steenen, in bouwvallige muren en dergelijke duistere hoeken; hier hoort
men des avonds nu en dan haar scherp, ratelend stemgeluid. Vaker laat
zij zich hooren gedurende den voortplantingstijd. In het begin van Mei
legt zij eieren in sloten of andere stilstaande wateren, bij voorkeur
in zulke, die met planten bedekt, bij den oever ondiep en hier met
riet begroeid zijn, soms echter ook wel in leemgroeven zonder eenigen
plantengroei. Het naderen van een mensch, hoe voorzichtig ook, hoort
zij reeds op eenigen afstand en staakt dan onmiddellijk haar lied. De
zeer kleine larven hebben een tamelijk breeden, van boven eenigszins
afgeplatten romp en een zwartachtige, met kleine, metaalglanzige,
bronskleurige stippeltjes bezaaide huid.
Daar de Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan den
top der vingers en teenen voor het leven op boomen geschikt zijn,
groote verschillen in lichaamsbouw vertoonen, zooals ons reeds bij
den Vliegenden Kikvorsch en den Antillenvorsch gebleken is, mag men
aan deze eigenaardigheid bij de rangschikking geen overwegenden
invloed toekennen. Toch worden een groot aantal van deze voor 't
klimmen geschikte Vorschen onder den naam van Echte Boomvorschen
(Hylidae) in één familie samengevat. Zij kenmerken zich, behalve door
de verschuifbaarheid van de beenderen van den schoudergordel, door de
aanwezigheid van tanden in de bovenkaak en doordat iedere vinger en
teen een klauwvormig gekromd, bij het gewricht verbreed eindlid heeft
tot steun voor het meer of minder sterk ontwikkelde, klierachtige
hechtschijfje. De werking van dit met een dunne vloeistoflaag
bedekt orgaan berust geheel op adhaesie; de luchtdrukking heeft er
niets mede te maken. De geheele buikzijde is als bezaaid met fijne
klierachtige wratjes, aan den top voorzien van een afvoeropening
voor het kliersap. Hierdoor is ook deze huid voor de aanhechting van
't lichaam aan bladen en dergelijke voorwerpen geschikt.
De familie der echte Boomvorschen, die 10 geslachten met ongeveer
200 soorten omvat, is vooral in Zuid-Amerika buitengewoon sterk
vertegenwoordigd; talrijk zijn deze dieren ook op Nieuw-Holland en
Tasmanië (slechts enkele soorten worden in andere deelen van het
Australische gebied, o. a. op Nieuw-Guinea en de Molukken, gevonden);
in Afrika en Zuid-Azië ontbreken zij niet, hoewel zij hier een minder
belangrijke rol spelen, dan men zou kunnen verwachten; enkele soorten
bewonen het Noord-Amerikaansche Rijk; nog geringer is haar aantal in
het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld. Slechts één enkele, ook bij
ons inheemsche soort vertegenwoordigt deze groep in Europa.
"In Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "bewonen zij in zeer grooten
getale het struikgewas in de nabijheid van de woningen, van de
rivieroevers en van de zeekust; veel overvloediger komen zij echter
in de oerwouden voor. Zeer verschillend zijn zij, wat grootte, kleur,
lichaamsbouw en stem betreft; het koor gevormd door de oneindige
verscheidenheid van geluiden, die zij vooral in de vochtig warme
nachten van het regenseizoen laten hooren, brengt te midden van de
duisternis een hoogst zonderlingen indruk teweeg. De meeste wonen
boven in de kroon der hooge woudboomen, waar zij zich vooral vestigen
tusschen de stijve bladen der daar groeiende bromelia's. Vele kleine
soorten leggen hare eieren in het zwarte, drabbige water, dat zich
in de oksels dezer bladen verzamelt; andere dalen in den paartijd van
hare hoog verhevene standplaatsen af en begeven zich naar moerassen,
plassen en poelen, bij voorkeur naar die, welke diep verborgen zijn
in de moeielijk toegankelijke wildernissen der oerwouden. Hier
ontstaat het door aller samenwerking gevormde koorzang; hier kan
de natuuronderzoeker het best kennis maken met vele soorten, die in
andere tijden moeielijk of niet verkrijgbaar zijn."
In den paartijd begeven de meeste Boomvorschen zich naar het water; de
winter noodzaakt hen zich te verbergen in het slijk, onder boomschors
of steenen of op andere plaatsen, waar zij tegen de koude of tegen
de droge hitte beveiligd zijn; het grootste deel van hun leven
slijten zij echter hoog boven den grond in de boomkronen, waar zij
op hiervoor geschikte bladen rusten en naar buit uitzien. Hoewel men
bij hen een groote verscheidenheid van kleuren opmerkt, harmonieert
hun uiterlijk steeds met hun omgeving; de volkomen overeenstemming
der kleuren bestaat niet slechts tijdelijk, maar blijft behouden
ondanks de wisselingen van de tinten der bladen in den loop van het
jaar. Het vermogen om van kleur te veranderen komt waarschijnlijk
bij alle Boomvorschen voor; zij wijzigen hun kleur in veel hoogere
mate en veel vlugger dan de Kameleons, die wegens deze eigenschap zoo
beroemd zijn. Tennent zag zulk een dier, dat op het voetstuk van een
lamp was gaan zitten, binnen weinige minuten de goudkleur aannemen
van de versierselen, waardoor het omgeven was, zoodat het er bijna
niet van onderscheiden kon worden. Een Boomvorsch, even groen als
het blad waarop hij zit, kan kort daarna dezelfde kleur hebben als
de schors. Ieder, die een door pracht en verscheidenheid van kleur
uitmuntenden Boomvorsch heeft gezien, kan zich moeielijk voorstellen,
dat de zoo sierlijk rood, geel en zilverwit gevlekte of gestippelde
of op een andere wijze getooide huid voor dit dier een middel kan
zijn om niet opgemerkt te worden, tenzij hij bovendien kennis heeft
gemaakt met de groote verscheidenheid van kleursverschijnselen,
die de plantenwereld der tropische wouden kenmerkt. Evengoed als onze
Boomvorsch steeds bladen vindt, welker kleur met de zijne overeenstemt,
zal zelfs de opzichtigste van zijne tusschen de keerkringen levende
verwanten in het oerwoud plekjes vinden, waar zelfs een scherpziend
oog moeite heeft om hem te onderscheiden van zijn omgeving, die een
bonte mengeling van tinten vertoont, waarvan de zijne slechts een
flauwe afspiegeling is. De kleur is werkelijk voor den Boomvorsch
een uitmuntend voorbehoedmiddel tegen de hem bedreigende gevaren.
Onze bekendheid met de Boomvorschen is nog zeer onvolledig. Indien
men alle soorten even zorgvuldig had nagegaan als de bij ons levende,
zou een algemeen overzicht van deze diergroep zeer belangwekkend kunnen
worden; want, hoewel het leven harer leden (werkelijk of schijnbaar)
weinig verscheidenheid aanbiedt, komen toch bijna bij iedere soort
eigenaardigheden voor, die niet slechts hun stem, maar ook hun wijze
van voeding en voortplanting betreffen.
De Boomvorschen zijn de fraaist gekleurde, vlugste en bevalligste leden
hunner klasse; door deze eigenschappen hebben zij de genegenheid van
den mensch gewonnen; enkele soorten worden zelfs in de kooi gehouden.
Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der
Boomvorschen i. e. z. (Hyla). Deze hebben een horizontaal gerichte,
spleetvormige pupil, een met den bodem der mondholte vergroeide of van
achteren voor een klein deel vrije tong, tanden aan de ploegschaar- en
de bovenkaaksbeenderen. De achterpooten zijn aanmerkelijk langer dan de
voorpooten en hebben zwemvliezen aan de teenen. Het verbreidingsgebied
van dit geslacht komt nagenoeg overeen met dat van de familie.
De eenige Europeesche vertegenwoordiger dezer groepen is de
Gewone Boomvorsch of Boomkikker (Hyla arborea, H. viridis), waarvan
verscheidene variëteiten bekend zijn, die wegens eigenaardigheden van
levenswijze en stem bijna op den rang van soorten aanspraak kunnen
maken. Zonder de achterpooten bereikt hij een lengte van 3.5 à 4
cM. De bovendeelen zijn fraai bladgroen, de onderdeelen geelachtig
wit. Een zwarte, van boven witachtig gezoomde streep, die bij den
neus begint en zich tot aan de achterpooten uitstrekt, scheidt de
beide hoofdkleuren; de voor- en achterschenkels zijn van boven groen
met gele omlijsting, van onderen lichtgeel. Het mannetje verschilt
van het wijfje door de zwartachtige kleur van de huid van de keel,
die tot een grooten, vliezigen bol kan worden opgeblazen. Kort voor
de vervelling, die gewoonlijk om de 14 dagen plaats vindt, verandert
de kleur in lichtgroen, grijsachtig blauw of blauwachtig groen;
de nieuwe huid is bladgroen.
Met uitzondering van de hooge bergstreken, van het hooge noorden, van
Noorwegen, Ierland en Groot-Brittannië komt de Boomkikker in geheel
Europa voor. Bovendien is hij verbreid over het Aziatische deel
van het Noordelijke Rijk der Oude Wereld. Ook vindt men hem langs
de geheele zuidkust van de Middellandsche Zee tot op de Kanarische
eilanden. In Nederland schijnt hij alleen in de graafschap Zutphen en
in sommige deelen van Twente voor te komen. Daar hij een betrekkelijk
lage temperatuur voor lief neemt, laat hij zich reeds in April hooren
en blijft tot laat in den herfst buiten. Men krijgt de Boomvorschen
echter niet vaak te zien; daar zij zich alleen gedurende den paartijd,
tot groote troepen vereenigd, in het water ophouden en zich kort
daarna in het riet en op de bladen van heesters en boomen begeven,
waar zij meestal ongezien en eenzaam hun bedrijf uitoefenen. De
Boomkikker is een van de aanvalligste ons bekende Amphibiën, vlugger
en over dag wakkerder dan alle overige inheemsche leden zijner klasse,
voor de beweging in het water, op den vlakken grond en te midden van de
bladen der boomen zeer goed geschikt. Zijn bekwaamheid in 't zwemmen is
weinig geringer dan die van den Waterkikker, dien hij in het springen
verreweg de baas is; het klimmen verstaat hij meesterlijk. Om zijn
doel te bereiken springt hij van 't eene blad op een ander, dat hooger
gelegen is, begint zijn reis in 't lage struikgewas, gaat vervolgens op
hoogere heesters over en stijgt eindelijk tot in de kroon der boomen
omhoog. Hoog boven den grond brengt hij genoeglijk den zomer door,
zit bij mooi weer op de bovenvlakte, als het regent aan de onderzijde
van een blad vastgehecht, althans indien het slechte weer niet te lang
aanhoudt en hem zoo onaangenaam wordt, dat hij voor den regen naar
het water vlucht of zich in gaten van den grond, spleten van muren,
holle boomen enz. verbergt.
Hoe uitmuntend zijn kleur harmonieert met die van de bladen in zijn
nabijheid, merkt ieder op, die hem in een lagen struik hoort schreeuwen
en langen tijd tevergeefs moeite doet om hem te zien te krijgen. Met
deze overeenstemming van kleuren is hij goed bekend en tracht er zoo
goed mogelijk partij van te trekken. Wel wetend, dat een sprong hem
zal verraden, vleit hij zich bij de nadering van een vijand of in
't algemeen van een groot dier, dat hem vrees inboezemt, dicht tegen
het blad aan en blijft hier, steeds de glinsterende oogjes op de
tegenpartij gericht houdend, bewegingloos zitten, totdat het gevaar
voorbij is. Slechts in den uitersten nood waagt hij een sprong en
doet dezen dan zoo plotseling en zoo behendig, dat zijn veiligheid
er meestal door verzekerd wordt.
Het voedsel van den Boomkikker bestaat uit velerlei Insecten, vooral
Vliegen, Spinnen, Kevers, Vlinders en onbehaarde Rupsen. Hij wil
geen anderen buit dan levende dieren en vangt ze daarom alleen,
als zij zich bewegen; als een dier dood is of stil blijft zitten,
raakt hij het niet aan. Zijn scherp gezichtsvermogen en zijn goed
ontwikkeld gehoor geven hem bericht van het naderen der gonzende Mug
of Vlieg; hij beloert deze dieren scherp; zijn poging om ze door een
plotselingen, grooten sprong te bereiken wordt in de meeste gevallen
met een goeden uitslag bekroond; steeds is zijn sprong zoo gericht,
dat hij op een ander blad aankomt. Gedurende den zomer heeft hij
tamelijk veel voedsel noodig en ligt daarom den geheelen dag op de
loer, hoewel ook zijn werktijd eerst na zonsondergang begint.
Algemeen wordt de Boomkikker voor een goeden weerprofeet gehouden; men
meent, dat hij door zijn geschreeuw weersverandering aankondigt. Deze
meening is, zoo al, dan toch niet zonder voorbehoud juist. Bijzonder
ijverig laat de Boomkikker zijn luide stem gedurende den paartijd
hooren; hij zwijgt echter ook des zomers niet en schreeuwt met
opgeblazen keelzak bijna den halven nacht onafgebroken door, zoowel
bij droog en standvastig weer als kort voor den aanvang van een
regenbui. Alleen als er een onweer in aantocht is, maakt hij meer
drukte dan gewoonlijk; gedurende den regen en bij nat weer hoort men
hem in 't geheel niet. Zijn geluid klinkt als dat van een schel,
herinnert aan het zoogenaamde gezang der Cicaden en gelijkt op de
snel opeenvolgende klanken "krek krek krek". Een in zuidelijker
streken levende variëteit schreeuwt nog veel luider, maar langzamer,
heescher en met dieper toon "rab rab rab"; dit geluid is zoo sterk,
dat men het huizen ver en door drie verdiepingen heen kan hooren.
Als de herfst ten einde loopt, verlaat hij de boomkronen, daalt
naar den bodem af en kruipt weg onder een steen, in een gat van den
grond of in een diepe spleet van een muur. Hier brengt hij slapend,
in schijndooden toestand den winter door, zonder door de vorst
bereikt te worden. Vroeger dan vele andere Vorschen komt hij in de
lente weer te voorschijn en houdt zich nu in de eerste plaats met de
voortplanting bezig. Zoo mogelijk worden hiervoor plassen uitgekozen,
welker oevers met riet, struikgewas en boomen omzoomd zijn. Het
slijm, dat het ei omhult, heeft zich ongeveer 12 uren na het leggen
zoo vol water gezogen en is zoo sterk uitgezet, dat het ei zichtbaar
wordt. Dit heeft een geelachtige witte kleur en is zoo groot als een
mosterdzaadje. De eieren zijn vereenigd tot klompen van onregelmatigen
vorm en blijven op den bodem van 't water liggen, tot de larven er
uit gekomen zijn. Evenals bij de overige Amphibiën, is hiervoor en
voor de ontwikkeling der jongen slechts een korte tijd noodig.
De Boomvorsch stelt zulke geringe eischen, dat men hem jaren lang in
de ellendigste kooi, in een gewoon bierglas, in 't leven kan houden,
wanneer men er maar voor zorgt, dat hij steeds water heeft, hem
tegen het stof uit het vertrek beschut en zooveel voedsel verschaft,
dat hij niet verhongert. Zoo heeft Pabst in Gotha 22 jaren lang een
Boomvorsch gehad, die toen door een toeval om 't leven kwam. Voor
't overige heeft men zich niet veel om hen te bekommeren, want hij
is zoowel tegen koude als tegen warmte en droogte verwonderlijk goed
bestand. Men voedt hem met Vliegen en Meelwormen, omdat deze in den
winter het gemakkelijkst te krijgen zijn; men kan hem echter ook andere
Insecten, zelfs betrekkelijk groote geven; alle worden verslonden. In
den herfst moet men hem sterk voeden, opdat hij gemakkelijker door
den winter zal komen; ook in den winter mag men niet verzuimen hem nu
en dan een Meelworm, een Spin of een Vlieg te geven. Een Boomvorsch,
die lang in de gevangenschap heeft verkeerd, kent niet slechts zijn
verzorger, maar ook den pot met Meelwormen en begrijpt zeer goed,
dat men voor hem een Vlieg vangt.
Zuid-Amerika is het vaderland van een der grootste leden der familie,
dat wegens zijne groote hechtschijven den naam van Knotsvoet (Hyla
faber) heeft gekregen en in Brazilië "Smid" wordt genoemd. Zijn
gestalte is plomp, de kop plat, breeder dan de romp, de ledematen
munten door dikte uit. De teekening op de overigens effen bleek
leemgele of lichtbruine bovendeelen bestaat uit een over het midden
van den rug loopende, zwarte streep en enkele onregelmatige, fijne,
zwarte vegen; de met grove wratten bedekte onderzijde is effen
geelachtig wit. Zijn lengte bedraagt 8 à 9 cM.
De Knotsvoet of Smid wordt in de Braziliaansche oerwouden overal
gevonden, vooral langs de oevers van rivieren en moerassen, doch
alleen op zulke boomsoorten, welker bladen stevig genoeg zijn
om zulk een zwaar dier te dragen. Gedurende den regentijd houden
tallooze scharen van deze Boomvorschen zich in de moerassen op;
men hoort dan 's avonds en 's nachts tot aan het aanbreken van den
dag hun zonderlinge, luide en helder klinkende, metaalachtige stem;
hun koorgezang wordt vergeleken met het geluid, dat door een groot
aantal gelijktijdig werkende blikslagers voortgebracht kan worden.
Een verwante, doch iets kleinere soort, de Roeier (Hyla crepitans),
bewoont het noorden van Zuid-Amerika en komt vooral in Guyana
veelvuldig voor. Schomburgk vergelijkt haar stem met het gedruisch,
dat door roeiers voortgebracht wordt. "De roeiriemen stooten bij
elken riemslag tegen den rand van de "corial" of schuit, waardoor een
eigenaardige, hol klinkende toon veroorzaakt wordt; hoewel er 6, 8 of
10 roeiers in de corial zijn, hoort men van allen slechts één slag;
snel, met gelijke tusschenpoozen volgen de slagen elkander op. Met dit
gedruisch heeft de stem van den genoemden Vorsch zooveel overeenkomst,
dat men er zich in vergissen zou."
Hoe verschillend de voortplanting van de Boomvorschen kan
zijn, blijkt o. a. uit de beschouwing van den in Ecuador en
Peru inheemschen Zakvorsch (Nototrema marsupiatum), die het tot
tropisch Amerika beperkte geslacht der Buidelvorschen (Nototrema)
vertegenwoordigt. In vorm verschillen zij niet belangrijk van de
zooeven genoemde Boomvorschen; het wijfje heeft echter op den rug
een van achteren geopenden, ongeveer 1 cM. diepen zak, welke aan den
buidel der Buideldieren herinnert en evenals bij den Mierenegel,
als broedzak voor de eieren dient; de larven van sommige soorten
doorloopen hierin het eerste tijdperk van hun ontwikkeling; die van
andere blijven er in, totdat de gedaantewisseling afgeloopen is en zij
als viervoetige kikkertjes, die in 't geheel geen waterleven gekend
hebben, een zelfstandig leven op het land beginnen te leiden. Hoogst
waarschijnlijk strijkt het mannetje de eieren met de achterpooten in
den broedzak van het wijfje, welke zich gedurende de ontwikkeling der
eieren over den geheelen rug uitbreidt en aan het dier een wanstaltig
voorkomen verschaft. Als de gedaantewisseling der jongen zoover is
voortgeschreden, dat zij als larven het ei verlaten hebben en sterk
genoeg geworden zijn, brengt de zorgzame moeder ze naar het water en
laat ze hier aan zich zelf over.
De Zakvorsch is een van de bontst gekleurde soorten van zijn
geslacht. De fraaie, groenachtig blauwe grondkleur van de bovendeelen,
die, vooral op den kop en het midden van den rug donkerder is, vertoont
een teekening, samengesteld uit donkergroene, door een lichteren zoom
begrensde, overlangsche strepen en vlekken, die op sommige plaatsen
elkander naderen, op andere uiteenwijken en op deze wijze regelmatige
figuren vormen; op de pooten neemt men donkerder ringen, banden,
strepen, vlekken en stippels waar.
De familie der Padvorschen (Pelobatidae) omvat 8 geslachten met
ongeveer 25 soorten, die in Noord-Amerika, Europa, West-Azië, het
Oostersche Rijk en op Nieuw-Guinea aangetroffen worden. Verscheidene
soorten bereiken een aanzienlijke grootte; sommige zijn merkwaardig,
doordat zij (de mannetjes n.l.) zich tegen den mensch trachten te
verdedigen: den bek wijd opensperren, onder schel geschreeuw op hun
vijand toespringen en naar zijn hand happen.
Een der meest bekende leden van deze familie is de Knoflookpad
(Pelobates fuscus), een vertegenwoordiger van het geslacht der
Woelpadden (Pelobates), die in vorm op Padden gelijken, maar
betrekkelijk lange achterpooten hebben, welker teenen door groote
zwemvliezen verbonden zijn; aan de binnenzijde van den hiel komt
een lensvormige hoornplaat met scherpe randen voor (een beginsel
van een zesden teen); de vingers zijn vrij; de grootendeels gladde
en spiegelende huid is ruig en stekelig aan de bovenzijde van den
kop, waar door verbeening van de lederhuid dekplaten gevormd zijn,
innig verbonden met de haar overdekkende, zeer dunne opperhuid;
de tong is schijfvormig met een flauwen inham aan den achterrand;
de bovenkaaksbeenderen dragen tanden; de gehemeltetanden staan op
2 duidelijk gescheiden, korte dwarsreeksen tusschen de achterste
neusopeningen; het trommelvlies ontbreekt; de sterk uitpuilende oogen
hebben een verticale, spleetvormige pupil. De genoemde soort is een
bont gekleurd dier van 6 à 7, zelden 8 cM. lengte; zijne bovendeelen
zijn op geelbruinen of lichtbruinen grond met vele kleine en groote,
levendig donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm geteekend,
die soms samenhangen, soms afzonderlijk staan en als eilanden op een
landkaart verspreid zijn.
Volkomen zekere berichten omtrent het voorkomen van deze soort in
ons land ontbreken tot dusver, ofschoon zij in verscheidene werken
inheemsch wordt genoemd. Haar verbreidingsgebied omvat het zuiden van
Zweden, Denemarken, Duitschland (met uitzondering van Wurtemberg),
België, Noord-Frankrijk, Noord-Italië, geheel Oostenrijk-Hongarije en
Europeesch Rusland; zij is in deze landen volstrekt niet algemeen, maar
ontbreekt in sommige gewesten geheel; in Zwitserland b.v. heeft men
haar nergens anders dan bij de grenzen van den Elzas aangetroffen. In
sommige oorden is zij veelvuldig, o. a. in de omstreken van Neurenberg,
Berlijn, Weenen en Hermannstadt. Zij leeft alleen gedurende den tijd
van 't eierenleggen in 't water, komt reeds na verloop van weinige
dagen terug en zwerft dan als een echt landdier bij voorkeur op zandige
velden rond, waar zij zich over dag in een door haar zelf gegraven hol
verbergt. Zeer behendig weet zij zich met behulp van hare graafhielen
in den grond te woelen; zij doet dit door de hielen buitenwaarts
te bewegen en intusschen den romp voortdurend naar achteren te
schuiven, verdwijnt op deze wijze in korten tijd onder de aarde,
die zich daarna geheel boven haar sluit. Niet alleen in 't graven
toont de Knoflookpad zich bekwamer dan de Echte Padden; ook door hare
andere wijzen van beweging overtreft zij haar en komt meer met de
Kikvorschen overeen. Op den grond komt zij door snel opeenvolgende,
betrekkelijk groote sprongen flink vooruit; in 't zwemmen is zij goed
ervaren. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en Spinnen.
Vroeger dan de andere Amphibiën van haar vaderland legt de Knoflookpad
eieren: reeds in 't begin van April als het weder eenigszins gunstig
is, bij ongunstige weersgesteldheid niet later dan het midden van deze
maand. De mannetjes en de wijfjes houden zich alleen in dezen tijd in
't water op, zelden langer dan een week; met den kop boven water laat
het mannetje een kwakend geschreeuw hooren, dat door het nog doffere
geknor van het wijfje begeleid wordt. Dat deze wanklanken niet de
eenige zijn, die zij kan voortbrengen, blijkt, wanneer men haar met
een tang bij een poot pakt: haar jammerlijk geschreeuw gelijkt dan
op het miauwen van een jonge Kat.
De larven zijn grooter dan die van de overige inheemsche Amphibiën
en hebben de kieuwspleet in 't midden van den hals.
De Knoflookpadden kunnen zeer goed in een hokje in 't leven gehouden
worden, maar verlangen veel en vet voedsel, daar zij in vraatzucht
voor geen lid harer orde onderdoen. Aangename huisgenooten zijn zij
niet, daar zij een werkelijk onuitstaanbare knoflooklucht verbreiden.
De Schijftongigen (Discoglossidae) hebben, evenals de Echte
Boomvorschen en de Padvorschen, tanden aan de bovenkaaksbeenderen en
aan het gehemelte; de onderzijde van de bijna cirkelvormige tong is
geheel of nagenoeg geheel vergroeid met den bodem der mondholte.
Het geslacht der Vuurpadden (Bombinator), dat tot deze familie
behoort, is kenbaar aan het ontbreken van het trommelvlies, aan de
dunne tong en de driehoekige pupil. De vingers zijn vrij, de teenen
van zwemvliezen voorzien. De huid is met vele wratten bedekt. De twee
Middel-Europeesche soorten van dit geslacht zijn echte waterdieren
van 4 à 4.5 cM. lengte; één van deze bewoont ook ons vaderland (een
derde soort komt in Noordoost-China voor).
De Geelbuikige Vuurpad (Bombinator pachypus) verschilt van haar
andere Europeesche verwante door een meer gedrongen lichaamsbouw, een
korteren, meer afgeronden snuit, dikkere vingers en grootere wratten
op de huid. De onderschenkel is in verhouding tot den voet langer. De
rug is donker geelachtig grijs met bronskleurigen weerschijn, zonder
zwarte vlekken, de buik citroengeel of oranjegeel met blauwachtig
grijze of zwartachtige vlekken; de vingertoppen zijn altijd geel.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Frankrijk, België,
Nederland, Duitschland, Savoye, Zwitserland, Tirol, Opper- en
Middel-Italië, Stiermarken, Oostenrijk, Dalmatië, Montenegro,
Hongarije, Zevenburgen en Rumenië. Bij ons komt zij alleen in de
oostelijke grensprovinciën en daar zeer zeldzaam voor.