een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets
grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met
zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het
midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan
iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig;
de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen
de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter,
soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine
of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de
overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen
zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking
is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid--de Meerkikker
(Rana esculenta, var. ridibunda)--heeft een lichaamslengte van 10
à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen
zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd.
De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van
Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt,
is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot
gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in
zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar
een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over
't geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker
toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats
wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt,
vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers
met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten
(bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in
water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren
niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven
plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten,
die, althans gedurende het grootste deel van 't jaar, water bevatten,
zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna
komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden
vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten
worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit
in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op,
niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van
warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken
en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte,
waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale
zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven,
of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant,
een drijvend stuk hout, een boven 't water uitstekenden steen, een
rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt
in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen
stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich
te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een
gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen,
soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van
de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in 't
eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder,
waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer
dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij
zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte,
steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen
en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of
nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking
van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever
tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale
uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot
het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze
Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een
hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen
zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op
plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar
behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze;
alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag;
dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk.
De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen
getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig
verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op
het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn
zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het
zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder
den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast
hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich
echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen,
hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven
de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan
op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich
tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet
vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk
waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke
bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit
zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt
stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van
meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens
moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk
overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn
handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar
niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot
op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen
het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel
eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet
al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een
hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen
zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren
en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak
beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om
in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van
hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken,
nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door
den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel
even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen
zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier,
zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op
toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door
hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap
bedraagt de Groene Kikvorsch zich in 't eerst zeer onbehoorlijk,
knort, mort en springt in 't rond, alsof hij zinneloos is. Vooral
wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn
verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen,
toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het
voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en
ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt
zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of
andere surrogaat als voedsel te gebruiken.
Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke
roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf
verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich
niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig
zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als
't ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er
op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze
gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende
Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van
zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht
verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen
vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus
dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen
van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst
in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel,
worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa
omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn
iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den
Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als
de weersgesteldheid in den tijd van 't leggen der eieren gunstig
is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich
zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven
der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem,
aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de
grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen
en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds
longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor
het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet
overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk
zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte
van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De
lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit
bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom
voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel,
zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard
gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn
dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het
5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt;
ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen.
De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen,
maar komen om 't leven door de tanden, de klauwen of den snavel
van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun
taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen
vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden
toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte
verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen
de bewijzen, daar zij in 't noorden in dergelijke omstandigheden
zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren
genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken
eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden
onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter,
de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi
van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en
hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel
aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van
al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun
te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij 't slatten
der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge
omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa
wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht
voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den
herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale
op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen.
De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria,
R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland
Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er
zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem
er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen
grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren,
overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen
voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het
iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd.
Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland,
Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts
de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland
van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250
M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge
Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls
nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve 's winters,
de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in 't water; in de
hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den
Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een
uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen
ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het
water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het
ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft;
daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen,
is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer
slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder
talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij
naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water;
daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote,
dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur
in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen
kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige
weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar
keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om
zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling
van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij
volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit,
als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk,
hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen.
Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In
tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten
afstand van 't water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in
bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,--verschuilt
zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den
grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als
de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar
hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren
vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel
meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers
zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven
loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den
begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen
sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is,
werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen
dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt
gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit,
dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen.
In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene
neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen
een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan
het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed
voortgebracht wordt als door de mannetjes.
Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne
vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land,
staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren;
hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October
zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen
van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de
Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen
en om 't leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven,
vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans
niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental
voorafgaande jaren.
Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den
Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en
er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een
weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak
uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval
is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder
van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij
den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en
dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen
zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt
en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede,
lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde,
overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM.
De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa;
de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze
soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen
en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk
(Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons
land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen,
hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze
oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls
verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker.
De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van
hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien
over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche
Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt
vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven
door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De
Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana,
R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten,
die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond
met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend;
de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker
bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand.
Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten
van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt
echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze
Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige
voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te
vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten
bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker
dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met
struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren
behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten,
dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel
als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te
kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar
den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen
anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand
van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort
men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente-
en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te
verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige
mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers
bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen
overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd
gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers
van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg
tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche
basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden "more rum" (meer rum) of
"brwoem." Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich
weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug.
De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan
iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel
uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij
zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is,
maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te
kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers
soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere
Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen
van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken
zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij
den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar
een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen,
die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant
heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de
Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan
de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn
vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar
hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood
hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de
grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300
gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten
en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard.
Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote
roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is
er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch.
In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet
zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd.