankrijk gebracht en door Cuvier nauwkeurig beschreven
werden. Zij kwamen in grootte met den Gewonen Landsalamander, maar
in vorm met larven van Watersalamanders overeen en werden door
de genoemde geleerden als larven beschouwd. De Axolotl heeft een
platten en betrekkelijk zeer breeden kop, waarachter 3 paar groote,
roode, sterk vertakte, kwastvormige kieuwen voorkomen; de romp is
ineengedrongen, de staart zijdelings samengedrukt, van boven en van
onderen met een huidzoom voorzien, die zich voortzet in een lagen,
tot aan den kop reikenden, ongetanden rugkam. De voorpooten hebben 4,
de achterpooten 5 teenen. De tamelijk gelijkmatige, donker groenachtig
bruine kleur is met zwarte vlekken en witte stippels geteekend.
Bij geen der talrijke Axolotls, die na de zooeven bedoelde exemplaren
levend of dood in Europa kwamen, werd eenig spoor van gedaantewisseling
waargenomen; alle geleken op de reeds bekende. Dit gaf aanleiding
tot de meening, dat deze dieren reeds volkomen ontwikkeld waren; een
bevestiging hiervan vond men in hun overeenkomst met andere Amphibiën,
die eveneens levenslang de larveorganen behouden. Zelfs Cuvier
werd hierdoor bewogen om, in strijd met zijn vroegere overtuiging,
den Siredon axolotl een plaats aan te wijzen bij de Salamanders met
blijvende uitwendige kieuwen.
Op deze hoogte bleef de kwestie tot in 1865. Alle dierkundigen
volgden het voorbeeld van Cuvier en beschouwden den Axolotl als een
volkomen ontwikkeld dier, waarvan geen gedaantewisseling verwacht
kon worden. Uit het weinige, wat van zijn leven in de vrije natuur
bericht werd, meende men te mogen afleiden, dat het zich ook in
Mexico nooit anders dan met kieuwen vertoond had; het was toch
niet waarschijnlijk, dat dieren, die bij duizenden ter markt worden
gebracht, in de nabijheid van de Mexicaansche meren, waar zij zoo
overvloedig voorkomen, nooit in een anderen vorm gezien zouden zijn,
indien zij dezen werkelijk aannemen.
De voortplanting van den Axolotl werd voor 't eerst waargenomen
door Duméril in den "Jardin des Plantes" te Parijs, die in het
begin van 1864 van den "Jardin d'acclimation" 6 levende exemplaren
(5 mannetjes en 1 wijfje) kreeg. In het door hen bewoonde, doelmatig
ingerichte aquarium gedroegen zij zich als gewone larven, totdat,
voor 't eerst in Februari 1865 en 6 weken later nogmaals, het wijfje
(geheel op dezelfde wijze als de inheemsche Watersalamanders na
de gedaantewisseling) een groot aantal eieren legde. 28 à 30 dagen
daarna kwamen hieruit larven te voorschijn; deze hadden in het begin
van September nagenoeg de grootte van hunne ouders bereikt. Dit feit
scheen een bevestiging in te houden van de algemeene meening omtrent
den aard van den Axolotl, daar men in dien tijd wel bij Ongewervelde,
doch niet bij Gewervelde Dieren voorbeelden kende van tot voortplanting
geschikte larven (paedogenesis noemt men dit verschijnsel).
In het midden van September 1865 merkte Duméril aan één der jongen
een hoogst merkwaardige verandering op: de kwastvormige kieuwbundels
benevens de kam op den rug en den staart verschrompelden, de
kieuwspleet groeide dicht, de lichaamsvorm onderging eenige wijziging
en op de donkerkleurige huid ontstonden een groot aantal kleine,
geelachtig witte vlekken. Van 28 September tot 10 October ondergingen
drie andere jongen dezelfde gedaantewisseling; de overige bleven
onveranderd. Duidelijk bleek hieruit, dat A. von Humboldt en Cuvier
te recht den Axolotl voor de larve van een hun onbekenden Salamander
hadden gehouden.