De Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus) is slanker gebouwd, heeft

een eenigszins slankeren en spitseren snuit, dunnere en slankere

vingers, de wratten zijn voor een deel regelmatig op reeksen geplaatst

en zwart van kleur. Het mannetje heeft twee onvolkomen keelblazen. De

rug is zwartachtig grijs met zwarte vlekken en meestal ook twee ronde

vlekken van de kleur van flesschenglas tusschen de schouders, de

buik blauwzwart met witte stippels en groote oranje- of menieroode,

op eilanden gelijkende vlekken; de toppen der vingers en teenen

zijn zwart.

Deze soort bewoont het zuiden van Zweden, Denemarken, Duitschland,

Boheme, Neder-Oostenrijk, Hongarije, Zevenburgen, Rumenië en het

middelste deel van Europeesch Rusland.

De Vuurpadden worden in kleine slootjes even goed aangetroffen als

in uitgestrekte broeklanden of moerassen: de Roodbuikige soort in

de vlakte, de Geelbuikige in bergstreken tot op 1500 M. hoogte. Als

echte waterdieren houden zij zich bijna gedurende den geheelen zomer

in regenplassen, poelen, sloten en moerassen op en komen alleen in

den herfst tijdelijk op het land voor, waar zij met hare betrekkelijk

lange achterpooten zeer behendig rondhuppelen. In het water ziet

men ze gewoonlijk op eenigen afstand van den oever zitten; den kop

halverwege boven den waterspiegel opgeheven, vermaken zij zich 's

avonds met hare eenvoudige en bescheidene, muzikale oefeningen; bij

het geringste gevaar duiken zij bliksemsnel naar de diepte om zich

hier in den modder te verbergen. Wie stil blijft wachten, ziet de

gevluchte Vuurpad na korten tijd weer boven komen, dezelfde houding

hernemen, de goudkleurige oogjes naar alle zijden wenden en na een

korte rust haar gezang hervatten. Haar geluid weerklinkt in den regel

eerst tegen den avond en verder gedurende den geheelen nacht, waaruit

blijkt, dat ook deze Amphibiën tot de nachtdieren behooren. Haar stem

maakt volstrekt geen onaangenamen indruk, maar verveelt weldra door

zijn eentonigheid; het is een voortdurende herhaling van de klanken

"koe-oe", met een timbre als dat van glazen klokjes en wordt slechts

op een afstand van weinige schreden duidelijk gehoord. Iedere Vuurpad

roept hoogstens drie- of viermaal in de minuut en brengt nooit eenige

wijziging in zijn geluid; daar echter alle mannetjes te gelijk hun

welbehagen te kennen willen geven, maakt het geheel den indruk van

een muziekuitvoering met gewoon tempo.

In het water bewegen de Vuurpadden zich met groot gemak, ofschoon

zij hier niet wedijveren kunnen met den Waterkikker; beter dan deze

kunnen zij zich in het slijk verbergen. Op het land komen zij met

korte sprongen snel vooruit. Een hoofdtrek van haar karakter schijnt

een grenzenlooze vreesachtigheid te zijn. Slechts in geval van nood

gaan zij in volkomen schoon water zwemmen; plassen, die dicht met

eendenkroos bedekt zijn, met troebel, leemachtig water gevulde kuilen

op een slecht onderhouden rijweg of poelen in verlaten steengroeven

lachen haar bijzonder toe om de eenvoudige reden, dat bedekt en troebel

water haar zelfs voor het scherpstziende oog uitmuntend verbergen. Als

men zich stil houdt en haar dus geen aanleiding tot vluchten geeft,

kan men zich van de juistheid van bovenstaande opmerking door eigen

onderzoek overtuigen. Op een dwaalspoor gebracht door de zwakheid

van haar stem, zoekt men haar dikwijls tevergeefs in de verte,

en bemerkt eindelijk met eenige verrassing haar kopje, dat zich in

de onmiddellijke nabijheid tusschen het eendenkroos boven het water

verheft, misschien op een plek, die men herhaaldelijk reeds scherp in

't oog heeft gevat. Op het droge tracht zij zich door list voor de

blikken harer tegenstanders te verbergen: als zij niet snel genoeg het

veilige water kan bereiken, vleit zij zich neer op den grond, welks

tinten dan als 't ware ineenvloeien met de geelgrijze of zwartgrijze

kleur van den rug. Als men de Vuurpad plaagt, buigt zij, althans de

Geelbuikige soort, den kop naar achteren en vouwt de voorpooten over

den gekromden rug samen, zoodat de geheele buikzijde zichtbaar wordt

en het dier dus een geheel ander voorkomen verkrijgt. Zij blijft eenige

minuten in deze zonderlinge houding en zet haar reis voort, zoodra zij

meent, dat het gevaar geweken is. Groote angst openbaart zij door het

laten uittreden van een op zeepsop gelijkend schuim uit de wratten, die

den rug en de bovenzijde van de achterschenkels bedekken; dit kliersap

heeft, evenals dat van de meeste harer verwanten, een zekere scherpte;

het werkt in allen gevalle giftiger dan dat van de Gewone Pad.

Het voedsel van de Vuurpadden bestaat uit Insecten, Slakken en kleine

Wormen; zij zijn dus volkomen onschadelijk en zelfs nuttig. De

gevangenschap kunnen zij langen tijd verdragen; hare eischen

zijn gemakkelijk te bevredigen; in bevalligheid doen zij voor de

Boomvorschen weinig onder

De Kettingpadden (Alytes) hebben een gedrongen lichaamsbouw;

hare krachtige ledematen eindigen in vierteenige voeten; alleen

de achtervoeten zijn met zwemvliezen voorzien; de huid is rijk aan

klieren en met wratjes bezaaid, doch aan de keel steeds glad; de tong

is zeer groot en dik, het trommelvlies duidelijk zichtbaar.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de

Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), is 3.5 à 5 cM. lang, heeft

blauwachtig aschgrauwe bovendeelen met zwarte en lichtere stippels

en vlekken; de onderdeelen zijn lichtgrijs; de iris is lichtgeel met

zwarte adertjes.

Algemeen is deze soort in Portugal, Spanje en Frankrijk, vooral in

de omstreken van Parijs; ook komt zij voor in België, het westen van

Duitschland en Zwitserland. In Nederland werd zij, naar het schijnt,

nog niet gevonden. Zij verschuilt zich in holen op schaduwrijke

plaatsen, in oude steengroeven, waarlangs op korten afstand een

waterstroompje vloeit, onder steenen, oude boomwortels of wijnstokken,

ook wel eenvoudig in gaten van den grond. De klank van haar stem is

helder en aangenaam als die van een glazen klokje.

De Vroedmeesterpad heet zóó, omdat het mannetje zich de beide

rozenkransvormige eierensnoeren, onmiddellijk nadat zij uit het

lichaam van het wijfje zijn gekomen, om de achterpooten wikkelt. Het

mannetje draagt deze "kettingen", die met verscheidene 8-vormige

kronkelingen zijne schenkels omgeven, dagen lang bij zich, kruipt er

mede in den grond, en blijft hier, totdat de kiemen een zekeren trap

van ontwikkeling hebben bereikt. Deze zijn ongeveer op den elfden dag

geschikt om de eierenhulsels te verlaten; nu begeeft de vader zich

met zijn kroost naar het water en laat het hier achter. De jongen

hebben ongeveer denzelfden vorm als de larven van andere Vorschen,

ontwikkelen zich verder op de gewone wijze en worden zeer groot,

ongeveer 8 cM. lang; zij komen door de plaatsing van de kieuwspleet

met de larven van de Knoflookpad overeen.

Tot de Tongloozen (Aglossa), die de tweede onderorde van de Vorschen

vormen, behooren twee familiën: de Vingerhoedpadden (Dactylethridae),

zoo genoemd, omdat de toppen der 3 binnenste teenen met een

vingerhoedvormigen nagel omhuld zijn, bewonen Afrika; tot de Pipa's

(Pipidae) behoort slechts één in Guyana en Brazilië levende soort.

De Pipa of Surinaamsche Pad, in Cayenna Tedo genoemd (Pipa americana),

heeft een wanstaltigen, bijna vierhoekigen, van boven naar onderen

sterk afgeplatten romp, die onmerkbaar overgaat in den breeden,

driehoekigen, aan den snuit spits eindigenden kop. De zwakke, slanke

voorpooten hebben vier lange, vrije, spitse vingers; deze zijn aan den

top in vier puntige huidaanhangseltjes verdeeld, hetgeen aanleiding

heeft gegeven tot den naam "Stervingerpad". De achterpooten zijn

dikker dan de voorpooten en tamelijk lang; volledige zwemvliezen

vereenigen de 5 spitse teenen van den grooten voet. De huid van

den rug is vooral bij de oude dieren gerimpeld, bij de oude wijfjes

zelfs met putjes bezaaid. Aan weerszijden van de bovenkaak hangen één

of twee tastdraden naar beneden, die vóór het oog zijn aangehecht;

een dergelijk orgaan komt aan iederen mondhoek voor. De leelijkheid

van het dier wordt nog verhoogd, door de kleine, uitpuilende oogen,

die dicht bij den onderrand van de bovenkaak geplaatst zijn en zich,

naar het schijnt, bijna niet kunnen bewegen,--die van het mannetje

bovendien door het wanstaltige strottenhoofd, dat met een driehoekige,

beenen doos vergeleken wordt. De kaken zijn tandeloos, de tong

ontbreekt geheel. De dieren van beiderlei geslacht zijn van boven

dof bruinachtig zwart, van onderen lichter, soms met witte vlekken,

soms met een zwarte streep over het midden van den buik geteekend. Het

wijfje kan, naar men zegt, wel 20 cM. lang worden. Deze dieren bewonen

moerassige stilstaande wateren.

Evenals de meeste overige Vorschen leggen de Pipa's hare eieren in

't water. Terwijl het mannetje de eieren bevrucht, hetgeen bij alle

Vorschen gedurende het leggen geschiedt, strijkt hij ze op den met

wratten bedekten rug van het wijfje. Hier komen kuiltjes voor, die

zich, naar men onderstelt, vergrooten, tengevolge van den prikkel,

dien ieder ei op de huid teweegbrengt, weldra, als de cellen van een

honigraat, een zeshoekigen vorm aannemen en ook, evenals deze, met een

soort van dekseltje gesloten worden. In ieder van deze broedzakjes

ondergaat een jonge Pipa haar gedaantewisseling; zij verbreekt

eindelijk het dekseltje, steekt den kop of een poot naar buiten en

neemt kort daarna voor goed afscheid van haar wieg. Het geheele aantal

jongen bedraagt, naar men zegt, 60 à 70; zij verlaten 82 dagen na de

bevruchting der eieren haar moeder, waarna deze aan steenen of planten

de overblijfselen van de cellen afwrijft en een nieuwe huid krijgt.

TWEEDE ORDE.

DE SALAMANDERS (Caudata).

De overeenkomst, die men aanvankelijk tusschen de Salamanders en de

Hagedissen meent op te merken, blijkt bij nader onderzoek slechts

een oppervlakkige gelijkenis te zijn, zooals die, welke tusschen de

Slangen en Hazelwormen of liever tusschen de Pingoeïns en de Zeehonden

bestaat. Zelfs wanneer men de ontwikkelingsgeschiedenis buiten rekening

laat en zich tot uitwendig waarneembare verschijnselen bepaalt, is het

verschil tusschen Salamanders en Hagedissen zeer groot. Hoewel beide

een langwerpig rolvormigen romp met duidelijk waarneembaren hals en

een langen, min of meer ronden staart hebben, hoewel beider lichaam

gewoonlijk door 2 paar, bij uitzondering door 1 paar pooten ondersteund

wordt, zijn echter de Salamanders onmiddellijk van de Hagedissen te

onderscheiden door de ongeschubde, slijmerige huid en nog duidelijker

aan het gemis van een trommelholte en dus van een trommelvlies.

De kop van de Salamanders is betrekkelijk groot, in den regel zeer

plat en eindigt in een afgeronden snuit; de hals is dunner dan de kop

en de romp, deze meer of minder lang, afgerond, tamelijk gelijkmatig

van dikte, soms eenigszins plomp, de staart meer of minder lang,

rond of zijdelings samengedrukt, soms vinvormig afgeplat. De pooten,

die, evenals bij alle Amphibiën, een plompe gedaante hebben, zijn in

den regel nagenoeg even lang; aan de voorpooten komen meestal 3 of 4,

aan de achterpooten, die bij uitzondering geheel kunnen ontbreken,

2 à 5 teenen voor; steeds ontbreken de nagels.

De uitwendige huid biedt nauwelijks minder verscheidenheid aan dan bij

de Vorschen; zij is over 't algemeen teer en dun, soms echter oneffen

en met wratten bezet. De wratten vereenigen zich ook hier op sommige

plaatsen tot groepen en zijn eenvoudig sterk ontwikkelde klieren, die

een eigenaardig, kleverig, eiwitachtig slijm afscheiden. Evenals bij

de Vorschen, wordt de huid zeer dikwijls afgeworpen; dit geschiedt in

den regel bij lappen, waardoor de vervelling weinig merkbaar wordt. In

de huidkleur hebben donkere tinten de overhand; op dezen grond komen

echter gewoonlijk lichte vlekken en strepen voor; de buik prijkt

dikwijls met bonte kleuren; een effen kleur is zeldzaam.

In het geraamte van den kop kunnen de parige kruin- en

voorhoofdsbeenderen altijd--ook de neusbeenderen meestal--onderscheiden

worden; de bovenkaaksbeenderen daarentegen ontbreken soms geheel. De

wervelkolom bestaat uit minstens 50, soms uit bijna 100 wervels;

die van den romp dragen bij de leden der hoogst ontwikkelde familiën

altijd, bij de laagst ontwikkelde althans voor een deel ribben. Een

echt borstbeen is niet aanwezig; zijn plaats wordt ingenomen door de

schouderbladen, die zich aan hun onderste uiteinde tot een horizontaal

liggende kraakbeenplaat verbreeden. Aan de voorpooten zijn ellepijp

en spaakbeen, aan de achterpooten scheenbeen en kuitbeen volkomen

gescheiden, de beenderen van hand- en voetwortel zijn echter dikwijls

onvolkomen ontwikkeld.

De oogen verkeeren op verschillende trappen van ontwikkeling. Bij

sommige zijn zij klein, rudimentair, door de huid bedekt, bij andere

grooter, duidelijk onder een doorzichtige huid verborgen, bij

nog andere eindelijk goed ontwikkeld, half bolvormig uitpuilend,

met volkomen oogleden voorzien en, evenals bij de Vorschen,

terugtrekbaar. Het hoornvlies is in verhouding tot de pupil zeer

groot, het regenboogvlies bij de hoogst ontwikkelde helder goud- of

koperkleurig, roodachtig of geel, de pupil in den regel rond. De tong

is verschillend van vorm, soms breed en rond, soms langwerpig en smal,

hartvormig, langwerpig eirond, paddenstoelvormig, soms alleen in 't

midden door een overlangsche band vastgehecht en dus van voren en aan

de zijden vrij, soms omgekeerd voor 't grootste gedeelte vastgegroeid

en dan meestal slechts weinig beweegbaar.

Bijna alle Salamanders hebben tanden aan de tusschen-, boven- en

onderkaaksbeenderen; bij alle vindt men ze hetzij aan de ploegschaar-

òf aan de gehemeltebeenderen; zij zijn klein, een weinig naar achteren

gekromd, dikwijls beter te voelen dan te zien en uitsluitend geschikt

voor het grijpen en vasthouden van de prooi. De ontwikkeling der

ademhalingsorganen stemt in hoofdzaak met die der Vorschen overeen;

de Kieuwsalamanders behouden echter levenslang de ademhalingsorganen,

die bij de overige leden der orde slechts gedurende den larvetoestand

voorkomen en bezitten dus, behalve longen ook kieuwen; bij sommige

Vischsalamanders zijn deze in de kieuwholte verborgen, zoodat

haar aanwezigheid uitwendig alleen uit een aan den hals voorkomende

kieuwspleet blijkt; bij andere (de Olmen en de Armsalamander) blijven

levenslang uitwendige kieuwen bestaan.

Bijna alle Salamanders behooren tot een der beide noordelijke

faunistische Rijken, dus tot dat van de Oude Wereld of tot

het Noord-Amerikaansche. Slechts weinige vormen zijn verder

zuidwaarts, over een deel van het Oostersche, het Ethiopische en het

Zuid-Amerikaansche Rijk verbreid.

De meeste, doch niet alle bekende Salamanders houden zich gedurende

hun geheele leven in 't water op; vele in ondiepe, modderige moerassen,

andere in diepere meren. Alle zonder uitzondering zijn nachtdieren, die

over dag stil in verborgen schuilhoeken of op den bodem van het door

hen bewoonde water rusten en eerst na het invallen van de duisternis

of onmiddellijk na een regenbui hunne werkzaamheden aanvangen. Zij

laten zich niet gemakkelijk bespieden en kunnen, zooals uit de bij

ons inheemsche soorten blijkt, in grooten getale leven op plaatsen,

waar men ze niet vermoedt. De Salamanders, die aanspraak kunnen maken

op den naam van landdieren, houden van sombere, vochtige oorden,

die weinig aan de zonnestralen blootgesteld zijn; zij geven daarom

de voorkeur aan smalle dalen of aan wouden en verschuilen zich hier

onder steenen of rottende boomstammen of in gaten van den grond. De

Watersalamanders verlaten de door hen bewoonde wateren slechts nu en

dan; in sommige omstandigheden verbergen zij zich dicht bij den oever,

maar keeren zoo schielijk mogelijk naar hunne eigenlijke woonplaatsen

terug. Toch zijn de Watersalamanders gemakkelijker te vinden dan

hunne op het land levende verwanten; daar zij, als alle waterdieren,

tusschen nacht en dag, licht en duisternis minder verschil maken dan

de landdieren; bovendien moeten de Watersalamanders af en toe naar

de oppervlakte van het water omhoogstijgen om te ademen, of zich

naar de bovenste waterlagen begeven om zich door de zon te laten

koesteren. In het noorden van hun verbreidingsgebied vervallen zij,

evenals andere Amphibiën en Reptiliën, tegen den aanvang van den

winter in een toestand van verstijving; op lagere breedten heeft een

soortgelijk verschijnsel plaats, als de hitte het door hen bewoonde

water uitdroogt. Hun wonderbaarlijke taaiheid van leven komt hun bij

het verduren van dergelijke wisselingen van levensomstandigheden goed

te stade: zij kunnen te midden van het slijk verschrompelen, in het

tot ijs verstijfde water verblijf houden, ja zelfs daarin vastvriezen,

toch zal de regen of de dooi hen uit hun graf doen herrijzen. Van hen

in 't bijzonder geldt, wat van het herstellingsvermogen der Amphibiën

in 't algemeen wordt bericht: geamputeerde ledematen groeien weer

aan; deze proef kan zelfs verscheidene malen achtereen met hetzelfde

lichaamsdeel herhaald worden.

In den regel worden de bewegingen van de Salamanders traag en plomp

genoemd; van de meeste soorten zegt men dit te recht; sommige loopen

echter zoo snel, dat zij aan Hagedissen doen denken. In het water

bewegen alle, dus ook die, welke op het land thuis behooren, zich

zeer behendig; de Watersalamanders zwemmen natuurlijk het best. Geen

enkele vertegenwoordiger dezer orde is echter geschikt om te klimmen;

geen harer leden is in staat om in het luchtige loover tijdelijk zijn

woning op te slaan.

Het voedsel van de Salamanders bestaat uit Weekdieren, Wormen, Spinnen,

Insecten en velerlei Gewervelde Dieren uit de lagere klassen. Enkele

van hen zijn bekwame roovers; de meeste verslinden iedere prooi, die

zij overmeesteren kunnen, zelfs zwakkere soortgenooten. Hun snelle

spijsvertering heeft vraatzucht ten gevolge; zij gebruiken in sommige

tijden zeer veel voedsel, maar kunnen ook lang achtereen vasten.

De voortplanting van deze dieren heeft op een eigenaardige, doch niet

bij allen geheel op dezelfde wijze plaats. De Landsalamanders brengen

levende jongen ter wereld. De Watersalamanders leggen eieren (slechts

weinige te gelijk) en bevestigen deze met behulp van een kleverig

slijm aan de bladen van waterplanten. De meeste Landsalamanders en alle

Watersalamanders brengen het eerste levenstijdperk in het water door,

om later, nadat hunne longen zich ontwikkeld hebben en deze voor de

ademhaling dienst doen, op het droge te gaan wonen. Gedurende den

larvetoestand bestaat er tusschen de verschillende soorten weinig

onderscheid.

Bezwaarlijk zal men een lid van deze orde kunnen opnoemen, dat den

mensch een merkbare schade veroorzaakt. Eenige van de grootste soorten

voeden zich met Visschen, maar wonen in streken, waar het door hen

verbruikte voedsel stellig geen geldswaarde vertegenwoordigt. Men

mag de Salamanders veeleer nuttig dan schadelijk noemen, daar

zij eene groote hoeveelheid voor ons lastige of voor de planten

verderfelijke dieren verslinden. Het vocht dat door hunne huidklieren

wordt afgescheiden, kan ons geen leed doen, hoewel over de giftigheid

van deze stof sedert overouden tijd de onzinnigste fabelen in omloop

zijn geweest.

Slechts van enkele Slangen en Visschen hebben de Salamanders veel

te lijden. De Zoogdieren en Vogels verslinden wel Watersalamanders,

maar versmaden de Landsalamanders wegens hun kliersap, dat daarentegen

de bedoelde Slangen en Visschen niet schijnt te hinderen.

Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Salamanders (Salamandridae)

aan die leden der orde, welke in volwassen toestand de kieuwen

missen en dan uitsluitend door longen ademen. Hunne betrekkelijk

groote, sterk uitpuilende oogen zijn steeds met goed ontwikkelde,

klepvormige oogleden voorzien. De pooten zijn betrekkelijk zwak

ontwikkeld: de voorpooten hebben 4, de achterpooten meestal 5

(bij uitzondering 4) teenen; deze zijn gewoonlijk vrij, zelden door

zwemvliezen vereenigd. Behalve aan den rand van onder- en bovenkaak,

komt ook aan den achterrand van elk der gehemeltebeenderen een smalle

reeks van tanden voor; in verband met den vorm dezer beenderen

zijn de laatstbedoelde reeksen bij sommige overlangs, bij andere

scheef en dwars gericht. Hierop berust de verdeeling der familie

in twee onderfamiliën: de Echte Salamanders (Salamandrinae) en de

Dwarsreeks-salamanders (Amblystomatinae).

De Landsalamanders (Salamandra) zijn tamelijk plomp gebouwd, hebben

een kegelvormigen staart, cirkelrond op de doorsnede en afgerond aan de

spits, zonder vin en, evenals de romp, met meer of minder duidelijke,

fijne, ringvormige groeven voorzien. De voorpooten hebben 4, de

achterpooten 5 vrije teenen. De huid is rijk aan klieren; de oorklieren

zijn groot. De groote tong is met een tamelijk breede, van voren tot

achter reikende strook in het midden van de onderzijde vastgehecht

aan den bodem der mondholte en dus alleen aan de zijranden vrij.

De eenige inheemsche vertegenwoordiger van dit geslacht--de Gevlekte

Landsalamander (Salamandra maculosa,)--werd hier te lande tot dusver

alleen in de omstreken van Nijmegen en te Oosterbeek bij Arnhem

waargenomen. Dit dier bereikt een lengte van 18 à 23 cM. en is op

glanzig zwarten grond met groote, onregelmatige, prachtig goudgele

vlekken geteekend, die gewoonlijk twee meer of minder duidelijk

uitkomende, afgebrokene, overlangsche strepen vormen, aan weerszijden

vergezeld worden door afgezonderd staande, groote vlekken en op den

staart niet zelden hier en daar ineenvloeien. De ledematen hebben

meestal op iedere hoofdafdeeling een gele vlek. De keel is altijd,

de onderzijde nooit regelmatig gevlekt.

Het vaderland van den Gevlekten Landsalamander omvat, met uitzondering

van Groot-Brittannië en Ierland, geheel West-, Middel- en Zuid-Europa

en strekt zich ook over Noord-Afrika en naar den anderen kant over

West-Azië uit. Werkelijk zeldzaam is hij vermoedelijk nergens binnen

de grenzen van dit gebied; in Duitschland b.v. komt hij veelvuldig,

hoewel slechts in enkele voor hem bijzonder geschikte gewesten algemeen

voor. Vochtige, sombere oorden in berg- en heuvelachtige gewesten,

nauwe dalen of donkere wouden verschaffen hem een woonplaats, ruimten

onder wortels en steenen, holen van verschillende dieren de gewenschte

woning. Over dag verlaat hij deze niet anders dan na een regenbui,

want ook voor hem is de nacht de tijd om te arbeiden. Droge warmte

of blootstelling aan de zonnestralen onttrekt aan zijn lichaam

schielijk zooveel onontbeerlijk vocht, dat zijn leven er door in

gevaar wordt gebracht. Reeds wanneer het gedurende verscheidene dagen

niet geregend heeft, ziet hij er mager en zwak uit, al komt zijn

huid nu en dan met den dauw in aanraking; na regenbuien daarentegen

verkrijgt hij een welgedaan, glad en volmaakt gezond voorkomen. Zijne

bewegingen zijn langzaam en plomp. Bij 't gaan kruipt hij over den

grond met zijwaartsche bewegingen van het lichaam. Zijn zwemmen

is eigenlijk eenvoudig loopen in 't water, waarbij de staart als

het voornaamste bewegingsorgaan beschouwd moet worden. Alle hoogere

begaafdheden schijnen bij hem onbeduidend te zijn, de zinnen stomp,

de geestvermogens uiterst gering. Hoewel hij dikwijls in het gezelschap

van zijne soortgenooten gevonden wordt, mag men bij hem waarschijnlijk

niet van neiging tot gezelligheid spreken: de eene bekommert zich

nagenoeg niet om den anderen en de sterke valt, als de honger hem

kwelt, onmeedoogend op den zwakkeren aan, om dezen te verslinden. Zijn

voedsel bestaat uit dieren, die zich langzaam bewegen, bij voorkeur uit

Slakken, Regenwormen en Kevers, soms ook uit kleine Gewervelde Dieren.

Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën · 第 5 / 8 段