zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken
was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die
streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet
Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel
gevallen was.
Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de
misdaad gestraft zoude worden.
Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa
was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat
vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische
zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote
opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer
eene landstreek bewonen, welker naam op een geldstuk voorkomt [3],
omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is,
die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.
Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden,
opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene
groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten
daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten
einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling
te doen ontbranden.
De profeet riep dadelijk zijne "hiep" of lievelingskoeriers tot
zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de
bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.
Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die
vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,--zooals de legende
woordelijk verhaalt,--vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele
landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.
Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een
steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij
daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen
voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten
zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!
Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden,
en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige
honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte
van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij,
voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur
der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange
snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets
van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op
een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de
vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen
van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet
der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en
verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de
opeengepakte geloovigen te laten neervallen.
Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was
het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te
vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden, die
veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis
van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.
Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van
Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het
publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid
was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo's der
omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het
ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste
oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind
door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of
de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.
Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog
bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed
doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch
er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door
te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren
couscoussou; verder zag men een eenvoudige "bazina," eene soort pap
van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van
die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen
"mehbouhs" dan gouden "mictals" op zak hadden; eindelijk ontwaarde men
overal en inderdaad met stroomen, de "lagby," een soort vruchtensap,
afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist
heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja,
dat het stapelgek maakt. [4]
Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen,
vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren, Khouans en Negers reeds als
buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de
koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon
geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel
te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne
paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen
af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof
het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk
onmogelijk te beschrijven zoude zijn.
Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende
beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een duivelsch
mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en
aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend
opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen,
die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de
handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.
Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door
godsdienstige en alcoholische [5] opgewondenheid vervoerd waren en met
opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de
tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid
maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke
slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen,
aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun
bloedige staarten te verorberen.
Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte
weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem
Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar
daarheen getrokken had.
En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon
groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee
akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen,
die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden,
de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond
konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien
te doen vergaan.
Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op
dreef waren.
Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te
voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van
den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze
bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van
kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een
gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden,
en hoopten op daverende toejuichingen.
"Je zult toch niet te zeer verroest wezen?" had Pescadospunt alvorens
te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.
"Verroest?... Wat meen je?" had de reus gevraagd. "Ik ben toch geen
oude spijker, denk ik?"
"Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de
gewrichten geworden bent?"
"Neen, volstrekt niet," antwoordde Kaap Matifou. "Dat zul je wel
ondervinden."
"En je deinst voor geene oefening terug... Voor geen enkele? Bedenk
je wel."
"Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening
wezen? Zeg mij toch."
"Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je
daarvoor niet terugdeinzen?"
"Ik!... ooit terugdeinzen!... Kom, je houdt mij voor den gek," sprak
Kaap Matifou verstoord.
"Zelfs, wanneer je ..."
Pescadospunt scheen te aarzelen.
"Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je
te kieskauwen."
"Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet
fijnmalen?" vroeg de kleine man.
"Is dat alles?" was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.
"Of slangen oppeuzelen?"
"Slangen?"
Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.
"Ja, slangen!"
"Gekookt?" vroeg Kaap Matifou. "Gekookt of rauw, daarin bestaat
onderscheid."
"Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw."
"Rauw?... Br! br!"
"En nog wel levend!"
Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest
zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige
Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.
"Moeten wij dat voor ons pleizier doen?" vroeg hij na een poos
bedenkens.
"Voor ons pleizier neen," antwoordde Pescadospunt met een guitigen
glimlach op de lippen.
"Maar waartoe dan die gekheid?"
"Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen."
"Loop heen!" had de reus geantwoord. "Voor die schoeljes eet ik geen
slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan
was het wat anders."
"Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen," antwoordde Pescadospunt,
hartelijk lachende.
"Maar, waarom dan?"
"Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen."
"Maar, wat dan?"
"Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij
moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken."
"Met levende slangen te eten?" vroeg de reus hoofdschuddend. "Als ik
dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen
der wereld te maken en die op te peuzelen."
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder
de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het
oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de
grootste inspanning daartoe moesten getroosten.
Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne
buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van
de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door
met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond
uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals
de akrobatische uitdrukking luidt.
Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de
Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij
elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van
de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags
kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.
En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te
bevredigen zijn.
Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen,
die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid
en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld
worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend
program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd
werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den
stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe
te juichen, "wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door
haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te
Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen,
bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!"
Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen
en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor
niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van
Alcmene, in eigen persoon geweest.
Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die
cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten
top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche kermisspellen
oud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche
nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.
De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich
schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in
dit uur bij fakkellicht werkten.
Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet
lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten,
loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een
aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam
hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest
bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar
uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den
staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor
den armen Pescadospunt noodlottig zijn.
Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar,
met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar
stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij
zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden
Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide
en langzamerhand van plaats veranderde.
Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur
van Sidi Hassan's woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo
ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op
te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken,
terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en
evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was
inderdaad eene bevallige vertooning.
De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van
bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met
de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij
stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de
Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs,
niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top;
want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.
In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de
wallen der citadel van Tripoli.
Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd
werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen
in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend
concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen
aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen
lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden deeren, daar zij,
zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.
Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman
leidden evenwel de aandacht zeer af.
Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa,
Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens
op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij
elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door
die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof
hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven
waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig
gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid,
en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de
terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen,
geen belangstellenden in het feest behoorden.
Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het
feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling
uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij
met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen
was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.
Waar was hij heen gevaren?...
Wat was er van hem geworden?
Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord
te geven.
Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te
bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele
buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde
op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren
tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het
wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak
der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof
die goochelpartij tot het program behoorde.
De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en
hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat
tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand
hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte
naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman
aangeland.
Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede
is zij steeds te verschalken.
IX.
HET HUIS VAN SIDI HASSAN.
Het was ongeveer negen uren, toen het kanonschot gevallen was en de
ooievaars opgestegen waren.
Vuurwerk, geweerschoten, muziek, geschreeuw, gehuil, dat alles had
eensklaps opgehouden. De menigte begon langzamerhand te verdwijnen. De
meesten keerden naar Tripoli terug, anderen begaven zich naar de
Menehié-oase en naar de naburige dorpen van de provincie. Vóórdat
het een uur later zoude zijn, zou de vlakte van Soung Ettélaté stil
en ledig geworden, zijn. Zij zou dan eene verbazende tegenstelling
vormen met de levendigheid en drukte van straks.
De tenten waren opgerold, de kampementen opgebroken. Berbers en
Negers waren reeds op weg naar de verschillende streken van het
Tripolitaansche Regentschap, terwijl de Senousisten zich naar de
Cyrenaïsche provincie wendden en daar voornamelijk de villayet Ben
Ghazi opzochten, ten einde er al de strijdkrachten van den kalief bij
elkander te brengen. Zoo had het feest het zijne er toe bij gebracht,
om ongemerkt eene aanmerkelijke verplaatsing van menschendrommen
te bewerkstelligen.
Slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zouden de
vlakte gedurende den geheelen nacht niet verlaten. Zij moesten zich na
de verdwijning van Pescadospunt op iedere gebeurlijkheid voorbereid
houden, en ieder hunner had zich dadelijk een observatiepost onder
aan den voet van den omheiningsmuur van de woning van den Moquaddem
Sidi Hassan uitgekozen. Daar zouden zij evenwel een paar vervelende
uren door te brengen hebben.
Pescadospunt intusschen, die op het oogenblik, dat Kaap Matifou zijn
staak met uitgestrekten arm omhoog hield, met een verbazenden sprong
over den muur wipte, was op de parapet-helling van een der terrassen,
aan den voet van den minarettoren, die de verschillende binnenplaatsen
dier woning beheerschte, neergekomen. Door de veerkracht zijner lenige
beenen had hij de zwaarte van den val gebroken, zoodat binnenshuis
daarvan niets bemerkt was.
Niemand had hem te midden van dien somberen nacht kunnen zien, noch
van buiten, noch van binnen, en niemand had hem kunnen hooren. Hij
was zelfs niet uit de skiffa bemerkt, die te midden van de patio
gelegen was, en waar binnen zich een zeker getal khouans bevonden,
die gedeeltelijk sliepen, maar ook gedeeltelijk volgens de bevelen van
den Moquaddem Sidi Hassan waakzaam waren, en zelfs als schildwachten
op post stonden. Dat was nog al gunstig uitgevallen.
Men begrijpt, dat Pescadospunt onmogelijk eenig plan had kunnen
beramen. Zulk een plan zou toch door zooveel onvoorziene omstandigheden
herhaaldelijk gewijzigd moeten worden, dat het geen waarde zou gehad
hebben. De innerlijke indeeling van het huis van Sidi Hassan was hem
toch geheel onbekend, en hij wist niet en kon ook niet weten, waar
het jonge meisje opgesloten was, ook niet of zij van nabij bewaakt
werd, en nog minder, of haar in het gewichtige oogenblik de ziels-
en lichaamskracht niet zou ontbreken, om daadwerkelijk op te treden
en tot hare ontvoering mede te werken.
Daarom moest de stoutmoedige kerel noodzakelijk geheel en al op goed
geluk te werk gaan.
Ziehier, wat hij zichzelf voorgespiegeld had, alvorens dien luchtsprong
te ondernemen:
"Vóór alles moet ik," zoo mompelde hij in zich zelven, "hetzij door
geweld, hetzij door list, bij Sava Sandorf zien te geraken. Indien
zij mij niet dadelijk volgen kan, indien ik haar gedurende dezen
nacht niet ontvoeren kan, moet zij ten minste vernemen, dat Piet
Bathory levend is, dat hij zich in hare nabijheid, aan den voet van
de omheiningsmuren bevindt, dat dokter Antekirrt en zijne makkers
gereed staan, om haar te hulp te komen, en eindelijk moet haar
aan het verstand gebracht worden, dat, wanneer hare ontvoering
eenige vertraging mocht ondervinden, zij voor geene bedreiging
moet bezwijken!... In geen geval mag zij hare toestemming tot dat
schandelijk huwelijk geven!... Het is waar, ik kan ontdekt worden,
vóórdat ik haar gevonden en bereikt zal hebben!... Maar.... komt tijd,
komt raad!... Gebeurt dat onverhoopt, dan is het oogenblik daar,
om de noodige middelen ter ontkoming te beramen."
Hij klom nu over den parapetmuur, die een dik witachtig steenkussen
vormde, hetwelk met schietgaten ingesneden was. Hierbij was de
eerste zorg van Pescadospunt geweest, een dun maar sterk touw,
van knoopen voorzien, dat hij onder zijn licht clownspak had kunnen
verbergen, te ontwikkelen, en wel zoodanig, dat het naar buiten hing
en den bodem bereikte. Dat was een voorzorgsmaatregel, die gebiedend
noodzakelijk was. Toen hij daarmede klaar was, legde de wakkere kleine
kerel zich, alvorens verder te schrijden, plat op den buik langs den
parapetmuur. In die houding, die hem door de voorzichtigheid geboden
werd, wachtte hij, zonder ook maar de geringste beweging uit te
voeren. Wanneer hij toch bespeurd was geworden, zou het terras weldra
door de lieden van Sidi Hassan bestormd en overweldigd zijn, en in
dat geval zou hem niets meer overblijven, dan van het touw gebruik
te maken, waarop hij zijne hoop bouwde als op het reddingsmiddel
voor Sava Sandorf. Dat alles doorkruiste in die oogenblikken zijn
schrander brein.
Eene diepe stilte heerschte allerwege in de woning van den Moquaddem
Sidi Hassan. Daar noch hij, noch Sarcany, noch iemand anders hunner
lieden deel aan het Ooievaarsfeest hadden genomen, was de deur van
de zaouya sedert zonsopgang niet geopend geweest, en zou dat ook niet
na zonsondergang worden.
Na eenige minuten wachtens, sloop Pescadospunt, steeds op den buik
liggende en kruipende, naar den hoek der woning, waar het meest nabij
zijnde minarettorentje verrees. De trap, welke van het bovenste van
dat torentje neerdaalde, moest klaarblijkelijk uitkomen op den vloer
der eerste patio. En, inderdaad, hij vond deze deur, die op het terras
uitkwam en die toegang tot de beneden-binnenplaatsen verleende. Dat
was een aanvankelijk gunstige uitslag zijner pogingen.
Maar die deur was gesloten, niet met een sleutelslot, maar door middel
van een grendel, die onmogelijk terug te schuiven was, tenzij men
een gat in het paneel boorde. Dat werk had Pescadospunt zeer goed
kunnen verrichten, want hij had een mes in den zak met verscheidene
lemmeten en dus tot verschillende doeleinden geschikt, hetwelk hij van
dokter Antekirrt ten geschenke had ontvangen en waarvan hij behendig
gebruik wist te maken. Maar dat zou een tijdroovende arbeid zijn,
die ook niet in alle stilte zou kunnen uitgevoerd worden, en waaraan
hij dan ook niet verder dacht. Waarlijk, zijne oogenblikken waren
thans te kostbaar.