in het licht gesteld zijn, wanneer vergeten werd melding te maken van
Pescadospunt en van Kaap Matifou. Die behoorden toch in het kader van
het personeel van het eiland Antekirrta te huis. Die twee behoorden
tot de notabelen van de kleine volkplanting, en dat verdienden zij ook.
Hoewel het Sarcany gelukt was te ontsnappen, hoewel men zelfs
zijn spoor bijster geraakt was, zoo was de gevangenneming van Silas
Toronthal zoo belangrijk, dat de dankbetuigingen van dokter Antekirrt
en van Piet Bathory aan Pescadospunt niet ontbraken. Geheel aan zijn
eigen gedachtenloop overgelaten, had die brave kerel juist gedaan,
wat in de gegeven omstandigheden moest verricht worden. Niemand
had het kunnen verbeteren. Daar nu dokter Antekirrt zich tevreden
betoonde, zou het den beiden vrienden niet gepast hebben, het ook
niet te zijn. Zij hadden derhalve hunne lieve en fraaie woning weer
betrokken, in afwachting dat men andermaal hunne diensten noodig zoude
hebben. Hunne vurigste hoop was, dat zij meermalen voor de goede zaak
nuttig zouden kunnen zijn.
Pescadospunt en Kaap Matifou hadden dadelijk na hunne aankomst te
Antekirrta, een bezoek afgelegd bij Maria en Luigi Ferrato, daarna
hadden zij hunne opwachting gemaakt bij eenigen der notabelen van
Artenak. Overal werden zij uitstekend ontvangen; want zij hadden zich
bij iedereen bemind weten te maken. Men had dan Kaap Matifou bij die
plechtige gelegenheden moeten zien. Hij schitterde dan inderdaad,
hoewel hij zich een weinig verlegen met zijn kolossalen omvang
betoonde, waarmede hij alleen een zaal vulde.
"Ik ben evenwel dun," merkte Pescadospunt op, "dat maakt evenwicht,
en herstelt de ongelijkheid."
Wat dien kleinen behendigen akrobaat aangaat, hij was de vreugde
van de geheele volkplanting, die hij met zijne vroolijke geaardheid
verlevendigde. Hij stelde zijne schranderheid en behendigheid ten
dienste van allen. O! als hij de zaken naar het algemeen welbehagen
mocht regelen, welk program van vermakelijkheden zou hij dan niet
zoowel voor de stad als voor de omstreken ontwerpen. Ja, als het moest,
dan zou hij, Pescadospunt en Kaap Matifou geen oogenblik aarzelen, om
hun beroep van kunstenmakers te hervatten, ten einde de Antekirrtsche
bevolking in opgetogenheid te brengen.
In afwachting dat die fraaie dag zoude aanbreken, hielden Pescadospunt
en Kaap Matifou zich onledig met hun tuin, die door prachtige boomen
beschaduwd was, te verfraaien, alsook hunne villa, die waarlijk onder
de bloemen bedolven scheen. Bij die werken aan de kleine havenkom
verleenden zij krachtige en nuttige hulp. Wanneer men Kaap Matifou
kolossale rotsbrokken zag loswringen en vervoeren, dan moest betuigd
worden, dat onze Provençaalsche Hercules niets van zijne krachten
verloren had.
Slaagden de lasthebbers van dokter Antekirrt niet in hunne pogingen
om mevrouw Bathory op te sporen, anderen, die Sarcany opzochten, waren
niet gelukkiger. Geen hunner had kunnen ontdekken, waar die ellendeling
een schuilplaats had gevonden, nadat hij Monte Carlo verlaten had.
Kende Silas Toronthal het geheim van die schuilplaats? Dat was op zijn
minst genomen aan twijfel onderhevig, wanneer men de omstandigheden in
aanmerking neemt, waaronder die twee op den weg naar Nizza van elkander
gescheiden waren. Daarenboven, al was de bankier met de verblijfplaats
van zijn medeplichtige bekend, dan was het nog de vraag, of hij die zou
willen aanwijzen. Het meest waarschijnlijke was dat hij zou weigeren.
Dokter Antekirrt wachtte dan ook uiterst ongeduldig het tijdstip
af, dat Silas Toronthal in staat zoude zijn te kunnen antwoorden,
om alsdan de proef te nemen.
Het was in een fortje, dat bij den noordwestelijken hoek aangelegd was,
dat Silas Toronthal en Carpena ieder in eene cel opgesloten waren,
waarin zij hoegenaamd niemand te zien kregen. Zij kenden elkander niet
anders dan van naam; want de bankier had zich nimmer met de zaken
van Sarcany op Sicilië ingelaten. Er was dan ook een streng bevel
uitgevaardigd, namelijk: dat men hen zelfs niet mocht laten gissen, dat
zij te zamen dat fortje bewoonden. Zij waren in twee gekasematteerde
vertrekken opgesloten, die van elkander verwijderd lagen en die zij
slechts verlieten, om een poos op afzonderlijke pleintjes lucht te
scheppen. Zij werden bewaakt door twee sergeanten van de Antekirrtsche
militie, van welker trouw dokter Antekirrt verzekerd was. Het was
dan ook onmogelijk, dat de twee gevangenen gemeenschap met elkander
konden hebben, of dat zij afspraken met elkander hadden kunnen houden.
Ook was geen onbescheidenheid te vreezen. Op alle vragen, die Silas
Toronthal en Carpena tot hunne bewakers richtten omtrent de plaats
hunner gevangenschap, hadden zij nimmer antwoord ontvangen. Niets
kon hen dus doen vooronderstellen, dat zij in de macht van dien
geheimzinnigen dokter Antekirrt geraakt waren, dien de bankier kende,
omdat hij hem te Ragusa verscheidene malen ontmoet had, en voor wien
hij een instinctmatigen angst had voelen ontgloren.
De eenige en voortdurende gedachte van den dokter was thans, om
Sarcany uit te vinden, om hem te kunnen bemachtigen, zooals dat met
zijne twee medeplichtigen reeds geschied was. Toen Silas Toronthal
dan ook tegen den 16n October zoover in beterschap toegenomen was, dat
hij in staat was om de vragen te kunnen beantwoorden, die hem gesteld
zouden worden, besloot de dokter hem aan een onderzoek te onderwerpen.
Maar alvorens werd een raad belegd, bestaande uit dokter Antekirrt,
uit Piet Bathory en Luigi Ferrato, waarin ook Pescadospunt geroepen
werd, wiens adviezen niet te versmaden waren.
Dokter Antekirrt bracht hen op de hoogte van zijne voornemens met
betrekking tot de gevangenen.
"Wat denkt gij er van?" vroeg hij, toen hij daarmee geëindigd had.
"Zou Silas Toronthal," merkte Luigi Ferrato op, "bij het vernemen
dat men verlangt te weten, waar zich Sarcany ophoudt, niet gissen
kunnen, dat men het er op toelegt om ook zijn medeplichtige in handen
te krijgen?"
"Welnu," vroeg de dokter, "welk bezwaar zou daarin gelegen zijn,
nu hij ons toch niet ontsnappen kan?"
"Toch meen ik, dat er een is, heer dokter," antwoordde Luigi.
"Silas Toronthal kan meenen, dat het in zijn belang is, om niets te
zeggen, wat ten nadeele van Sarcany kan uitgelegd worden. Dat zou
hem den mond kunnen snoeren."
"Maar waarom?" vroeg dokter Antekirrt. "Welk belang zou hij kunnen
hebben, om niets te zeggen?"
"Ja, waarom?" herhaalde Piet Bathory. "Welk belang?... Waarlijk,
ik kan aan mijn gedachte geen vorm geven."
"Omdat hij zich zelven daarmede kan benadeelen." antwoordde Luigi. "Mij
dunkt dat dat eene reden is."
"Mag ik mij eene bemerking veroorloven?" vroeg Pescadospunt, die zich
uit bescheidenheid een weinig ter zijde hield.
"Voorzeker, mijn vriend," antwoordde de dokter. "Wat wildet gij
ons zeggen?"
"Heeren," hernam Pescadospunt, "ga ik af op de omstandigheden,
waaronder die twee boezemvrienden afscheid van elkander genomen hebben,
dan meen ik het er voor te moeten houden, dat zij elkander niet meer
te ontzien hebben. De bankier Silas Toronthal moet Sarcany, die hem
tot den bedelstaf bracht, uit den grond van zijn hart haten. Wanneer
onze gevangene dus weet, waar zijn medeplichtige zich thans bevindt,
dan zal hij geen oogenblik aarzelen,--zoo denk ik ten minste,--om dat
mede te deelen. Vertelt hij niets, dan is dat volgens mij het bewijs,
dat hij niets weet, dus dat hij niets te zeggen heeft."
Die redeneering was niet van juistheid ontbloot. Het was meer dan
waarschijnlijk dat wanneer de bankier Silas Toronthal met de plaats
bekend was, waarheen Sarcany gevlucht kon zijn en waar hij zich zou
kunnen ophouden, hij zich niet verplicht zoude rekenen geheimhouding
te betrachten, vooral wanneer zijn eigen belang mede zoude brengen
om haar te verbreken.
"Wij zullen heden nog vernemen, waaraan wij ons te houden hebben,"
antwoordde de dokter, "en ik zal zien wat mij verder te doen staat,
wanneer Silas Toronthal niets weet of niets wil mededeelen. Maar,
daar hij nog onkundig moet blijven, dat hij in de macht van dokter
Antekirrt is, daar hij evenzeer nog niet mag weten, dat Piet Bathory
in leven is, zoo zal Luigi Ferrato de taak op zich willen nemen,
om hem te ondervragen."
"Ik stel mij geheel tot uwen dienst, heer dokter," antwoordde de
jonge zeeman.
Luigi begaf zich ten gevolge van dit gesprek naar het fortje, alwaar
hem toegang verleend werd tot de kasemat, die Silas Toronthal tot
gevangenis diende.
De bankier was op dat oogenblik in een hoek bij eene tafel gezeten. Hij
had juist zijn bed verlaten. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was
zijn gemoedstoestand veel verbeterd. Hij hield zich toen niet met
de gedachte bezig, dat hij zijn vermogen verloren had. Hij dacht
zelfs niet aan Sarcany. Er was iets wat hem bovenmate verontrustte,
en dat was de zucht om te weten de reden waarom, en de plaats waar
hij opgesloten was, en wie toch wel de machtige persoon kon zijn,
die er belang bij kon hebben, zich van zijn persoon te verzekeren. Dat
was het wat hem bezig hield, maar waaromtrent hij geen oplossing kon
vinden. Zoo veel was zeker, dat hij begreep alles te vreezen te hebben.
Toen hij Luigi Ferrato zijne cel zag binnentreden, stond hij op;
maar op een teeken van dezen ging hij weder onmiddellijk zitten. Het
onderhoud, dat plaats had, was slechts van korten duur en ziehier de
vragen, die hem gesteld werden:
"Gij zijt Silas Toronthal, voorheen te Triëst en laatstelijk te Ragusa
woonachtig, niet waar?"
"Op die vraag heb ik niet te antwoorden. Zij die mij gevangen hebben,
moeten weten wie ik ben, dunkt mij."
"Dat weten zij. Wees daaromtrent onbekommerd, heer Toronthal! Op zijn
tijd zult gij alles te weten komen."
"Maar wie zijn zij, als ik u bidden mag? Zijn het machtige mannen? Dat
zou ik wel willen weten."
"Dat zult gij later vernemen. Niet te nieuwsgierig, heer bankier. Dat
is eene ongepaste ondeugd hier."
"En wie zijt gij?"
"Alweer te nieuwsgierig. Maar ik wil daarop wel antwoorden, dat ik
een man ben, die de opdracht heeft u te ondervragen."
"Opdracht van wien? Gij spreekt steeds in onbegrijpelijke raadselen."
"Van hem, wien gij rekening en verantwoording verschuldigd zijt,
die recht over leven en dood over u heeft."
"Maar nogmaals, wie is dat? Gij zoudt mij inderdaad beangst kunnen
maken."
"Dat is niet aan mij om het u te zeggen. Misschien zal hij het u
later zelf zeggen."
"Welnu, in dat geval weiger ik te antwoorden. Vertrouwen tegenover
vertrouwen."
"Zoo als ge verkiest! Ge waart te Monte Carlo in gezelschap van
een man, dien gij sedert lang kent en die u, sedert gij van Ragusa
vertrokken zijt, niet verlaten heeft. Die man is van Tripolitaansche
afkomst en heet Sarcany. Hij is ontsnapt op het oogenblik, dat gij
op den weg naar Nizza in hechtenis genomen werd. Ziehier nu wat mij
opgedragen is u te vragen: Weet gij waar die man zich thans bevindt
en zoo ja, zijt gij genegen dat mede te deelen?"
Silas Toronthal wachtte zich er wel voor om te antwoorden. Wanneer
men verlangde om te weten waar Sarcany zich bevond, dan was daarvan
klaarblijkelijk het doel om zich van zijn persoon meester te maken,
zooals men met hem gedaan had. En waarom wilde men dat doen? Had
dat betrekking op gebeurtenissen van het verleden, waarin zij
beiden gezamenlijk de hand hadden gehad? Stond dat in verband met
de kuiperijen, die zij zich ter zake van de Triëster samenzwering
veroorloofd hadden? Maar hoe zouden die feiten bekend geraakt
zijn? En wie kon er belang bij hebben, om als wreker van graaf Mathias
Sandorf en van zijne twee vrienden, die reeds sedert vijftien jaren
overleden waren, op te treden? Dat alles zweefde den ellendeling in
een ondeelbaar oogenblik voor den geest.
Dat waren de vragen, die Silas Toronthal zich in de eerste plaats
stelde. Hij begreep al spoedig, dat hij zich niet in handen van
een wettig ingestelde rechtbank bevond, wier macht zich over hem en
zijn medeplichtige dreigde uit te strekken. Dat moest hem evenwel
nog ongeruster maken. Hoewel het voor hem niet twijfelachtig was,
dat Sarcany eene schuilplaats te Tetuan in het huis van de oude Namir
gezocht had, waar de laatste inzet van de partij, die hij speelde,
zelfs binnen een zeer begrensd tijdvak moest gewonnen worden, besloot
hij dadelijk zich niets daarvan te laten ontvallen. Wanneer later
zijn belang mocht medebrengen om openhartig te zijn, welnu, dan zou
hij spreken; maar totdat hem dat gebleken zoude zijn, zou hij zeer
gesloten spel spelen. Na hem een kort oogenblik van beraad gelaten
te hebben, vervolgde Luigi:
"Welnu...? Zijt gij van zins te spreken? Of weigert gij?"
"Ik zou u kunnen antwoorden," hernam Silas Toronthal, "dat ik weet
waar die Sarcany, waarvan gij spreekt, zich ophoudt, dat ik het
evenwel niet wil zeggen. Maar inderdaad, ik weet het niet."
"Is dat uw eenig antwoord, Silas Toronthal?" vroeg Luigi Ferrato
zeer ernstig.
"Ja, het eenige en het waarachtige. Ge behoeft mij niet te gelooven,
als gij niet wilt. Toch zult gij geen ander antwoord erlangen."
"Bedenk u wel.... Uw stilzwijgen zou u kunnen berouwen, heer bankier."
Silas Toronthal trok de schouders op. Hij was thans vast besloten. Hij
wilde en zou niet spreken.
Luigi Ferrato verliet hem toen en deelde dokter Antekirrt den uitslag
van dat onderhoud mede. Ofschoon het antwoord van den bankier, alles
wel beschouwd, niet onaanneembaar was, was men wel verplicht zich
er mede te vergenoegen. Er bleef dus niets anders te doen over om
de schuilplaats van Sarcany te ontdekken, dan de nasporingen ijverig
voort te zetten, ja, te verdubbelen en daartoe noch moeite noch geld
te sparen.
Maar terwijl intusschen gewacht werd, dat de een of andere tijding
aanleiding kon geven om de vervolging te hervatten, moest dokter
Antekirrt zich met andere kwestiën bezig houden, die ernstig waren en
waarbij de veiligheid van het eiland Antekirrta zeer betrokken was. Die
kwestiën zouden weldra uitsluitend beslag op zijne aandacht leggen.
Hij had geheime berichten uit de Cyrenaïsche provinciën ontvangen.
Cyrenaïca, in het Grieksch Kyrenaikeh, was in den voortijd een
belangrijk Noord-Afrikaansch landschap, door Grieken gesticht en
bewoond, en op de hoogvlakte Barca gelegen.
De Grieksche volkplanting werd er omstreeks het jaar 631 vóór de
geboorte van Christus op bevel van het orakel van Delphi, door inwoners
van het eiland Thera en doof eenige Spartanen onder aanvoering van
Battus gesticht.
Het landschap ontleende zijn naam aan de stad Cyrene, terwijl er voorts
nog vier andere Grieksche steden verrezen, weshalve dat gewest ook
wel Pentapolis (vijfstad) genoemd werd. De nakomelingen van Battus
hadden er als vorsten een onbeperkt gezag, en onder Acceulaus III
verviel het aan de Perzen.
Omtrent het jaar 440 vóór Christus, werd er de republikeinsche
regeeringsvorm ingevoerd, terwijl handel, scheepvaart, nijverheid,
kunsten en wetenschappen er toen buitengewoon bloeiden. Weldra
ontstond er echter verdeeldheid, en tyrannen maakten zich meester
van de heerschappij.
Na den dood van Alexander de Groote werd het veroverd door Ptolomeus
III Psycon, die het in 96 vóór Christus aan de Romeinen naliet, welke
het eerst onafhankelijk verklaarden, maar het 30 jaren later met het
eiland Creta tot een Romeinsch wingewest vereenigden. Later werd
Cyrenaïca door Barbaarsche horden uit de binnenlanden van Afrika
geteisterd, en in de VIIde eeuw onzer jaartelling voltooiden de
Saraceenen het werk der verwoesting.
De grond leverde in de dagen der oudheid een overvloed van kostelijke
vruchten op.
Het land was vóór de geboorte van Christus de zetel der Cyrenaïsche
wijsbegeerte, wier aanhangers ook Hedonici genoemd werden, omdat zij
vrijelijk hunne hartstochten en lusten opvolgden. Die wijsbegeerte
stond tegenover die der Cynici, bloeide omstreeks eene eeuw in en
buiten Griekenland en werd door die der Epicuristen verdrongen. Zij
versmaadde alle bespiegeling en bepaalde zich tot het tastbare en
zinnelijke, zoodat zij tevens tot atheïsme verviel.
Tot de meest beroemde volgelingen van Aristippus behoorden, behalve
zijne dochter Areta, zijn kleinzoon Aristippus Metrodoctus, Antipater,
Anniceris, Theodorus en Hesegius.
Voorts was Cyrenaïca tot in de Vde eeuw na Christus de hoofdzetel
der Gnostische wijsgeeren. Het geheele gewest bevat een overgrooten
schat van merkwaardige overblijfselen der oudheid.
De hoofdstad des lands was Cyrene, gelegen aan de waterbron Kyra,
thans Aim-ej-Shedah of Eeuwige bron. Zij lag op eene hoogvlakte,
vier uren gaans van de kust, tusschen twee bergtoppen, van welke de
oostelijke waarschijnlijk de Akropolis of Citadel torschte. Aan de
noordelijke helling van den anderen ontsprong de reeds genoemde bron,
waarbij zich een tempel van Apollo verhief, en wat verder westwaarts
was een schouwburg in de rotsen uitgehouwen. Voorts blijkt het uit
de trotsche bouwvallen, dat de stad weleer in het bezit was van een
groot aantal prachtige tempels en andere openbare gebouwen.
Ook werd de wetenschap er ijverig beoefend; want zij was de vaderstad
van Aristippus, Anniceris, en Carnéades, van den dichter Callimachus
en van den geleerden Erasthothenes.
De agenten, welke dokter Antekirrt in dat nabij gelegen land had,
beveelden hem aan om de omstreken van de golf van Sidra uiterst
nauwkeurig te doen gadeslaan. Volgens hen was het geduchte
bondgenootschap der Senousisten bezig hare strijdkrachten op de
grenzen van Tripoli te zamen te trekken. Een algemeene beweging
bracht de benden langzamerhand al meer en meer in de nabijheid van
het Syrtische kustland.
Vlugge boden brachten voortdurend zendbrieven over van den Grootmeester
naar de verschillende zaouiyias van Noordelijk en Oostelijk Afrika.
Vuur- en blanke wapens, uit het buitenland afkomstig, waren afgeleverd
en door het bondgenootschap in ontvangst genomen. Eindelijk, en dat
was wel het meest gewichtige van die tijdingen, was het blijkbaar dat
eene aanzienlijke macht in het villayetschap van Ben Gaza, derhalve in
de onmiddellijke nabijheid van het eiland Antekirrta bijeengetrokken
werd. Waarlijk, de toestand begon zich wel te ontwikkelen.
Met het vooruitzicht op die gevaarlijke nabijheid, die weldra dreigend
kon worden, was dokter Antekirrt verplicht die maatregelen te treffen,
welke hem de voorzichtigheid gebood.
Piet Bathory en Luigi Ferrato stonden hem gedurende de drie laatste
weken van de maand October volijverig bij die werkzaamheden ter zijde,
en alle bewoners der volkplanting brachten volgaarne alles bij,
wat de weerbaarheid van het eiland kon verhoogen.
Pescadospunt werd herhaaldelijk maar zoo geheim mogelijk naar
de Cyrenaïsche kust gezonden, om zich daar in betrekking met de
agenten te stellen, en weldra had die schrandere kleine kerel zich
overtuigd, dat het gevaar, hetwelk het eiland Antekirrta bedreigde,
niet hersenschimmig, niet denkbeeldig genoemd mocht worden.
De zeeschuimers toch van de provincie Ben Ghâzi, versterkt en
aangevuld door eene ware te wapen oproeping van de geaffilieerden en
bondgenooten der geheele kuststreek, hielden zich volijverig onledig
met het uitrusten van een krijgstocht, die het eiland Antekirrta tot
doelwit had.
Zou die tocht binnen betrekkelijk korten tijd ondernomen worden,
of zou hij nog uitgesteld worden?
Daaromtrent was niets te vernemen.
Toch kreeg men te weten, dat de hoofden der Senousisten zich nog in
de zuidelijke districten ophielden, waaruit men de gevolgtrekking
mocht opmaken, dat geene belangrijke operatiën in de eerste dagen
ondernomen zouden worden. Die hoofden toch zouden haar moeten besturen
en aanvoeren.
Daarom kregen de _Elektrieks_ van Antekirrta bevel om in de buurt
van de Syrtische zee te kruisen, zoowel om de kuststrook van het
Cyrenaïsche en van het Tripolitaansche gebied als de kust van geheel
het Tunische rijk tot aan Kaap Bon in het oog te houden. Voor
zulke kleine vaartuigen was dat een belangrijke dienst. Hunne
bewonderenswaardige snelheid vergoedde evenwel veel.
De lezer weet dat de verdedigingswerken van het eiland Antekirrta
nog niet volgens de ontworpen plannen voltooid waren. Maar al mocht
het ook niet mogelijk heeten om dien arbeid ter gewenschter tijd te
kunnen beëindigen, zoo had men zich toch beijverd om den voorraad van
levensmiddelen, munitiën en verdere krijgsbehoeften in de magazijnen
en arsenalen van Antekirrta zoo rijkelijk mogelijk aan te vullen.
Het eiland Antekirrta, dat door een zeearm ter breedte van ongeveer
twintig mijlen van de Cyrenaïsche kust gescheiden was, zou geheel
eenzaam in den Syrtischen zeeboezem liggen, wanneer niet een klein
eiland, algemeen bekend onder den naam van het Kencraf eilandje,
hetwelk een omtrek van ongeveer driehonderd meters bezat, in
de nabijheid van zijn zuidoostelijke punt gelegen ware. Volgens
den gedachtegang van dokter Antekirrt, zou dit eilandje later tot
verbanningsoord moeten dienen, namelijk wanneer een der kolonisten
die straf ooit zoude verdienen en zij door de ingestelde rechtsmacht
op het hoofdeiland uitgesproken zoude worden, een geval dat zich
gelukkig nog niet voorgedaan had. Men had er evenwel bij wijze van
voorzorg eenige barakken tot dat doeleinde opgericht.
Maar in weerwil daarvan was het eilandje Kencraf niet versterkt
en--het mocht niet verbloemd worden--wanneer eene vijandelijke vloot
een aanval op Antekirrta in het schild voerde, dan stelde de ligging
daarvan een daadwerkelijk gevaar voor de hoofdvestiging daar. Want eene
vijandelijke macht had niets anders te doen dan daar te ontschepen
en van dat eilandje eene degelijke operatie-basis te maken. Het bood
alle gemakken aan om er levensmiddelen en munitiën te debarkeeren
men kon er eene batterij opwerpen en derhalve zou het een aanvaller
een stevig steunpunt verschaffen. Het ware beter geweest, dat het
eilandje in het geheel niet bestond, vooral omdat de tijd ontbrak,
om het behoorlijk in staat van verdediging te stellen.
De ligging van het eilandje Kencraf en de voordeelen, die een vijand er
van trekken kon, moesten dan ook dokter Antekirrt ongerust maken. Nadat
hij alles rijpelijk overwogen had, besloot hij het te vernietigen, maar
die vernietiging tevens te doen dienen, om de honderden zeeschuimers,
die het wagen zouden er bezit van te nemen, om te brengen, zonder
er een van te laten ontsnappen. Hij dacht er zeer ernstig over na en
kwam toen tot een vrij goed uitgewerkt plan.
Dat plan werd dadelijk ten uitvoer gelegd. Onmiddellijk werden
loopgraven en mijngangen aangelegd, die mijngangen werden behoorlijk
geladen, zoodat weldra het geheele eilandje Kencraf aan een grooten
mijnoven gelijk was, die door een onderzeeschen geleiddraad met het
eiland Antekirrta in verbinding gebracht werd. Een zwakke electrische
stroom langs dien geleiddraad was voldoende, om eene uitbarsting te
weeg te brengen, die geen spoor van het eilandje aan de oppervlakte
der zee zoude achterlaten. En waarlijk, het was geen gewoon buskruit,
ook geen schietkatoen, zelfs geen dynamiet, hetwelk dokter Antekirrt
zoude bezigen, om die vreeselijke ontploffing teweeg te brengen. Neen,
hij kende de samenstelling van een ontploffende stof, die kort geleden
uitgevonden werd, en welker verbrijzelende kracht zoo aanmerkelijk
was, dat men van haar kon zeggen dat zij in verhouding tot het
dynamiet stond zooals deze laatste stof tot het gewone buskruit van
Barthold Schwarz. Zij was veel handelbaarder dan de nitroglycerine,
ook gemakkelijker vervoerbaar, daar zij slechts het bezigen van twee
onafhankelijke vloeistoffen behoefde, welker vermenging niet vroeger
dan op het oogenblik van gebruik bewerkstelligd moest worden. Die
vloeistoffen bevroren niet, terwijl het dynamiet reeds bij vijf of zes
graden bevriest, en zij konden slechts ontploffen door het aanbrengen
van een geweldigen schok, zooals de aanvuring van een slaghoedje,
met slagkwik gevuld, kan teweeg brengen. Zooals men ziet, was dat
een gemakkelijk en eenvoudig maar verschrikkelijk middel.
Hoe wordt dat verkregen?