dochter van graaf Sandorf haar achttiende jaar bereikt hebben, het
tijdstip, waarop zij als erfgename zoude moeten optreden, op gevaar
af anders hare rechten te zullen verliezen.--Sarcany wist dat, en
deze omstandigheid moest hem het uiterste doen beproeven, om Sava's
toestemming tot dit gehate huwelijk te verwerven. De tijd was dus
kort, en er moest uiterst spoedig gehandeld worden, dat gevoelde
dokter Antekirrt.
In een ondeelbaar oogenblik, als het ware, had die opvolging van
gedachten het brein van den rampzaligen vader doorkruist. Na dat
verleden, evenals mevrouw Bathory en haar zoon gedaan hadden, in
gedachten opgebouwd te hebben, gevoelde hij de verwijtingen die de
echtgenoote en de zoon van Stephanus Bathory hem, onverdiend wel is
waar, konden doen! En toch, wanneer de zaken bestaan hadden, zoo als
hij ze zich voorgesteld had, zou dan eene vereeniging mogelijk geweest
zijn tusschen Piet Bathory en haar, die voor allen, ook voor hemzelven,
Sava Toronthal genoemd werd?
Het was nu zaak, het koste wat het wilde, om zijne dochter Sava uit
te vinden,--wiens naam, gevoegd aan dien van de gravin Rena, zijn
echtgenoote, gegeven was aan de goelet _Savarena_, zooals de naam van
Luigi's vader aan het stoomjacht _Ferrato_ verleend was.--Waarlijk,
geene geringe taak, dat moet erkend worden. Maar er was geen dag,
geen uur, geen oogenblik meer te verliezen. Alle krachten moesten
ingespannen worden, om tot het doel te geraken.
Mevrouw Bathory was reeds naar het Stadhuis teruggevoerd, toen dokter
Antekirrt er ook binnentrad in gezelschap van Piet, die zich aan de
grootste afwisselingen van blijdschap en wanhoop overgaf, evenwel
daarbij geen woord sprak. Op zijn gelaat was nochtans te ontwaren,
aan welke aandoening hij ten prooi was.
De brave moeder was genezen. Zij was evenwel zeer verzwakt en uitgeput
door de geweldige reactie, die zij ondergaan had. Zij was in haar kamer
gezeten, toen dokter Antekirrt en Piet Bathory haar daar opzochten.
Maria Ferrato had, met de scherpzinnigheid der vrouwen eigen,
begrepen, dat die drie menschen alleen bij elkander gelaten moesten
worden. Derhalve was zij zacht, en zonder dat iemand het merkte,
naar de groote zaal in het Stadhuis gegaan.
Dokter Antekirrt naderde, met de hand op den schouder van Piet geleund,
mevrouw Bathory.
"Mevrouw," sprak hij, "ik had reeds van uwen zoon den mijnen
gemaakt. Maar dat was hij nog maar krachtens vriendschapsbanden;
geloof mij, ik zal alles doen, om te bewerken, dat hij het ook door
de banden van het bloed wordt. Als ik daarin slaag, zal ik, dat kan
ik u betuigen, de gelukkigste aller stervelingen zijn. Sava mijne
dochter! en Piet mijn zoon!"
Mevrouw Bathory keek hem verbaasd aan. Zij kon hem onmogelijk
begrijpen, dat was haar wel aan te zien.
"Ja," ging dokter Antekirrt voort, "dat hij in mij een waren vader,
ik een waren zoon in hem vond..."
De arme vrouw wist niet wat te denken en keek beteuterd beide mannen
beurtelings aan.
"Door hem Sava... mijne dochter... te laten trouwen!" lichte de dokter
eindelijk toe.
"Uwe dochter?..." kreet mevrouw Bathory, terwijl zij de hand aan het
voorhoofd bracht... "Sava uwe dochter?"
"Ja, mijne dochter! Deel toch in mijn geluk, waarde mevrouw. Sava is
mijne dochter!"
"Maar... wie zijt ge dan?" vroeg de ontstelde moeder, terwijl zij
haar gelaat met de beide handen bedekte.
"Wie ik ben?... Ik ben graaf Mathias Sandorf! Ik ben de beste vriend
van Stephanus, uwen echtgenoot!"
Mevrouw Bathory sprong van haren stoel op, strekte de handen uit, en
viel schier onmachtig in de armen van haren zoon. Maar al kon zij van
aandoening niet spreken, zoo kon zij toch hooren. In weinige woorden
deelde Piet haar mede, wat zij niet wist; hoe graaf Mathias Sandorf
door de toewijding en opoffering van den visscher Andreas Ferrato
gered was geworden; waarom deze gedurende vijftien jaren onbekend
en voor dood had willen blijven doorgaan en hoe hij eindelijk onder
den naam van dokter Antekirrt te Ragusa gekomen was. Hij verhaalde,
wat Sarcany en Silas Toronthal met betrekking tot het verraad van de
Triëster samenzwering gedaan hadden; daarna het verraad van Carpena,
waarvan zijn vader het slachtoffer geweest was, hoe eindelijk dokter
Antekirrt hem levend aan het graf op het kerkhof te Ragusa ontrukt
had, om hem deelgenoot te maken van de rechtspleging, die hij wenschte
ten uitvoer te leggen. Hij eindigde zijn verhaal met de mededeeling,
dat twee der ellendelingen: de bankier Silas Toronthal en de Spanjaard
Carpena, reeds in hunne macht waren; maar dat de derde nog ontbrak,
de derde, namelijk Sarcany, dezelfde schaamtelooze kerel, die van
Sava Sandorf zijne vrouw wilde maken, van Sava, de dochter van zijn
slachtoffer.
Gedurende meer dan een uur zaten dokter Antekirrt, mevrouw Bathory en
haar zoon, een drietal dat in de toekomst door een zoo innigen band
van toegenegenheid zoude verbonden worden, bij elkander, om nog de
daadzaken betreffende het ongelukkige jonge meisje in bijzonderheden te
behandelen en te bespreken. Het was voor hen allen helder als de dag,
dat Sarcany voor niets zou terugdeinzen, om Sava tot dat huwelijk,
hetwelk hem het vermogen van graaf Sandorf moest in handen spelen, te
nopen. Zij vestigden in het bijzonder hunne aandacht op dien toestand,
die, al waren ook al de vroegere plannen van den ellendeling verijdeld,
toch nog voor het tegenwoordige angstverwekkend genoeg was. Dus voor
en boven alles: Sava moest weergevonden worden, al moest ook hemel en
aarde bewogen worden. Dat was de eerst voor de hand liggende taak. Dat
begrepen allen.
Men kwam overeen, dat mevrouw Bathory en Piet voorloopig de eenigen
zouden blijven, die weten zouden, dat graaf Mathias Sandorf zich
achter den naam van dokter Antekirrt verborg. Wanneer men dat geheim
prijs gaf, zou het bekend worden, dat Sava zijne dochter was, en het
was in het belang van de nasporingen, die ondernomen moesten worden,
dat dit nog niet geweten werd. Dus het diepste geheim werd daaromtrent
aanbevolen.
"Maar waar is Sava?" vroeg mevrouw Bathory, toen zij hare gedachte
weer eenigermate verzameld had.
En toen zij daarop van niemand, noch van haren zoon, noch van dokter
Antekirrt antwoord ontving, vervolgde zij:
"Waar haar te zoeken?... Waar haar te vinden? Zeg, zal dat te
ontdekken zijn?"
"O, dat zullen wij wel te weten krijgen!" antwoordde Piet, bij wien
de wanhoop vervangen was door eene geestkracht, die niet meer tanen
zoude. "Dat zullen wij wel uitvinden!"
"Ja!... dat zullen wij!" hernam dokter Antekirrt vastberaden.
"En al kan ook aangenomen worden, dat Silas Toronthal niet weet,
waarheen Sarcany eene schuilplaats gezocht heeft, zoo zal hij toch
niet kunnen ontkennen, dat hij weet, waar die ellendeling mijne
dochter opgesloten houdt. En dat zal hij, dat moet hij ons zeggen,
al moet ook geweld gepleegd worden!"
"Ja, als hij het weet,... dan zal hij het moeten zeggen!" riep Piet
Bathory woest uit.
"Ja!... dat moet!" zei de dokter. "Ik herhaal het, al zou geweld
moeten gebruikt worden."
"Onmiddellijk!" riep Piet Bathory uit. "Laten wij geen oogenblik
verliezen."
"Ja, onmiddellijk!"
Noch dokter Antekirrt, noch mevrouw Bathory, noch haar zoon Piet zouden
langer in dien staat van onzekerheid hebben kunnen verblijven. Er
moest naar eene uitkomst getracht worden.
Luigi Ferrato, die zich met Pescadospunt en Kaap Matifou in de groote
zaal van het Stadhuis bevond, alwaar Maria zich bij hen gevoegd had,
werd dadelijk geroepen.
Hij kreeg bevel, om zich naar het fortje te begeven, zich daarbij
door Kaap Matifou te doen vergezellen, en Silas Toronthal naar het
Stadhuis over te brengen.
De bankier verliet een kwartier later het gekasematteerde vertrek, dat
hem tot gevangenislokaal diende, waarbij Kaap Matifou met zijne breede
hand de vuist van den misdadiger als in een schroef geklemd hield,
en volgde gedwee zijn geleider door de groote straat van Artenak,
naar de Raadzaal.
De bankier had aan Luigi gevraagd, waarheen men hem voerde, maar
had daarop geen antwoord bekomen. Dit maakte hem te meer ongerust,
daar hij steeds niet wist in handen van welk machtig persoon hij zich
sedert zijne gevangenneming bevond.
Silas Toronthal, die steeds door Kaap Matifou vastgehouden werd,
trad, voorafgegaan door Luigi Ferrato, de zaal binnen.
Wel zag hij terstond Pescadospunt, echter niet mevrouw Bathory
noch haren zoon, die zich beiden ter zijde hielden. Maar plotseling
bevond hij zich tegenover dokter Antekirrt, met wien hij te Ragusa te
vergeefsch getracht had in aanraking te komen. Nu scheen hem plotseling
een vreeselijk licht op te gaan. Nu eerst scheen hij te begrijpen.
"Gij!... Gij!"... riep hij ontzet en ten uiterste verbaasd
uit. "Gij!... Gij, dokter Antekirrt!"
Maar zijne zelfbeheersching, evenwel niet zonder inspanning,
hernemende.
"Zoo, zoo!" zeide hij. "Het is dokter Antekirrt, die mij op
Fransch grondgebied heeft laten gevangen nemen! Hij is het, die mij
wederrechtelijk van mijne vrijheid beroofd heeft?"
"Wederrechtelijk? Durft Silas Toronthal, die in zijn leven zooveel
wederrechtelijke daden pleegde, dat woord gebruiken?"
"Ja, wederrechtelijk!" herhaalde de bankier, terwijl hij zijn
toespreker onbeschaamd aankeek.
"Maar, toch niet onrechtvaardig!" antwoordde de dokter met
indrukwekkende stem.
"Wat heb ik met u te maken? Wat heb ik u gedaan? Zeg, wat heb ik u
gedaan?" vroeg de bankier.
"Mij?" ...
"Ja, u?"
"Gij zult het vernemen, Silas Toronthal, en dat wel vroeger dan u
wellicht lief zal zijn."
"Wanneer? Spreek! Wanneer?"
De bankier bleef in zijn onbeschaamde rol volharden. Hij meende van
dokter Antekirrt niets te vreezen te hebben.
"Wanneer gij geantwoord zult hebben op deze vraag: wat hebt gij deze
ongelukkige vrouw gedaan?"
"Mevrouw Bathory!" riep de bankier uit, terwijl hij een paar
stappen achteruit deed, toen hij de weduwe ontwaarde, die op hem
toetrad. "Mevrouw Bathory! O God!"
"En haar zoon!" vulde dokter Antekirrt aan. "Zeg, wat hebt gij haren
zoon gedaan?"
"Piet!" ...
"Ja, Piet!"
"Piet Bathory?" stamelde Silas Toronthal. "Geeft het graf dan zijn
prooi terug?"
Hij zou voorzeker van ontsteltenis omver gevallen zijn, wanneer Kaap
Matifou hem niet onwrikbaar overeind en op zijne plaats vastgehouden
had. Die kolossus verwrikte niet.
Dus Piet Bathory, dien hij dood waande, de man wiens lijkstatie hij
had zien voorbij trekken, Piet Bathory die op het kerkhof te Ragusa
begraven was, diezelfde Piet Bathory stond daar voor hem als een geest,
die uit het graf verrezen was! Silas Toronthal gevoelde zich in zijne
tegenwoordigheid hevig beangst.... Hij begon te begrijpen, dat hij
de straf zijner misdaden niet zou kunnen ontloopen.... Hij voelde,
dat hij verloren was. Hij keek rond, alsof hij een hoek zocht, waar
hij zich voor aller oogen kon verbergen.
"Waar is Sava?" vroeg eensklaps dokter Antekirrt. "Waar is dat jonge
meisje, dat ..."
"Mijne dochter?"
"Sava is uwe dochter niet!" antwoordde dokter Antekirrt gestreng en
met indrukwekkend gebaar.
"Sava, mijne dochter niet?" vroeg Silas Toronthal geheel en al
onthutst. "Wie heeft u dat gezegd?"
"Neen! Sava is de dochter van graaf Mathias Sandorf, dien gij, door
hem en zijne beide makkers, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar,
laaghartig te verraden, aan den dood hebt overgeleverd! Verstaat gij
mij? Dat is duidelijk!"
Bij die zoo formeele beschuldiging gevoelde zich de bankier Silas
Toronthal vernietigd.
Dokter Antekirrt wist toch niet alleen, dat Sava zijne dochter
niet was, maar hij wist ook, dat zij de dochter van graaf Mathias
Sandorf was! Hij wist hoe en door wien de samenzweerders van Triëst
verraden waren! Dat walgelijke verleden verhief zich in zijne geheele
schrikkelijkheid tegen Silas Toronthal. Hij wenschte in den grond te
kunnen verzinken, om die beschuldigende oogen te kunnen ontgaan.
"Waar is Sava," hernam de dokter, die zijn toorn slechts door zeer
veel wilskracht bedwong.
Geen antwoord. Silas Toronthal gluurde met gebogen hoofd rond en
scheen zich te beraden.
"Waar is Sava, die door Sarcany, uwen medeplichtige bij al uwe
misdaden, van het kasteel te Artenak opgelicht is geworden? Zult
gij spreken?"
En toen de ellendeling steeds zweeg, vervolgde Antekirrt somber en
schrikkelijk in stem en gebaren:
"Waar is Sava, die door dien ellendeling op eene plaats, die gij kent
en kennen moet, opgesloten gehouden wordt, om haar hare toestemming
af te dwingen tot een huwelijk, dat haar afschuw inboezemt ... tot
een huwelijk met een der verraders van haren vader!"
Andermaal geen antwoord. In het brein van Silas Toronthal begon. een
denkbeeld te gloren. Hij glimlachte onmerkbaar.
"Voor de laatste maal: waar is Sava?" brulde dokter Antekirrt buiten
zich zelven.
Hoe schrikverwekkend het uiterlijke van den dokter zich ook
voordeed, hoe dreigend zijne woorden ook klonken, dat alles kon Silas
Toronthal niet bewegen om te antwoorden. De aterling had begrepen,
dat de tegenwoordige toestand van het jonge meisje hem tot schild,
tot dekmantel kon dienen. Hij voelde, dat zijn leven geen gevaar
liep, zoolang hij dat geheim niet geopenbaard had. Ziedaar, wat hem
eenigermate gerustgesteld had, en wat dien glimlach te voorschijn
getooverd had.
"Luister," hernam de dokter, wien het gelukt was zijne
zelfbeheersching en koelbloedigheid te herwinnen, "hoor naar mij, Silas
Toronthal! Misschien meent gij verplicht te zijn, uwen medeplichtige te
sparen! Gij vreest misschien hem te benadeelen door te spreken! Welnu,
weet dit dan: Sarcany, na uw vermogen verkwist te hebben, heeft, om
zich van uwe stilzwijgendheid te verzekeren, gepoogd u te vermoorden,
zoo als hij Piet Bathory te Ragusa vermoord heeft... Ja... twijfelt
gij? Op hetzelfde oogenblik, toen mijne lasthebbers de hand op u
legden, en zich van uw persoon op den straatweg naar Nizza, meester
maakten, stond hij gereed met zijn dolk toe te stooten... En zult gij,
nu gij dat weet, blijven zwijgen? Zult gij dien man willen blijven
sparen, die ook jegens u voor geen moord terugdeinsde? Komaan, spreek."
Silas Toronthal bleef bij het denkbeeld volharden, dat zijn stilzwijgen
zijne tegenstanders nopen moest, om hem te ontzien. Hij gaf dan ook
geen antwoord.
"Waar is Sava?" herhaalde dokter Antekirrt.
Niets, geen woord! Dat zwijgen was tergend, was uitdagend. Piet
Bathory stond te knarsetanden van woede.
"Waar is Sava?" herhaalde de dokter, die ditmaal zijn geduld begon
te verliezen.
"Ik weet het niet!..." antwoordde Silas Toronthal, vast besloten zijn
geheim zorgvuldig te bewaren.
Eensklaps stiet hij echter een gil uit en poogde, terwijl hij zich
van pijn kromde en spartelde, Kaap Matifou, die zijne hand steeds
in de zijne omklemd hield, achteruit te duwen. Hij had eerder kunnen
proberen een granietblok van zijne plaats te brengen.
"Genade... Genade!" riep hij, terwijl hij zich van pijn
kromde. "Genade! ik smeek u!"
Kaap Matifou kneep die hand, waarschijnlijk onbewust, alsof hij ze
verbrijzelen wilde.
"Genade!" kreet de bankier, "zoo'n pijn heb ik nog nooit
ondervonden! Mijne hand is verpletterd."
"Zult ge spreken?... Of..."
En hij gaf een teeken aan Kaap Matifou, die dadelijk de klemschroef
aanzette.
"Ja... Ja..." kreet de ongelukkige misdadiger. "Ja... ja!... ik
zal spreken!"
"Welnu dan, haast u! Waar is Sava?"
"Sava... Sava..." stamelde Silas Toronthal, die slechts met afgebroken
woorden kon antwoorden.
"Welnu, Sava?... Waar is zij? Geen omwegen, geen onwaarheden. Ik
waarschuw u ten beste."
"Sava.. in het huis... van Namir... de verspiedster
van... Sarcany... Daar is zij opgesloten."
"Maar waar is dat huis? Nogmaals waarschuw ik u tegen misleiding. De
waarheid, niets dan de waarheid!"
"Te... Tetuan! in Marokko!..." kreet de gemartelde. "Daar zult gij
haar vinden."
Kaap Matifou liet, nadat die woorden den bankier ontvallen waren,
diens hand eerst los, en die hand viel machteloos langs zijne zijde
neder. Ja, een handdruk wisselen met dien reus, mocht voorwaar
ongeraden heeten.
"Breng den gevangene naar zijne cel terug!" zei dokter Antekirrt;
"wij weten, wat wij verlangden te vernemen."
Luigi Ferrato trok Silas Toronthal met zich voort, het Stadhuis uit
en sloot hem in zijn kasemat op.
Sava te Tetuan! Sava in Marokko! Sava in de macht van dat afzichtelijk
wijf!
Dus, toen dokter Antekirrt en Piet Bathory twee maanden geleden te
Ceuta aangekomen waren, om den Spanjaard Carpena aan dat boevenverblijf
te ontvoeren, scheidden hen slechts eenige weinige mijlen van de
plaats, waar dat Marokkaansche vrouwmensch het jonge meisje opgesloten
hield! En dat hadden zij niet geweten! Het was om te vertwijfelen!
"Dezen nacht nog vertrekken wij naar Tetuan, Piet," zei de dokter op
kalmen toon.
Toen ten tijde bestond nog geen spoorweg, die rechtstreeks van
Tunis naar de Marokkaansche grenzen voerde. Om dan ook binnen den
kortst mogelijken tijd te Tetuan te kunnen aankomen, viel niets
beters te doen, dan zich in te schepen op een van die snelvarende
vervoermiddelen, tot de flottilje van Antekirrta behoorende.
Voor dat de scheepsbel de acht glazen had laten weerklinken, die het
middernachtsuur moesten aangeven, had de _Elektriek_ 2 haar anker
gelicht en stoomde de Syrtische zee uit en de volle Middellandsche
zee in.
Aan boord bevonden zich slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory,
Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap Matifou.
Van die allen was Piet Bathory slechts aan Sarcany bekend. De anderen
had hij nimmer gezien.
Wanneer men te Tetuan zou aangekomen zijn, dan zou men zien, hoe
te handelen. Want het was nog niet uitgemaakt, of men met list of
gewelddadig zou te werk gaan. Dat zou van de omstandigheden afhangen,
waarin Sarcany zich te midden van die geheel Marokkaansche stad
zoude bevinden. Dat zou ook afhangen van den aard van het verblijf
van dien man in de woning van Namir en van het personeel, waarover
hij kon beschikken.
Maar, voor alles moest men te Tetuan aankomen! Ja, dat ging voor
alles. En daarom moest spoed gemaakt worden.
Van Antekirrta af tot aan de Marokkaansche grenzen wordt gerekend een
afstand van twee duizend vijfhonderd kilometers te bedragen, hetgeen
ongeveer met dertien honderd vijftig zeemijlen overeenkomt. Wanneer nu
de _Elektriek 2_ zich met volle kracht voorwaarts bewoog, dan kon zij
om en nabij zeven en twintig mijlen in het uur afleggen. Hoeveel
sneltreinen op de spoorwegen van het vasteland bereiken die
snelheid? Dus dat lange stalen spilvormige lichaam, waarop de
wind geen vat had, dat door de deininggolven heenschoof, zonder er
vertraging door te ondervinden, of weerstand te bieden, dat om geen
brekers scheen te geven, zou niet eens vijftig uren noodig hebben,
om ter gewilder plaatse te komen.
De _Elektriek 2_ was den volgenden ochtend, reeds vóórdat de dag
aanbrak, kaap Bon genaderd. Van dat punt af zou het vaartuig, na de
monding van de golf van Tunis voorbijgestevend te zijn, slechts weinige
uren noodig hebben om kaap Bizerta uit het gezicht te verliezen. La
Calle, Bône, de IJzeren Kaap, wier metaalmassa, zooals men beweert,
de kompasnaald doet afwijken, de Algerijnsche kust, Stora, Bougie,
Dellys, Algiers, Cherchell, Montanagem, Oran, Nemours, daarna de
Rifsche kuststreken, kaap Melilla, die evenals Ceuta aan Spanje
toebehoort, kaap Tres Forcas, vanwaar het vasteland zich tot bij
kaap Negro afrondt, dat geheele panorama van de Afrikaansche kust
ontrolde zich, terwijl het scheepje zich voortspoedde gedurende de
dagen van 20 en 21 November voor de oogen der opvarenden, zonder dat
een oponthoud of een ongemak de vaart kwam vertragen. Nooit was de
machine, door de accumulatoren bewogen, in de gelegenheid geweest,
dergelijke diensten te presteeren. Maar zij hield zich goed.
Werd de _Elektriek_ ook al ontwaard, nu eens langs en evenwijdig
aan de kust stevenende, dan weer eens in volle zee buiten de baaien,
die zij van kaap tot kaap doorsneed, dan moesten de kustwachters wel
aan de verschijning van een bovennatuurlijk vaartuig of wel aan een
buitengewoon grooten visch van het geslacht der walvisschen gelooven,
die door geen stoomboot, de wateren der Middellandsche zee beploegende,
ingehaald zoude kunnen worden. Men keek er naar uit. Men wees elkander
dat vreemdsoortig voorwerp aan, maar daar bleef het ook bij.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap
Matifou ontscheepten zoo omstreeks tegen acht uren in den avond
bij de uitwatering van de kleine Tetuan-rivier, waarin de sloep eene
aanlegplaats gezocht had. Die rivier, door de aardrijkskundigen Martil
genaamd, heeft twee forten, die hare nadering beschermen.
Op ongeveer honderd passen van den rivier-oever verwijderd, bestond
een soort van caravanserail, waar onze reizigers muildieren en
een Arabischen gids aantroffen, die aanbood hen naar de stad te
brengen. De prijs, dien hij vroeg, werd zonder afdingen aangenomen,
zoodat zij dadelijk konden vertrekken.
In dit gedeelte van de Rifsche kuststreek, hebben de Europeanen noch
van de inheemsche bevolking, noch van de zwervende volksstammen, die
het land afloopen, iets te vreezen. Het land is bovendien zeer slecht
bewoond en nog slechter bebouwd. De weg kronkelt door eene vlakte,
die met schrale boompjes en struiken bezaaid is. De lezer moet zich
niet verbeelden, dat die weg een aangelegd gemeenschapsmiddel was;
neen, het was slechts een pad, dat eer aan de hoeven der paarden of
muilezels, dan wel aan eenige menschenhand te danken was. Aan de eene
zijde vloot de rivier binnen hare modderige oevers, waar het gekwaak
der padden en kikvorschen en het schrille gepiep der sprinkhanen zich
lieten hooren. Op de watervlakte dobberden eenige visschersschuiten,
die midden op stroom ten anker lagen, terwijl er ook op het droge
gehaald waren. Aan de andere zijde rechts van den weg ontwikkelde zich
eene reeks van kale heuvels, die zich in de verte bij het zuidelijk
gebergte aansloten.
De nacht was prachtig, de maan scheen heerlijk en overgoot de omstreken
met haar zacht licht. Door de terugkaatsing harer bleeke stralen in
den spiegel der rivier, veroorzaakte zij, dat de omtrekken der hoogten
van den noorder-gezichteinder zich minder nauwkeurig afteekenden. In
de verte ontwaarde men de witte gebouwen van Tetuan, en deed zich de
stad voor als eene onmetelijke witte vlek op den somberen nevelachtigen
achtergrond.
De Arabische gids geleidde zijn troepje met vluggen pas; twee of
drie malen moest men stil blijven houden bij eenige alleenstaande
wachthuizen, wier eenig venster, uitziende op dat gedeelte van het
gebouw, hetwelk niet door de maan verlicht werd, een geelachtig licht
te ontwaren gaf. Dan traden een of twee Marokkanen met eene smokende
lantaarn in de hand naar buiten, om met den gids te spreken. Na eenige
woorden gewisseld te hebben, die tot herkenning moesten dienen, werd
de weg vervolgd. Klinkende munt was hierbij het hoofdmiddel om vlug
vooruit te komen, en het herkenningsteeken naar eisch te doen slagen.
Noch de dokter, noch zijne tochtgenooten spraken een
woord. Stilzwijgend schreden zij naast elkander voort.
Zij waren afgetrokken, in gedachten verzonken, en lieten de muildieren,
die met dien vlakken weg, welke hier en daar een ravijn vertoonde,
goed bekend waren en de veelvuldige steenen, boomstronken en
wortels, waarmede hij bezaaid was, behendig wisten te mijden, rustig
voortstappen. Het stevigste en sterkste van die dieren bleef evenwel
somwijlen achter. Toch moest het daarom niet minder geacht worden dan
de anderen: want het droeg Kaap Matifou en die woog inderdaad op zijn
minst voor twee.
Dat wekte de goede luim van Pescadospunt op, die de opmerking niet
weerhouden kon:
"Het zou wenschelijk zijn dat Kaap Matifou eerder het muildier,
dan dat het muildier Kaap Matifou droeg!"
Zoo omstreeks half tien liet de Arabische gids stilhouden bij een
grooten witten walmuur, die met torens en schietgaten bekroond,
de stad aan dezen kant moest beschermen en verdedigen. In dien muur
opende zich een lage poort, die op Marokkaansche wijze met allerlei
arabesken versierd was. Daarenboven gluurden door talrijke schietgaten
de mondingen van kanonnen, niet oneigenaardig aan die groote kaaimannen
gelijk, die in het maanlicht op de modder uitgestrekt liggen te slapen.