"die ik op Borneo aantrof, was een groote, in boomen levende
Kikvorsch. De Chineesche werkman, die dit dier bracht, verzekerde
mij, dat hij het in schuinsche richting van een hoogen boom had zien
afdalen, alsof het vloog. Bij nader onderzoek zag ik zeer lange teenen,
tot aan de spits saam verbonden door vliezen, welke in uitgespreiden
toestand een veel grootere oppervlakte hebben dan het lichaam. De
vingers van de voorpooten zijn eveneens door vliezen vereenigd; de
romp kan sterk opgeblazen worden. De rug en ledematen hebben een
iriseerende, donkergroene kleur, de pooten donkere dwarsstrepen,
de onderdeelen en buigzijde der teenen zijn geel, de vliezen zwart
met gele strepen. De lengte van het lichaam was omstreeks 10 cM.,
de oppervlakte van de volkomen uitgespreide vliezen van iederen
achterpoot ongeveer 28 en die van de vliezen van alle pooten te zamen
genomen ongeveer 84 cM2. De uiteinden van de teenen zijn verbreed
en met hechtschijven voorzien, zooals bij de Boomkikvorschen. Dit
is het eerste, mij bekende voorbeeld van een Vliegenden Kikvorsch;
het verdient in hooge mate ieders aandacht, omdat hieruit blijkt,
dat de neiging der teenen om veranderingen te ondergaan, die bij
andere soorten organen voor het zwemmen en klimmen heeft opgeleverd,
aanleiding kan geven tot wijzigingen, die een Amphibie in staat
stellen om zich als een Vliegende Eekhoorn of een Vliegende Hagedis
door de lucht te bewegen".
De door Wallace bedoelde soort is de Vliegende Kikvorsch van Borneo
(Rhacophorus pardalis), evenals de hierboven afgebeelde, Javaansche
soort, een vertegenwoordiger van het geslacht der Roeivorschen
(Rhacophorus). Behalve in Zuid- en Oost-Azië werden ook op Madagaskar
soorten van dit geslacht aangetroffen. Door hun inwendig samenstel
komen deze Amphibiën volkomen overeen met de Waterkikkers, hoewel hun
uiterlijk meer aan de Boomvorschen herinnert en zij, evenals deze,
op boomen en struiken leven.
De Vrijborstigen (Arcifera) zijn veel talrijker dan de Stijfborstigen;
de samenstelling van den schoudergordel en van het borstbeen laat
bij hen een verschuiving der beenderen in het midden van de borst
toe. Sommige leden van deze groep hebben spits eindigende teenen,
die hetzij door zwemvliezen aaneenverbonden, of hiervan verstoken
zijn; gene leven meer in het water, deze meer op het land; voorts
vindt men er echte gravende dieren bij en eindelijk ook Vorschen,
die door het bezit van hechtschijfjes aan de toppen van de vingers
en teenen uitmuntend geschikt zijn voor het klimmen.
De eerste familie, die der Cystignathen (Cystignathidae), komt,
behalve door den bouw van den schoudergordel en van de vingers en
teenen, geheel met de familie der Watervorschen overeen, die zij in
een groot deel van Zuid-Amerika en in geheel Australië vervangt.
Een kleine, op boomen levende, West-Indische Kikvorsch, die slechts
4 cM. lang wordt, de Antillenvorsch (Hylodes martinicensis), trekt
vooral door zijn zeer eigenaardige ontwikkelingsgeschiedenis onze
aandacht. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Bladvorschen (Hylodes),
dat zich kenmerkt door de T-vormige gedaante van het laatste lid der
niet door zwemvliezen vereenigde vingers en teenen en door het gemis
van oorklieren. Op grijsachtig witten grond vertoont de rugzijde een
uit bruine vlekken samengestelde teekening. De op Martinique ontdekte
soort werd ook op andere Antillen aangetroffen en is overal onder
den naam Coqui bekend. Van haar levenswijze weet men niets. De door
een schuimmassa omhulde eieren van dit diertje vindt men ten getale
van 20 à 30 op landplanten. Elk ei is een doorzichtig blaasje van
4 à 5 mM. middellijn, aanvankelijk gevuld met een witachtigen of
stroogelen dooier, waaruit zich het jong ontwikkelt, dat na 10 à 12
dagen zijn vliezig omhulsel verlaat en dan van mond tot aars gemeten 5
mM. lang is. Tot aan dien tijd was het door een waterheldere vloeistof
omgeven. De gedaantewisseling is zeer vereenvoudigd: kieuwen worden
in het geheel niet gevormd; alleen het staartje, dat op 't oogenblik
voor de geboorte nog 1.8 mM. lang is, maar reeds in den loop van den
eersten dag verdwijnt, herinnert aan den larvetoestand der overige
Kikvorschen. De voorste en de achterste ledematen komen, naar het
schijnt, gelijktijdig voor den dag.
Van de overige Amerikaansche leden der familie zijn vooral de Gehoornde
Kikvorschen (Ceratophrys) merkwaardig, zoowel door hun grootte
en eigenaardigen vorm als door hun fraaie kleur en teekening. Hun
buitengewoon groote, breede kop prijkt met twee op hoornen gelijkende
uitwassen van de bovenste oogleden.
De tropische gewesten van Zuid-Amerika, van Panama tot aan de
La-Plata-rivier, zijn het vaderland van deze dieren, die door hun
gedrongen vorm op Padden gelijken. Op moerassige plaatsen in de
Braziliaansche oerwouden, van Bahia tot Rio de Janeiro, leeft de
Itannia (Ceratophrys cornuta), een van de prachtigste leden zijner orde
en tevens de grootste van zijn geslacht; hij wordt 15 à 20 cM. lang. De
bovendeelen zijn met breede, overlangsche strepen geteekend: bij
het mannetje hoog geel, roodbruin en zwartbruin, bij het wijfje
groen. Zijn bek is zoo groot, dat hij een jonge kip verzwelgen kan;
Muizen, Kikvorschen, Slakken en andere kleine dieren maken zijn voedsel
uit. Vooral 's avonds hoort men zijn luide, krassende, eentonige stem.
Er is geen diergroep, welker leden van oudsher meer lijden onder
den algemeenen afschuw der menschen, van hen een onmeedoogender
en onrechtvaardiger behandeling ondervinden, dan de familie der
Padden. Hoe gering de gemeenschap van denkbeelden ook is tusschen
menschen, die op beschaving aanspraak maken en onbeschaafden,
tusschen hen die verschillende deelen van de wereld bewonen of tot
verschillende rassen en stammen behooren, door hun afkeer van de
Padden, door de blinde woede waarmede zij deze niet slechts volstrekt
onschadelijke, maar zelfs hoogst nuttige dieren vervolgen en dooden,
komen zij onderling volkomen overeen. Geen van hen, die de bekende
beschuldigingen tegen de Padden aan den man brengen, heeft zich ooit
de moeite gegeven, de zaak, waarover hij bazelt, nader te onderzoeken,
geen van hen heeft op de levenswijze van deze dieren gelet, in een
goed boek hun levensgeschiedenis gelezen, of althans het gelezene
begrepen. Op ieder, die dit wel gedaan heeft, rust de plicht juistere
denkbeelden te verspreiden.
De Padden (Bufonidae) onderscheiden zich van de tot dusver beschrevene
Vrijborstigen door het volslagen gemis van tanden; andere kenmerken
zijn haar plompe, ineengedrongene gestalte, hare dikke, logge,
nagenoeg gelijk lange pooten en haar huid, die rijk aan klieren en
met wratten bedekt is.
De meeste Padden leven op het land, slechts weinige brengen het
grootste deel van haar leven in 't water door. Vele van die, welke
het land bewonen, kunnen uitmuntend graven; de Mexicaansche Neuspad
(Rhinophrynus dorsalis) kan zelfs doordringen in de woningen der
Termieten, waarmede zij zich voedt; enkele houden zich, evenals de
Boomkikvorschen, in de boomen op.
De Padden bewonen alle werelddeelen, de warme gewesten, zooals te
begrijpen is, in grooteren getale dan de koudere, houden zich voor
't meerendeel slechts gedurende den tijd van het eierenleggen in
't water op en zijn volslagen nachtdieren, die over dag slechts bij
uitzondering buiten hun schuilhoek rondzwerven. Door hare bewegingen
staan zij achter bij de Vorschen en de Vorschpadden, daar zij meer
strompelen dan springen; ook zwemmen zij slecht en schijnen daarom
plomp en traag, hoewel zij, strikt genomen, dit niet zijn. Hun voedsel
bestaat uit allerlei schadelijk gedierte, vooral uit Wormen, Slakken,
Insecten en kleine Gewervelde Dieren; de laatstgenoemde worden
trouwens alleen door de grootste soorten verslonden. Zij gebruiken
een aanzienlijke hoeveelheid voedsel, de arbeid van deze geminachte
dieren is derhalve voor ons zeer zegenrijk. Wat de voortplanting en
de ontwikkeling der jongen betreft, komen de Padden in hoofdzaken
overeen met hare verwanten van dezelfde orde; de meeste leggen hare
eieren niet in den vorm van klompen, maar in dien van snoeren. Evenals
de andere Amphibiën kunnen ook de Padden de vochtigheid niet zonder
nadeel voor haar leven ontberen; zelfs bij zeer gebrekkige voeding
kunnen zij echter in vochtige ruimten maanden en zelfs jaren lang in
't leven blijven. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat men in holten,
die schijnbaar geen gemeenschap hadden met de buitenwereld, levende
Padden vond. Deze gevallen hebben aanleiding gegeven tot allerlei
dwaze gevolgtrekkingen, maar ook tot proeven, waaruit gebleken is,
dat de Padden volstrekt niet zulk een taai leven hebben, als men
verhaalde, dat geen van deze dieren in staat is om jaren lang te leven
in een ruimte zonder eenige gelegenheid tot luchtverversching, of 2
jaren achtereen voedsel te ontberen. Hierdoor wordt tevens bewezen,
dat men bij de onverklaarbaar schijnende gevallen van Padden, die in
holten van steenlagen werden aangetroffen, enz., de omstandigheden,
waarin dit geschiedde, niet zorgvuldig genoeg heeft nagegaan. De
verhalen betreffende Padden, die diep onder den grond in holen, aan
alle zijden omgeven door vast gesteente, eeuwen lang geleefd zouden
hebben, berusten zonder eenigen twijfel op onjuiste gegevens. In alle
goed onderzochte gevallen was de mogelijkheid niet buitengesloten,
dat met het noodige vocht een geringe hoeveelheid voedsel in het hol
doordrong. In kunstmatig op deze wijze ingerichte holen hebben Padden
meer dan een jaar kunnen leven zonder van gebrek om te komen.
De familie van de Padden omvat 8 geslachten met ongeveer 100 soorten;
voor ons doel zal het voldoende zijn eenige van de belangrijkste
soorten te beschrijven.
De Gewone Pad (Bufo vulgaris), ook wel Zwarte Pad of Muurpad genoemd,
vertegenwoordigt het geslacht der Landpadden (Bufo), dat in ongeveer
85 soorten over alle werelddeelen (met uitzondering van Madagaskar,
Nieuw-Guinea, Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee) verspreid
is. De Landpadden hebben volkomen gescheiden vingers; hare teenen
zijn echter door meer of minder breede zwemvliezen vereenigd.
De genoemde soort bereikt een aanzienlijke grootte; zij wordt bij
ons 6 à 7 cM. breed, bij een lengte van 8 à 12 cM.; in zuidelijker
landen kan zij 12 à 20 cM. lang worden. Zij ziet er nog plomper uit
dan hare verwanten. Haar geheele lichaam is met dikke wratten bedekt,
die achter het oor een groote, halvemaanvormige klier vrij laten. De
doffe, grijsbruine of zwartachtig grijze kleur der bovendeelen
vertoont soms een olijfgroene, soms een roodachtige tint en is met
donkere, onduidelijke vlekken geteekend; op de onderdeelen gaat zij
in lichtgrijs over; hierop komen niet zelden donkere vlekken voor;
deze zijn bij het wijfje vaker aanwezig en talrijker dan bij het
mannetje. Het regenboogsvlies is glanzig geel.
Met uitzondering van de noordelijkste landen en van Ierland alsook van
Sardinië en Corsica, ontbreekt de Pad in geen enkel deel van Europa;
bovendien bewoont zij Noord-west-Afrika, Klein-Azië, Middel-Azië en
Japan. In de Alpen vindt men haar nog op hoogten van 1700 M. Hare
woonplaatsen zijn zoo velerlei, dat men haar bij ons en in vele
andere landen een algemeen verbreid dier mag noemen. Zij komt voor
in allerlei bosschen en boschjes, op velden en weiden en in tuinen,
in kelders, holen, grotten, bouwvallen en steenhoopen, onder gevelde
boomstammen, afzonderlijk liggende platte steenen, kortom overal
waar een schuilplaats voor haar te vinden, of waar zij er een voor
zich geschikt kan maken. In oorden, waar geen woning beschikbaar is,
graaft zij gaten in den lossen grond en gebruikt deze even geregeld,
als een Vos zijn hol bezoekt. Zooveel mogelijk kiest zij vochtige,
lommerrijke plaatsen ter bewoning uit; daarom gaat zij zeer dikwijls
liggen onder planten, welker breede bladen den bodem niet slechts
overschaduwen, maar werkelijk bedekken. Naar men zegt, wordt bij
haar een bijzondere voorliefde opgemerkt voor sterk riekende kruiden,
zooals b.v. salie en dolle kervel.
Zij is een echt nachtdier, dat over dag steeds verscholen blijft,
tenzij een warme regen den grond bevochtigde en de haar onaangename
zonnestralen nog door de wolken worden tegengehouden. In dit
geval maakt zij een uitzondering op den gewonen regel, door haar
jachtbedrijf, dat gewoonlijk eerst na zonsondergang aanvangt, ook
over dag uit te oefenen. Onbeholpen in hare bewegingen, nagenoeg
ongeschikt tot het doen van sprongen van eenige beteekenis,
plomp en log als zij is, houdt zij niet van groote zwerftochten,
des te zorgvuldiger doorzoekt zij het kleine gebied, dat haar tot
woonplaats dient; juist hierdoor en omdat voor het bevredigen van
haar vraatzucht een groote hoeveelheid voedsel noodig is, wordt zij
een ware zegen voor het oord, waar zij haar bedrijf uitoefent. Een
gevolg van haar onbeholpenheid is, dat zij dikwijls in kelders,
putten, mijngangen en grotten valt en hieruit niet kan wegkomen;
zij moet zich dan behelpen met de weinige dieren, die, evenals zij,
toevallig naar beneden tuimelen. Toch weet zij ook hier (en dikwijls
merkwaardig lang) niet slechts haar leven te rekken, maar zich zelfs
vet te mesten. Haar buit bestaat uit Wormpjes, Wespen, Bijen, Spinnen,
Kevers, kortom uit allerlei Insecten, met uitzondering van Vlinders;
deze neemt zij niet graag, omdat de fijne vleugelschubjes, aan de
slijmerige tong vastklevend, het slikken bemoeielijken. In weerwil
van haar vraatzucht, die men een aanhoudenden geeuwhonger zou kunnen
noemen, versmaadt zij standvastig doode dieren.
Men kan gemakkelijk waarnemen, op welke wijze de Pad haar prooi
vangt, daar zij ook over dag geen enkele gelegenheid om een buit te
verkrijgen laat voorbijgaan, maar begeerig hapt naar al wat binnen
haar bereik komt en de Insecten, die haar lekker voorkomen, zelfs over
een kleinen afstand vervolgt. Hare ver uitpuilende en zeer beweeglijke
oogen merken overal, waar het haar verblindende, felle zonlicht door
planten getemperd wordt, ieder diertje op, van waar het ook komt. Met
bewonderenswaardige vlugheid en lenigheid wordt de tong op het door
haar begeerde dier geworpen, zoodat dit zelden kan ontsnappen. Aan
ieder, die voor de schuilplaats van een Pad, zonder haar lastig
te vallen, een Worm, een rups of onverschillig welk Insect houdt of
neerwerpt, zal zij zich in haar volle kracht vertoonen. Oogenblikkelijk
beginnen hare oogen te fonkelen, zij ontwaakt uit haar schijnbaar
slaapdronken toestand en spoedt zich naar haar buit met een haast,
die volkomen strijdig is met haar gewonen aard. Als zij haar doel
tot op den juisten afstand genaderd is, blijft zij staan, houdt,
als een Patrijshond voor het wild, haar buit goed in 't oog, steekt
de tong schielijk uit en werpt hiermede het slachtoffer in haar wijd
geopenden muil; in een ondeelbaar oogenblik is het doorgeslikt en in
de maag geborgen. Als zij, zooals nog al eens voorkomt, haar buit
mist of dezen door den schok van de tong eenvoudig bedwelmd wordt,
maar er niet aan vastkleeft, ziet zij gewoonlijk van vervolging af;
zoodra het Insect zich weer begint te bewegen, hervat zij haar jacht
onmiddellijk, in de hoop dat de zooeven mislukte poging nu een goede
uitkomst zal hebben.
De Pad verslindt een ongeloofelijke hoeveelheid van allerlei
ongedierte. Behalve Insecten en Wormen, eet zij, naar het schijnt met
smaak, Naakte Slakken; volgens sommigen komen ook kleine Amphibiën
nu en dan op haar spijskaart voor, ofschoon zij overigens met hare
verwanten in vrede leeft en zich door geenerlei prikkels tot een
strijd met hare soortgenooten laat verleiden. Deze goedaardigheid,
die men misschien met meer recht armoede van geest zou kunnen noemen,
hebben vele, maar toch niet alle Padden met elkander gemeen: de
maag beheerscht hare bewegingen. Zij trachten een dier, dat in
haar nabijheid komt, te verslinden, voor zoover dit mogelijk is,
maar laten het ongemoeid, als het stil blijft zitten, waarschijnlijk
omdat zij het in dit geval nauwelijks opmerken. Men moet dit echter
niet opvatten als een bewijs van volslagen gemis aan werkzaamheid
van den geest. Zij beseffen wel degelijk het onderscheid tusschen
de verschillende wezens, waarmede zij te maken hebben en wijzigen
hare gewoonten in overeenstemming met de omstandigheden. Eerder
nog dan de overige Amphibiën vluchten zij voor ieder groot dier;
bewust van haar zwakheid wagen zij het niet een sterken vijand te
weerstaan. Ook zij toonen erkentelijkheid voor bewezen weldaden en
leggen in het verkeer met iemand, die haar vriendelijk behandelt,
langzamerhand haar gewone schuwheid bijna volkomen af.
In een hokje wordt de Pad nog eerder en volkomener tam, dan wanneer
men haar een tuin tot woonplaats aanwijst. Veel moeite kost haar
onderhoud niet, daar zij geen van de dieren, die men haar toewerpt,
versmaadt, indien zij zich slechts bewegen; bovendien kan zij zonder
eenig bezwaar honger verduren. Met soortgenooten van gelijke grootte
of met verwante Amphibiën kan zij uitmuntend overweg.
In tegenstelling met vele andere Vorschen, slaapt de Pad 's winters
in droge, ver van 't water verwijderde gaten van den grond. Tegen
het einde van September of in het begin van October kruipt zij weg in
een hol, dat reeds aanwezig is of door haar gegraven wordt. Dikwijls
vindt men verscheidene Padden in één hol; dit wordt om de koude af
te weren door een aarden dam afgesloten, waarna de bewoners stil
blijven liggen en tot Maart of April in een toestand van verstijving
verkeeren. Onmiddellijk na het verlaten van haar winterherberg begeeft
de Pad zich naar het een of ander in de nabijheid gelegen water; zelfs
de kleinste plas acht zij voldoende. Hier legt zij zwemmend gedurende
de paring verscheidene duizenden eieren, die tot een snoer van 3 à 5
M. lengte en ter dikte van een potlood vereenigd zijn. De eiersnoeren
worden door de ouders om waterplanten en dergelijke voorwerpen
gewikkeld en op deze wijze in de diepte vastgehouden. Bij warm weer
verlaten de larven de eischaal 12 à 14, bij koel weer 17 of 18 dagen
na het leggen der eieren en 2 dagen later ook de slijmmassa, die de
eieren omhult. De gedaantewisseling komt met die van den Kikvorsch
overeen. In het einde van Juni hebben alle 4 pooten zich ontwikkeld
en verlaten de jonge Padden, die in verhouding tot andere larven van
Vorschen opmerkelijk klein zijn, het water, hoewel haar staart dan
nog niet geheel verdwenen is. Zij groeien zeer langzaam, maar zijn
toch reeds in het 5e levensjaar voor de voortplanting geschikt. Zij
kunnen een hoogen leeftijd bereiken. Pennant maakt melding van een Pad,
die 36 jaar in gevangenschap doorbracht en misschien nog veel ouder
geworden zou zijn, indien niet een ongelukkig toeval een einde aan
haar leven had gemaakt. De lange levensduur draagt aanmerkelijk bij
tot het in stand houden van deze diersoort. Wel heeft zij betrekkelijk
weinige vijanden, daar de roofdieren, met uitzondering van de Slangen,
door het afscheidingsproduct van hare huidklieren afgeschrikt worden;
zij vermenigvuldigt zich evenwel betrekkelijk langzaam, daar bij
het uitdrogen van de onbeduidende plassen, waarin hare eieren zich
ontwikkelen, dikwijls duizenden van larven omkomen. Bovendien heeft
zij een zeer gevaarlijken vijand in den door dwaalbegrippen bevangen
moordlustigen mensen, die de volwassene Padden, dus juist die, welke
voor de voortplanting geschikt zijn, op onverantwoordelijke wijze
vervolgt en hierdoor indirect een belangrijk nadeel toebrengt aan
zijne eigene bezittingen.
Met zorg verrichte proeven hebben geleerd, dat de Pad geen
gif uitspuit, dat het sap van hare huidklieren, wanneer het met
slijmvliezen in aanraking komt, wel eenige ontsteking veroorzaakt, maar
voor den mensch geen gevaar oplevert, kortom, dat zij op geenerlei
wijze in staat is ons eenig nadeel te doen. Ieder die uit blind
vooroordeel of uit onvergeeflijke baldadigheid een zoo nuttig dier
doodslaat, geeft zich daardoor een onbetwistbaar getuigschrift van
beklagenswaardige onwetendheid en onbeschaafdheid. Sommige Engelsche
en Fransche tuinlieden hebben sinds lang erkend, dat deze vlijtige,
onvermoeid werkzame dieren hun een groot voordeel brengen door het
wegvangen van allerlei ongedierte, dat aan de planten schade doet;
zij koopen tegenwoordig de Padden bij dozijnen en bij honderden ten
behoeve van hunne tuinen. In broeibakken en plantenkassen vergeten
zij hun winterslaap en zijn niet alleen 's zomers, maar ook 's winters
voortdurend werkzaam.
De Groene Pad (Bufo viridis, B. variabilis), die dikwijls met de
vorige soort verward wordt, komt in Nederland niet voor, hoewel
zij in Duitschland en Oostenrijk niet zeldzaam is. Zij wordt 7 à 8,
zelden 8 à 10 cM. lang en ziet er bevalliger uit dan hare verwanten. De
bovendeelen hebben op groenachtig grijzen grond groote, onregelmatige
vlekken, welker kleur van olijfgroen tot zwartgroen afwisselt,
voorts kleinere, rozeroode of menieroode wratjes; de onderdeelen
zijn witachtig en slechts zelden met een gering aantal zwartachtige
vlekken of stippels geteekend. Bovendien is de Groene Pad kenbaar
aan hare betrekkelijk lange pooten en niervormige oorklieren. Haar
verbreidingsgebied omvat Middel- en Oost-Europa, het noorden van
Afrika, van Egypte tot Marokko, geheel West- en Middel-Azië tot
Mongolië en het Himalaja-gebergte. Over dag houden de Groene Padden
zich verborgen op soortgelijke plaatsen als de Gewone en bewonen niet
zelden gezellig een voor haar geschikt hol; des nachts doorzoeken
zij jagend een tamelijk uitgestrekt gebied. Zij kunnen betrekkelijk
groote sprongen doen, vrij goed zwemmen en ook klimmen. Haar stem is,
wegens de goed ontwikkelde keelblaas van het mannetje, krachtiger
dan die van de Gewone Pad, gelijkt ongeveer op het kraken van een
deur en wordt ook wel eens brommen genoemd.
De Kleine Pad (Bufo calamita) kan 8 cM. lang worden; bij ons vindt
men echter zelden exemplaren van meer dan 5 cM. lengte. Zij heet ook
wel Stinkende Pad wegens de onaangename lucht, die zij verbreidt,
wanneer men haar verontrust. Ook wordt zij wel eens "Groene Pad"
genoemd, daar hare bovendeelen olijfgroen of olijfbruin zijn, met
uitzondering van een zwavelgele, overlangsche streep op het midden
van den rug, die tevens vrij is van wratten; de onderdeelen zijn
witachtig grijs van kleur, op de schenkels en langs de zijden van den
buik donkerder gevlekt; de huid is bezaaid met bruinroode wratjes;
de oogen zijn geelachtig en zwart gesprenkeld, de teentoppen min of
meer roodachtig. Van de beide vorige soorten onderscheidt zij zich
duidelijk door de geringe ontwikkeling van hare zwemvliezen. Zij
schijnt van de zeelucht te houden en behoort in West-Europa thuis. Het
verbreidingsgebied van dit nuttige dier is beperkt tot Portugal,
Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, België, Nederland,
Duitschland, Denemarken en het zuiden van Zweden.
In Nederland vindt men de Kleine Pad in zandstreken, zoowel op
diluvialen bodem als in de duinen, vooral op de Noordzee-eilanden,
waar zij zich over dag in konijnenholen verschuilt. In Duitschland
komt zij eveneens op de eilanden veelvuldig voor, voorts in een breede
kuststrook langs de Noord- en Oostzee; ook bewoont zij het geheele
westen van Duitschland en vele oorden in het binnenland. Naar het
zuiden schijnt de Donau, naar het zuidoosten het Ertsgebergte en het
Bohemerwoud haar gebied te begrenzen. Men ontmoet haar nog op 1000,
zeer zelden op 1200 M. hoogte.
Boven de reeds genoemde soorten munt de Kleine Pad uit door haar
bekwaamheid in het graven. Hare bewegingen zijn niet zoo lomp en
log als die van de Gewone Pad; toch mist ook zij, wegens de kortheid
van de achterpooten, de geschiktheid tot springen geheel. Zij kruipt
niet als haar grauwe nicht, maar loopt met boven den grond opgeheven
onderdeelen bijna zoo snel als een Muis; hieraan kan zij zelfs in de
schemering van de als een Kikvorsch springende Groene Pad onderscheiden
worden. Hoewel zij nagenoeg geen zwemvliezen heeft, weet zij zich in 't
water zeer goed te redden: zij zwemt vlug en behendig, min of meer op
de wijze van een Hond, met denzelfden stand van de pooten als bij het
gaan. Beter dan de reeds genoemde Padden is zij in 't klimmen ervaren.