van stikstof in vloeibaren toestand op verschillende lichamen, rijk
aan koolstof, zooals op minerale, plantaardige, dierlijke oliën of
andere vloeibare voortbrengselen van vetstoffen. Die beide vochten,
die afzonderlijk geheel onschuldig en in elkander oplosbaar zijn,
worden in zekere verhouding gemengd, zooals men water met wijn zou
mengen, zonder dat er gevaar bij de behandeling bestaat. Zoo wordt
de "panklastiet" vervaardigd, een woord dat: "alles verbrijzelend"
beteekent, een inderdaad juiste naam, want die nieuw verkregen
vloeistof is in staat alles te verbrijzelen, en overtreft in kracht
verre alle overige bekende ontploffingsmiddelen.
Dit scheikundig schrikmiddel werd dus in talrijke mijngangen onder
de oppervlakte van het maaiveld van het eilandje geladen. Met een
onderzeeschen telegraafdraad stond die lading in verbinding met
het eiland Antekirrta. Langs dien draad zou de electrische vonk
voortspoeden naar de aanvuringen van slagkwik, waarvan iedere mijngang
voorzien was, en het kon niet missen, of de algemeene ontploffing zou
alsdan onmiddellijk volgen. Daar het evenwel zoude kunnen gebeuren,
dat de draad door de eene of andere omstandigheid onbruikbaar werd,
zoo werden er nog twee uitgebracht, onafhankelijk van elkander,
en werden bovendien bij wijze van voorzorgsmaatregel nog andere
electrische batterijen op verschillende plekken van het eiland
onder de oppervlakte van den bodem ingegraven en door onderaardsche
geleidingsdraden met de mijngangen verbonden. Het was voldoende de
plaatjes van een dier batterijen, die met de oppervlakte van den
grond gelijk gelegd waren, met den voet eventjes aan te raken, om den
stroom af te sluiten, den benoodigden schok op het slagkwik en zoo
de ontploffing te veroorzaken. Het zou dus onmogelijk genoemd worden,
dat wanneer talrijke aanvallers op het eilandje Kencraf ontscheepten,
er een aan de totale vernietiging zoude ontsnappen.
Die verschillende werkzaamheden waren in de eerste dagen van November
tamelijk gevorderd, toen er een ongeval plaats greep, dat dokter
Antekirrt noodzaakte zijn eiland gedurende eenige dagen te verlaten.
In den ochtend van den 3den November kwam het stoomvaartuig, dat
bestemd was om de steenkolen van Cardiff over te voeren, in de haven
van Antekirrta ten anker. Gedurende den overtocht was het door slecht
weder genoodzaakt geworden Gibraltar aan te doen. Daar vond de kapitein
der boot op het postkantoor een brief, die aan dokter Antekirrt
gericht was. Die brief was door de verschillende postdiensten her-
en derwaarts gezonden geworden, zonder dat hij den geadresseerde had
kunnen bereiken. De menigvuldige postmerken op den omslag, gaven daar
de meest afdoende getuigenis van.
Dokter Antekirrt nam dien brief in ontvangst, bekeek den omslag, die
de postmerken van Malta, Catania, Ragusa, Ceuta, Otranto, Malaga en
Gibraltar droeg.
Het adres, hetwelk een zwaar beverig schrift vertoonde, was
klaarblijkelijk door iemand ter neder gesteld, die de gewoonte niet
meer had om de pen te voeren, wien het ook misschien aan kracht
ontbroken had, om die weinige woorden ter neer te schrijven. De
omslag voerde slechts één naam, den naam van den dokter, met die
roerende aanbeveling:
"Aan dokter Antekirrt.
"Aan Gods goede zorgen overgelaten."
De dokter scheurde den omslag open, ontvouwde den brief, die op een
vel papier geschreven was, dat door den tijd reeds geel geworden was,
en las het navolgende:
"Heer dokter!
"Dat God u dezen brief toch in handen voere!... Ik ben reeds
zeer bejaard!... Ik kan sterven.... Dan zal zij alleen op de
wereld zijn!... Och, heb medelijden met de laatste dagen van
mevrouw Bathory!... Zij is gedurende haar geheele leven zoo
zeer beproefd geweest!... Kom haar te hulp! Dat is de bede van
Uwen ootmoedigen dienaar
Borik."
Verder stond er in een hoek: "Carthago" en daaronder deze woorden:
"Regentschap Tunis."
De dokter bevond zich alleen op het Stadhuis, toen hij van dien brief
kennis nam. Een kreet van vreugde en van wanhoop te gelijkertijd
ontsnapte hem,--van vreugde, omdat hij 't spoor van mevrouw Bathory
wedervond,--van wanhoop of beter van vrees, want de postmerken op
den omslag van dien brief duidden aan, dat hij reeds langer dan een
maand geleden geschreven was.
Luigi Ferrato werd dadelijk geroepen. Hij kwam terstond aangeloopen
en meldde zich op het Stadhuis aan.
"Luigi," zei dokter Antekirrt, "geef kapitein Ködrik de noodige
bevelen, dat de _Ferrato_ binnen twee uren stoom op heeft en in staat
zij om te kunnen vertrekken."
"Het vaartuig zal gereed zijn, om op den opgegeven tijd zee te kunnen
kiezen," antwoordde Luigi.
"Goed zoo."
"Maar vergeef mij eene onbescheidene vraag: moet het vaartuig ter
uwer beschikking zijn, heer dokter?"
"Ja, Luigi. Daarop dient gerekend te worden," antwoordde dokter
Antekirrt.
"Zal het een lange reis gelden? Ook dat dien ik te weten, heer dokter,"
was Luigi's tweede vraag.
Dokter Antekirrt raadpleegde eene kaart.
"Slechts drie of vier dagen. Meer niet, denk ik," was zijn antwoord.
"Vertrekt gij alleen?"
"Neen! Zoek Piet Bathory op, en zeg hem zich gereed te houden mij
te vergezellen."
"Piet is op dit oogenblik afwezig, heer dokter...." antwoordde Luigi
Ferrato. "Maar ik zal hem seinen."
"Afwezig?"
"Ja, maar binnen een uur zal hij van het eilandje Kencraf terug zijn,
alwaar hij de werkzaamheden bestuurt."
"O, zoo is het goed."
"Ik ga dus uwe bevelen volbrengen en kapitein Ködrik waarschuwen,
heer dokter."
"Wacht even. Ik heb nog iets ... ik verlang ook dat uwe zuster
dat tochtje medemaakt, Luigi," ging dokter Antekirrt voort, "laat
haar daartoe dadelijk alle voorbereidingen treffen. Maar spoedig,
niet waar?"
"Dadelijk, heer dokter."
Luigi ijlde heen, om de bevelen, die hij van dokter Antekirrt ontvangen
had, ten uitvoer te brengen. Hij seinde dadelijk naar het eilandje
Kencraf en spoedde zich naar zijn zuster en naar kapitein Ködrik.
Een uur later vertoonde Piet Bathory zich op het Stadhuis. Hij had
de depêche van Luigi ontvangen.
"Lees," zei de dokter.
En hij reikte hem Boriks brief over.
VI.
DE GEESTVERSCHIJNING.
Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het
had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten
officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory
en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw
Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude
blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.
Zonder dat daarop in 't bijzonder gewezen behoeft te worden, zal
de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart
van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder was,
hij ging naar haar toe!... Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts
en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat
verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en
armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij
die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne
aandoeningen overmeesterd te worden.
Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde,
antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij
herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare
tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave
meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!
Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om de _Ferrato_ hare meest
mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren,
werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur
overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap
Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland
gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de
Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur
voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend
slecht weder of andere wederwaardigheden, kon de _Ferrato_ in twee
en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.
De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte
noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De
kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets
af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te
bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht
aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen
kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij
de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.
Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts
diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten
straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het
regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het
eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer
eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te
vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.
Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende de _Ferrato_ naar die
Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien
niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.
Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven
zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en
den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind noodig om die
Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen
van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te
brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist
ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen,
werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.
De _Ferrato_ stevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men
al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai
op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter
langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten
noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is,
te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van de _Ferrato_
eene verkenning van het vijandelijke strand heeten.
Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand
voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage
heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite
ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft
dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als
uitloopers van de nog verder gelegen "djebels", die het gebergte in het
het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd
een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te
midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees
een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een
grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel
verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.
Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut,
lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres
enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of
zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van
het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem,
uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de
lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht
wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.
Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek-
en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die
uit een twintigtal goubi's bestond en zijne tenten van vuil geel
gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten
Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de
plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er
uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot
opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt
op het zand, òf stonden onbeweeglijk, alsof zij in steen uitgebeiteld
waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining,
die als ontschepingskade kon dienen.
Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende,
kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men
munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot
het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende
zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook
van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort
van smokkelhandel.
Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing
dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige
contrôle hoegenaamd, gedreven werd.
"Ja, Luigi," antwoordde hij, "ik zie het wel. Dat is inderdaad
bedenkelijk genoeg."
"En wat denkt gij er over?"
"Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in
ontvangst komen nemen."
"Maar voor wie die wapens."
"Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken,
ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers
te bevechten."
"Denkt gij dat?" vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om
de lippen.
"Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn
voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die
aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich
tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al
meer en meer te zamen trekken."
"Zou zoo iets kunnen geschieden?"
"Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te
herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de
Tunische provinciën afkomstig zijn."
"Maar," vroeg Luigi, "waarom verzetten de autoriteiten van het
regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig
tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?"
"Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde
van kaap Bon voorvalt," antwoordde dokter Antekirrt, "en wanneer
de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen
deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan
hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en
krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor."
"Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is,"
merkte Luigi gekscherend op.
"Zeker is dat gelukkig, want had de _Ferrato_ hare snelheid niet
in haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen
oogenblik aarzelen om haar aan te tasten."
Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als
dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te
vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi
Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten
het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende de _Ferrato_
met volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde,
dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt
is, verrijst.
Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende,
de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago
uitstrekt. Ter linkerzijde van de _Ferrato_ verhief zich de reeks van
steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas
en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de
bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle
licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de
heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden
was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis,
geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira,
een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten
uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.
Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van
Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij
den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te
dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen
eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.
Het was ongeveer één uur, toen de _Ferrato_ op een afstand van drie
kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de
formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de
vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter
Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen
plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.
Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal,
hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere
ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren,
en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk
met boomen beplant, en met villa's, handelskantoren, koffiehuizen
enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het van Malthezers, Joden,
Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang
van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.
De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van eenige
bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard
worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.
Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig
gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat
den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het
meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard
en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert,
hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de
vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den
voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en
het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.
Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden
verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In
een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel
gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.
Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken
draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa's
door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond
worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op
de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche
stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de
mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet
af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.
De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van
twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar
men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou
zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die
meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van
standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven,
dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan
pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is
meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die
omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand,
van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.
Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische
bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn,
alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken
en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op
strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare uitstekende
punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen,
hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele
heerlijkheid uit.
Maar wanneer er paleizen en villa's aangetroffen werden tot op de
plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het
machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar
tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin
liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt
ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der
streek wonen. De meesten van de laatstbedoelde bewoners oefenen geen
ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des
bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche
tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles,
munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor
hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer
uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.
Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie
muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen
vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt
zijn.
Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar
de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te
treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van
ellende vervallen zoude zijn.
Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp,
waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken
was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken
en ruig overdekt.
Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor
die deur.
Piet had haar herkend!... Hij stiet een wilden kreet uit!... Hij
sprong uit het rijtuig....
"Moeder!... Moeder!..." riep hij.
Ja.... dat was zijne moeder!... Hij ijlde naar haar toe, knielde voor
haar neder, sloot haar in zijne armen....
Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken
blik aan.
Zij scheen hem niet te herkennen.... Neen ... dat oog stond levenloos
... dof....
"Moeder!... Moeder!..." riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en
zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.
"Bedaar, bedaar, Piet," sprak dokter Antekirrt. "In Gods naam
bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven."
In dit oogenblik verscheen bij den hoek der hut een grijsaard, die
zij nog niet bemerkt hadden.
Dat was Borik.
Borik de trouwe dienstknecht!
Dadelijk herkende hij dokter Antekirrt. Zijne knieën knikten nu reeds
en dat was wel te begrijpen.
Maar toen hij Piet herkende.... Piet, wiens begrafenisstoet hij tot
op het kerkhof van Ragusa gevolgd was! Dat was te veel voor den ouden
man! Hij stortte bewegingloos neer, terwijl hij naar mevrouw Bathory
wees en zijne lippen nog prevelden:
"Zij is krankzinnig!"
Krankzinnig! Dus op het oogenblik, dat die zoon zijne moeder wedervond,
was alles wat haar overbleef, slechts een wezenloos lichaam! En het
zien van haar kind, dat zij dood moest wanen en dat daar plotseling
voor hare oogen verschenen was, was niet voldoende om haar de
herinnering aan het verledene te hergeven!
Mevrouw Bathory was opgestaan met verwilderde, maar toch nog heldere
oogen. Daarna trad zij de stulp binnen, zonder iets gezien, zonder
een enkel woord gesproken te hebben. Maria volgde haar op een teeken
van dokter Antekirrt.
Piet stond onbewegelijk bij de deur, zonder den moed, ja zonder de
macht te hebben een pas te doen.
Borik had intusschen, dank zij de goede zorgen van den dokter, zijn
bewustzijn herkregen. Toen hij een poos rondgekeken en zijne verwarde
gedachten verzameld had, riep hij uit:
"Gij, mijnheer Piet!... Gij!... Levend!... Hoe is het bij God
mogelijk? Gij!... Levend!"
"Ja," antwoordde Piet Bathory, "ja, levend!... En toch ware het beter,
dat ik dood was!"
In korte trekken stelde dokter Antekirrt den ouden dienaar op de
hoogte van hetgeen te Ragusa gebeurd was. Daarna deed Borik op zijn
beurt en niet zonder moeite het verhaal van de laatste twee maanden
van armoede en ellende, die de arme vrouw doorstaan had. Het was
inderdaad een schrikkelijk verhaal, schrikkelijk vooral voor den zoon
om aan te hooren.