richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was
en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die
bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad
konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen
wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de
plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die
zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord
gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!
Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het
pleit beslecht worden!
De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook
schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen,
de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.
Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het
grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen
pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van
dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene
stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd
door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.
De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere
eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich
maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers
rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt
hebben.
"En hier!"
"En daar!" riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in
eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste
nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.
"Flink zoo, dierbare Kaap!" riep Pescadospunt, die zich ook
repte. "Stoot toe! Sla toe!"
"Wat willen ze?" schreeuwde Kaap Matifou woedend. "Laat ze maar
opkomen!"
"Sla ze dood!" antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend
herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.
Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen
moed stand.
Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe
drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het
punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk
van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.
Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen
het dadelijk vernemen.
De _Ferrato_ had op minder dan drie kabellengten afstand van
den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en
achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met
zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn
lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling
mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder
de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze
op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde,
die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.
Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet
alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter
ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne
vaartuigen door de projectielen van de _Ferrato_ verbrijzeld werden. En
dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.
Voor Oostersche volkeren bestaat er--hoe moedig ze ook zijn--niets
verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.
De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de
militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd
Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal
der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en
weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.
De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig
mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet
aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs
wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te
werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder
geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen
teruggeslagen.
Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken,
en--het moet erkend worden--de Senousisten volvoerden hunne
terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man
zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen,
om te sterven.
Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen,
die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om
terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.
"Vooruit!... vrienden!... Voorwaarts!" riep dokter Antekirrt "Er op
in!... En geen genade of medelijden!"
En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden
een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der
vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten
te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren,
dat van de _Ferrato_ en dat van de stad, zoodat van standhouden
geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te
heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of
acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van
de _Ferrato_ min of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon
zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.
Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden,
vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden:
die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen,
hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was,
dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.
En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich
tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te
onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden
trad.
Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental
hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er
in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen
reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. De
_Ferrato_ was van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen
geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen
en in den grond te boren.
In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte
van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de
nabijheid der zee lag.
Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met
bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen,
zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en
de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het
werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch
krachtvolle stem:
"Hierheen, Pescadospunt, hierheen!... Gauw! Gauw toch!... Hierheen! Er
is geen minuut te verliezen!"
Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en
begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de
richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte
nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij
het zundgat.
Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en
verbrijzelde dien... maar de reus trilde zelfs niet onder den
terugstoot van het stuk geschut.
Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het
meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich
uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.
Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato
dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was
de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in
eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen
en beenen stevig knevelde.
De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet
durven hopen.
Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren,
ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij
konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust
gaan mededeelen.
In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta
geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van
de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.
XI.
GERECHTIGHEID.
Graaf Mathias Sandorf had zijne dankbaarheidsschuld tegenover Maria
en Luigi Ferrato voldaan. Die beiden waren in eene fraaie villa
gehuisvest, terwijl zij overigens voor hun geheele leven geborgen
waren.
Mevrouw Bathory, haar zoon Piet en zijne eigene dochter Sava
Sandorf waren thans met elkander vereenigd. Na beloond te hebben,
bleef niets anders over, dan te straffen. Aan de gerechtigheid moest
voldaan worden.
Gedurende de eerste dagen, die op de nederlaag der Senousisten volgden,
was het personeel van het eiland Antekirrta druk in de weer geweest,
om de gesneuvelden te begraven en de gekwetsten te verplegen, om de
geleden schade te herstellen, en alles weer in orde te brengen. Eenige
weinige onbeduidende verwondingen niet medegerekend, waren Piet
Bathory, Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap Matifou,--dat wil zeggen
al diegenen, welke meer in het bijzonder bij de verwikkelingen van
dit drama betrokken waren,--er heelhuids afgekomen. Dat zij zich in
de hitte van den strijd niet ontzien hadden, daarvan kan de lezer
overtuigd wezen. Welke vreugde er dan ook heerschte toen zij zich weer
met Sava Sandorf, met Maria Ferrato, met mevrouw Bathory en haren ouden
dienaar Borik in de groote zaal van het Stadhuis te zamen bevonden,
is eenvoudig onmogelijk te beschrijven. Zoo iets laat zich beter
gevoelen dan onder woorden brengen.
Na op de meest plechtige wijze de laatste eer bewezen te hebben aan
het aardsche omhulsel van hen, die in den strijd omgekomen waren,
hervatte de kleine kolonie hare gewone bezigheden, die ongetwijfeld
niet meer onderbroken zouden worden. De nederlaag toch, door de
Senousisten geleden, was zoo afdoend mogelijk geweest, en hadden
de aanvallers daarbij zulke bloedige verliezen geleden, dat zulk
een ramp wel geschikt was, om hen van verdere ondernemingen op het
eiland Antekirrta af te schrikken. Daarenboven was Sarcany, die hen
tot dien veldtocht aangezet had, niet meer onder hen, om die dwepers
door zijne gevoelens van haat en zijn dorst naar wraak te bezielen.
Om evenwel op iedere mogelijke gebeurlijkheid voorbereid te zijn,
was dokter Antekirrt er op bedacht, het verdedigingstelsel van het
eiland in den kortst mogelijken tijd te voltooien. Niet alleen, dat
de hoofdplaats Artenak dadelijk tegen eene overrompeling beveiligd
werd, maar het eiland zelf zou geen enkel kwetsbaar punt meer langs
zijn omtrek aanbieden, waar eene vijandelijke macht ongestraft zou
kunnen landen. Met die werkzaamheden werd dadelijk begonnen en geen
rust werd gegund, voordat zij voleindigd waren.
Eene andere zorg van den dokter was, om nieuwe, maar vooral om
geschikte kolonisten naar zijn eiland te lokken, wien door de zeldzame
vruchtbaarheid van den bodem eene behoorlijke welvaart verzekerd kon
worden. Bij zijn vaderlijk bestuur was dat zoo moeielijk niet.
Middelerwijl was er niets meer, dat aan het huwelijk van Piet
Bathory met Sava Sandorf eenigen hinderpaal in den weg kon
leggen. De voltrekking der plechtigheid werd nu op den 9den December
bepaald. Niets zou daarin meer verandering brengen. Of die beide
jongelieden ook gelukkig waren! Maar zij niet alleen. De geheele
bevolking deelde in hun geluk.
Pescadospunt was dan ook volijverig in de weer, om de voorbereidende
maatregelen voor de publieke vermakelijkheden te treffen. Hij was
daarmede reeds eenigermate bezig geweest, maar was door den inval der
zeeschuimers van het Cyrenaïsche gebied in de volvoering zijner taak
vertraagd geworden. Dat uitstel moest en zou hij inhalen.
Er bleef intusschen nog eene andere, maar meer treurige zaak te
beëindigen.
Er moest toch omtrent het lot van Sarcany, van Silas Toronthal en
van Carpena beslist worden.
Deze misdadigers zaten afzonderlijk in de kazematten van het fortje
van Antekirrta opgesloten, en wisten zelfs niet, dat zij zich alle
drie in de macht van dokter Antekirrt bevonden. Wie zou hen dat ook
verteld hebben?
Den 6den December, dus twee dagen na den aftocht der Senousisten,
deed de dokter hen in de groote zaal van het Stadhuis, waarin hij zich
met Piet Bathory en met Luigi Ferrato ter zijde hield, voorbrengen.
Daar was het, dat de gevangenen elkander voor het eerst, maar thans
in tegenwoordigheid der rechtbank van Artenak en bewaakt door een
gewapend detachement der militie van Antekirrta, wederzagen. Dat
wederzien miste zijne uitwerking niet, hoewel bij ieder hunner,
naarmate van hunne geaardheid, verschillend waarneembaar.
Carpena scheen ongerust; maar daar hij niets van zijn arglistigen
aard verloren had, wierp hij rechts en links steelsgewijze blikken,
doch durfde zijne oogen niet op zijne rechters vestigen. Dat verleende
hem een schuw en angstig uiterlijk, dat niet voor hem innam.
Silas Toronthal was zeer ter neer geslagen en hield het hoofd diep
gebogen. Als instinctmatig vermeed hij zorgvuldig iedere aanraking met
zijne medeplichtigen. Hij schoof zoo ver van hen af, als hij maar kon.
Sarcany werd slechts door een eenig gevoel beheerscht, namelijk door
verwoedheid, dat hij in handen van dokter Antekirrt gevallen was. Die
gedachte was hem onverdragelijk; dat was uit zijn geheele voorkomen
op te merken.
Toen die drie voor de rechtbank van Artenak, welke uit de voornaamste
magistraten en notabelen van het eiland samengesteld was, gebracht
waren, trad Luigi tot voor de rechters, nam toen met hun verlof het
woord en wendde zich tot den Spanjaard:
"Carpena," zei hij, "kijk mij aan! Ik ben Luigi Ferrato, de zoon
van den visscher van Rovigno, die ten gevolge van uw laaghartig
verraad naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij ellendig
gestorven is!"
Carpena had voor een oogenblik het hoofd opgeheven en den spreker
schuw aangekeken. Toorn deed een blos naar zijn hoofd schieten en
schenen zijn oogen met bloed beloopen. Dus het was wel degelijk Maria
Ferrato, die hij in de steegjes van het Manderaggio-kwartier te Malta
had meenen te herkennen, en het was Luigi Ferrato, haar broeder, die
hem thans die aanklacht in de ooren deed klinken. Verdoemenis! hij
had zijne toekomst in handen gehad!
Piet Bathory trad daarop voor. Eerst strekte hij de hand naar den
bankier uit.
"Silas Toronthal", sprak hij, "ik ben Piet Bathory, de zoon
van Stephanus Bathory, den Hongaarschen patriot, dien gij, in
gemeenschap handelende met Sarcany, uwen medeplichtige, laaghartig
hebt verraden aan de Oostenrijksche politie te Triëst, en wiens dood
gij dientengevolge berokkend hebt."
En zich toen tot den Tripolitaan, die hem met verbeten woede
aanstaarde, wendende:
"Ik ben Piet Bathory, dien gij hebt pogen te vermoorden in de straten
van Ragusa! Ik ben de verloofde van Sava, de dochter van graaf Mathias
Sandorf, die gij vijftien jaren geleden van het kasteel te Artenak
hebt doen ontvoeren!"
Silas Toronthal gevoelde zich, alsof hij door een knodsslag op het
hoofd getroffen werd, toen hij Piet Bathory herkende, dien hij sedert
lang dood waande.
Sarcany daarentegen had de armen over de borst gekruist. Behalve dat
zijne oogleden lichtelijk beefden, vertrok zich geen spier van zijn
gelaat en bewaarde hij een uittartend stilzwijgen.
Geen antwoord werd door Silas Toronthal of Sarcany gegeven. Wat zouden
zij hun slachtoffer, dat als het ware uit het graf verrezen was,
om hen te beschuldigen, ook hebben kunnen zeggen?
En toch was het ergste nog niet gekomen. Hoe geheel anders werd het,
toen dokter Antekirrt op zijne beurt oprees en met ernstige stem zeide:
"En ik, ik ben de vriend van graaf Ladislas Zathmar en van Stephanus
Bathory, die tengevolge van uw beider verraad in de vesting van Pisino
doodgeschoten zijn! Ik ben de vader van Sava, die gij ontvoerd hebt, om
u van haar vermogen meester te maken!... Ellendelingen, ziet mij aan!"
"Maar wie zijt gij dan?" vroegen Silas Toronthal en Sarcany bijna
tegelijkertijd.
"Ik?... Ik ben graaf Mathias Sandorf!"
Ditmaal was de uitwerking van die verklaring zoodanig, dat de knieën
van Silas Toronthal knikten, en hij bijna ter aarde stortte; terwijl
Sarcany het hoofd boog, alsof hij zich verbergen wilde.
Toen werden de drie beschuldigden achtereenvolgens verhoord. Zij konden
hunne misdaden niet ontkennen, en die misdaden waren van dien aard, dat
op geen erbarmen te hopen viel. De voorzitter der rechtbank herinnerde
Sarcany, dat de aanslag op het eiland, die voor zijn persoonlijk belang
ondernomen was, het leven aan verscheidene bewoners van het eiland
gekost had, en dat het bloed der slachtoffers om wraak schreeuwde.
"Door uw toedoen is onschuldig bloed vergoten," sprak hij plechtig,
"gij zijt des doods schuldig!"
Daarna werd den beschuldigden de gelegenheid en ook de volle vrijheid
gegeven, om zich te verdedigen.
Eindelijk paste hij de wet toe, volgens welke hij de rechtspleging
voerde en krachtens welke hij het voorzitterschap van die rechtbank
uitoefende.
"Silas Toronthal, Sarcany, Carpena," zei hij, "gij hebt wetens en
willens den dood veroorzaakt van Stephanus Bathory, van Ladislas
Zathmar, van Andreas Ferrato! Wij veroordeelen u ter dood!"
"Zooals gij het goedvindt!" antwoordde Sarcany, wiens onbeschaamdheid
weer de overhand verkreeg.
"Genade!" smeekte Carpena met lafhartig gebaar. "Mijne heeren, ik
smeek om genade!"
Een blik op zijne rechters overtuigde hem, dat hier geen genade te
verwachten was.
Silas Toronthal was eene onmacht nabij. Het was hem onmogelijk een
enkel woord te uiten.
Men bracht de drie veroordeelden naar hunne gekazematteerde vertrekken
terug, alwaar zij van stonde af, nog meer van nabij bewaakt werden. Elk
hunner kreeg nu een schildwacht voor hunne kazemat, die, voor de
geopende deur op post staande, hen niet uit het oog verliezen mocht,
en zelf onder strenge controle van een der militie-officieren stond.
Van welken aard zou de doodstraf zijn, welke men die ellendelingen
zou laten ondergaan?
Zouden zij op eene eenzame en afgelegen plek van het eiland
doodgeschoten worden? Maar dan ware de bodem van Antekirrta
verontreinigd met het bloed van die verraders! Daartegen kwam een
ieder op. Er werd dan ook besloten, dat het vonnis op het eiland
Kenkrof ten uitvoer gelegd zoude worden. Kenkrof behoorde als het
ware niet tot Antekirrta.
Dienzelfden avond werden de drie veroordeelden aan boord van een der
_Elektrieks_, die met tien matrozen onder de bevelen van Luigi Ferrato
bemand was, gebracht. Dat vaartuig voerde hen naar het eilandje over,
waar zij tot het aanbreken van den dag moesten wachten, om hun vonnis
te ondergaan.
Sarcany, Silas Toronthal en Carpena verkeerden noodzakelijk in de
meening, dat het stervensuur voor hen aangebroken was. Toen zij dan
ook ontscheept waren, stapte Sarcany recht op Luigi Ferrato toe.
"Moeten wij er van avond aan gelooven?" vroeg hij op onbeschaamden
sarcastischen toon.
Luigi antwoordde niet. De drie veroordeelden werden alleen gelaten
en de nacht was reeds ingetreden, toen de _Elektriek_ in de haven
van Antekirrta wederkeerde en het anker uitwierp.
Het eiland was nu van de bezoedelende tegenwoordigheid der verraders
bevrijd. Wat eene ontvluchting van het eilandje Kenkrof betrof, die
was eenvoudig onmogelijk. Een zeearm van twintig mijlen breedte,
scheidde het van het vaste land. De misdadigers bevonden er zich
zonder hulpmiddelen hoegenaamd, en er viel niet aan te denken, den
zeearm over te zwemmen.
"Weet ge wat ik denk?" vroeg Pescadospunt aan zijn vriend Kaap
Matifou. "Zeg, weet gij dat?"
De reus krabde zich achter een oor. In het raden van andermans
gedachten was hij nooit een held geweest. Zelfs kon hij de zijnen
niet altijd onder woorden brengen.
"Drommels!" antwoordde hij, "dat is niet gemakkelijk te raden!... Ik
geef het op!"
Pescadospunt lachte bij dat antwoord. Hij kende zijn trouwen makker.
"Volgens mij," vervolgde hij, "zullen die ellendelingen, voordat
morgen de dag aanbreekt, elkander daar op dat eilandje verslonden
hebben! Meent gij dat ook niet?"
"Pouah!" riep Kaap Matifou met walging uit. "Een onsmakelijk
beafstuk! Nog erger dan levende slangen!"
Die laatste nacht voor de veroordeelden werd onder die omstandigheden
doorgebracht.
Op het Stadhuis merkte men evenwel op, dat graaf Mathias Sandorf geen
oogenblik rust nam. Hij had zich in zijne kamer opgesloten, en liep
dat vertrek, hetwelk hij eerst tegen vijf uren in den ochtend wilde
verlaten, onafgebroken op en neer. Toen de dag aangebroken was, begaf
hij zich naar de groote zaal, alwaar hij Piet Bathory en Luigi Ferrato
dadelijk bij zich liet komen. Het was voor hem geen kleinigheid,
over drie menschenlevens te beschikken.
Middelerwijl was eene afdeeling der militieplichtigen op het
binnenplein van het Stadhuis aangetreden en stond gereed, om op het
eerste bevel zich naar het eiland Kenkrof in te schepen. Dat zou het
executie-peloton zijn.
Graaf Mathias Sandorf trad de beide geroepenen tegemoet, en greep
hen ieder bij eene hand.
"Piet Bathory, Luigi Ferrato," vroeg hij met van aandoening bewogen
stem, "niet waar? de meest stipte rechtvaardigheid, de meest
uitgebreide onpartijdigheid heeft voorgezeten, toen die verraders
ter dood veroordeeld werden?"
"Ja!" antwoordde Piet Bathory met vastberaden stem. "Dat getuig
ik volgaarne!"
"Ja!" herhaalde Luigi Ferrato, even onwrikbaar. "Ook ik ben gereed
dat te getuigen!"
"Zij hebben den dood ten volle verdiend!" vervolgde de eerste plechtig
en ernstig.
"En iedere aanspraak op medelijden of genade verbeurd!" beaamde
de andere.
"Is dat de meening van uw hart, de overtuiging van uw geweten?" vroeg
de graaf.
"Ja, dat is zij!" antwoordde Piet. "Volgens mijne overtuiging,
volgens mijn geweten!"
"Ja!" knikte Luigi, terwijl hij graat Mathias als bezegeling van zijn
gebaar de hand drukte.
"Dat dan de gerechtigheid haren loop hebbe! en dat God hen die
vergeving schenke, welke de stervelingen aan zulke misdadigers niet
kunnen verleenen!... Dat het Opperwezen hunne zielen genadig zij!.."
Nauwelijks had graaf Mathias Sandorf die plechtige woorden
uitgesproken, toen eene verschrikkelijke ontploffing vernomen werd,
die zoowel het geheele eiland Antekirrta als het Stadhuis op hunne
grondvesten deed schudden. Het was alsof een hevige aardbeving de
aardkorst deed golven en trillen. Het was alsof inderdaad de laatste
dag aangebroken was!
Graaf Mathias Sandorf, Piet Bathory en Luigi Ferrato stormden naar
buiten, terwijl de geheele bevolking van Artenak, ten hevigste
verschrikt en beangst, in de grootste ontsteltenis hare woningen
ontvlood.
Een verschrikkelijke zuil van vlammen, rook en stoom, vermengd
met groote rotsblokken en kleinere steenen, en gepaard met een
ontzettenden knal, schoot naar het luchtgewelf tot eene onmetelijke
hoogte voort. Kort daarop vielen de harde lichamen, kletterend als
hagel, rondom het eiland neer, en deden de wateren der Middellandsche
zee in wilde golven hoog opstuiven, terwijl eene dikke wolk als
een lijkfloers boven de oppervlakte bleef hangen. Die wolk had eene
akelige loodkleur en verdween eerst langzamerhand.
Van het eilandje Kenkrof en van de drie ter dood veroordeelden bleef
niets over. De uitbarsting had alles en allen vernietigd. De golven
der zee sloegen met woest geweld te zamen over de plek, waar het
eilandje gestaan had, en verstrooide wat er drijvende van overgebleven
mocht zijn.
Wat was daar toch gebeurd? Dat is wel te gissen.