weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te
vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot,
die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig
overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf
vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven
de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en
dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen
daarin vergissen!
Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou
de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo
overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in
een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten
dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als
onverstoorbaar.
"Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven," herhaalde
Pescadospunt voortdurend.
Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde
met de vraag:
"Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben
ik nog al gemakkelijk."
"Wel," antwoordde Pescadospunt dan lachende, "dat gij een dikke,
vette rentenier gaat worden, en dat...."
"En dat?" vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. "Waarom gaat gij niet
voort? Zeg?"
"En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!"
"Mij?" riep de reus verbouwereerd uit. "Kom, ge houdt mij voor
den gek!"
"Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!"
"Ik, trouwen?... Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen,"
hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.
"Ja,... en met een lief klein vrouwtje!" ging Pescadospunt met een
onverstoorbaar ernstig gelaat voort.
"Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat
poetsen."
"Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje... Is je dat nu voor den
gek houden?"
"Waarom moet ze klein zijn?" vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch
geworden. "Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben."
"Verduiveld, ja... Je bemerking is juist... Een klein vrouwtje zou
niet bij je passen!..."
"Welnu?"
"Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang... Mevrouw
Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?... Zoo iets als
een klokketoren! Wat denkt ge er van?"
"Dat ge andermaal spot!"
"Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo'n vrouw bij de Patagoniers
gaan zoeken!"
"Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de
buurt! Goede reis!"
Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou
vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield
Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory
en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met
toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden,
welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij
gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden,
plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken
geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet
een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade
aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht,
bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te
worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets
was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend
wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de
herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!
De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets
anders. Een waar stroovuur!
Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte
verstikt, althans uitgesteld worden.
In den nacht van den 3den op den 4den December,--een uiterst kalme
nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd--weerklonk
plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van
dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.
Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het
Stadhuis zaten gezellig bij elkander.
De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den
avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De
dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate
ongerust achter.
Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat
het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den
centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had
men een ruim uitzicht.
Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men
zou niet lang in twijfel verkeeren.
De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje
aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de
vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende
duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd
door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.
"Wat denkt gij er van?" vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt,
die als in gedachten verzonken stond.
"Wij moeten den Raad bij elkander roepen," antwoordde deze, na een
oogenblik peinzen.
"Juist!" zeide Piet; "maar mij dunkt, dat er haast bij is."
In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook
Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos en Ködrik en de hoofden van
de militie op het Stadhuis vergaderd.
Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van
de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren
allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde
van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.
Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der
zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die
door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst,
ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder schel verlichtte, zou
het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten
te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten
meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor
die verkenning.
De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig
was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter
meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die
niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer
goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.
De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra,
dank zij der kracht van twee electrische stralenbundels, die de
zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot
voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den
gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.
De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel
spoedig.
Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede
linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres,
trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat
was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze
zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde
en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.
Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen
deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te
minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de
afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort
was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De
kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping
nu niet door eene altijd gevaarlijke branding bemoeielijkt zou
worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne
bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.
De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van
ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude
dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de
plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te
noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen,
hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te
dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der
kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten,
in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor
een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag
wilden afwachten.
Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de
electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder
weer in het duister gehuld werd. Dit geschiedde bij wijze van
voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.
Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af
te wachten.
Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel
van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon
toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd
gedeelte elders trachtte te landen.
Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt
veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten
slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.
Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan
konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen,
die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden,
dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers
en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.
Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste
zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog
den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt,
waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo
haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men
bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene
vijandelijkheden te vreezen had.
Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen
twijfel bestaan.
Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen
de batterijen van Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen,
was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak
het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon
zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne
overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld
zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten,
zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt
was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.
Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in
weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op
de oppervlakte der zee waren blijven hangen.
Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de
zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen
ontwaarde, was verre van geruststellend.
De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange
linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het
eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging,
dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.
Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht,
waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig
tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd
tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil,
waren er veel meer te bergen.
Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte
van het eiland Kenkrof aangekomen was.
Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten,
alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden,
zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de
mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking
kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk
daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag
voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden
dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.
Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof
de minuten uren waren.
Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het
eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene
ontscheping bewerkstelligen... Men tuurde... men wachtte...
Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het
gevaarlijke dier plek roken.
Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog
meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De
opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen
zoo krachtig zij maar konden.
De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen
begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter
gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is
het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men,
dat zij zeer sterk bemand was.
"Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!" zei
dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. "Is dat ook niet uw
oordeel? Spreek onbewimpeld!"
"Ja! ja!" riepen allen. "En wij zullen ons verdedigen! Als het moet,
tot den laatsten man!"
Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat
buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar
iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was
in weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk
bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden
zich in de hoofdplaats teruggetrokken.
Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich
over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg
het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk
hunne manschappen overzien.
De verdedigers van het eiland--bestaande uit hoogstens vijf honderd
militieplichtigen--werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen
den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der
stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel
voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht,
dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de
gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.
Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het
Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het
geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen
met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken,
waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige
stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.
Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten
nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven
gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen
binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker
vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen
van de _Ferrato_, met de _Elektrieks_, die als torpedo-dragers dienst
deden, alsook de slapende torpedo's in de geul een overkomelijke
hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou
zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien
kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat
zulks geschieden mocht. Evenwel,--en dat was voor een ieder maar al
te duidelijk,--het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel
de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook
scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid
van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid
eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de
haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en
volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het
zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het
beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig
vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken,
zooals ook vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof
te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende,
zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust
van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de
strandbatterijen kunnen teisteren!... Maar neen, de flottilje bleef
op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en
der mortieren.
In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch
eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek
bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het
derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare
verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde
vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.
Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de
blokken der mortieren aan het achtereinde omhoog getild waren,
om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter
nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel
de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte
te maken.
Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de
oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van
eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit
in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen,
andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo
voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner
en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een
eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen,
die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in
de diepte verdween.
Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene
betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien
storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte
door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon
uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring
vernomen. Soms sprong zoo'n hol projectiel juist bij de aanraking
van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in
alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa's en
fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden,
niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare
plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het
water onder de meest verschillende hoeken scheerden.
Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die
oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur
en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje,
die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.
Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt
de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden
werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.
De gezagvoerders Ködrik en Narsos bestegen met eenige kloekmoedige
zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de
haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende
watermijnen opleverden.
Een kwartier later stormden de beide _Elektrieks_ als het ware op
de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne
torpedo's vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een
dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.
Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden,
dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!
Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat
de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad
bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt
om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op
te zoeken. Een der _Elektrieks_ had door den schok ernstige schade
aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet
moest worden, om hem voor zinken te behoeden.
Intusschen was de _Ferrato_ niet werkeloos gebleven, maar had stelling
genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar
hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig
paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa
der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal
der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen
reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte
het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten
op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de
te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.
Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet
ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op
veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers
konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het
bereik van het vuur der stad gelegen was, en zelfs buiten dat der
kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.
Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden
uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een
volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen
volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten. Dat
liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.
Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou
de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk
worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.
Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten,
in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige
dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid,
den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte,
die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en
Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.
Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten de batterijen
met hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat
weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer
op te dringen, al meer en meer veld te winnen.
Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een
muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het
zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was
dan ook spoedig in puin gelegd.
Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden
van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne
zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval. Sarcany bevond
zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen,
door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.
Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen
gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand
daartoe was te groot.
Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog,
maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.