onderhandelen, om haar geopend te krijgen. Eindelijk gelukte dat ook,
en toen stapten allen naar binnen en verloren zich te midden der
smalle, bochtige, soms verwulfde straten, die door andere poorten
van elkander gescheiden werden, welke niet anders dan door hetzelfde
tooverwoord geopend konden worden.
Tetuan is eene stad, die dertig duizend zielen telt, en vele moskeeën
bezit.
Na een goed kwartieruur ronddoolens, kwamen de dokter en zijne makkers
bij eene herberg aan,--eene fonda, zooals zij plaatselijk genoemd
wordt,--de eenige trouwens van de geheele stad, die door eene Jodin
gehouden werd, terwijl eene eenoogige meid den dienst van kellner
waarnam. Aanlokkelijk zag het er niet uit.
Het gebrek aan comfort dezer fonda, welker schamele vertrekken zich
rondom eene binnenplaats uitstrekten, laat zich verklaren door het
gering getal vreemdelingen, die de reis naar Tetuan ondernemen. Daar
ter stede bevindt zich zelfs slechts één vertegenwoordiger der
Europeesche mogendheden, namelijk de consul van Spanje, die te midden
van eenige duizenden inwoners verblijf houdt, waarvan verreweg het
grootste getal inboorlingen en dus geen Spanjaarden zijn.
Hoe ongeduldig dokter Antekirrt ook was om zijne nasporingen en
ondervragingen nopens de woning van Namir te beginnen, en hoe hij ook
haakte, om er dadelijk heen te ijlen, zoo bedwong hij zich toch. Hier
moest immers noodzakelijk met de uiterste voorzichtigheid gehandeld
worden. In de omstandigheden, waarin Sava geplaatst was, kon eene
ontvoering ernstige moeielijkheden ondervinden en opleveren. Het voor
en het tegen moest zeer ernstig gewikt en gewogen worden. Misschien
was het raadzaam, om onverschillig welken losprijs voor de vrijheid
van het jonge meisje te bieden. Maar in geen geval mochten dokter
Antekirrt of Piet Bathory zich althans aan Sarcany bekend maken,
die waarschijnlijk te Tetuan aanwezig was. In zijne handen was Sava
een vrijgeleide, eene zekerheid voor de toekomst, die hij niet licht
zoude laten glippen. En dan moest bedacht worden, dat men zich hier
niet in een beschaafd land van Europa bevond, waar justitie en politie
hunne tusschenkomst, hunnen bijstand hadden kunnen verleenen. In dat
brandpunt van slavenhandel zou het betoog niet te leveren zijn, dat
Sava niet het wettige eigendom van de Marokkaansche vrouw was. Hoe zou
bewezen kunnen worden, anders dan door den brief van mevrouw Toronthal
en door de bekentenis van den bankier, dat zij de dochter was van graaf
Mathias Sandorf? Daarenboven, hoe bij haar te geraken? Die Arabische
huizen zijn gewoonlijk goed gesloten en weinig toegankelijk. Men kan
er zoo gemakkelijk niet indringen. De tusschenkomst van een Kadi kon
zelfs vruchteloos blijken, in de vooronderstelling altijd, dat die
bekomen kon worden, hetgeen meer dan twijfelachtig mocht heeten.
Er werd dan ook besloten, dat voorshands het huis van Namir ten
nauwkeurigste zoude gadegeslagen worden, evenwel zoo, dat geen
achterdocht opgewekt zoude worden. Pescadospunt zou iederen ochtend bij
het krieken van den dag met Luigi Ferrato op kondschap uitgaan. Deze
laatste had gedurende zijn verblijf op het zoo cosmopolitische eiland
Malta eenigermate de Arabische taal geleerd. Beiden zouden trachten
op te sporen in welk kwartier en in welke straat die Namir woonde,
wier naam toch bekend moest zijn. Dan zou men eerst naar omstandigheden
kunnen handelen.
In afwachting had de _Elektriek_ 2 eene schuilplaats gezocht in
een der smalle en kleine kreeken van de kust bij de monding van de
Tetuan-rivier, alwaar dat vaartuig gereed moest blijven, om op het
eerste sein te kunnen vertrekken. Dat punt was niet moeielijk te
vinden en weldra lag het vaartuig daar zoo rustig als in een haven
van het vasteland.
Zoo ging in de fonda die eerste nacht, die dokter Antekirrt en Piet
Bathory zoo lang toescheen, voorbij. Wat Pescadospunt en Kaap Matifou
betreft, wanneer die ooit gehoopt hadden in bedden te slapen, die
met porselein ingelegd waren, dan hadden zij thans redenen te over
om tevreden te zijn. Zij sliepen daarom niet minder goed.
Luigi Ferrato en Pescadospunt begonnen den volgenden ochtend
hunnen onderzoekingstocht, door zich naar den bazaar te begeven,
waarheen reeds een gedeelte der Tetuansche bevolking zich verzameld
had. Pescadospunt kende Namir, die hij wel twintigmalen gelegenheid had
gehad in de straten van Ragusa op te merken, toen zij daar de rol van
verspiedster ten behoeve van Sarcany vervulde. Het kon dus gebeuren,
dat hij haar ontmoette; maar daar zij hem niet kende, zou dat geen
nadeelige gevolgen hebben. En in dat geval zou hij haar slechts te
volgen hebben.
De voornaamste bazaar van Tetuan bestaat uit eene verzameling
van keeten, winkels en kramen, allen lang, smal, vuil en smerig,
waartusschen vochtige en glibberige toegangen voeren. Eenige linnen
lappen van verschillende tint en kleur, over touwen gespannen,
beschermden die holen tegen de brandende stralen der zon. Overal
zag men sombere winkels en uitstallingen, waar geborduurde zijden
stoffen verkocht werden, schel gekleurde passementwerken, babouchen,
een soort van sloffen, geldtaschjes, burnous, aardewerk, juweelen,
halssnoeren, armbanden, ringen, gesmeed en gedreven koperwerk,
kandelaars, wierookvaten, lantaarns,--in één woord alles, wat zich
in de bijzondere magazijnen van de groote steden in Europa bevindt
en wat hier als het ware op de straat te koop aangeboden wordt.
Er was reeds eene groote menigte op den bazaar aanwezig, zoodat het
moeite kostte, om zijn weg te vervolgen.
Iedereen genoot van de frischheid der ochtend-uren. Mauresken, die tot
aan de oogen gesluierd waren, Jodinnen met ongedekt gelaat, Arabieren,
Kabylen, Marokkanen, Negers kwamen en gingen in dien bazaar, waar de
vreemdelingen waarlijk ook niet ontbraken; zoodat de tegenwoordigheid
van Luigi Ferrato en van Pescadospunt geene bevreemding kon baren en
dat ook niet deed. Het eenige, waarop zij te letten hadden, was om
in dat gedrang bij elkander te blijven.
Gedurende ruim een uur poogden zij in die menigte Namir te
ontwaren. Maar te vergeefs. De Marokkaansche vrouw was niet te
bespeuren.
En Sarcany evenmin. Beiden waren en bleven onzichtbaar. Dat was
inderdaad eene teleurstelling.
Luigi Ferrato besloot toen eenige dier jongens te ondervragen, die
daar half naakt rondliepen, en als eene staalkaart konden gelden van al
de Afrikaansche rassen, welker vermenging van de Rifsche kustplaatsen
af tot aan de grenzen van de Sahara geschiedt en waarvan de produkten
op al de Marokkaansche bazaars rondkrioelen. Hij riep den eerste den
besten tot zich en begon met het weinige Arabisch, dat hij kende,
uit te kramen.
De eersten dier bengels, tot wie de zeeman zich wendde, wisten op zijne
vragen geen antwoord te geven. Eindelijk was er een, een Kabylische
jongen, ongeveer twaalf jaar oud, met het schalksche gezicht van
een Parijzer straatjongen, die verzekerde dat hij de Marokkaansche
kende en aanbood de beide Europeanen, tegen eene belooning van eenige
geldstukken, naar hare woning te geleiden. Dat was een lichtpunt,
dat in de duisternis scheen.
Natuurlijk werd dat aanbod dadelijk aangenomen en stapte het drietal
weldra door een schier onuitwarbaar netwerk van straten, die naar de
vestingwerken der stad uitstralen. Binnen tien minuten hadden zij een
bijna eenzaam kwartier bereikt, waarin de laaggebouwde en spaarzame
huizen geen enkel raam in den voorgevel vertoonden. Het zag er akelig
en somber uit. Intusschen wachtten dokter Antekirrt en Piet Bathory de
terugkomst van Luigi Ferrato en Pescadospunt met koortsachtig ongeduld
af. Wel twintig malen waren zij op het punt om zelf heen te gaan en de
nasporingen te leiden. Zij werden evenwel door de gedachte weerhouden,
dat zoowel Sarcany als de Marokkaansche hen beide kenden. Dat was
waarschijnlijk alles op het spel zetten, wanneer een dier twee hen
ontmoette. Dit dwong hen derhalve tot oppassen, ja tot vluchten, om
buiten het bereik hunner vijanden te zijn. Zij bleven dus ten prooi
aan de hevigste onrust te huis en wisten niet om met den tijd hun
ongeduld te dooden.
Het was negen uur, toen Luigi Ferrato en Pescadospunt in de fonda
terugkeerden.
Hun betrokken gelaat verkondigde genoegzaam, dat zij slechts ongunstige
tijdingen mede te deelen hadden.
En inderdaad, Sarcany en Namir hadden in gezelschap van een jong
meisje, dat niemand kende, reeds sedert vijf weken Tetuan verlaten,
terwijl een oude vrouw tot bewaakster van het huis achtergebleven was.
Op dien slag waren noch dokter Antekirrt noch Piet Bathory
voorbereid. Zij waren dan ook vernietigd.
"En toch is dat vertrek heel natuurlijk," merkte Luigi Ferrato na
het verhaal hunner nasporing op.
En dokter Antekirrt en Piet Bathory keken hem vragend aan.
"Wat bedoelt gij?" vroegen beiden tegelijk.
"Moest Sarcany niet vreezen," ging Luigi voort, "dat Silas
Toronthal uit wraakzucht of door eenige andere reden gedrongen,
zijne schuilplaats zou openbaren?"
Dat moest beaamd worden; maar dat veranderde de zaak hoegenaamd niet.
Zoolang het slechts gold misdadigers en verraders op te sporen,
had dokter Antekirrt nimmer aan zijn taak getwijfeld, en was nimmer
teruggedeinsd om haar te volbrengen. Nu het evenwel gold om zijne
eigene dochter uit de handen van Sarcany te redden, voelde hij
datzelfde zelfvertrouwen in zijne te treffen maatregelen niet meer.
Intusschen kwam hij met Piet overeen, dat men dadelijk het huis van
Namir moest bezoeken. Misschien zou men daar meer dan eene enkele
herinnering aan Sava aantreffen. Misschien zou de een of andere
bijzonderheid hen openbaren, wat van haar geworden was. Misschien ook
zoude de oude Jodin, dier ter bewaking van het huis achtergelaten was,
hen uiterst nuttige inlichtingen voor hunne verdere nasporingen kunnen
geven of verkoopen.
Luigi Ferrato geleidde hen dadelijk derwaarts. Het was niet ver. Binnen
een half uur waren zij er.
Dokter Antekirrt, die het Arabisch sprak alsof hij in Arabia Petrea
geboren was, gaf zich uit voor een vriend van Sarcany. Hij was zoo
even te Tetuan aangekomen en zoude slechts doortrekkend zijn. Hij
zou zich gelukkig gevoeld hebben, wanneer hij zijn vriend had mogen
ontmoeten. Nu dat niet kon, vroeg hij zijn huis te mogen bezichtigen.
Eerst maakte de oude Jodin eenige moeielijkheden. Maar een handvol
seechinen maakte haar veel leniger en handelbaarder. Al dadelijk
weigerde zij niet om de vragen van dokter Antekirrt te beantwoorden,
die, dat moet erkend worden, de grootste belangstelling voor haren
meester ademden.
Het meisje, door de Marokkaansche vrouw aangebracht, was bestemd
om de echtgenoote van Sarcany te worden. Dat was reeds sedert lang
beslist en misschien zou, zonder hun overhaast vertrek, het huwelijk
reeds te Tetuan voltrokken zijn. Dat jonge meisje had, sedert hare
aankomst alhier, dat wil zeggen sedert drie maanden ongeveer, nimmer
de woning verlaten. Men verhaalde dat zij van Arabische afkomst was,
maar de oude Jodin meende redenen te hebben, om te gelooven, dat zij
eene Europeesche moest zijn. Heel zeker daaromtrent was zij niet,
want zij had haar slechts weinig gezien en dat nog wel gedurende de
afwezigheid van de Marokkaansche vrouw. Meer wist zij er niet van
te vertellen.
Ook het land, waarheen Sarcany zoowel Namir als Sava gevoerd had,
wist de oude Jodin niet te noemen. Alles wat zij wist, was dat zij
ongeveer vijf weken geleden vertrokken waren met eene karavaan,
die naar het oosten trok. Sedert dien dag stond de woning onder hare
bewaking en zij moest er oppassen, totdat Sarcany gelegenheid zoude
gevonden hebben om haar te verkoopen--waaruit de gevolgtrekking
was af te leiden, dat het zijn plan niet was naar Tetuan weer te
keeren. Verder wist dat vrouwmensch niet te vertellen. Het nieuws
wat zij medegedeeld had, was uiterst schraal.
Dokter Antekirrt hoorde die antwoorden koelbloedig aan en vertaalde
ze, naarmate ze gegeven werden, voor Piet Bathory. Wat, alles
goed beschouwd, als zeker kon gerekend worden, was dat Sarcany
het niet geraden geoordeeld had, zich in te schepen op een van die
pakketbooten, die Tanger aandoen, of om in den spoortrein plaats te
nemen, die bij Oran een aanvang neemt. Dat reeds duidde op plannen,
die het daglicht niet mochten zien, en vermeerderde de onrust onzer
vrienden niet weinig.
Sarcany had zich bij eene karavaan aangesloten, die van Tetuan
vertrokken was, om te gaan.... Ja, waarheen? Naar de een of andere
oase in de woestijn?... Of nog verder, naar een van die streken,
welke door halfwilden bewoond worden en waar Sava geheel en al in
zijne macht zoude zijn en van zijne genade zou afhangen? Hoe dat te
weten te komen? Want het is in Noord-Afrika al even moeielijk om het
spoor eener karavaan als van een persoon alleen weer te vinden! Het
spoor eener karavaan verdwijnt in het zand der woestijn evenals het
kielzog van een vaartuig zich verliest in de wateren van den Oceaan.
Dokter Antekirrt hield dan ook bij de oude Jodin aan. Hij herhaalde,
dat hij belangrijke berichten, die Sarcany ter zeerste golden, mede te
deelen had, en die juist dat huis betroffen, waarvan hij zich ontdoen
wilde. Maar hoe hij ook praatte, en hoe hij het ook verder aanlegde,
het was hem onmogelijk iets verder te weten te komen.
Klaarblijkelijk was die vrouw onbekend met de nieuwe schuilplaats,
waarheen Sarcany gevlucht was, om de ontknooping van het drama te
bespoedigen. Die teleurstelling was nog wel de grootste, die dokter
Antekirrt en Piet Bathory konden ondervinden.
Beide mannen en Luigi Ferrato verzochten toen de woning, die naar
Arabischen stijl gebouwd was, en welker vertrekken hun daglicht
ontvingen van een patio of binnenplein, dat met eene rechthoekige
galerij omgeven was, te mogen bezichtigen. Hoe zwak ook hunne hoop
hierbij was, meenden zij dat de een of andere aanwijzing hun hierbij
den weg zou kunnen wijzen.
Dat werd hun toegestaan, en weldra hadden zij de kamer bereikt, die
door Sava bewoond was geweest. Dat was eene ware gevangeniscel. Hoe
veel uren had het rampzalige jonge meisje daar in dat vertrek ten
prooi aan de diepste wanhoop, zonder dat zij op hulp en verlossing kon
rekenen, doorgebracht? Zonder een woord te spreken, doorsnuffelden
dokter Antekirrt en Piet Bathory die kamer en zochten het geringste
merk of teeken, dat hen op het spoor, hetwelk zij zochten, kon brengen.
Eensklaps naderde de dokter een klein koperen brasero of komfoor,
dat in een hoek van de kamer op den drievoet rustte. In dat komfoor
bewogen zich eenige overblijfselen van papieren, die door de vlam
verbrand, maar niet volkomen verteerd waren.
Zou Sava geschreven hebben? Dat was niet geheel en al onwaarschijnlijk.
Zou zij, door dat plotselinge vertrek overvallen, er toe besloten
hebben dien brief, vóórdat zij Tetuan verliet, te verbranden?
Of, wat ook mogelijk was, werd die brief bij Sava gevonden en door
Sarcany of Namir vernietigd?
Piet Bathory had den blik van dokter Antekirrt, die over dien brasero
gebogen stond, gevolgd.
"Wat is er toch?" vroeg hij, met een angstig voorgevoel. "Wat ziet
gij toch in dat komfoor?"
Antekirrt wees op de papierasch.
En inderdaad, op die asch, die door een windzuchtje in fijn poeder
kon vernietigd worden, waren eenige letters zichtbaar en staken zwart
af op dien lichtgrijzen grond. Onder anderen stond daarop duidelijk,
hoewel de woorden onvolkomen waren: "mev... Bath..." Ja, dat stond
er heel duidelijk op. Daarin kon men zich niet vergissen.
Sava wist niet en kon niet weten, dat mevrouw Bathory uit Ragusa
verdwenen was. Had zij gepoogd haar te schrijven als aan de eenige
persoon op deze wereld, van wien zij hulp verwachten kon?
Maar achter den naam van mevrouw Bathory was nog een andere te lezen:
namelijk die van haren zoon...
Piet hield den adem in, om die asch niet te doen verstuiven, en poogde
eenig ander woord te ontdekken, dat nog leesbaar was... Maar zijn
blik was beneveld!... Het was hem onmogelijk iets meer te ontwaren!...
En toch stond er nog een woord, dat hem op het spoor van het jonge
meisje kon brengen,... een woord dat dokter Antekirrt in staat was
bijna ongeschonden waar te nemen:
"Tripoli!"... riep hij uit. En na nogmaals gekeken te hebben: "Ja,
dat staat er duidelijk... Zie maar... Tripoli!"
Het was dus in het Regentschap Tripoli, in zijn geboorteland, waar
hij eene volkomene veiligheid moest vinden, dat Sarcany eene toevlucht
gezocht had!
Het was naar die landstreek dat de karavaan zich begaf, waarbij
Sarcany zich vijf weken geleden aangesloten had.
"Naar Tripoli!" zei de dokter. "En zonder een dag, zonder een uur,
zonder eene minuut te verliezen!"
"Naar Tripoli!" herhaalde Piet in de grootste opgewondenheid. "Gij
hebt gelijk, wij mogen geen tijd verloren laten gaan!"
Dienzelfden dag waren allen weer op de _Elektriek 2_ ingescheept en
had dat vaartuig zee gekozen. Men kon uitrekenen, dat Sarcany op het
punt was, om aldaar aan te komen. En mocht hij reeds aangekomen zijn,
dan hoopten de opvarenden, dat dit slechts weinige dagen vóór hen
zou geschied zijn.
VIII.
HET OOIEVAARS-FEEST.
Tripoli, in het Turksch _Tarablus Giharb_, ook Tripolitanië geheeten,
is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de
Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe
behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim
zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli
vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het
Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer
zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en
vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent,
ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer
onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten
met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte
Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet
hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door
diepe ouaddi's of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan
een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.
Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt
er vervangen door den regentijd.
Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot
de Mooren en op het land tot de Arabische Bedouinen en de Berbers
behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen
godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in
de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen,
aangetroffen worden.
De Bedouinen houden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren
met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in
dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen
en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De
Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het
Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd
door een gouverneur-generaal.
De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene
landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door
hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal,
heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen
gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen
handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene
synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars,
karavancera's, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in
corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking
van dertig duizend zielen.
Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt
men nog vele oudheden.
Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de
Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen
oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische
koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie
Afrika gevoegd.
Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea,
Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de
Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren
in de VIIde eeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.
In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro
van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder
onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders
van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd
en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche
kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers
door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij
vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde
de maarschalk d'Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den
vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de
Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte,
doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en
de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen
eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad
eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering van Algiers door
de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835
eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij
en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.
Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis
niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.
Het uitgestreke plein van Soung Ettelati, dat zich ten oosten buiten
de muren van Tripoli uitspreidt, leverde op den 23sten November een
zonderlingen aanblik op. Dien dag zou men onmogelijk hebben kunnen
zeggen, of dat plein woest of wel vruchtbaar was. Op zijne oppervlakte
wemelde het toch inderdaad van veelkleurige tenten, die met roode
kwasten uitgemonsterd en met vlaggen versierd waren en de meest
schelle kleuren te zien gaven, van gourbis, welks tentlinnen versleten
en veelvuldig versteld, den bewoners daarvan slechts onvolkomen
beschutting kon verleenen tegen den invloed van den "gibly," een
drogen en heeten wind, die uit het zuiden waait. Hier en daar werden
groepen van paarden ontwaard, die op oostersche wijze getuigd waren,
van kameelen, die op het zand uitgestrekt lagen en wier hoofd veel
op een half geledigd vat geleek, van kleine ezels, die niet veel
grooter waren dan groote honden, van muildieren met die overgroote
zadels getuigd, welker lepel en zadelknop als een bult van een kameel
uitsteekt. Verder waren daar ruiters, met het geweer op den rug, met
de knieën ter hoogte van de borst, met de voeten in stijgbeugels,
die wel eenigermate op sloffen gelijken, met een dubbele sabel aan
den koppel, die dan te midden van eene groote menigte van mannen,
vrouwen en kinderen rond galoppeerden, zonder zich te bekreunen,
of zij ook iemand in het voorbijgaan overrijden en verpletteren
konden. Eindelijk werden daar ook nog inboorlingen aangetroffen,
die bijna eenvormig met de Barbarijsche "haouly" gekleed waren,
waaronder men geen man van eene vrouw zou kunnen onderscheiden,
wanneer de mannen namelijk de plooien van dat kleed of die soort
deken niet ter hoogte hunner borst met een koperen knoop vastmaakten,
terwijl de vrouwen de voorslip zoodanig over het gelaat trekken, dat
slechts het linker oog zichtbaar is. De onderkleeding van die haouly,
die slechts een soort wollen mantel is, verschilt volgens de klasse,
waartoe de drager behoort. De armen dragen haar over de naakte huid,
de welgestelden dragen daaronder het vest en de breede broek der
Arabieren; de rijken hebben prachtige kleedingstukken, geruit wit met
blauw, waaronder zij een tweede haouly van gaas dragen, die uit wol
met zijde doorweven bestaat en op een hemd, dat met gouden koortjes
versierd is, gedragen wordt.
Waren het alleen Tripolitanen, die daar op dat plein verzameld waren?