van Ghadamès en Sohna en werden gevolgd door eene escorte van
zwarte slaven. Dan waren daar Joden en Jodinnen uit de omliggende
provinciën. De laatstbedoelden hadden het gelaat ongesluierd,
waren volgens hunne geaardheid vet en droegen zeer onsmaakvolle
broeken. Verder wemelden daar negers uit de naburige plaatsen die
hunne ellendige dorpen verlaten hadden, om hier de feestelijkheden
te komen bijwonen. Deze droegen zeer weinig linnengoed, daarentegen
veel sieraden bestaande uit ruwe koperen armbanden, halssnoeren van
schelpen, reeksen van dierentanden, zilveren ringen in de ooren en in
het neusbeen. Dan nog werden daar ontwaard Benoulienen, Awagairren,
die den omtrek der Syrtische baai bewonen en die uit den dadelboom,
die in hun land groeit, wijn, vruchten, brood en confituren trekken. En
eindelijk te midden van die opeenhooping van Mooren, Berbers, Turken,
Bedouïnen en zelfs Moucafirs, zooals de Europeanen genoemd worden,
paradeerden pacha's, cheiks's, kadi's, kaid's, in één woord al de
voornamen van die buurt, die door de menigte van raja's drongen,
welke laatsten nederig en voorzichtig uitweken voor de ontbloote
sabel der soldaten of voor den politiestok der rapties, wanneer de
gouverneur-generaal van dat Afrikaansche bewind van die Turksche
provincie, welker administratie--zooals wij weten--van den Sultan
van Constantinopel afhankelijk is, in zijne voorname en verheven
onverschilligheid voorbijging.
Men telt, zooals reeds gezegd werd, meer dan vijftienhonderdduizend
bewoners in het Regentschap Tripoli, met een garnizoen van duizend
soldaten. Hierbij dient gevoegd te worden een duizendtal voor de
Djebel-, en vijfhonderd voor de Cyrenaïsche streken. De hoofdplaats
Tripoli, alleen in de bevolkingstelling opgenomen, bevat niet meer dan
dertig of hoogstens vijf en dertig duizend zielen. Dien dag kon evenwel
gerekend worden, dat het aantal dier bevolking minstens verdubbeld was,
door den toevloed van nieuwsgierigen, die van het geheele regentschap
samengestroomd waren. Die landbewoners hadden evenwel geen onderkomen
in de hoofdstad des rijks gezocht. Want een zoo groote menigte zou
noch tusschen de weinig rekbare walmuren van de versterkte omheining,
noch in de woningen, die door het slechte gehalte der gebezigde
bouwmaterialen, weldra in een staat van puinhoopen verkeeren, noch
in de nauwe en smalle ongeplaveide straten en stegen, waarin voor
het meerendeel zelfs de vrije toetreding van lucht ontzegd is, noch
in de havenvoorstad, alwaar zich de consulaten bevinden, noch in
het westerkwartier, waar de Joodsche volksstam krioelt, noch in het
overige gedeelte der stad, dat ter beschikking van het Muzelmansche
ras is gebleven, een beschikbare ruimte tot onderkomen aangetroffen
hebben. Dat ware inderdaad eene volkomen onmogelijkheid geweest.
Maar het plein Soung-Ettelâtch was uitgestrekt genoeg, om de
vele vreemdelingen te bevatten, die samengekomen waren, om het
Ooievaars-feest bij te wonen, dat eene legende tot grondslag heeft,
welke steeds eenstemmig in de oostelijke landen van Afrika herdacht
wordt. Wij zullen straks wel zien waarin dat Ooievaars-feest bestaat.
Die vlakte met haar geel zand, die door de zee bij langdurige
oostewinden somtijds overstroomd wordt, kan beschouwd worden als
een stukje van de Sahara-woestijn. Zij omgeeft de stad langs drie
kanten en heeft eene breedte van nagenoeg een kilometer. Als eene
tegenstelling, die schril afsteekt, ontwikkelt zich aan hare zuidelijke
grensscheiding de oase Menehié, met hare gebouwen, welker muren
van witheid schitteren; met hare tuinen, die met behulp van magere
koeien, die het water met een lederen drijfriem uit de diepe putten te
voorschijn halen, besproeid worden; met hare bosschen van dadelpalmen,
oranje- en citroenboomen; met hare steeds groene struiken, met bloemen
overdekt; met hare antilopen, hare gazellen, hare flamingo's. Die
oase is een uitgestrekt afgesloten geheel, waarin eene zeer nijvere
bevolking leeft, die niet minder dan dertig duizend zielen telt en
grootendeels van de veeteelt, den akkerbouw en karavaanhandel bestaat.
Daarachter wordt de eigenlijke woestijn aangetroffen, die op geen
enkel punt van het uitgestrekte Afrika de kust van de Middellandsche
zee zoo nabij komt. De woestijn, met hare beweeglijke duinvormingen,
met hare onmetelijke uitgestrektheid van zand, waarvan de baron de
Krafft zoo juist gezegd heeft, "dat de wind daarop even gemakkelijk
golven veroorzaakt als op de zee"; een ware Lybische oceaan, waarop
zelfs de nevel niet ontbreekt, die evenwel uit onvoelbare stof bestaat.
Het Tripolitaansche rijk--een grondgebied bijna zoo groot als dat van
Frankrijk--strekt zich tusschen het Regentschap Tunis, Egypte en de
Sahara uit, en heeft eene kustlijn van ruim drie honderd kilometer
langs de Middellandsche zee.
Het was in deze provincie dat Sarcany, na Tetuan verlaten te hebben,
eene schuilplaats gezocht had. Die streek kon gerekend worden te
behooren tot de minst bekende van Noord-Afrika, waar iemand zich dus
gevoegelijk kon verbergen, zonder de vrees te koesteren, althans
van wege Europeesche autoriteiten ontdekt te zullen worden. Hij
was in Tripoli geboren en dat land was het tooneel zijner eerste
heldendaden geweest. Hij deed dus niets meer dan naar zijn bakermat
terugkeeren. Daarenboven was hij, zooals de lezer zich ongetwijfeld
herinneren zal, geaffilieerd aan het zoo gevreesde bondgenootschap van
Noord-Afrika en kon hij daar op werkelijke hulp van de Senousisten
rekenen, welker belangen hij steeds in den vreemde ijverig had
voorgestaan en voor wie hij steeds inkoopen van wapenen en munitiën
had verricht. Het was vooral als agent dier dweepers, dat hij indertijd
Silas Toronthal zeer veel geld had laten verdienen.
Toen hij dan ook te Tripoli aankwam, had hij huisvesting gevonden in
de woning van den Moquaddem Sidi Hassan, het erkende opperhoofd van de
Sectegenooten in het district. Bij dien man was hij volkomen te huis.
Na de ontvoering van Silas Toronthal op den weg naar Nizza, eene
ontvoering die voor Sarcany onverklaarbaar was gebleven, had deze
Monte Carlo verlaten. Eenige duizenden franken, de laatste van
vroegere winsten, die hij niet als laatsten inzet gewaagd had, hadden
hem veroorloofd, om in de onkosten zijner reis te voorzien en aan
de overige mogelijke gebeurlijkheden het hoofd te bieden. En onder
die gebeurlijkheden behoorde de mogelijkheid, dat Silas Toronthal,
inderdaad door de wanhoop vervoerd, er toe besloten kon hebben, zich
op hem te willen wreken, hetzij door het verleden aan het licht te
brengen, hetzij door den toestand van Sava bloot te leggen. Want de
bankier wist maar al te goed, dat het jonge meisje zich te Tetuan
in de macht van Namir bevond. Die overwegingen waren oorzaak, dat
Sarcany besloot Marokko zoo spoedig mogelijk te verlaten. Want daar
gevoelde hij zich niet meer veilig.
Dat was voorwaar zeer voorzichtig handelen; want zooals de lezer reeds
weet, had Silas Toronthal niet lang gedraald met de mededeeling in
welk land en in welke stad het rampzalige jonge meisje zich onder het
toezicht van het Marokkaansche wijf bevond. Een enkele handdruk van
Kaap Matifou was voldoende geweest, om hem tot die mededeeling over
te halen; meer niet!
Sarcany had dus het besluit genomen, om in het Regentschap Tripoli eene
schuilplaats te zoeken, alwaar hem de aanvals- en verdedigingsmiddelen
niet zouden ontbreken. Maar hij begreep,--en dat zag dokter Antekirrt
zeer goed in,--dat het reizen derwaarts met een der pakketbooten,
die de kustvaart uitoefenen, of met de Algerijnsche spoorbaan te
veel gevaren voor hem zou opleveren. Hij gaf er dan ook de voorkeur
aan, zich bij eene karavaan van Senousisten te voegen, die naar de
Cyrenaïsche landstreek op weg was, en van de gelegenheid gebruik te
maken, om in de voornaamste villayets van Marokko, Algiers en het
Tunische grondgebied nieuwe geaffiliëerden voor het eedgenootschap
aan te werven. Zijn reis had dus, zooals men ziet, een dubbel doel.
Die karavaan, die zeer wel de vijfhonderd uren afstand tusschen Tetuan
en Tripoli zou afleggen, en daarbij de noorder-zoom der woestein dacht
zou volgen, vertrok op den 12den October van eerstgenoemde plaats.
Sava was thans geheel aan de genade of ongenade van hem, die haar
ontvoerde, overgeleverd; maar hare standvastigheid, haar zelfvertrouwen
was daarom niet geschokt. Noch de bedreigingen van Namir, noch de
toorn van Sarcany scheen haar te deren. Het jonge meisje ontwikkelde
eene wilskracht, die een ieder ongelooflijk moet voorkomen.
Bij haar vertrek telde de karavaan reeds een vijftigtal Khouâns of
geaffiliëerden, die onder de leiding van een imam, een geestelijke,
die hen op militairen voet organiseerde, ingedeeld waren. Er was
daarbij geen kwestie, om de provinciën door te trekken, die aan het
Fransche gezag onderworpen zijn en waar hun doortocht moeielijkheden
zou kunnen ondervinden. Zij zou die langs de zuidelijke grenzen geheel
en al ontwijken.
Het Afrikaansche vasteland vormt, door de gedaante van het kustland van
Algiers en Tunis, een grooten boog tot aan de westkust van de Groote
Syrtische zee, die plotseling naar het zuiden insnijdt. Daaruit volgt
natuurlijk, dat de kortste weg van Tetuan naar Tripoli is de koorde
welke dezen boog onderspant. En die weg voert niet noordelijker dan
Lagouât, een der laatste Fransche steden op de grenzen der Sahara
gelegen.
De karavaan trok, na het Marokkaansche keizerrijk verlaten te hebben,
langs de grenzen van die rijke Algerijnsche provinciën, welke men
voorgesteld heeft "Nieuw Frankrijk" te heeten, en die inderdaad wel
Frankrijk zelf mogen heeten, met meer recht dan Nieuw Caledonië,
Nieuw-Holland, Nieuw-Schotland, die veel minder op Schotland, Holland
en Caledonië, dan Algiers op Frankrijk gelijken. Daarenboven, eene zee
van slechts dertig uren breedte, scheidt dat land van het Fransche
grondgebied, en met onze tegenwoordige gemeenschapsmiddelen mag die
zee geen scheidsmuur heeten.
In het Beni-Matansche, zoowel als in de Oulad Nail en de
Charfat-El-Hamal-streken, vermeerderde de karavaan nog met een
zeker getal geaffiliëerden. Hare sterkte was dan ook tot ruim drie
honderd man gestegen, toen zij het Tunische kustland, op de grens der
Syrtische zee bereikte. Zij had toen slechts den oever te volgen,
terwijl zij andermaal nieuwe leden onder de Khouâns in de vele
dorpen dier provincie aanwierf, en waarbij Sarcany al zijn invloed
en schranderheid bezigde.
De karavaan kwam op den 20sten November bij de grenzen van het
regentschap aan, na eene reis van ruim zes weken.
Dus op het oogenblik, toen dat Ooievaarsfeest met groote plechtigheid
en omhaal zou gevierd worden, waren Sarcany en Namir nog slechts sedert
drie dagen de gasten van den Moquaddem Sidi Hassan, wiens woning thans
tot gevangenis van Sava Sandorf strekte. Waarlijk, de karavaan had
zich wel gehaast, want zij had gedurende de negen en dertig dagen,
die zij tot de reis besteed had, een groot traject afgelegd.
De woning van den Moquaddem, welke door een slanken minarettoren
beheerscht werd, had met hare witgekalkte muren, waarin volstrekt
geen vensters, maar wel hier en daar schietgaten gebroken waren,
met hare gecreneleerde terrassen, met hare smalle en lage deur, wel
eenigszins het uiterlijk van eene kleine vesting, of beter van een
zeer sterk blokhuis. Het was ook inderdaad een ware zaoaiya, welke
buiten de stad gelegen was, op de grens tusschen de zandvlakte en
de aanplantingen van Menehié, welker akkers, omgeven door een hoog
staketsel, tot bij het grondgebied der oase voortdrongen.
Het innerlijke dier woning vertoonde den gewonen bouwtrant der
Arabische huizen, met dien verstande dat die bouwtrant hier als
het ware verdriedubbeld was, hetgeen te beduiden heeft, dat er drie
patio's of binnenplaatsen te tellen waren. Rondom elk dier patio's
ontwikkelde zich een vierkant van galerijen met hare zuiltjes en
kanteelbogen, waarop de verschillende vertrekken van de woning,
die voor het meerendeel zeer rijk gemeubeld waren, uitkwamen. De
vloeren dier galerijen waren met kostbare marmersteenen ingelegd,
en de zuilen daarvan kunstig gebeeldhouwd.
Op het tweede binnenplein vonden de bezoekers of de gasten van den
Moquaddem eene ruime "stufa", een soort van vestibule of van hall,
waarin reeds meer dan eene raadbelegging onder de leiding van Sidi
Hassan door de Senousisten had plaats gehad. Dat was eigenlijk het
vertrek, waarin de saamgezworenen krijgsraad hielden.
Maar behalve dat die woning eene natuurlijke bescherming in hare hooge
en doelmatig aangelegde muren vond, bevatte zij bovendien een zeer
talrijk personeel, dat tot hare verdediging veel kon bijbrengen,
ingeval van aanval van den kant der zwervende Barbaresken, die
steeds mogelijk was, of zelfs van den kant der Tripolitaansche
autoriteiten, die steeds poogden de Senousisten der provincie aan
zich te onderwerpen, hetgeen tot heden niet gelukt was.
Die woning bezat een garnizoen van ruim vijftig geaffiliëerden, die,
uitmuntend bewapend, niet alleen ter verdediging, maar ook tot aanval
konden dienen. Die mannen, gekozen onder de meest dweepzieken, waren
uitmuntend geoefend.
Slechts een enkele deur verleende toegang tot die zaoaiya; die deur
was daarenboven uitermate dik en stevig met ijzerwerk beslagen. Men
zou haar niet gemakkelijk opengebroken hebben, en slaagde dat ook al,
dan zou haar drempel nog niet zoo gemakkelijk te overschrijden zijn;
want dan eerst begon het ernstige gevecht.
Sarcany had dus bij den Moquaddem eene veilige schuilplaats gevonden.
Daar hoopte hij zijne heillooze plannen tot een goed einde te voeren.
Zijn huwelijk met Sava moest hem een zeer aanzienlijk vermogen
verzekeren, en hij kon desnoods op den bijstand van het eedgenootschap
rekenen, wiens belangen bij zijn welslagen direct betrokken waren. Die
dweepers zouden niet aarzelen, hem bij zijne snoode plannen bij
te staan.
Wat de geaffiliëerden betrof, die van Tunis aangekomen of in de
villayets aangenomen waren, deze hadden zich in de Menehié-oase
verspreid; maar waren toch gereed, om op het eerste sein te zamen
te komen.
Dat Ooievaars-feest zou, zonder dat de Tripolitaansche politie zulks
gissen kon, juist de plannen der Senousisten in de hand werken. Daar op
die vlakte van Soung-Ettélaté zouden de Khouâns van noordelijk Afrika
het wachtwoord der mufti's komen ontvangen, om hunne concentratie
op Cyrenaïsch gondgebied te bewerkstelligen en een waar rijk van
zeeschuimers onder de machtige bevelen van een kalief te stichten,
hetgeen met de overoude neigingen van die strandbewoners maar al te
zeer strookte.
Daartoe waren de omstandigheden zeer gunstig, wijl het eedgenootschap
juist in de villayet Ben Ghazi, de voornaamste der Cyrenaïsche streken,
reeds het grootste ledental telde, hetwelk geheel tot handelen
gereed was.
Den dag, waarop het Ooievaars-feest in het Tripolitaansche rijk
gevierd zou worden, drentelden drie vreemdelingen op de vlakte van
Soung-Ettélaté, tusschen de menigte, welke zich daar bevond, rond.
Niemand zou die vreemdelingen, onder hunne Arabische kleeding, voor
Moucafirs, voor Europeanen herkend hebben. De oudste der drie droeg
daarenboven zijn kostuum met eene gemakkelijkheid, die slechts door
eene langdurige gewoonte kon verkregen worden. Men zag het hem aan,
dat hij den tulband en de Chlamyde (bovenkleed) meer gedragen had.
Dat was dokter Antekirrt, die van Piet Bathory en Luigi Ferrato
vergezeld was.
Pescadospunt en Kaap Matifou waren in de stad gebleven, waar zij zich
met zekere voorbereidende werkzaamheden bezighielden. Ongetwijfeld
zouden zij ten tooneele verschijnen, wanneer daartoe het oogenblik
gekomen zou zijn. Zij beiden zouden toch in de beraamde plannen de
voornaamste rol te vervullen hebben, zooals de lezer wel zien zal.
Het was ter nauwernood vier en twintig uren geleden, sedert de
_Elektriek_ 2 in den namiddag onder beschutting van die uitgestrekte
rotsen, welke voor de haven van Tripoli een natuurlijken dam vormen,
ten anker gekomen was.
De overtocht was, zoowel bij de heen- als bij de terugreis,
voorspoedig geweest. Men had zich slechts drie uren opgehouden te
Philippeville, aan de kleine kreek Filfila gelegen; overigens niet. En
dat oponthoud was nog geschied, om zich Arabische kleeding aan te
schaffen. Daarna was de _Elektriek_ onmiddellijk vertrokken, zonder
dat hare aanwezigheid in de Numidische golf de aandacht getrokken
had. Hare geringe verhevenheid boven de oppervlakte van het water
had haar daarbij uitnemend gediend.
Dus, toen de dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept
waren,--niet op de kaden van Tripoli, maar op de rotsen der
buitenhaven--waren het geen vijf Europeanen, die voet aan wal
gezet hadden op den bodem van het Tripolitaansche grondgebied,
maar waren het vijf Oosterlingen, wiens kleeding de aandacht niet
kon trekken. Misschien zouden Piet Bathory en Luigi Ferrato zich,
in die kleeding gestoken, door de ongewoonte voor scherpziende
toeschouwers verraden hebben; maar Pescadospunt en Kaap Matifou,
gewoon aan de veelvuldige gedaanteverwisselingen en verkleedingen
der kermispotsenmakers, waren er geheel op hun gemak in, en bewogen
zich als volbloed Arabieren. Die beide grappenmakers konden evenwel
een glimlach niet verbergen, wanneer zij elkander aankeken.
Toen de nacht ingevallen was, ging de _Elektriek_ zich verschuilen
aan de andere zijde van de haven in eene der veelvuldige kreeken van
die slecht bewaakte kust. Daar moest dat vaartuig zich gereed houden,
om op ieder uur van den nacht of van den dag zee te kunnen kiezen. Aan
die opdracht werd natuurlijk stipt voldaan.
Zoodra dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren,
stapten zij langs den rotsachtigen oever voort en volgden daarna den
van groote rotsblokken vervaardigden kadedam, die naar Bab-el-Bahr
voerde, traden de zeepoort binnen en bevonden zich weldra te midden
van de nauwe straten der stad.
Het eerste hôtel, dat zij op hunnen weg ontmoetten,--en de keus was
niet moeielijk, want er waren er niet veel,--scheen hun voldoende
toe, om er ettelijke dagen, misschien slechts weinige uren door te
brengen. Zij toonden zich daar als bescheiden lieden, en gaven voor
eenvoudige Tunische kooplieden te zijn, die bij hunne doorreis te
Tripoli van de gelegenheid wilden gebruik maken, om het Ooievaars-feest
bij te wonen. Daar dokter Antekirrt het Arabisch even zuiver en
juist sprak als de overige taaleigens van de Middellandsche zee,
zoo kon zijne spraak hem niet verraden.
De kastelein ontving de vijf reizigers, die hem de eer wilden aandoen
in zijne inrichting af te stappen, uiterst voorkomend. Het was een
dik man, die zeer praatziek was. Daarvan maakte dokter Antekirrt
behendig gebruik, en vernam zoodoende zaken, die hem bijzonder belang
inboezemden. Al dadelijk wist hij, dat eene karavaan kort geleden van
Marokko in het Tripolitaansche rijk was aangekomen. Daarna vernam hij,
dat Sarcany, die in het Regentschap zeer bekend was, van die karavaan
deel had uitgemaakt en dat hij thans de gastvrijheid genoot in de
woning van den beroemden Moquaddem Sidi Hassan in de zaouiya op de
vlakte van Soung Ettélaté.
Dat was de reden, waarom dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi
Ferrato, na de meest mogelijke voorzorgen genomen te hebben, zich
dienzelfden avond nog begeven hadden te midden der menigte van nomaden
op de vlakte van Soung Ettélaté. Zij bespiedden al wandelende de woning
van den Moquaddem Si-Hassan, op den zoom van de Oase Menehié gelegen.
Daar was dus Sava Sandorf opgesloten! In die sterke woning bevond
zich dus het eenige kind van den graaf.
Sedert het verblijf van dokter Antekirrt te Ragusa, waren nimmer
vader en dochter dichter bij elkander geweest dan thans! En toch,
door hoeveel hinderpalen waren zij niet gescheiden!
Het was niet alleen een schier onoverkomelijke muur, die het grootste
beletsel daarstelde!
Inderdaad, Piet Bathory was in die oogenblikken tot alles in staat,
zelfs om met Sarcany te onderhandelen, om Sava maar aan zijne macht
te ontrukken. Graaf Mathias Sandorf en hij waren bereid, om hem die
wenschen te laten verwezenlijken, welke de ellendeling begeerde! En
toch, zij konden en mochten niet vergeten, dat zij recht moesten
uitoefenen over den verrader van professor Stephanus Bathory en van
graaf Ladislas Zathmar!
Intusschen moesten zij in de omstandigheden, waarin zij zich vonden,
erkennen, dat de bemachtiging van Sarcany en de bevrijding van
Sava Sandorf uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan eene bijna
onuitvoerbare taak was. De moeielijkheden waren schier onoverkomelijk,
dat kon onmogelijk ontveinsd worden.
Zou men in plaats van geweld, dat toch geen kans van welslagen
aanbood, list moeten gebruiken? En zou het feest, dat den volgenden dag
gevierd zou worden, daartoe gelegenheid geven? Ja, dat zou het zonder
twijfel. Pescadospunt had daaromtrent een plan ontworpen, en het was
met dit plan, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich
dien avond onledig hielden. Ieders rol moest goed besproken worden,
om in het gewichtigste oogenblik geene teleurstelling, die alles
verijdelen kon, te ondervinden.
Bij de uitvoering van dat plan zou de moedige ontwerper zijn leven
wagen; maar gelukte het hem de woning van den Moquaddem Sidi Hassan
binnen te dringen, dan was er veel kans, dat hij er in slagen zou, Sava
Sandorf te ontvoeren. Niets scheen voor den moed en de behendigheid
van Pescadospunt onuitvoerbaar.
Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij
zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory
en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags,
ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl
Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de
rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest
te vervullen zouden hebben.
Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven van het
leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het
schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door
ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden
van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden
van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed,
elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen
hunner opperhoofden mededeelden.
Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche
legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij
dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de
Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.
Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras
van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een
uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn
tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het
was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd
was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk
wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen
komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om
hen aan tucht te gewennen.
Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet
om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede
te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun
de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was
verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem
wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te
spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.