Over de voortplanting van den Landsalamander zijn de berichten ook

thans nog niet geheel voldoende. Dat hij levende jongen ter wereld

brengt staat vast; bij exemplaren in de kooi heeft men het leggen van

eieren opgemerkt, die echter zeer schielijk door de larven verlaten

werden. Hij is een landdier, dat zich alleen om zijn jongen ter

wereld te brengen naar het water begeeft; met dit doel ziet men

hem in April, of althans niet later dan Mei, op den bodem van het

water rondloopen. Het aantal larven is betrekkelijk groot. Gewoonlijk

bedraagt het 8, 16 of 24, zeldzamer 30 à 42, die tegelijk of spoedig

achtereenvolgens in een tijdsverloop van 2 à 5 dagen het lichaam

van de moeder verlaten. De larve is dan reeds met 4 pooten voorzien

en volkomen in staat om zich op soortgelijke wijze als een geheel

ontwikkelde kikvorschlarve in 't water te bewegen. De moeder kiest

bij voorkeur koud bronwater als woonplaats voor hare jongen uit;

hoewel deze dikwijls nog in October in het water te vinden zijn,

verliezen zij gewoonlijk hunne kieuwen reeds in Augustus of in het

begin van September en zijn dan in staat om zich naar de woonplaatsen

hunner ouders te begeven, welker kleur zij reeds vroeger hebben

aangenomen. Den winter brengen de Landsalamanders op betrekkelijk

droge, vorstvrije plaatsen, diep verborgen in de met mos bedekte kloven

van 't gesteente, in schijndooden toestand door. Bij gunstig weer

verlaten zij omstreeks het begin van April hunne winterkwartieren;

de jongen, die nog niet voor de voortplanting geschikt zijn, doen

dit ongeveer een week vroeger dan de oude dieren.

De Salamanders worden door het scherpe, bijtende sap hunner

huidklieren beschermd tegen vele vijanden, die hiervan een onaangename

gewaarwording en zelfs gevaar ondervinden. Als men een Salamander in

den nek pakt en hem hier drukt, spuit het sap naar buiten: het dier

kan zijne klieren echter ook willekeurig ledigen en doet dit in den

regel, wanneer het angstig is, om een aanval af te weren. Men heeft

dikwijls een overdreven voorstelling gegeven van de nadeelige werking

van het gif en zelfs beweerd, dat kinderen gestorven zouden zijn na

het drinken van water uit een bron, waarin zich Salamanders ophielden;

uit talrijke proeven is gebleken, dat de werking van het bedoelde sap

zich bepaalt tot een hevige prikkeling der slijmvliezen, dat het een

soort van ontsteking teweeg brengt, waardoor kleine, zwakke Vogels,

ook wel Reptiliën en Amphibiën, kunnen bezwijken. Laurenti merkte op,

dat de Hagedissen, die hij gedwongen had Salamanders te bijten, onder

stuiptrekkingen stierven; Honden, Kalkoenen en Hoenderen daarentegen,

die hij met stukgesneden Salamanders voederde, verteerden deze spijs

zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden; soms echter kwam

het voor, dat de Honden braakten.

Abini heeft het Salamander-gif bij dieren, zoowel direct, als door

tusschenkomst van het spijskanaal in den bloedstroom gebracht; in

beide gevallen kwamen vergiftigings-verschijnselen voor; de werking

van het gif was echter sneller en heviger, wanneer het door den mond

aan Vogels en Vorschen werd ingegeven, dan wanneer deze dieren er mede

werden ingeënt. Daarentegen had het eten van het vleesch der door

Salamandergif gedoode dieren geen nadeeligen invloed op de wezens,

die er mede gevoederd werden.

De Gevlekte Salamander kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang

de gevangenschap verduren. Men moet hem houden in een hok, dat een

kleinen waterbak en geschikte schuilplaatsen bevat, van soortgelijken

aard als die, welke hij in de vrije natuur opzoekt. Als voedsel kan

men hem Meelwormen en Regenwormen, Insecten en Slakken geven; kleine

exemplaren van zijn eigen soort vreet hij ook op.

Opmerkelijk is het, dat dit in vele opzichten zoo weinig gevoelige

dier tegen sommige werkingen zoo slecht bestand is, en dat met name

gewoon zout een zeer nadeeligen invloed op hem oefent.

In de Alpen wordt de Gevlekte Salamander vervangen door een verwante,

veel op hem gelijkende soort, de Alpensalamander (Salamandra atra);

deze is iets kleiner, minder plomp van gestalte en effen glinsterend

zwart van kleur, dus zonder vlekken.

Zijn verbreidingsgebied omvat de Alpen van Savoye, Zwitserland,

Tirol, Salzburg en Opper-Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en

Krain, benevens eenige bergketenen van Wurtemberg en Beieren, die

met de Alpen samenhangen. In de Alpen bewoont hij in aanzienlijken

getale alle voor hem geschikte plaatsen in een tusschen 700 en 2850

M. gelegen hoogtegordel. Meestal ontmoet men deze dieren bij dozijnen

onder steenen, mos, alpenrozen en lage struiken, op soortgelijke

plaatsen dus als hun inheemsche verwant. Evenals deze, zijn zij traag,

langzaam van beweging en slaperig van voorkomen; ook zij verlaten

hunne schuilplaatsen alleen bij vochtig weer en zijn tegen groote

droogte niet bestand.

Van de 20 of meer eieren, die iedere eileider van het wijfje in het

voorjaar bevat, komt slechts één tot ontwikkeling; deze kiem voedt

zich met de overige eieren en heeft op het oogenblik van de geboorte

een lengte van 45 à 50 mM. bereikt; de kieuwen zijn dan, op kleine

knobbeltjes na, reeds geheel verdwenen, hoewel zij gedurende den

kiemtoestand buitengewoon groot waren en tot aan de achterpooten

reikten. Een eigenlijke larvetoestand komt dus bij deze dieren

niet voor.

De Watersalamanders (Molge) hebben een langwerpigen romp, voorpooten

met 4, achterpooten met 5 teenen, benevens een zijdelings sterk

samengedrukten, hoogen roeistaart; niet zelden strekt een vliezige

kam zich uit langs den rug; deze is bij het mannetje gedurende den

paartijd dikwijls sterker ontwikkeld; de staart is zoowel aan de boven-

als aan de onderzijde met een vliezige vin omzoomd. Dit geslacht omvat

21 soorten, die Europa, Noord-Afrika, West-Azië, het noordoosten van

China, Oost-Azië, en Noord-Amerika bewonen. Twee daarvan komen ook

in Nederland voor.

De Groote Watersalamander (Molge cristata, Triton cristatus)

bereikt een lengte van 13 à 15 cM. en is, behalve aan den diep,

doch onregelmatig getanden rugkam, die bij het mannetje gedurende

den voortplantingstijd (in Mei) voorkomt, doch later weer verdwijnt,

ook kenbaar aan de kleur van de onderzijde; deze is, bij de keel te

beginnen, op dooiergelen grond met zwarte vlekken van verschillende

grootte geteekend. De grondkleur van den rug, van de zijden, van den

staart en van de bovenzijde der ledematen is donkerbruin; de teekening

bestaat uit groote, zwarte vlekken, aan de zijden gemengd met witte,

die dikwijls tot groepen vereenigd zijn.

Tot het verbreidingsgebied van deze soort behooren Engeland, het

noorden en midden van Frankrijk, België, Nederland, Zwitserland,

Zweden, Denemarken, Duitschland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Rusland,

Griekenland, Turkije en Klein-Azië tot in Trans-Kaukasië en Perzië. Bij

ons is zij veel minder talrijk dan de volgende.

De Kleine Watersalamander (Molge vulgaris, Triton taeniatus) wordt 7.5

à 8.5 cM. lang; de rugkam waarmede het mannetje in den paartijd (Mei)

getooid is, bereikt een geringere hoogte en is minder getand dan die

van zijn grooteren verwant; bij dezen is hij aan den wortel van den

staart lager, als 't ware uitgesneden, bij den Kleinen Watersalamander

daarentegen op de genoemde plaats hooger dan elders. De teenen

van de achterpooten van het mannetje zijn ter zelfder tijd aan

weerszijden met een gelobden huidzoom voorzien. Bij beide seksen

is de buik oranjegeel met zwarte vlekken en loopt de staart spits,

bijna draadvormig toe. Bij het wijfje is de rugkam door een smalle

lijst vervangen, worden de vliezen aan de teenen niet aangetroffen

en heeft de staart slechts een smallen huidzoom. De olijfgroene of

bruine grondkleur van de bovenzijde gaat op de zijden in witachtig

geel over; ook hier bestaat de teekening uit zwarte vlekken, die

gewoonlijk overlangsche reeksen vormen (taeniatus beteekent gestreept).

Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal zijn de eenige deelen van Europa,

waar deze soort ontbreekt.

De Alpen-watersalamander (Molge alpestris, Triton alpestris) is 7

à 10 cM. lang, heeft een ongetanden rugkam en (behalve aan de keel)

geen donkere vlekken op de oranjeroode buikzijde. De grondkleur van

de rugzijde is bruin of leikleurig grijs. De teekening bestaat uit

donkerbruine, getakte vlekken.

Deze soort is over Noord- en Middel-Frankrijk, België, Duitschland

(met uitzondering van de Noord-duitsche vlakte), Zwitserland, Italië,

geheel Oostenrijk-Hongarije en Noord-Griekenland verbreid.

De Zwemvoetsalamander (Molge palmata, Triton palmatus) is 7 à 8

cM. lang en slank gebouwd. Bij het mannetje komt in den paartijd een

zeer lage rugkam voor en hebben de achterpooten volslagen zwemvliezen

tusschen de teenen. Door een overlangsche lijst aan weerszijden van

den rug heeft de romp een vijfkantigen vorm. De staart loopt uit in

een draadvormige spits, die bij het mannetje 7, bij het wijfje ruim

2 mM. lang is en vrij achter den vinvormigen huidzoom van het overige

deel van den staart uitsteekt. Op een min of meer naar geel zweemenden,

olijfbruinen grond vertoont de bovenzijde van den kop donkere streepen,

de rug donkere vlekken; de onderdeelen zijn dof oranjegeel met weinige

zwartachtige vlekken, die op de keel geheel ontbreken.

De Zwemvoetsalamander bewoont het noorden van Spanje, Frankrijk,

Engeland, België, het westen van Duitschland en Zwitserland.

De Watersalamanders verschillen in aard en gewoonten zoo weinig van

elkander, dat een levensbeschrijving van één dezer dieren voor alle

kan gelden.

Waterdieren noemt men ze gewoonlijk, en niet ten onrechte, daar

zij niet slechts den paartijd, maar ook nog verscheidene maanden

bovendien in 't water doorbrengen; sommige verlaten het zelfs

in 't geheel niet. Toch moet men niet uit het oog verliezen,

dat zij ook geruimen tijd op het land verkeeren; sommige soorten

brengen hier zelfs hun geheele leven door, met uitzondering van

de voortplantingsperiode. Om te paren en eieren te leggen kiezen

zij bij voorkeur heldere, door struikgewas omgeven wateren uit,

die hun het noodige voedsel kunnen verschaffen; eigenlijk vermijden

zij alleen snelstroomende beken en rivieren. Op het land plomp en

onhandig, bewegen zij zich in 't water zeer vlug, waarbij de breede

staart hun de meeste dienst bewijst; dikwijls verheffen zij zich in

verticale richting naar de oppervlakte om versche lucht op te nemen;

naar diepere lagen teruggekeerd, ademen zij uit en laten dan eenige

luchtbellen omhoogstijgen, dalen onder slangsgewijze kronkelingen nog

verder naar beneden om, terwijl zij dicht bij den grond heen en weer

zwemmen, op buit te loeren en te jagen. In den zomer verlaten zij het

water om in ruimten onder steenen en boomwortels en gaten aan den

waterkant verblijf te houden; later, in den herfst zoeken zij hier

een gemeenschappelijke winterherberg. Wanneer zij echter een water

bewonen, dat niet tot op den bodem bevriest, kunnen zij hier veilig

het koude jaargetijde doorbrengen. Zij, die dit doen en zich aan land

begeven, komen gewoonlijk in het laatst van Februari te voorschijn uit

hunne winterslaapplaatsen op den bodem van 't water. Vlug en vroolijk

dartelen de mannetjes en wijfjes in 't water om en zoeken elkander op;

paarsgewijs zwemmend, blijven zij zoo dicht bijeen, dat de heen en

weer kronkelende staarten tegen elkander slaan. Verscheidene weken

lang houdt deze opgewondenheid aan.

Als de tijd voor het eierenleggen gekomen is (van April tot Juni),

bevestigt het wijfje ieder ei afzonderlijk aan de onderzijde van het

blad van een waterplant, welks beide helften naar elkander toegebogen

en door het kleverige hulsel van het ei in dezen stand gehouden

worden. Na 13 dagen begint de larve haar zelfstandig leven. Met vier

aan de zijde van den kop voorkomende hechtdraden blijft zij halve

dagen achtereen vastgehecht aan de waterplanten, die aanvankelijk na

iederen rooftocht haar rustplaats verschaffen. Zwemmend, met vlugge

zijwaartsche krommingen van den staart, vervolgt zij haar buit,

die uit allerlei kleine, in 't water levende Gelede Dieren en Wormen

bestaat. De kieuwen, die bij de geboorte reeds duidelijk zichtbaar

zijn, verkrijgen hoe langer hoe meer vertakkingen. De ontwikkeling

der voorpooten, die bij het verlaten van het ei slechts knobbeltjes

waren, gaat intusschen geregeld voort. Als de larve (van den Grooten

Watersalamander) 2 cM. lang is, komen ook de achterpooten voor den

dag. Haar eetlust neemt steeds toe; als zij zeer hongerig is, overvalt

zij ook larven van haar eigen soort en bijt deze de kieuwen en den

staart af. Na drie maanden is de gedaantewisseling afgeloopen, zijn de

kieuwen verdwenen en is de kleur gelijk geworden aan die der volwassene

dieren. Evenals deze voedt zij zich met allerlei Insecten, die aan de

oppervlakte van het water zwemmen, met Slakken en andere Weekdieren,

Wormen, kikkerrit, larven van Visschen en andere Amphibiën, zelfs

met die van hare soortgenooten. Schade richten de Watersalamanders

niet aan; eerder zou men ze nuttig kunnen noemen, omdat zij een groot

aantal larven van Muggen verslinden.

Ook bij de Watersalamanders merkt men kleursveranderingen op, die

door de werking van chromatophoren in de huid veroorzaakt worden.

In de lente heeft om de 2 à 8 dagen een vervelling plaats, na de paring

minder dikwijls, gedurende het verblijf op het land misschien in

't geheel niet meer. Hoewel de verwisseling van opperhuid zeer snel

plaats heeft, schijnt zij de dieren nog al aan te doen, gelijk uit

de daaraan voorafgaande, in 't oogvallende traagheid en lusteloosheid

valt af te leiden.

In gewone omstandigheden hoort men van de Watersalamanders geen

geluid; toch zijn zij niet stom. Als men ze eenigszins haastig en

onzacht aanvat, toonen zij door een helder, kwakend geluid, dat zij

evenals andere Amphibiën een stem bezitten.

De gevangen Watersalamanders stellen geen hooge eischen en kunnen

zonder eenige moeite in een eenvoudig aquarium in 't leven gehouden

worden. Den toeschouwer verschaffen zij een aangenaam tijdverdrijf. Zij

zijn buitengewoon vraatzuchtig en worden daarom weldra zeer tam,

wanneer men zich met hen bemoeit, d. w. z., ze dikwijls voedert. Vooral

de voedering met Regenwormen levert menig vermakelijk tooneeltje op,

dat dikwijls ook voorkomt, als men ze Vliegen geeft. Zij trachten

elkander door bijten te verjagen; soms wordt een van hen door een

afgunstigen kameraad bij een poot gepakt, waarop een hevig gespartel

en geworstel volgt, totdat beide den strijd opgeven. Dikwijls grijpen

zij elkander bij den kop en vechten verwoed. Wanneer eindelijk de

vrede hersteld is, gaan alle aan den maaltijd en blijven bedaard,

totdat twee van de gasten, die onbewust bezig zijn denzelfden Worm

te verslinden, van de beide einden naar het midden voortschrijdend,

elkander als concurrenten leeren kennen. De buit scheurt dan in den

regel niet, maar de eene trekt hem den anderen weer uit den bek.

Met Watersalamanders zijn verscheidene proeven genomen betreffende

hun levenstaaiheid en herstellingsvermogen. Reeds vroeger had

men hun ongevoeligheid voor den invloed van een lage temperatuur

waargenomen; ook was reeds gebleken, dat afgesneden lichaamsdeelen

weder aangroeien. Door proeven werd voorts aangetoond, dat alle

lichaamsdeelen merkwaardig volledig op nieuw worden gevormd; er

ontstaan niet slechts stompjes ter vervanging van het weggenomen stuk,

maar er heeft een werkelijke vernieuwing plaats van het orgaan met al

zijne beenderen en gewrichten. Een afgesneden staart wordt volkomen

vervangen, verkrijgt nieuwe wervels en bereikt dezelfde lengte als

de vorige; in de plaats van afgesneden pooten ontwikkelen zich nieuwe

met een volledig skelet; dit geschiedt telkens weer, wanneer dezelfde

verminking herhaald wordt; zelfs geamputeerde kaken groeien weer

aan. Spallanzani sneed het oog van een Watersalamander voor viervijfde

deel weg en zag bij het dier binnen 10 maanden een nieuwen oogbal met

hoornvlies, iris, lens, kortom, een volledig gezichtszintuig ontstaan,

dat van het vorige alleen door een iets geringere grootte verschilde.

De Ribbensalamander (Molge Waltlii), een tot het Iberische schiereiland

en Marokko beperkte soort, is slank en lang gebouwd, de kop is plat

en afgerond als die van een Pad, de staart mesvormig samengedrukt

en zoowel aan den boven- als aan den onderrand met een huidkam

voorzien. De klierachtige huid is eigenaardig door een reeks van

groote, hoornachtige knobbels, die op de grens van den rug en de

zijden van den romp voorkomen, en waardoor dikwijls de lange, in een

scherpe punt eindigende ribben naar buiten treden. De kleur van het

dier is vuilbruin en heeft een eenigszins naar grijs zweemende tint; de

vlekken vallen hier niet zeer in 't oog; de buikzijde is op okergelen

grond met kleine, ronde, zwartachtig grijze vlekken geteekend.

Meer nog dan door uitwendige gedaante en kleur wijkt de

Ribbensalamander door het skelet van de overige leden zijner onderorde

af. Hij bezit het groote aantal van 56 wervels. Geen andere Salamander

heeft zoovele en zulke goed ontwikkelde ribben. Waltl, naar wien

dit dier genoemd werd, ontdekte het in de regenbakken, die men in

geheel Andalusië zoo veelvuldig aantreft. Later is het gebleken,

dat de Ribbensalamander zich niet uitsluitend in deze vergaarbakken,

maar ook in plassen en meertjes ophoudt.

Vier teenen aan elken poot en een beenige boog over de slaapholte

zijn de meest in 't oog vallende kenteekenen van de Brilsalamanders

(Salamandrina), een door den Brilsalamander, de Tarantolina der

Italianen (Salamandrina perspicillata), vertegenwoordigd geslacht. Bij

de dofzwarte kleur van de bovenzijde steekt de roodachtig gele,

brilvormige teekening boven de oogen duidelijk af; de zwarte keel

heeft een witte vlek; op de licht gekleurde onderdeelen komen

vele onregelmatige vlekken en stippels voor; de aarsstreek, de

binnenzijde van de pooten en de onderhelft van den staart zijn fraai

karmijnrood. De lengte van dit aanvallige diertje bedraagt slechts

8 à 10 cM. Het bewoont bergachtige, koele, schaduwrijke oorden op

het eiland Sardinië en aan de Middellandsche zeekust van Noord- en

Middel-Italië. Het schijnt in hooge bergstreken niet voor te komen,

maar de voorkeur te geven aan heuvelachtige gewesten en in 't algemeen

woeste oorden te vermijden.

"In de buurt van de stad Mexico," verhaalt Hernandez (later lijfarts

van Philips II van Spanje), "vindt men een soort van meervisschen met

zachte huid en vier pooten, zooals die der Hagedissen, een span lang

en een duim dik, "Axolotl" of "Waterhond" genoemd. De kop is plat

en groot, de teenen zijn als die der Vorschen. De kleur is zwart of

bruin en gevlekt. Het dier wordt zoo genoemd wegens zijn ongewone en

potsierlijke gedaante. Zijn vleesch gelijkt op dat van de Alen en is

gezond en smakelijk; het wordt, op verschillende wijzen toebereid,

gegeten."

Deze mededeeling bleef nagenoeg onopgemerkt, totdat in een der eerste

jaren van onze eeuw twee exemplaren van het bedoelde dier, door A. von

Humboldt naar Frankrijk gebracht en door Cuvier nauwkeurig beschreven

werden. Zij kwamen in grootte met den Gewonen Landsalamander, maar

in vorm met larven van Watersalamanders overeen en werden door

de genoemde geleerden als larven beschouwd. De Axolotl heeft een

platten en betrekkelijk zeer breeden kop, waarachter 3 paar groote,

roode, sterk vertakte, kwastvormige kieuwen voorkomen; de romp is

ineengedrongen, de staart zijdelings samengedrukt, van boven en van

onderen met een huidzoom voorzien, die zich voortzet in een lagen,

tot aan den kop reikenden, ongetanden rugkam. De voorpooten hebben 4,

de achterpooten 5 teenen. De tamelijk gelijkmatige, donker groenachtig

bruine kleur is met zwarte vlekken en witte stippels geteekend.

Bij geen der talrijke Axolotls, die na de zooeven bedoelde exemplaren

levend of dood in Europa kwamen, werd eenig spoor van gedaantewisseling

waargenomen; alle geleken op de reeds bekende. Dit gaf aanleiding

tot de meening, dat deze dieren reeds volkomen ontwikkeld waren; een

bevestiging hiervan vond men in hun overeenkomst met andere Amphibiën,

die eveneens levenslang de larveorganen behouden. Zelfs Cuvier

werd hierdoor bewogen om, in strijd met zijn vroegere overtuiging,

den Siredon axolotl een plaats aan te wijzen bij de Salamanders met

blijvende uitwendige kieuwen.

Op deze hoogte bleef de kwestie tot in 1865. Alle dierkundigen

volgden het voorbeeld van Cuvier en beschouwden den Axolotl als een

volkomen ontwikkeld dier, waarvan geen gedaantewisseling verwacht

kon worden. Uit het weinige, wat van zijn leven in de vrije natuur

bericht werd, meende men te mogen afleiden, dat het zich ook in

Mexico nooit anders dan met kieuwen vertoond had; het was toch

niet waarschijnlijk, dat dieren, die bij duizenden ter markt worden

gebracht, in de nabijheid van de Mexicaansche meren, waar zij zoo

overvloedig voorkomen, nooit in een anderen vorm gezien zouden zijn,

indien zij dezen werkelijk aannemen.

De voortplanting van den Axolotl werd voor 't eerst waargenomen

door Duméril in den "Jardin des Plantes" te Parijs, die in het

begin van 1864 van den "Jardin d'acclimation" 6 levende exemplaren

(5 mannetjes en 1 wijfje) kreeg. In het door hen bewoonde, doelmatig

ingerichte aquarium gedroegen zij zich als gewone larven, totdat,

voor 't eerst in Februari 1865 en 6 weken later nogmaals, het wijfje

(geheel op dezelfde wijze als de inheemsche Watersalamanders na

de gedaantewisseling) een groot aantal eieren legde. 28 à 30 dagen

daarna kwamen hieruit larven te voorschijn; deze hadden in het begin

van September nagenoeg de grootte van hunne ouders bereikt. Dit feit

scheen een bevestiging in te houden van de algemeene meening omtrent

den aard van den Axolotl, daar men in dien tijd wel bij Ongewervelde,

doch niet bij Gewervelde Dieren voorbeelden kende van tot voortplanting

geschikte larven (paedogenesis noemt men dit verschijnsel).

In het midden van September 1865 merkte Duméril aan één der jongen

een hoogst merkwaardige verandering op: de kwastvormige kieuwbundels

benevens de kam op den rug en den staart verschrompelden, de

kieuwspleet groeide dicht, de lichaamsvorm onderging eenige wijziging

en op de donkerkleurige huid ontstonden een groot aantal kleine,

geelachtig witte vlekken. Van 28 September tot 10 October ondergingen

drie andere jongen dezelfde gedaantewisseling; de overige bleven

onveranderd. Duidelijk bleek hieruit, dat A. von Humboldt en Cuvier

te recht den Axolotl voor de larve van een hun onbekenden Salamander

hadden gehouden.

Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën · 第 6 / 8 段