Van de ontwikkeling der Blindslangen was tot voor korten tijd slechts

weinig bekend. Aan Joh. Müller heeft men de mededeeling te danken,

dat de jonge Rimpelsalamander (Ichthyophis glutiosus) aan weerszijden

van den hals een kieuwspleet bezit, in gemeenschap staande met een

holte, die inwendige kieuwen bevat; ook heeft hij een korten, door

een vliezige vin omzoomden staart. Volgens Gervais brengt Caecilia

compressicauda (uit Cayenne) levende jongen ter wereld, waaraan

geen spoor van kieuwspleet te ontdekken is. Peters bevestigt dit

bericht, maar voegt er aan toe, dat aan den hals der pasgeborene, in

't water verblijf houdende jongen groote blazen voorkomen, die een goed

ontwikkeld vaatstelsel bevatten en als kieuwen moeten worden beschouwd.

Ter geschikter tijd begeven de Blindslangen zich te water en

brengen hier levende jongen ter wereld, of leggen eieren, die bij

eenige soorten door het wijfje bebroed of althans behoed worden. De

ontwikkeling der jongen heeft grootendeels reeds in het ei plaats;

na een kort verblijf in het water zijn de larven aan de oude dieren

gelijk geworden en begeven zich dan op het droge.

De Blindslangen komen in de keerkringsgewesten van Amerika, Afrika en

Azië voor, maar ontbreken in Australië en op Madagaskar. Zij graven

gangen in den grond en leven hier als Regenwormen, waardoor het nagaan

van haar levenswijze zeer bemoeilijkt wordt. Haar voedsel bestaat uit

Wormen en andere kleine dieren; vele vinden het in de mierennesten, die

zij bewonen. Langzaam kruipend is haar beweging over vaste voorwerpen;

sommige zwemmen met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam.

Bij het in Zuid-Amerika en Afrika levende geslacht der Ringsalamanders

(Siphonops) zijn de huidringen breed, de oogen duidelijk zichtbaar

en de tastergroeven nader bij het oog dan bij het neusgat gelegen.

De Wormsalamanders (Caecilia) bewonen Zuid-Amerika, hebben smallere

huidringen, minder goed waarneembare oogen en de tasters voor aan

den snuit onmiddellijk onder het neusgat in een hoefijzervormige

groeve aangehecht.

De Rimpelsalamanders (Ichthyophis) behooren tot het Indische Rijk,

hebben nog smallere en talrijkere huidringen dan de leden van het

vorige geslacht, duidelijk door de huid heenschemerende oogen en

tastergroeven aan den rand der bovenlip onder het oog.

De Ringsalamander (Siphonops annulatus) uit Guyana, Noord-Brazilië,

Ecuador en Peru kan 39 cM. lang worden en heeft in de huid 85 à

95 breede, ringvormige groeven, die ook door haar witachtige kleur

duidelijk de aandacht trekken, daar de huid overigens zwartachtig is.

De Wormsalamander (Caecilia gracilis) bewoont eveneens het noorden

van Zuid-Amerika; hij bereikt een lengte van 65 à 70 cM. en de dikte

van een potlood; zijn lichaam vertoont 210 à 255 ringen.

Vooral aan de beide neven Sarasin danken wij uitvoerige berichten over

den Ceylonschen Rimpelsalamander (Ichthyophis glutinosus), die Java

en Ceylon bewoont. Dit 38 cM. lange dier is donkerbruin of blauwzwart

van kleur, behoudens een breede, helder gele, overlangsche streep,

die zich aan weerszijden van den kop tot aan den staart uitstrekt.

Dikwijls werd dit dier aangetroffen bij vlakke, vochtige oevers van

beken, op een diepte van ongeveer 30 cM. onder de zoden. Het voedt zich

hier met kleine Slangen, vooral Wormslangen en kleine Schildstaarten,

en met Regenwormen. De volwassen Rimpelsalamander schuwt het water

en zou spoedig verdrinken, wanneer hij er in geworpen werd. Bij het

kruipen raakt hij afwisselend met beide tasters den grond aan. Haar

wetenschappelijken soortnaam dankt deze soort aan het kleverige slijm,

dat de huid bedekt en, evenals de producten van de huidklieren van

alle Amphibiën, vergiftige eigenschappen bezit.

De Ceylonsche Rimpelslang brengt niet, zooals sommige van hare

verwanten, levende jongen ter wereld, maar legt eieren, die

in een gat van den grond op een eigenaardige wijze opeengehoopt

zijn. Het aantal bedraagt gemiddeld 13; zij zijn opmerkelijk groot,

11 mM. lang. Ineengekronkeld om hare eieren, zorgt de moeder voor

het uitkomen der jongen en meer bepaaldelijk voor het behouden van

den meest wenschelijken vochtigheidstoestand in de broedruimte.

Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën · 第 8 / 8 段