In één opzicht munten de meeste Amphibiën boven de Reptiliën

ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER AMPHIBIËN.

Een diepe klove scheidt de tot dusver behandelde Gewervelde Dieren

van die, welke nu nog beschreven moeten worden. Gene ademen in

alle levenstijdperken door longen, verreweg de meeste andere tot

op een zekeren leeftijd of levenslang door kieuwen. In de klasse,

die ons nu zal bezig houden, vindt diensvolgens bijna altijd een

"gedaantewisseling" plaats, zooals bij de lagere of Ongewervelde Dieren

zeer algemeen waargenomen wordt; dit beteekent dat de leden dezer

diergroep, als zij het ei verlaten, nog niet den bouw en de organisatie

hunner ouders vertoonen, maar beide eerst later verkrijgen door den

overgang uit den toestand van "larve" in dien van volkomen dier.

De Amphibiën zijn in nog hoogere mate verwant aan de Visschen dan de

Reptiliën, die men vroeger met hen tot één klasse vereenigde, tot de

Vogels naderen. Gedurende hun jeugd leven zij als Visschen, eerst op

rijperen leeftijd worden zij in staat gesteld om "amphibiotisch" te

zijn, d. i. "zoowel op het land als in het water te leven," hoewel zij,

verreweg de meeste althans, zich nooit ver van het water verwijderen

en er nooit geheel onafhankelijk van worden.

Tot de Amphibiën behooren velerlei, onderling zeer verschillende

vormen. "Bij sommige van hen", zegt Karl Vogt, "ontbreken de ledematen

geheel of zijn hoogst gebrekkig ontwikkeld en heeft het lichaam een

rolronde, wormvormige gedaante; bij andere gaan sterk ontwikkelde

looporganen gepaard met een breeden, afgeplatten romp, die dun of meer

schijfvormig is. Bij de in den grond levende, pootlooze "Blindslangen"

gelijkt het lichaam, dat geheel en al romp en nagenoeg staartloos

is, op dat van een Regenworm, terwijl bij de in 't water levende

Aalsalamanders wel is waar een langwerpig, aalvormig lichaam, maar

toch een voor 't zwemmen geschikte, zijdelings samengedrukte staart

voortkomt, die bij de hun verwante Olmen met een als vin dienenden,

vertikalen huidzoom voorzien is. Bij vergelijking van deze en

andere leden der klasse ziet men als 't ware langzamerhand pooten

verschijnen. Op allerlei trappen van ontwikkeling blijvend, zijn zij

aanvankelijk volkomen ongeschikt om het lichaam te steunen en slechts

met een gering aantal kleine, rudimentaire teenen uitgerust. Soms

zijn alleen de voorpooten aanwezig, die als onbeduidende stompjes

aan den hals hangen. Hoe meer de ledematen zich ontwikkelen, des

te meer wordt het lichaam ineengedrongen en tevens afgeplat. Bij de

Vorschachtige dieren verdwijnt de staart in volwassen toestand geheel,

zoodat er geen spoor meer van overblijft en de kloakopening van hun

schijfvormigen romp, evenals die van de wormvormige Blindslangen, aan

't allerachterste gedeelte van 't lichaam gelegen is. De achterste

ledematen verkrijgen bij deze dieren een merkwaardig overwicht boven

de kleine, korte en dikke, meestal binnenwaarts gerichte voorpooten,

die slechts 4 teenen hebben, terwijl de achterste er gewoonlijk 5

bezitten. De beweging op het land geschiedt meestal sprongsgewijs;

door het plotseling strekken van den poot verplaatsen de gespierde

achterschenkels het lichaam over een dikwijls tamelijk grooten

afstand."

Een hoofdkenmerk, waardoor de Amphibiën zich van de Reptiliën

onderscheiden, is gelegen in hun naakte huid. Bij de meeste Vorschen

en alle Salamanders is de huid glibberig en zacht; meestal omsluit

zij het lichaam als een wijde zak; wegens de geringe dikte van dit

uit elastische vezels samengestelde weefsel, ziet men, als het dicht

tegen het lichaam aanligt, de spieren er doorheen schemeren. Bij alle

Amphibiën komen in de huid eigenaardige klieren voor, die een scherp,

min of meer naar uien riekend, melkachtig vocht afscheiden. Gewoonlijk,

o.a. bij de Padden en Salamanders zijn deze klieren over het geheele

lichaam verspreid; dikwijls echter vormen zij aan weerszijden van den

dikken hals dichte opeenhoopingen, die onder den naam van "oorklieren"

bekend zijn. Bovendien merkt men bij enkele soorten honigraatvormige

ruimten op, waarin de ontwikkeling der eieren plaats vindt; ook

zij zijn vervormde huidklieren en verschijnen eerst gedurende den

voortplantingstijd.

De naakte huid en hare klieren zijn voor het leven der Amphibiën van

buitengewoon groot belang. Een stoornis in haar werking heeft den dood

van het dier ten gevolge. Geen enkele Amphibie drinkt op de gewone

wijze; alle nemen het water, dat voor hun leven noodig is, uitsluitend

door de huid in zich op. Bijna even groot als het opzuigend vermogen

van de huid is haar geschiktheid om water in dampvorm uit het lichaam

te verwijderen. Het gewicht van een Amphibie neemt bij blootstelling

aan droge warmte buitengewoon schielijk af; de vermindering is

evenredig aan de stijging der temperatuur. In een luchtledige ruimte

is de uitwaseming zeer belangrijk; de Amphibiën sterven in zulk een

ruimte veel eerder dan in luchtvrij water; daarentegen zullen zij

langer in 't leven blijven, indien de huiduitwaseming verhinderd wordt,

b.v. door het lichaam met een dichte vernislaag te bedekken. Naar het

schijnt, dient haar urineblaas als magazijn van vocht, tot dergelijke

gevolgtrekking is men ook ten aanzien van de Schildpadden gekomen.

In de lederhuid komen slijmklieren en gifklieren voor; deze zijn

dieper gelegen dan gene. De slijmklieren zijn over het geheele lichaam

verbreid, de gifklieren op bepaalde plaatsen opeengehoopt. Bij de

Padden en Salamanders zijn deze klieren talrijker en hare afscheidingen

overvloediger dan bij andere Amphibiën; door het prikkelen van de

huid nemen zij sterk toe. Een Salamander of een Pad, die b.v. op

gloeiende kolen wordt geplaatst, zal een grootere hoeveelheid slijm

voortbrengen dan gewoonlijk, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot

het overoude, ongegronde sprookje, dat de Salamander tegen het

vuur bestand is. Naar het schijnt, zijn de Amphibiën in staat om de

afscheiding der huidklieren willekeurig te vermeerderen en haar als

een middel tot beschutting tegen hunne vijanden te gebruiken, daar

dit vocht niet slechts een doordringenden reuk heeft, maar ook een

scherpe werking uitoefent. Hierdoor hebben de Padden en Salamanders

den naam gekregen van giftig te zijn. Een werkelijk vergif voor den

mensch is dit slijm niet, hoewel het op gevoelige slijmvliezen pijn,

op de tong een brandend, bijtend gevoel teweegbrengt. Door proeven

is gebleken, dat het kliersap van de Pad kleine Vogels, die er

mede ingeënt worden, spoedig doodt en deze werking nog uitoefent,

wanneer het vooraf gedroogd wordt. Ook heeft men gevonden, dat dit

slijm den dood van jonge Honden, Guineesche Biggetjes, Vorschen en

Watersalamanders veroorzaakt, als het door insnijdingen aan het bloed

wordt toegevoerd; het slijm van de Water- en Landsalamanders zal,

wanneer het op gelijke wijze in het lichaam van de Pad wordt gebracht,

voor dit dier noodlottig worden.

Zeer eigenaardig is het geraamte van de Amphibiën, dat, zij het

dan ook op meer beperkte schaal, gedurende zijn ontwikkeling

soortgelijke inrichtingen te aanschouwen geeft als dat van de

Visschen. Bij de Vischsalamanders komen wervels voor, die, wat

vorm betreft, van visschenwervels bijna niet onderscheiden kunnen

worden; bij de eigenlijke Salamanders daarentegen treft men reeds

volkomen ontwikkelde wervels aan, die, aan de voorzijde een ronden

gewrichtsknobbel en aan de achterzijde een gewrichtskom hebbend,

beweegbaar met elkander verbonden zijn. Bij alle Amphibiën met

langwerpig lichaam is het aantal wervels zeer aanzienlijk; bij de

Kikvorschachtigen echter vindt men slechts weinige rugwervels, n.l. 7

of 8; hierop volgt een breed heiligbeen, dat door vergroeiing van

verscheidene wervels ontstaan schijnt te zijn en verbonden is met een

lang, sabelvormig been, het staartbeen, dat de wervelkolom tot aan de

aarsopening voortzet. De dwarse uitsteeksels der wervels zijn bij alle

Amphibiën goed ontwikkeld en soms buitengewoon lang; zij vervangen tot

op zekere hoogte de ontbrekende ribben, die slechts in enkele gevallen

door kleine, beenige of kraakbeenige aanhangsels aangeduid zijn.

Ook in de samenstelling van het geraamte van den kop merkt men in de

reeks der Amphibiën verschillende trappen van ontwikkeling op; deze

hebben vooral betrekking op het allengs verdwijnen der oorspronkelijk

kraakbeenige bestanddeelen. Het kopskelet is zeer breed en plat,

de oogholten zijn gewoonlijk verbazend groot en van onderen open,

zoodat de kaken van boven gezien een halven cirkel vormen, met een

langwerpige doos, den schedel, in 't midden. De ploegschaarbeenderen

(die bij de hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren door een onparig been

vervangen zijn, dat niet aan de vorming van het gehemelte deelneemt),

niet zelden ook de gehemeltebeenderen, minder dikwijls bovendien het

wiggebeen, zijn bij vele Amphibiën, evenals de bovenkaaksbeenderen,

met tanden bezet. De onderkaak is minstens uit twee, soms uit meer

stukken samengesteld en aan den schedel bevestigd door een "kaaksteel",

die nooit volkomen verbeent.

De ledematen ontbreken bij de Blindslangen geheel; bij

sommige Vischsalamanders zijn alleen de voorste ledematen

aanwezig. De heupgordel is bij de Salamanders zwak ontwikkeld en de

heiligbeenwervels (waaraan deze gordel bevestigd is en die hiermede

het bekken vormen) verschillen weinig van de overige wervels. Des

te volmaakter is het bekken bij de Vorschen, waar het een steunpunt

moet leveren aan de prachtige springpooten, welker spieren aan dit

skeletdeel ontspringen. Het aantal teenen bedraagt aan de voorpooten

meestal 4, zelden 3, aan de achterpooten bij eenige Vischsalamanders

slechts 2, 3 of 4, bij de eigenlijke Salamanders en de Vorschen

daarentegen steeds 5. Bij verreweg de meeste Amphibiën komt aan

de teenen geen spoor van nagels voor; dikwijls daarentegen zijn de

teenen door zwemvliezen vereenigd en is hun top aan de onderzijde

met eigenaardige hechtschijfjes voorzien.

De hersenen zijn langwerpig van vorm, de verschillende

hersenafdeelingen achter elkander geplaatst en niet, zooals bij de

hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren, zoo ineengedrongen, dat er bij

oppervlakkig onderzoek slechts drie (groote hersenen, kleine hersenen

en verlengde merg) onderscheiden kunnen worden. Het ruggemerg is,

in vergelijking met de hersenen, zeer uitgebreid en heeft duidelijk

de overhand boven deze centrale deelen.

Bij geen enkele Amphibie ontbreken de drie hoogste zintuigen, hoewel

de oogen bij enkele leden der klasse zeer weinig ontwikkeld zijn en

onder een ondoorzichtige huid verborgen blijven. Het orgaan voor het

gehoor biedt nog meer verscheidenheid aan dan dat voor het gezicht. Bij

de Salamanders is alleen de binnenste afdeeling van het gehoororgaan

(de doolhof) aanwezig. De Vorschen hebben bovendien een trommelholte

met trommelvlies en een korte Eustachiaansche buis. De twee door een

middelschot gescheiden neusholten staan door de beide neusgaten, aan

de spits van den snuit, met de buitenwereld en door twee openingen

aan het gehemelte met de mondholte in gemeenschap; dit verschijnsel

is in den regel voldoende om alle Amphibiën van de Visschen te

onderscheiden, hoewel het ook bij enkele Visschen (Longvisschen)

waargenomen wordt. De tong dient slechts in zeer geringe mate als

smaakorgaan. Slechts bij één onderorde van de Kikvorschachtigen mist

men haar; bij de overige is zij goed ontwikkeld en dikwijls zeer breed;

gewoonlijk is de ruimte tusschen de beide onderkaakshelften er geheel

mede gevuld. In tegenstelling met de tong der hoogere Gewervelde

Dieren is zij echter niet met haar achtereind maar met haar vooreind

aan den bodem der mondholte vastgehecht, zoodat zij het achterste

voor buiten den bek geslingerd kan worden. Een uitzondering vormen

eenige Salamanders en Termietenetende Vorschen, die een aan den bodem

der mondholte vastgegroeide tong bezitten.

Eenige Amphibiën zijn tandeloos; de meeste echter hebben tanden

op de bovenkaaks- en ploegschaarbeenderen; bij andere vormen

zij twee volledige, boogvormige reeksen op de bovenkaaks- en

gehemeltebeenderen. Altijd zijn de tanden kleine, enkelvoudige, spitse,

achterwaarts gekromde haken, die uitsluitend voor het vasthouden en

voortstuwen van de spijs door 't keelgat, doch nooit voor 't kauwen

dienen.

Grooten invloed op de levenswijze der Amphibiën hebben de organen

voor bloedsomloop en ademhaling. Het hart verschilt weinig van dat

der Reptiliën; het bestaat uit twee niet altijd volledig gescheiden,

dunwandige, vliezige voorkamers en één enkele, dikwandige hartkamer,

die het bloed door de slagaders stuwt. Evenals bij de Reptiliën,

ontvangen de haarvatenstelsels van de achter het hart gelegen

lichaamsdeelen steeds een mengsel van slagaderlijk en aderlijk

bloed. De meeste Amphibiën ondergaan gedaantewisseling; deze gaat

gepaard met belangrijke wijzigingen van het bloedvatenstelsel, zooals

reeds voortvloeit uit het feit, dat de aanvankelijk in de halsstreek

aanwezige kieuwen, door longen vervangen worden, die trouwens bij

enkele eerst zeer laat in werking treden.

Levendbarend zijn slechts enkele Landsalamanders; de meeste Amphibiën

echter ontwikkelen zich uit in het water gelegde eieren, die slechts

bij uitzondering door de ouders met voorzorg behandeld, in den regel

evenwel aan zich zelf overgelaten worden. De eieren zijn meestal door

een geleiachtige stof omhuld en aaneenverbonden tot het soms snoeren,

soms afgeronde klompen vormende "rit". Vooral de laatstgenoemde, van

onze Kikvorschen afkomstige eierenhoopen, die in de lente veelvuldig

in sloten en vijvers drijvend worden gevonden, zijn merkwaardig door de

rol, die zij in verschillende richtingen bij de ontwikkeling der larven

speelt. De gelei beschut n.l. de eieren tegen uitdroging, beschadiging

en op eieren azende dieren en biedt bovendien aan een groot aantal

kleine, levende wezens, vooral aan groene, zuurstof uitscheidende

plantjes een geschikte woonplaats, hetwelk voor de voeding en de

ademhaling van de larven van groot belang is. De weinige, in deze

gelei hangen blijvende luchtbellen brengen teweeg, dat de eieren in

de bovenste waterlaag drijven; volgens de nieuwste onderzoekingen

verschaft zij zelfs door haar warmtebindend vermogen aan de kiemen

de gunstige werking van een meer standvastig verhoogde temperatuur.

Na het doorloopen van de eerste ontwikkelingsstadiën baant de larve

zich een weg door de haar omhullende gelei, die zij voor een deel

opvreet en leeft vervolgens vrij in het water. De van boven naar

onderen afgeplatte kop, die van voren in een kleine mondopening

eindigt, gaat naar achteren, zonder duidelijke afscheiding, over

in den zakvormigen romp, die nog het binnenste gedeelte van den

ei-inhoud bevat, daar alleen de buitenste laag voor de vorming van

de kiem wordt gebruikt. Een eigenlijke "dooierzak," die door een

insnoering van den romp gescheiden is, zooals bij vele Visschen, komt

dus bij de Amphibiën niet voor. De romp eindigt in een verticalen,

platten roeistaart, die zich naar boven en naar onderen voortzet

in een breeden huidzoom of vin. In dezen staart komt dezelfde

zigzagswijze rangschikking der spieren voor als bij vele Visschen. In

de halsstreek ontstaan wratvormige knobbeltjes, die zich boomsgewijs

vertakken; deze "uitwendige kieuwen" verdwijnen bij de Kikvorschlarve

weldra, om vervangen te worden door "inwendige kieuwen" in de

"keelspleten" aan den bodem en de zijden van de mondholte; deze

spleten, waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap

staat, laten het door den bek opgenomen water ontwijken, nadat het,

langs de kieuwen vloeiend, voor de ademhaling gediend heeft. Bij

de Salamanderlarven blijven de uitwendige kieuwen veel langer

zichtbaar. De verdere ontwikkeling van de larve heeft aanvankelijk

de verbetering van den staart ten doel en geschiedt gedeeltelijk ten

koste van de nog aanwezige dooierzelfstandigheid. De vliezige zoom

van de staartvin neemt in breedte toe; het lichaam wordt slanker;

langzamerhand vertoonen zich de ledematen, die aanvankelijk onder de

huid verborgen zijn. Bij de Salamanderlarven worden de voorpooten,

bij de Kikvorschlarven de achterpooten het eerst zichtbaar. Bij de

Kikvorschlarven, die gedurende geruimen tijd alleen achterpooten

bezitten, blijft de staart ook na het verschijnen der voorpooten het

belangrijkste bewegingsorgaan. Eindelijk echter krijgt de verandering

van de zwemmende, plantenetende, door kieuwen ademende larve in

een springenden, insectenetenden, uitsluitend door longen ademenden

Kikvorsch haar beslag. De hoornscheeden of hoorntandjes waarmede de

kaken oorspronkelijk gewapend waren, vallen af. De staart wordt al

kleiner en kleiner en verdwijnt ten slotte geheel. Wervellichamen

zijn hierin niet ontstaan; het staartgedeelte van de wervelkolom

blijft in den oorspronkelijk onverdeelden, geleiachtigen toestand

van "ruggestreng". In de overige deelen van de ruggestreng (bij de

Salamanders ook in haar staartgedeelte) komt echter een splitsing

in wervels tot stand, die haar bij de Kikvorschachtige Amphibiën

nagenoeg geheel verdringen; bij de Vischsalamanders echter blijven

de wervels een deel van de ruggestreng omgeven, daar zij de vorm van

zandloopers behouden, of zelfs dien van halve ringen, welker opening

naar de buikzijde gericht is.

Bij ongunstige weersgesteldheid in den herfst en bij gebrek aan water

of aan voedsel blijven vele Amphibiënlarven langer dan gewoonlijk,

maanden, ja zelfs jaren, in den larvetoestand verkeeren. Zij

ontwikkelen zich dan dikwijls tot zoogenaamde "reuzenlarven."

De Amphibiën bewonen alle werelddeelen en zijn, met uitzondering van

de noordelijkste gewesten, over alle aardgordels verbreid. Warmte en

water zijn volstrekt noodig voor hun leven en welzijn, meer nog dan

voor de leden van andere klassen. Hun afhankelijkheid van 't water is

zeer groot; men kan zich deze dieren zonder water niet voorstellen,

daar zij, behoudens weinige uitzonderingen, hun eerste levenstijdperk

in deze middenstof moeten doorbrengen. Daar ook warmte voor hen een

levensvoorwaarde is, neemt hun aantal naar 't zuiden zoo sterk toe,

dat men de keerkringsgewesten als hun eigenlijk vaderland zou kunnen

beschouwen. Altijd echter maken zij tot verblijfplaatsen voor hen

en hunne jongen uitsluitend van zoetwater gebruik; steeds mijden zij

de zee of het zilte water in 't algemeen. Een groot aantal Amphibiën

zijn waterbewoners gedurende alle tijdperken van hun leven; de meeste

echter verlaten het water, nadat de gedaantewisseling afgeloopen

is, en houden zich vervolgens in vochtige gewesten op. In de echte

woestijn komen geen Amphibiën voor; zij ontbreken echter in geen

enkele streek, die geregeld, zij het dan ook slechts gedurende

een deel van het jaar, water bevat; want, evenals de inheemsche

soorten den winter, brengen ook zij het hiermede overeenstemmende

droge seizoen der tropische gewesten diep verborgen in het slijk (of

althans in holen) in schijndooden toestand door, om in het begin van

de volgende lente uit hun slaap te ontwaken. In alle warme landen,

waar een regelmatig wederkeerende regenperiode een afwisseling van

jaargetijden doet ontstaan, verdwijnen zij geheel, zoodra het droge

seizoen aanvangt en vertoonen zich weer, nadat de eerste regenbuien

gevallen zijn; uitgestrekte terreinen, waar men te voren geen

vermoeden had van hun aanwezigheid worden dan als met een tooverslag

door hen verlevendigd. Het aantal Amphibiën van al deze gewesten

is echter gering in vergelijking met dat der waterrijke oerwouden,

waar de vochtigheidstoestand gedurende het geheele jaar nagenoeg

onveranderd blijft en waar zelfs de boomkronen aan deze dieren nog de

gelegenheid bieden om voor de ontwikkeling van hun nakomelingschap te

zorgen. In de ontzaglijk uitgestrekte wouden van Zuid-Amerika en ook

in de oerwouden van Zuid-Azië zijn sommige familiën, zoowel wat het

aantal soorten als het aantal individuen betreft, buitengewoon sterk

vertegenwoordigd. In het water dat zich tusschen breede bladen, in urn-

of kanvormige bladstelen en bladschijven, in holle boomen en op andere

plaatsen verzamelt, leggen deze dieren hunne eieren en houden hunne

larven zich op. Terwijl hier iedere bruikbare verzamelplaats van water

bewoond wordt, om 't even of zij op den bodem dan wel in boomstammen

of boomkronen voorkomt, ontmoet men in de betrekkelijk drogere wouden

van Afrika veel minder Amphibiën. De moerassen en vochtige oerwouden

van Middel- en Zuid-Amerika zijn voor de Kikvorschachtige Amphibiën

een waar paradijs; in een groot deel van Afrika daarentegen ontbreken

zij bijna volkomen.

Hoe uitgestrekt het verbreidingsgebied van sommige soorten van

Amphibiën ook is, toch hecht ieder individu zich zeer sterk aan

een bepaalde plek. Deze heeft soms slechts weinige vierkante meters

oppervlakte: een middelmatig groote vijver en zelfs een poel, die

geregeld water bevat, kan tot woonplaats dienen aan honderden, zonder

dat deze licht bevredigde dieren er aan denken om te verhuizen; een

enkele boom in het oerwoud herbergt misschien tal van andere Amphibiën

gedurende het geheele jaar. Sommige soorten bewegen zich over een

grooter gebied, maar beschouwen een bepaald deel er van als hun

eigenlijke woonplaats en zoeken den hier gekozen schuilhoek telkens

weer op. Verhuizingen van eenige beteekenis komen bij de Amphibiën

slechts in zeer exceptioneele gevallen voor, waarschijnlijk alleen

dan, als een terrein zulke groote veranderingen ondergaat, dat het

niet meer voldoet aan de eischen, die zij moeten stellen; dit neemt

echter niet weg, dat ook zij het door hen bewoonde gebied in gunstige

omstandigheden allengs vergrooten en zich vestigen kunnen in oorden,

meer bepaaldelijk in wateren, waar zij vroeger niet aanwezig waren.

Het leven van de Amphibiën komt ons nog eenvormiger voor dan dat van

de Reptiliën, hoewel de meeste, wat vlugheid van beweging betreft,

niet bij de leden van de vorige klasse behoeven achter te staan en

hen zelfs, gedeeltelijk althans, overtreffen. In verband met hun

verblijf in 't water zijn alle Amphibiën, de Apoden misschien alleen

uitgezonderd, uitmuntende zwemmers; dit geldt niet alleen van de

larven, die als 't ware in den vischtoestand verkeeren, maar ook

van de volwassenen, om 't even of de pooten dan wel de staart het

belangrijkste bewegingsorgaan zijn. De larven zwemmen op de wijze

van de Visschen door schroefsgewijs draaiende bewegingen van den

staart. Dit blijft zoo bij eenige volwassene Amphibiën, n.l. bij

de Salamanders; de Kikvorschachtigen daarentegen zwemmen door

krachtige stooten met de voor dit doel zeer geschikte achterpooten,

op soortgelijke wijze als de mensch, met dit onderscheid, dat de

voorste ledematen bij hen niet medewerken. Ongetwijfeld zullen ook

de Apoden zich wel in 't water kunnen redden, daar ieder wormvormig

dier in dit geval door slangsgewijze kronkelingen van 't lichaam

vooruitkomt; wat deze bewegingswijze betreft staan zij echter bij

de leden der overige orden achter. Op het land bewegen de Amphibiën

zich op zeer verschillende wijzen. Alle Salamanders, met uitzondering

van eenige behendige soorten, strompelen en kruipen op plompe wijze;

de Kikvorschachtigen daarentegen verplaatsen zich met meer of minder

groote sprongen; eenige van hen kunnen ook klimmen en op deze wijze

de kroon van een hoogen boom bereiken; zij doen dit echter anders dan

alle tot dusver genoemde Gewervelde Dieren: zij springen van het eene

rustpunt naar een tweede, dat hooger gelegen is.

In één opzicht munten de meeste Amphibiën boven de Reptiliën uit. Van

deze zijn slechts weinige met een echte stem begiftigd; een groot

aantal Amphibiën daarentegen, meer bepaaldelijk die van de eerste orde,

bezitten het bijna verrassende talent van meer of minder klankvolle,

luide en afgeronde tonen voort te brengen. Verscheidene soorten van

Amphibiën maken van dit talent zulk een druk gebruik, dat zij onze

nachtrust verstoren en angstige gemoederen met vrees en zorg vervullen

kunnen. Toch zijn alleen de volwassenen in staat om te schreeuwen,

de larven en de jongen, soms ook de wijfjes, missen dat vermogen.

De noodige gegevens ontbreken nog om een juist oordeel te vellen

over de hoogere begaafdheden van de Amphibiën. Alle vijf zintuigen

zijn aanwezig en vooral de drie hoogste goed ontwikkeld. Hoewel

hun hersenwerkzaamheid zich openbaart op een wijze, die van een

betrekking tot de buitenwereld, van een zeker overleg getuigt, mag

men hen bij de meest geestlooze van alle Gewervelde Dieren rekenen;

hun verstand verheft zich nauwelijks boven dat der laagste Reptiliën

en staat beneden dat van de hoogste Visschen. Ofschoon zij dikwijls

in grooten getale bijeenleven, kan bij hen van echte gezelligheid geen

sprake zijn. Het is de gelijkheid van woonplaats en niet wederzijdsche

genegenheid, die hen vereenigt. Evenmin kan men bij het beoordeelen

van hun verstandelijke ontwikkeling een hooge waarde toekennen aan de

zorgen, die sommige aan hun kroost wijden. Waarschijnlijk zijn slechts

weinige Amphibiën dagdieren. Zij beginnen hunne werkzaamheden meestal

zoodra de schemering aanvangt of korten tijd daarna en blijven bezig

tot tegen den morgen; over dag rusten de meeste, maar doen dit op

zeer verschillende wijzen. Sommige zoeken eenvoudig een schuilhoek op

en blijven hier bijna zonder beweging tot den volgenden avond liggen;

andere verschaffen zich intusschen het genot van door de zon gekoesterd

te worden, begeven zich naar hiervoor geschikte plaatsen en brengen

den dag in een half sluimerenden toestand door; hun slaap is echter

nooit zoo vast, dat zij zich onvoorzichtig aan gevaar blootstellen,

of een buit, die in hun nabijheid komt, ongemoeid laten. Ook zij toonen

echter door vermeerderde bedrijvigheid, drukker gekwaak en dergelijke

bewijzen van opgewektheid, dat de nacht hun eigenlijke arbeidstijd is.

Tusschen de gedaantewisseling en de voeding bestaat een zeker

verband. Alle Amphibiën leven van roof; de buit, dien zij najagen,

verschilt in verband met den leeftijd. De larven voeden zich in haar

vroegste jeugd met allerlei kleine dieren. Zoodra de gedaantewisseling

afgeloopen is, maken zij jacht op al wat leeft en zich beweegt,

op dieren uit verschillende klassen en hoofdafdeelingen, op Wormen,

Gelede en Gewervelde Dieren; sommige vervolgen zwemmend hun buit,

andere trachten hem na een sprong met de snel naar buitengeslingerde

tong te vangen. Zij sparen niet eens hunne soortgenooten of verwanten,

maar verslinden deze even gretig als ieder ander dier, dat zij

kunnen overweldigen. Men heeft opgemerkt, dat enkele soorten van

Vorschen bij voorkeur andere leden van hun orde vangen en tot spijs

gebruiken. Naarmate de temperatuur stijgt neemt hun eetlust toe,

evenals bij de Reptiliën. In de zomer- en herfstmaanden zijn de

inheemsche Amphibiën zeer vraatzuchtig; in de lente eten zij weinig,

hoewel men wegens den voorafgaanden winterslaap het tegendeel zou

verwachten.

Na het ontwaken uit den winterslaap vangt de voortplantingsperiode

aan. Zoodra de eieren gelegd zijn, gaan mannetjes en wijfjes

hun eigen gang. Die welke op het land leven, verlaten het water,

de Landkikvorschen verspreiden zich over de akkers en weiden, de

Boomkikkers klauteren in de kronen der boomen, de Salamanders begeven

zich naar hun jachtgebied, alle beginnen hun eenvormig zomerleven,

waarin zij oogenschijnlijk zooveel behagen scheppen. De winterkoude,

in de tropische gewesten de droogte, maakt een einde aan de pret, door

allen te dwingen een schuilplaats op te zoeken, waar zij gedurende

het ongunstige seizoen in schijndooden toestand verkeeren.

Het eerste levenstijdperk van de Amphibiën is schielijk afgeloopen;

slechts weinige weken worden vereischt voor de ontwikkeling van

de larve tot een volkomen dier; daarna heeft de groei echter zeer

langzaam plaats. De Kikvorschen zijn meestal eerst in hun 4e of

5e levensjaar voor de voortplanting geschikt; zij nemen dan nog

steeds in omvang toe en bereiken misschien eerst op 10- à 12-jarigen

leeftijd hun definitieve grootte. Bij de Salamanders houdt de groei

nog langer aan; bij den Reuzensalamander van Japan tot op 30-jarigen

of hoogeren ouderdom. In verband met dezen langzamen groei staat

de lange levensduur; de Amphibiën, die aan een gewelddadigen dood

ontkomen, worden zeer oud, zelfs in omstandigheden, die voor ieder

ander dier noodlottig zouden zijn. Uit het leven van Padden in

gesloten holen blijkt, dat zij taaier zijn dan alle overige Gewervelde

Dieren. Enkele Amphibiën, o. a. de Salamanders ondervinden weinig

nadeel van verwondingen, die andere Gewervelde Dieren stellig niet

te boven zouden komen.

De Amphibiën worden uit blinde onkunde door vele menschen nog altijd

op onverantwoordelijke wijze vervolgd en gedood, hoewel geen dezer

dieren werkelijk schade aanricht of het vermogen bezit om ons kwaad

te doen. Volkomen ongegrond zijn de afkeer en de vrees, die zelfs

zoogenaamd ontwikkelde personen voor hen gevoelen. De verstandige

tuinman beschermt en behoedt de Padden, de Engelschen koopen ze

zelfs bij honderden op, om hunne tuinen van allerlei schadelijk

gedierte te bevrijden, de onbeschaafde (of althans onwetende) mensch

daarentegen doodt dit "leelijke" dier, waar hij het ook vindt. Voor

alle Amphibiën gevoelt ieder, die de natuur waarneemt, de vriendschap

en genegenheid, die vrij algemeen uitsluitend aan de Kikvorschen worden

betoond, ofschoon de overige leden der klasse haar in dezelfde mate

verdienen. Het slijm, dat door hun huid wordt afgescheiden, beschut

vele Amphibiën tegen de meeste roofdieren; zij, die geen vergiftige

huid als middel tot het afweren van vijanden bezitten, vallen aan een

ontzaglijk groot aantal zeer verschillende dieren ten buit. Zelfs de

mensch beschouwt de achterboutjes van eenige soorten van Kikvorschen

als een smakelijk gerecht. Een geluk is het voor hun geslacht en

misschien ook voor ons, dat een buitengewoon snelle vermenigvuldiging

alle op deze wijzen geleden verliezen spoedig weder aanvult!

EERSTE ORDE.

DE VORSCHEN (Ecaudata).

Ieder die een Kikvorsch aandachtig bekeken heeft, kent alle leden van

de eerste orde der Amphibiënklasse. De verschillen van lichaamsbouw,

die in deze orde voorkomen, hoewel niet gering of onbelangrijk,

gaan nimmer zoo ver, dat het mogelijk zou zijn een Vorsch of

Staartelooze Amphibie met een Salamander te verwarren. Een plompe,

eivormige of bijna vierhoekige romp, welks verbinding met den plat

gedrukten, breeden, aan den snuit spits toeloopenden of afgeronden,

wijdmondigen kop op zulk een wijze tot stand komt, dat men geen hals

kan onderscheiden, vier goed ontwikkelde ledematen en een meer of

minder gladde, naakte, glibberige huid zijn de uitwendige kenteekenen

van alle leden der eerste orde. De oogen zijn betrekkelijk groot

en zeer beweeglijk; de neusgaten kunnen meestal door eigenaardige

kleppen gesloten worden; de gehoororganen zijn groot en kenbaar aan

het trommelvlies, dat aan de oppervlakte gelegen is. Tusschen de

geslachten en soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil, wat het

maaksel der pooten, de gladheid en de dikte der huid, de aanwezigheid

en de verdeeling der slijm- of gif-uitzweetende klieren betreft.

Het geraamte is hoogst eenvoudig van samenstelling. De kop is van

boven naar onderen sterk samengedrukt, de hals, strikt genomen,

slechts aangeduid; de wervelkolom bestaat gewoonlijk uit 7, zelden

uit 6 wervels; het heiligbeen is een rolvormig of plat driehoekig

been geworden, waarmede van achteren een in 't middenvlak gelegen,

lang, staafvormig staartbeen en aan weerszijden een eveneens

langwerpig heupbeen verbonden is; de gordel van de voorste

ledematen is kraakbeenig en hangt uitsluitend door weeke deelen

met de wervelkolom samen; ribben zijn niet aanwezig behalve bij

de familie der Schijftongigen. Kleine, haakvormige tanden zijn

op de bovenkaaksbeenderen in den regel, op de ploegschaarbeenderen

dikwijls, op de gehemelte- en de onderkaaksbeenderen bij uitzondering

aanwezig. De zelden ontbrekende tong is slechts bij enkele soorten

over haar geheele lengte met den bodem van de mondholte vergroeid,

bij de meeste alleen met het voorste gedeelte vastgehecht dicht bij de

plaats, waar de beide onderkaakshelften zich vereenigen; het achterste

deel van dit orgaan is vrij, zoodat het buiten den mond geworpen kan

worden. Bijna alle hebben zeer groote, zakvormige longen en een goed

ontwikkeld, wijd strottenhoofd, dat dikwijls nog door eigenaardige

keelblazen of klankholten geholpen wordt bij het voortbrengen van

een luide, klankrijke stem. De hersenen hebben in verhouding tot de

geringe grootte van het lichaam een aanzienlijken omvang.

De Vorschen zijn over de geheele wereld, met uitzondering van de

poolgewesten, verbreid; zij ontbreken in geen der werelddeelen en op

geen der hoogtegordels; in de keerkringsgewesten bereikt deze groep

haar hoogste ontwikkeling. Minder dan andere Amphibiën zijn zij aan

bepaalde terreinen gebonden, daar de inrichting van hun lichaam hen tot

allerlei bewegingen in staat stelt. Verreweg de meeste Vorschen blijven

niet wonen in het water, waarin zij hun jeugd doorbrachten, maar

verbreiden zich in den omtrek, zij het dan ook binnen een beperkten

kring, welke steeds voldoen moet aan de voorwaarde, dat zij er de

vochtigheid vinden, die voor haar bestaan volstrekt noodig is. Hunne

verblijfplaatsen zijn zoo verschillend als die van eenig Amphibie

kunnen zijn. Zij komen overal voor, waar zij geschikte schuilplaatsen

kunnen vinden en in de gelegenheid zijn om voedsel, vooral Insecten,

te verkrijgen. Hun zomerleven onderscheidt zich echter aanmerkelijk van

hun leven gedurende het ongunstige jaargetijde, om 't even, of dit door

daling van de temperatuur of vermindering van den vochtigheidstoestand

voor hen ongunstig wordt. Hier te lande verschuilen verscheidene

soorten zich voor het einde van den herfst in het slijk van poelen

en plassen, waar zij gedurende het koude jaargetijde in een op den

dood gelijkenden slaap verkeeren. In zuidelijke landen dwingt de

droogte hen eveneens zich te verbergen. Gezelligheid is een grondtrek

van het karakter van alle bij of in het water levende Vorschen;

er ontstaat echter tusschen hen nooit eenig verband, zooals bij de

hoogere Gewervelde Dieren. Gelede Dieren, Wormen en Slakken maken

haar liefste voedsel uit; ook vischkuit en kleine vischjes dienen

hun tot spijs; de grootste vertegenwoordigers van de orde wagen het

zelfs kleine Zoogdieren en Vogels aan te vallen. Enkele Boomkikkers

voeden zich bijna uitsluitend met andere Amphibiën en wel vooral met

leden van hun eigen familie.

De voortplanting heeft bij de Europeesche Vorschen in de lente

plaats. De eieren (het rit) zijn onderling vereenigd tot snoeren

(b. v. bij de Padden) of tot onregelmatige klompen (b. v. bij de

Kikvorschen). De larven (dikkoppen, donderpadden, kikkervischjes)

missen nog de ledematen en de mondopening, maar zijn van een staart

voorzien. Onder de plaats, waar later de mondopening zal ontstaan,

bevinden zich 2 kleine, spoedig verdwijnende "hechtschijfjes". Weldra

ontspruiten aan weerszijden van den hals drie boomvormig vertakte,

uitwendige kieuwen; achter elke kieuw is een spleet (keelspleet),

waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap staat. Daarna

komt de mondopening tot stand en worden de kieuwen langzamerhand

door een van den kop naar achteren groeiende woekering van de

huid (het kieuwdeksel) overdekt en in een kieuwholte opgesloten;

intusschen verdwijnen de boomvormige kieuwen en wordt haar verrichting

overgenomen door inwendige, als tanden van een kam aan de kieuwbogen

gehechte kieuwplaatjes, welke veel op die der Visschen gelijken. Het

kieuwdeksel laat voor den afvoer van het water een opening vrij (de

kieuwspleet). Deze is bij de meeste inheemsche Vorschen (Rana Bufo,

Pelobates en Hyla) aan de linkerzijde van den hals gelegen, minder

dikwijls (Alytes, Bombinator) in 't midden van de keel. Terwijl

de kieuwen deze veranderingen ondergaan, hebben de randen van de

mondspleet zich met een hoornlaagje bedekt, dat verscheidene rijen

van fijne hoorntandjes draagt. Binnen in het lichaam merkt men

den spiraalvormig gekronkelden dunnen darm op. Daarna vertoonen

zich de achterste ledematen, die reeds een aanmerkelijke grootte

bereikt hebben, als de voorste ledematen zichtbaar worden. Van nu af

verdwijnen de larveorganen langzamerhand; de kieuwen verschrompelen,

de kieuwspleet groeit dicht, de longen beginnen dienst te doen; de

hoorntandjes en het hoornachtig bekleedsel van de kaken gaan te niet;

de staart wordt allengs korter en verdwijnt eindelijk geheel; tenslotte

is de staartelooze jonge Vorsch gereed om het water te verlaten.

Over 't algemeen zijn de Vorschen wakker en bedrijvig van aard;

nachtdieren zijn zij even goed als de andere Amphibiën, hoewel vele

ook over dag een grootere bedrijvigheid toonen dan bij andere leden der

klasse waargenomen wordt. Door hun geschiktheid tot beweging munten zij

boven al hunne verwanten uit: zij gaan of strompelen beter dan deze,

maken kolossale sprongen en doen dit op een buitengewoon behendige

wijze, zwemmen en duiken voortreffelijk en kunnen uren lang zonder

bezwaar op den bodem van het water doorbrengen. Zij zijn scherp van

gezicht, van gehoor en van reuk, zijn ondanks hun in 't oog vallende

gevoelloosheid, duidelijk geschikt tot het opmerken van drukking en

temperatuursverschil, waarschijnlijk ook, hoewel in geringe mate,

voor smaakprikkels gevoelig. Bij de andere leden hunner klasse kan

men moeilijk sporen van hoogere werkzaamheid van den geest ontdekken;

bij de Vorschen daarentegen worden duidelijk een nauwkeurige kennis

van de plaatselijke gesteldheid, benevens onderscheidingsvermogen,

geheugen en op ervaring berustende schranderheid waargenomen;

bovendien geven zij blijken van voorzichtigheid en schuwheid in hunne

betrekkingen tot andere wezens; zelfs openbaren zij eenige list bij

het kiezen van de middelen om aan een gevaar te ontkomen of om een

buit te bemachtigen; zij scheppen behagen in luide tonen, zooals

op onmiskenbare wijze blijkt uit hun goed ontwikkeld gehoororgaan

en uit de muziekuitvoeringen, die zij 's avonds geven. Al deze

eigenaardigheden maken de Vorschen voor ons veel aantrekkelijker dan

de andere Amphibiën.

Hoewel hunne stemmen minder verscheidenheid aanbieden, minder

omvangrijk, klankvol en zoetvloeiend zijn dan vogelengezang, staan zij

niet al te ver achter bij die van de meeste Zoogdieren. Zij brengen

allerlei geluiden voort, afwisselend van een ver hoorbaar gebrul, tot

een fijn gesjirp, van heldere fluittoonen tot een dof gejammer. Heesch

krascht de eene, volle, afgeronde tonen hoort men van de andere;

sommige sjirpen als Sprinkhanen, andere loeien als Runderen; het

op klokslagen gelijkende geluid van de Pad, bestaat uit afgebroken

tonen, door rustpauzen gescheiden; de Groene Kikvorsch daarentegen

draagt een uit vele coupletten samengesteld lied voor. Zoowel in de

oerwouden van Zuid-Amerika als in de keerkringslanden van Azië en

Afrika, in Australië niet minder dan in Europa, trekken de stemmen

van de Vorschen sterk onze aandacht en wekken onze belangstelling.

Onze welwillendheid verdienen de Vorschen niet slechts door

hun onschuldige vroolijkheid, maar ook doordat zij, wel verre van

schadelijk te zijn, nuttige werkzaamheden verrichten, welker beteekenis

stellig nog niet genoeg gewaardeerd wordt.

De Vorschen worden thans in twee onderorden gesplitst; de Tongvorschen

(Phaneroglossa) en de Tongloozen (Aglossa). Verreweg de meeste Vorschen

behooren tot de eerstgenoemde afdeeling, die zich kenmerkt door de

goed ontwikkelde tong en het gescheiden blijven der Eustachiaansche

buizen (de verbinding tusschen de trommelholte en de mondholte),

die dus met twee openingen aan het gehemelte eindigen.

Men kan in deze onderorde zeer duidelijk twee groepen onderscheiden:

bij de Stijfborstigen (Firmisternia), zooals de Kikvorsch, zijn

de beenderen van den schoudergordel onbeweeglijk met het borstbeen

verbonden; bij de Vrijborstigen (Arcifera) zooals de Pad, laten zij

een zijdelingsche verschuiving toe. De groep der Stijfborstigen omvat

6 familiën; slechts één van deze--de Echte Kikvorschen (Ranidae)--is

in Europa en Nederland vertegenwoordigd; zij omvat 22 geslachten;

alle Europeesche soorten behooren tot het geslacht Kikvorsch (Rana).

De Echte Kikvorschen hebben alleen in de bovenkaak tanden. De

pupil is bij sommige geslachten een verticale, bij andere een

horizontale spleet; de teenen eindigen bij sommige spits, bij andere

in hechtschijfjes; soms zijn alle voeten met zwemvliezen voorzien,

soms ontbreken zij aan de voorpooten, soms aan alle ledematen.

De meeste leden van deze familie ondergaan de hierboven beschreven

gedaantewisseling in het water; bij sommige heeft echter een deel

van den ontwikkelingsgang binnen het ei plaats, dat in dit geval

aanmerkelijk grooter is.

De Echte Kikvorschen bewonen in grooten getale de wateren van

gematigde en warme gewesten; zij komen voor in alle werelddeelen met

uitzondering van Australië. Nagenoeg overal hoort men hun nachtelijk

lied, want, evenals de Waterkikvorsch in ons vaderland, vestigen ook

zijne verwanten zich in lage zoowel als in hooge oorden, in stroomend

zoowel als in stilstaand water, indien dit niet te veel zout bevat,

ook op den vasten bodem, daar verscheidene soorten zich, evenals de

Boomkikvorschen, slechts gedurende den paartijd in 't water ophouden

en later vochtige weiden, velden en wouden tot woonplaats kiezen.

Overal hebben de in 't water wonende Kikvorschen nagenoeg dezelfde

levenswijze: een bedrijvig en vroolijk lente- en zomerleven met druk

geschreeuw en veel genoegen wordt gevolgd door een minder aangename

nabetrachting in den herfst, die als inleiding dient tot den maanden

langen slaap van den winter of van het droge seizoen. Diep verborgen

onder het slijk van de verstijvende of uitdrogende plassen wachten

de slapers den warmen lenteadem af, die de ijskorst doet smelten of

de eerste regenbuien, die de geblakerde en met spleten doorploegde

slijklaag verweekt en aaneenvoegt. Hier door warmte, ginds door vocht

wordt de natuur tot nieuw leven opgewekt; want gelijk bij ons de lente

aan de aarde haar prachtigste tooi verschaft, brengt het begin van

den regentijd in de keerkringsgewesten de schoonheden der natuur in

hoogere mate tot ontwikkeling. Waar onder een hemel, die zijne gaven

mild verspreidt, het klimaat in den loop van het jaar nagenoeg geen

verandering ondergaat, laten de wakkere waterzangers bijna onverpoosd

hun stem weerklinken. In het waterrijke Zuid-Amerika verneemt men

iederen avond en stellig na iedere regenbui het koor der Kikvorschen;

in de vochtige vlakten van Indië en West-Afrika ziet of hoort men

deze dieren het geheele jaar door.

Hier te lande kunnen de Kikvorschen hoogstens lastig worden door

de volharding, waarmede zij ons trachten te overtuigen van hunne

muzikale talenten; in andere werelddeelen geven sommige werkelijk

aanstoot door hun zeer luid gekwaak. De bij ons levende soorten

worden met het volste recht onder de nuttige dieren gerekend en

richten slechts bij uitzondering een onbeduidende schade aan; de

reusachtige leden van hun familie, die in Amerika en Indië leven,

vergrijpen zich daarentegen niet al te zelden aan het eigendom van

den mensch en maken zelfs jonge Eenden en Ganzen tot slachtoffers van

hunne rooverijen. Toch is men hun eigenlijk nergens vijandig gezind;

geen enkel volk beschouwt hen met den afkeer, waaronder de zoo nauw

met hen verwante Padden te lijden hebben. De meeste menschen scheppen

behagen in het voorkomen en de werkzaamheid der Kikvorschen en zijn

hun genegen; vele soorten heeft men tot den rang van wild verheven

en beloonen door hun smakelijk vleesch de moeiten van de jacht.

De Echte Kikvorschen zijn niet tevreden met de kleine hoeveelheden

vocht, die door de leden van sommige andere familiën voor de

ontwikkeling hunner jongen voldoende worden geacht, maar kiezen voor

dit doel steeds een water van eenige beteekenis. Ook in deze familie

treft men soorten aan, die voor de veiligheid van hun kroost zorgen,

door de eieren vastgehecht aan de oppervlakte van het lichaam gedurende

eenige weken mede te voeren. De meeste evenwel leggen hunne eieren

eenvoudig in het water en bekommeren zich er niet verder om. Bij

koud weer of op hoog gelegen plaatsen heeft de gedaantewisseling veel

langzamer plaats dan gewoonlijk en wordt hiervoor soms een tweemaal

zoo lange tijd vereischt. Hetzelfde verschijnsel wordt opgemerkt bij

larven, die in een kleinen waterbak geplaatst zijn en niet genoeg

voedsel krijgen.

Reeds lang hebben de inheemsche leden der Kikkerfamilie voor

wetenschappelijke proeven gediend; in den regel stond hun vangst dan

met een doodvonnis gelijk. Een beter lot valt hun ten deel, als zij

gevangen worden ten behoeve van de liefhebbers van dieren, die sedert

eenigen tijd begonnen zijn ook Kikvorschen in de kooi te houden; voor

tropische vormen worden woningen ingericht, die alle mogelijke gemakken

aanbieden; door goede behandeling geraken zij na korten tijd even goed

aan hun verzorger gewoon als de bekende weerprofeet, de Boomkikker.

"Brèkèkè!--brèkèkè brèkèkè!--koax toeoe!--brèkèkè brèkèkè!--brèkèkè

koearr brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè brèkèkè--brèkèkè brèkèkè brèkèkè

brèkèkè!--koax koax! toeoe toeoe! brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè!

"Wanneer de maan haar' stralen schiet

Klinkt uit den plas het kikkerlied,"

dat, naar het mij voorkomt, evenzeer bij den lentenacht behoort

als het lied van den Nachtegaal, al beweert Oken, dat men zich

voorstellen kan bij een gekkenhuis te staan, als men in de nabijheid

van een kikkersloot komt. Een onverholen vroolijkheid spreekt uit deze

eenvoudige klanken; hoe rauw zij ieder voor zich ook schijnen te zijn,

is er duidelijk overeenstemming in op te merken. "Brèkèkè" roept

de voorzanger van het geheele gezelschap en alle overige luisteren

zwijgend, om in het volgende oogenblik met dezelfde strophe of met

het doffe "koearr" in te vallen en op de van ouds bekende wijze voort

te kwaken. Zoodra de koele schemering aanvangt, wordt het gekwaak

algemeen; met meer volharding dan eenig ander nachtelijk lied wordt het

voortgezet; eerst tegen den morgen vermindert het rumoer in de plassen,

hoewel af en toe een enkele zanger, als 't ware onder den indruk van de

zalige herinnering aan de wijze waarop hij zich van zijn taak gekweten

heeft, niet nalaten kan een half ingehouden "koearr" te laten hooren.

Onze Groene Kikvorsch of Waterkikker, ook wel Kwaker, in Zeeland Puje,

in Friesland Froask genoemd (Rana esculenta), is een van de waardigste

vertegenwoordigers van zijn geslacht, dat in 140 soorten over de

geheele wereld verbreid is. Deze hebben alle een dwarsgerichte pupil

van eivormige gedaante, een slechts van voren vastgehechte, overigens

vrije, van achteren in twee slippen eindigende tong; de tanden van

de ploegschaarbeenderen vormen aan het gehemelte twee symmetrische

groepen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies is

meestal duidelijk zichtbaar; de vingers van de voorvoeten zijn

niet met zwemvliezen voorzien; de duim kan niet tegenover de andere

vingers gesteld worden; de teenen van de achtervoeten hebben volkomen

zwemvliezen; duidelijke opzwellingen komen aan de gewrichten voor;

het mannetje heeft meestal twee keelzakken, die opgeblazen worden om

het geluid te versterken.

Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën · 第 1 / 8 段