Het was daarenboven niet noodig. Drie voeten boven het terras was

een opening in den vorm van een schietgat in den muur van het minaret

gebroken. Dat gat was wel een beetje nauw, maar onze Pescadospunt was

niet dik. Daarenboven had hij wel iets van een kat, die zich uitrekken

kan en door openingen glijdt, die aanvankelijk geen doortocht schijnen

te kunnen verleenen. Hij probeerde, en ... weldra bevond hij zich in

het minaret, evenwel niet zonder zijne schouders eenigszins geschaafd,

niet zonder zijne knieën wat ontwricht en zijne scheenbeenen ontveld

te hebben. Maar zoo iets deerde hem weinig. Dat kwam bij hem niet

in aanmerking.

"Ziet, dat zou Kaap Matifou met al zijne kracht onmogelijk hebben

kunnen uitvoeren," dacht hij niet zonder grond.

En hij lachte bij de gedachte aan de dikke zware gestalte van Kaap

Matifou in dat nauwe schietgat.

Toen keerde hij op den tast af naar de deur, waarvan hij thans den

grendel terugschoof, ten einde gebruik van dien doortocht te kunnen

maken, wanneer hij denzelfden weg terug moest. En zoo iets was toch

zeer goed mogelijk, niet waar? Hij moest in zijne omstandigheden op

alles bedacht zijn.

Terwijl hij de wenteltrap afdaalde, liet Pescadospunt zich meer

omlaag glijden, dan dat hij steun op de treden zocht, die door de

drukking zijner voeten konden kraken. Zoo iets moest in de eerste

plaats vermeden worden.

Beneden vond hij andermaal eene deur; maar hij had slechts noodig,

om tegen haar te duwen, om die op hare hengsels te zien draaien. Dat

ging gemakkelijk genoeg.

Die deur gaf toegang tot eene galerij, die op zuiltjes rustte en de

eerste patio omgaf, en waarop een zeker getal vertrekken uitkwamen. Op

de trap had eene dikke duisternis geheerscht; die galerij bevond zich

in een schemerdonker, dat minder somber was. Hier kon hij ten minste

met behulp zijner oogen voortschrijden, terwijl dat op de trap slechts

op den tast had kunnen geschieden.

Overigens werd er nergens licht en ook nergens eenig geluid hoegenaamd

waargenomen.

In het midden van de patio bevond zich een bekken, gevuld met

helder frisch water, en omgeven door tuinbeddingen, waarin fraaie

sierplanten, zooals peperstruiken, dwergpalmen, lauriersoorten,

cactussen, enz. groeiden, welker weelderig groen als een dicht boschje

rondom den oever vormde.

Pescadospunt sloop die galerij, zoo zacht hem maar mogelijk was, rond,

terwijl hij voor iedere kamer stilhield, om te luisteren. Het was,

alsof die onbewoond waren. Allen evenwel niet, want achter een der

deuren vernam hij stemmen, die hij duidelijk kon onderscheiden. Ja,

daarin kon hij zich niet vergissen. Hij hoorde spreken.

Aanvankelijk stoof Pescadospunt eenige passen achteruit; want hij

had de stem van Sarcany herkend. Dwaling was onmogelijk; want die

stem had hij te Ragusa meermalen gehoord. Hij trad weer naderbij;

maar hoewel hij zijn oor tegen het paneel der deur hield, kon hij

toch onmogelijk verstaan, wat in die kamer gesproken werd.

Er kwam een oogenblik, dat een ander en een harder geluid vernomen

werd. Pescadospunt had nauwelijks tijd, om achteruit te springen, en

achter een der grootste struiken, die rondom het waterbekken stonden,

te schuilen.

Sarcany trad de kamer uit. Een Arabier van groote gestalte vergezelde

hem. Beiden vervolgden hun gesprek, terwijl zij onder de galerij van

de patio rondwandelden. Drommels, een oogenblik vroeger, dan ware de

bespieder onvermijdelijk ontdekt geweest.

Ongelukkiglijk kon Pescadospunt onmogelijk verstaan, wat Sarcany en

zijn makker spraken; want zij bezigden bij hun onderhoud de Arabische

taal, waarvan de schrandere kerel, helaas! niets verstond. Twee

woorden evenwel troffen hem, of beter gezegd, twee namen, die

van Sidi Hassan--het was inderdaad de Moquaddem, die met Sarcany

praatte,--daarna de naam van Antekirrta, die herhaaldelijk in het

gesprek voorkwam.

"Dat is op zijn minst genomen vreemd," mompelde Pescadospunt

natuurlijk onhoorbaar, "waarom spreken zij over ons eiland, over

Antekirrta?.... Zou de Moquaddem Sidi Hassan, Sarcany en al die

Tripolitaansche zeeschuimers een aanslag op ons dierbaar eiland

smeden?... Duizend duivels!... En dan niets van die taal, die door die

twee schoften gebezigd werd, te kunnen verstaan!... Het was inderdaad,

om wanhopig te worden!"

Pescadospunt spitste de ooren en trachtte nog een ander verdacht woord

op te vangen. Hij zorgde evenwel nauwlettend, dat hij in het groen

verborgen bleef, wanneer Sarcany en Sidi Hassan het waterbekken nabij

kwamen. Maar de nacht was donker genoeg, zoodat zij hem onmogelijk

ontwaren konden.

"Als Sarcany maar alleen in die galerij ronddoolde," sprak Pescadospunt

bij zich zelven, "dan kon ik hem bij de keel grijpen en buiten staat

stellen, om verder schadelijk of gevaarlijk te zijn! Maar... daarmede

zou Sava Sandorf niet geholpen zijn. En het is om haar te redden,

dat ik dien gevaarlijken sprong over den omheiningsmuur volbracht

heb!... Geduld!... Ja, geduld! Wij moeten wachten!... Sarcany's beurt

zal ook wel komen, dat beloof ik hem, en wat ik beloof, volbreng ik;

want... belofte maakt schuld."

Het gesprek en de wandeling van den Moquaddem Sidi Hassan met Sarcany

duurden ongeveer twintig minuten. Sava's naam werd ook herhaaldelijk

uitgesproken met de aanwijzende bijvoeging van "arouch" Pescadospunt

herinnerde zich dat woord meer gehoord te hebben, dat "bruid" of

"verloofde" in het Arabisch beteekent. De Moquaddem was klaarblijkelijk

met de plannen van Sarcany bekend en leende er de hand toe.

Eindelijk verlieten die twee mannen de patio door een der hoekdeuren

van de galerij, die toegang verleende tot de overige bijgebouwen van

de ruime woning. Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst

van den koenen bespieder.

Zoodra zij verdwenen waren, kwam Pescadospunt weer te voorschijn en

sloop door de galerij tot bij die deur. Zij was niet gesloten. Hij

behoefde haar slechts open te duwen, om zich in een smalle gang te

bevinden, waarvan hij den muur, met de hand betastende, behoedzaam

volgde. Aan het einde van die gang rondde zich een dubbel booggewelf

af, dat door een middenzuil gedragen werd. Dat gewelf verleende toegang

tot een tweede binnenplaats of patio. Hier moest onze verspieder met

verdubbelde omzichtigheid tewerk gaan.

Vrij levendige lichtstralen drongen toch tusschen de zuilen door,

waarlangs de skiffa lucht en licht van uit die patio ontving,

en vormden breede lichtsectors op den vloer. Het ware uiterst

gevaarlijk geweest die in dit oogenblik te overschrijden. Het geluid

van talrijke stemmen liet zich toch vernemen van achter de deur van

een der zalen, welke op die tweede patio uitkwamen. Het begon er voor

onzen Pescadospunt inderdaad bedenkelijk uit te zien.

Hij aarzelde dan ook een oogenblik, maar ook slechts één enkel;

want aarzelen kwam met zijne geaardheid weinig overeen.

Wat hij zocht, was de kamer, waarin de rampzalige Sava opgesloten

was. Hij mocht op niets anders dan op het toeval rekenen, om dat

vertrek te ontdekken. Of hem dat toeval dienen zou? Dat zullen

wij zien.

Een licht verscheen eensklaps aan het andere uiteinde van die

binnenplaats. Eene vrouw, die eene rijk met gedreven koperwerk

versierde Arabische lantaarn droeg, trad eene kamer uit, die in den

tegenovergestelden hoek der patio gelegen was, en volgde de galerij,

waarop de deur der skiffa uitkwam.

Pescadospunt herkende die vrouw dadelijk.... Neen, maar hierbij was

dwaling onmogelijk!

Het was Namir. Ja, Namir! Dat was toch al eene zeer gunstige uitkomst,

niet waar?

Daar het mogelijk was, dat de Marokkaansche vrouw zich naar het

vertrek begaf, waar het jonge meisje zich bevond, moest het middel

uitgedacht worden, om haar te kunnen volgen. En om haar te kunnen

volgen, moest onze verspieder haar vooraf doortocht verleenen, zonder

dat hij ontdekt werd. Dat was in de eerste plaats noodzakelijk,

dat moest Pescadospunt erkennen.

Dit oogenblik zou beslissend zijn omtrent het welslagen van de

stoutmoedige poging van Pescadospunt, ook omtrent het lot van Sava

Sandorf. Ziedaar, wat het brein van den stoutmoedigen acrobaat in

een ondeelbaar oogenblik doorkruiste.

Namir kwam naderbij. Hare lantaarn, die zij laag bij den grond droeg,

liet het bovengedeelte der galerij in eene duisternis, te zwarter

naarmate de mozaïek-vloer te scherper verlicht werd. Daar zij nu

onder het booggewelf moest voorbijgaan, wist Pescadospunt waarachtig

niet, hoe het aan te leggen, om niet bespeurd te worden, toen eene

lichtstraal der lantaarn hem liet bemerken, dat het bovengedeelte van

dat booggewelf uit arabesken bestond, die _à jour_ of doorzichtig

volgens den Moorschen bouwtrant opgetrokken waren. Toen had hij

inderdaad een kostelijken inval.

Langs de middenzuil opklouteren, zich aan een dier arabesken

vastklemmen, zich aan zijne handen optillen, zich verschuilen in het

middenogief, en daar als een heiligenbeeld in zijne nis onbewegelijk

blijven, was voor onzen Pescadospunt het werk van een oogenblik. Met

de vlugheid van een aap en de lenigheid eener kat was hij naar boven

gevlogen.

Namir vervolgde haren weg, trad onder het booggewelf voort, zonder

erg en natuurlijk zonder den indringer te bespeuren, ging langs de

andere zijde der galerij recht op de deur af der skiffa en opende

die met den sleutel, dien zij in de hand hield.

Een bundel lichtstralen schoot dadelijk naar buiten, maar doofde

onmiddellijk weer uit, toen die deur achter haar gesloten werd. Alles

was weer zwart als de nacht onder dat sombere booggewelf.

Pescadospunt dacht na. En waarlijk, waar kon hij beter zitten dan in

die nis, om aan zijne overpeinzingen bot te vieren? Het was inderdaad,

of die nis er voor bestemd was. Hij zat daar ineen gedoken met de

handen onder de kin en de ellebogen op de knie gesteund.

"Ja, het is Namir, die daar dat vertrek binnengetreden is," mompelde

hij. "Daaraan valt niet te twijfelen! Het is dus klaarblijkelijk, dat

zij zich niet naar de kamer van Sava Sandorf begaf!... Maar zij kwam

er wellicht vandaan?... En als dat zoo is, dan ligt die kamer aan het

andere uiteinde van de binnenplaats.... Daaromtrent moet ik zekerheid

hebben! Het oude wijf kwam daar vandaan, als ik mij niet vergis."

In gedachte wees Pescadospunt op dat gedeelte der galerij, waar Namir

het eerst verschenen was.

Hij wachtte nog eenige oogenblikken, alvorens zijn post te

verlaten. Het licht scheen in het binnenste der skiffa langzamerhand

te verminderen, terwijl het stemgeluid nog slechts als een eenvoudig

en verwijderd gemurmel vernomen werd. Hij wilde nog wachten, om niets

in de waagschaal te stellen. Als het moest, was hij de voorzichtigheid

in persoon.

Het oogenblik zou ongetwijfeld aanbreken, dat het geheele personeel

van den Moquaddem Sidi Hassan weldra in diepe rust gedompeld zou

zijn. Dan zouden de omstandigheden meer gunstig zijn, om te handelen,

daar alsdan dit gedeelte dier woning geheel eenzaam zoude zijn,

al werd dan ook het laatste licht niet uitgebluscht.

Zoo gebeurde het inderdaad. De meest gewenschte stilte trad weldra in,

die door niets verbroken werd.

Pescadospunt liet zich toen langs de middenzuil, die het

booggewelf torschte, naar beneden glijden, sloop kruipende over de

marmervloersteenen der galerij, de deur der skiffa voorbij, sloeg

den uitersten hoek der patio om, en bereikte weldra het vertrek,

waaruit Namir straks getreden was. Het hart bonsde hem in het lijf,

van aandoening en gespannen verwachting.

Pescadospunt opende die deur, welke niet op slot gesloten was, en

kon toen bij het zwakke schijnsel van eene Arabische lamp, die aan

de zoldering hing en als nachtlicht dienst moest doen, en derhalve

van een witmatten ballon voorzien was, met een blik het innerlijke

van die kamer in oogenschouw nemen. Hetgeen hij ontwaarde, was verre

van ongunstig voor zijne plannen.

De wanden waren versierd met Oostersche tapijten; hier en daar stonden

zetels in Moorschen stijl, terwijl in de hoeken van het vertrek

kussens opgestapeld lagen, en een dik Perzisch kleed den mozaïek-vloer

bedekte. Op eene tafel bevonden zich nog de overblijfselen van het

avondmaal en aan het uiterste einde van de kamer stond een divan,

die met wollen stof bekleed was. Het was in één woord een kostbaar

gemeubeld vertrek.

Ziedaar, wat Pescadospunt met één oogopslag zag. Hij was gewoon alles

wat hij zag, goed in zich op te nemen.

Hij trad binnen en sloot zacht de deur achter zich. Daarop trad hij

behoedzaam vooruit.

Eene vrouw lag op den divan uitgestrekt. Zij scheen niet ingeslapen,

maar verkeerde in dien dommelenden toestand, die van den slaap niet

veel verschilt. Hare ledematen waren bedekt met een soort burnous,

waarmede de Arabieren zich gewoonlijk van het hoofd tot de voeten

weten te dekken. Haar hoofd lag achterover gebogen en rustte op een

rijkbewerkt kussen.

Dat was Sava. Daar lag de rampzalige dochter van graaf Mathias Sandorf.

Neen, Pescadospunt kon zich niet vergissen. Hij herkende haar

dadelijk. Vroeger had hij haar toch verscheidene malen in de straten

van Ragusa ontmoet.

Maar hoe scheen het arme meisje veranderd te zijn! Waarlijk, er was

een geoefend oog noodig, om haar te herkennen.

Zij was nog steeds doodsbleek als in het oogenblik, toen hare

huwelijkskoets op den lijkstoet van Piet Bathory stuitte. Maar haar

geheele uiterlijk, hare lijdensvolle houding, haar weemoedig gelaat,

alles, alles verkondigde, hoezeer zij geleden had!

Er was geen oogenblik te verliezen. Dat begreep Pescadospunt

terstond. Hier moest gehandeld worden!

Inderdaad, de deur was niet op slot gesloten, eene omstandigheid,

die het vermoeden rechtvaardigde, dat Namir ongetwijfeld bij Sava

zou wederkeeren. Misschien bewaakte de Marokkaansche vrouw haar dag

en nacht. Dat was inderdaad waarschijnlijk.

Maar..., al zou het jonge meisje dat vertrek kunnen verlaten, hoe zou

zij kunnen ontvluchten, wanneer geen hulp van buiten daarbij verleend

werd? Was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan niet ommuurd als

een gevangenis? Was zij niet aan eene ware vesting gelijk, die zonder

verkregen verlof niet verlaten kon worden?

Pescadospunt boog het hoofd over den divan en dacht diep na, terwijl

hij het jonge meisje beschouwde.

Mijn God! hoe was hij verbaasd, toen hij de gelijkenis opmerkte,

die hem tot nu toe ontgaan was, de gelijkenis van Sava Sandorf met

dokter Antekirrt! En die gelijkenis was niet te loochenen! Neen,

dat was zij inderdaad niet!

Hij stond een oogenblik als getroffen. Hij wreef zich het

voorhoofd. Het was, alsof een denkbeeld daarin ontkiemde.

Het jonge meisje opende de oogen. Zij was op het punt een kreet te

slaken. En toch...

Toen zij daar een vreemdeling vóór haar zag staan, met den rechter

wijsvinger op de lippen, met smeekenden blik op haar gevestigd en in

het zonderlinge hansworstenpak van den acrobaat gestoken, gevoelde

zij eerder verbazing dan wel schrik. Snel sprong zij op, maar had

toch den goeden geest, of beter de koelbloedigheid, om ieder geluid

te bedwingen.

"Shut!..." zei Pescadospunt fluisterend en steeds met den wijsvinger

op den mond. "Shut!... Laat niemand ons hooren!"

Het meisje keek hem ten uiterste verbaasd aan en opende de lippen om

te spreken.

"Shut!... Stil!..." herhaalde Pescadospunt. "Van mij hebt gij niets

te vreezen."

Zij ondervroeg hem met de oogen. Zij gevoelde zich, in weerwil van

alles, in de nabijheid van dien man gerustgesteld.

"Ik ben hier, om u te redden...." fluisterde Pescadospunt schier

onhoorbaar. "Shut!..."

De vragende uitdrukking van 's meisjes oogen werd nog dringender. Zij

wachtte eene nadere verklaring.

"Achter die muren," ging Pescadospunt voort, "wachten u vrienden,

om u aan de handen van Sarcany te ontrukken."

"Wie?" vroeg de blik. "Wie toch kan in dit akelig land eenig belang

in mij stellen?"

"Piet Bathory is niet dood!" was het fluisterende antwoord van den

acrobaat.

"Piet... niet dood?"... kreet het meisje met bedwongen stem, terwijl

zij de hand op haar hart legde, om er het gebons van te bedwingen.

"Neen, niet dood!" bevestigde Pescadospunt. "Maar wees in Godsnaam

bedaard!"

"Gij schertst wreed. Ik heb toch den lijkstoet van den armen jongeling

met mijne eigene oogen gezien."

"Lees!"

En Pescadospunt reikte een briefje aan het jonge meisje over, dat

slechts deze weinige woorden bevatte:

"Sava, vertrouw den man, die zijn leven gewaagd heeft, om bij

u te komen!.... Ik ben levend!... Ik ben dicht bij u! Vertrouw

hem. Vertrouw op God!

Piet Bathory."

Piet levend!... Piet in de nabijheid!... Aan den voet van den

omheiningsmuur!... Maar gebeurden er dan wonderen?... O, dat zou

Sava later vernemen!... Zij zou later vernemen, hoe hij aan den

dood ontrukt was. Voor het oogenblik was het genoeg te weten, dat

Piet Bathory haar nabij was! Ja, zeker, dat was voor het oogenblik

genoeg. Meer wilde zij, meer verlangde zij thans niet te vernemen.

"Kom, laten wij vluchten!" zei zij. "Kom, laten wij maken uit die

nare woning te komen!"

"Ja, laten wij vluchten," antwoordde Pescadospunt. "Dat is goed en

wel, maar..."

"Maar?..." vroeg Sava ongeduldig. "Ik geloof niet, dat het raadzaam

is, zich lang te bezinnen."

"Wij moeten alle kansen aan onze zijde hebben. Eene mislukking,

zou den toestand nog gevaarlijker maken."

"Welke kansen?" vroeg het jonge meisje, dat de redeneering van den

acrobaat moest beamen.

"Luister. Eene vraag slechts: Is Namir gewoon den nacht in dit vertrek

door te brengen?"

"Neen," antwoordde Sava. "Zij slaapt gewoonlijk in haar eigen vertrek,

nimmer hier."

"Neemt zij de voorzorg, om u hier op te sluiten, wanneer zij voor

eenigen tijd afwezig moet zijn?"

"Ja."

"Waarom heeft zij dat thans niet gedaan?"

"Dat weet ik niet."

"Zij kan dus terugkomen. Dunkt u dat ook niet?... Anders zou zij de

deur wel gesloten hebben."

"Ja!... Laten wij vluchten!" sprak Sava Sandorf gejaagd. "Kom, dan

toch. Wij hebben geen tijd te verliezen."

"Dadelijk!" antwoordde Pescadospunt. "Maar luister eerst naar mij."

Hij ontwikkelde toen het plan, dat zijn schrander brein uitgedacht

had. Het was zeer eenvoudig.

Zij moesten de trap op van den minarettoren, die tevens toegang

verleende tot het terras, dat uitzicht op de vlakte had.

Eenmaal daar aangekomen, zou de ontsnapping met het touw, dat daar hing

en tot aan den grond reikte, gemakkelijk te volvoeren zijn. Daartoe

had men weldra besloten.

"Kom!" zei Pescadospunt, terwijl hij Sava Sandorf de hand reikte. "Kom,

het is nu tijd."

"Kom!" zei het jonge meisje, die onbeschroomd hare hand in de zijne

legde. "Ik ga met u mede."

Hij was op het punt, om de deur van het vertrek te openen toen

eensklaps voetstappen op de marmeren vloersteenen van de galerij

vernomen werden. Ter zelfder tijd weerklonk eene stem, die eenige

woorden op gebiedende wijs uitsprak.

Pescadospunt had de stem van Sarcany herkend. Ja, hij was het die in

allerijl naar Sava's kamer toetrad.

Bewegingloos bleef de acrobaat een poos op den drempel van de deur

staan.

"Hij is het"... fluisterde het jonge meisje. "Hij is het!... God zij

ons genadig!..."

"Ja, dat hoor ik," antwoordde Pescadospunt eveneens fluisterend. "Maar

wat te doen?"

"Als hij u hier vindt..."

Het meisje aarzelde.

"Nu, wat dan?"

"Dan zijt gij verloren! Reddeloos verloren! O God, wat zal hier

gebeuren?"

"Ja, maar hij zal mij niet vinden!"

"Hoe wilt gij doen?... Ontkomen is thans niet meer mogelijk", was

Sava's meening.

Maar Pescadospunt antwoordde op die vraag niet.

De vlugge acrobaat had zich op den grond uitgestrekt en toen, met eene

rappe en behendige beweging, die hij zoo dikwijls op de kermissen,

bij het verrichten zijner meesterstukken volvoerd had, wikkelde hij

zich in een van de tapijten, die op den vloer uitgestrekt lagen,

en waarvan hij een punt met vlugge hand gegrepen had, en rolde zich

toen tot in den donkersten hoek van het vertrek. Niemand zou daar in

dat pak een menschelijk wezen vermoed hebben.

Juist was hij daarmede klaar, toen de deur vrij luidruchtig open ging,

waardoor Sarcany en Namir binnentraden. Eenmaal binnen, sloten zij

de deur achter zich toe.

Sava had middelerwijl weer plaats op den divan genomen. Zij hield

zich zoo bedaard mogelijk en geen van beide nieuwaangekomenen

bemerkten iets.

Met welk oogmerk kwam haar Sarcany thans opzoeken?... Dat was de vraag,

die Sava bezig hield.

Zou hij weer moeite komen doen, om hare weigering tot dat gehate

huwelijk te overwinnen?

Om het even! Sava Sandorf gevoelde zich thans sterk! Zij wist, dat

Piet Bathory levend was, dat hij haar buiten wachtte!

Pescadospunt lag, steeds in het tapijt gerold, in den hoek, en al

kon hij niets zien, zoo kon hij toch alles hooren, wat er gezegd

werd. Niets zou hem ontsnappen.

"Sava," begon Sarcany, "morgen ochtend zullen wij dit huis verlaten,

om ons elders te vestigen."

Het jonge meisje antwoordde niet. Het was alsof tot haar niet

gesproken werd.

"Ik wil evenwel niet van hier gaan," vervolgde Sarcany, "zonder

dat gij in ons huwelijk toegestemd zult hebben, ja, zonder dat het

voltrokken zal zijn..."

Hij wachtte een oogenblik. Maar geen antwoord liet zich hooren. Sava

zat slechts te luisteren.

"Alles is gereed." ging hij kalm en bedaard voort, "en gij zult

dadelijk moeten..."

"Moeten!... Noch nu, noch later!" antwoordde het jonge meisje op

koelen en vastbesloten toon.

"Sava," hernam Sarcany, alsof hij dat antwoord niet gehoord had,

"Sava, in ons beider belang is het noodig, dat uwe bewilliging vrij

geschiede. Begrijpt gij?"

"Wij kunnen nimmer gemeenschappelijke belangen hebben!" antwoordde

zij trotsch en fier.

"Pas op!... Ik waarschuw u. Trotseer mij niet! Dat is een gevaarlijk

spel."

En toen het jonge meisje slechts met een verachtelijk glimlachje op

die bedreiging antwoordde, vervolgde Sarcany:

"Ik meen u te moeten herinneren, dat gij uwe bewilliging reeds te

Ragusa gegeven hebt"...

"Zoo, meent gij dat?" vroeg Sava hoonend. "Mijne bewilliging te

Ragusa?... Durft gij daarop nog zinspelen?"

"Ja, die bewilliging hebt gij gegeven."

"De redenen daartoe bestaan niet meer."

"Luister, Sava," hernam Sarcany, wiens gemoed kookte van drift, terwijl

hij alle moeite deed, om uiterlijk kalm te blijven, zonder dat hem

dit gelukte, "thans vraag ik voor de laatste maal uwe bewilliging..."

"Onnoodig!"

"Wat is onnoodig?... Maak toch niet zooveel praatjes," antwoordde

hij kortaf.

"Ja, onnoodig. Die bewilliging zal ik, zoolang een ademtocht mij

bezielt, weigeren."

Sarcany glimlachte smadelijk. Hij meende zeker te zijn, haar te

kunnen dwingen.

"O, wees verzekerd, ik zal er de kracht toe hebben!"

"Welnu, die kracht zal ik u ontnemen! Daar is reeds voor gezorgd,

daar kunt gij op rekenen."

Thans was het aan Sava, om een gebaar te maken. Zij was zich van hare

kracht bewust.

"Breng mij niet tot het uiterste!" brulde Sarcany. "Ja, die kracht zal

men u ontnemen, die gij tegen mij aanwendt. Namir zal haar wel weten

te temmen, en dat uws ondanks, met geweld zelfs, als het moet. Weersta

mij niet, Sava!... Hoort gij mij? Ik dreig zelden, maar als ik dreig,

is de uitvoering steeds nabij. Vergeet dat niet."

Steeds diezelfde tergende glimlach. De Tripolitaan stond te trillen

van woede. Hij hernam evenwel zoo bedaard mogelijk:

"De Imam staat gereed, om ons huwelijk volgens de gebruiken van dit

land, dat mijn vaderland is, te voltrekken.... Volg mij dus! Wilt

gij niet goedschiks, dan zal ik u met geweld dwingen."

Bij die woorden trad Sarcany op het jonge meisje toe, dat vlug van

den divan opsprong en in allerijl naar het uiteinde van het vertrek

vluchtte.

"Ellendeling!" zei zij, terwijl een waas van verachting hare schoone

lippen krulde.

"Gij zult met mij meegaan!... O, gij kunt mij onmogelijk ontkomen! Uw

lot is beslist."

"Met u meegaan?... dat nooit!" sprak het jonge meisje vastberaden

uit. "Dat nooit! Hoort ge?"

"Gij zult mij volgen!" brulde Sarcany, die zichzelven niet meer

meester was. "Gij zult!"

"Nooit! Nooit!... Ik herhaal het u tot walgens toe. Nooit! Nooit!"

"Pas op! Ik waarschuw u nogmaals. Dwing mij niet tot gewelddadigheden."

Sarcany had den arm van het jonge meisje gegrepen om haar, geholpen

door Namir, naar de skiffa te sleepen, waar de Moquaddem Sidi Hassan

en de Imam hen beiden wachtten.

"Help!... help!" riep Sava verbijsterd uit. "Help!... Help!..."

"Ja, roep maar om hulp!" grinnikte de ellendeling.

Mathias Sandorf [3] · 第 16 / 20 段