Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet,

zijn laatste maximum waagde. Hij won ... won nog eens, verloor daarna

... verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid

hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen

wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten

instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich

daarin bewogen. Hij bezat niets meer--niets meer van de millioenen, die

hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen,

die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen

van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had

onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.

Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder

scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde

buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs

de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was,

alsof zij vreesden achtervolgd te worden.

Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde

zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde

dien van zijne bank af, waarop de Hercules half ingedommeld lag,

en schreeuwde hem toe:

"Op! en spoedig!... De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels,

het oogenblik is daar!"

"Wat is daar?" riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud,

onthutst uit. "Wat is daar?"

"Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen," antwoordde

Pescadospunt gejaagd.

En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden

verliezen. Het was tijd ook.

Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander

voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende

paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden

van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en

wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen

niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan

van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.

"Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal," herhaalde Sarcany

onophoudelijk met bevelende stem, "keer terug ... en herneem uwe

koelbloedigheid.... Het is alsof gij krankzinnig zijt."

"Neen!... Ik keer niet naar het hôtel terug," kreet Silas Toronthal,

met onaangenaam klinkende stem.

"Kom, het moet!... Laat u door mij raden.... Laat u door mij

geleiden.... Er is nog herstel mogelijk."

"Neen, zeg ik u.... Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.... En dat

alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!"

"Kom, wees nu niet dwaas.... Anders zijt gij zoo verstandig.... Hoe

is het mogelijk zich zoo op te winden?"

"Wij moeten scheiden, Sarcany.... Ik wil u niet meer zien!... Ik

wil.... Ik wil verre van hier ... ver, zeer ver!"

"Scheiden?... Waarom?... Zeg mij!... Is dat nu niet het dwaaste

denkbeeld, dat bij u opkomen kan?"

"Ik wil.... Hoort gij, Sarcany.... Ik wil.... Ik ben uwe

tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken."

"Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo

verlaten!... Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken,

en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar

niet zonder middelen zullen zijn."

"Neen!... Neen!... Duizendmaal neen!... Ik wil niet ... en daarmee

uit!" kreet de rampzalige.

"Maar, waarom niet?"

"Laat mij, Sarcany, laat mij!" riep Silas Toronthal uit. "Laat mij,

of ik bega een ongeluk!"

En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde

grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite

had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed

of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel

kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich

het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in

het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was:

Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had,

en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk

geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord

vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude

wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.

Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige

zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed

te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen,

die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de

laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou

hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot

aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien

afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken

kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden,

al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!

Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe

hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering

slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien

pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid der

Marokkaansche velden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden

nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn,

kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.

Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat

hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te

veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden

haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen

doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder

zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem

zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger,

daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien

bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven

de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte

der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen

toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou daar

het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere

ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?

Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden

en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel

terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.

"Kom, Silas Toronthal, kom!" zei hij, terwijl hij zijn makker bij

den arm greep. "Kom dan toch, zeg ik u!"

"Neen!... Laat mij! Laat mij!..." kreet de bankier; terwijl hij zijn

makker met verbeten woede terugstootte.

"Morgen zullen wij het spel hervatten!... Ik heb nog eenig

geld.... Morgen kunnen wij alles terugwinnen."

"Neen, neen! Laat mij..." riep Silas Toronthal met eene van razernij

trillende stem uit.

Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen;

wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij

voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem

zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij

zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het

schavot moeten brengen.

Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht

verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij

voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige

trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine

terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste

straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt,

die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere

grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.

"Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas," riep Sarcany hem

voor de laatste maal achterna. "Ga, maar ge zult niet ver loopen. Dat

verzeker ik u!"

En daarna rechts wendende, overschreed hij eene kleine omheining,

uit losse steenen opgetrokken, stak een schuinhellenden tuin dwars

over, regelde zijne schreden dermate, dat hij voor Silas Toronthal

op den grooten weg zoude uitkomen. Daar wilde hij zijn vroegeren

medeplichtige opwachten, om met hem af te rekenen.

Al hadden Pescadospunt en Kaap Matifou ook al niets van die

woordenwisseling kunnen hooren, zoo hadden zij toch duidelijk

waargenomen met hoeveel geweld de bankier Sarcany had teruggestooten en

hadden zij gezien, hoe de laatstgenoemde in de schaduw der boomgroepen

verdween.

"De duivel mengt zich in het spel," riep Pescadospunt uit. "Gauw,

gauw!"

"Denkt ge?" vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend met verwonderde

blikken poogde aan te kijken, wat bij de heerschende duisternis

mislukte.

"Waarachtig!... De voornaamste ontsnapt ons

waarschijnlijk.... Gauw!... Gauw! Wij moeten ons haasten!"

"Och kom, die kerels kunnen toch niet vliegen!" sprak Kaap Matifou

gemelijk.

"Dat moest er nog maar bij komen ..." hijgde Pescadospunt schier

wanhopig.

"Wat?"

"Dat de andere ons ook ontsnapte! Dat zou iets moois voor ons zijn! Wat

zou Dokter Antekirrt wel zeggen?"

"Dat kan niet."

"Gelukkig ook. Die Toronthal zal weldra onze krijgsgevangene

zijn!... Opgepast, Kaap!"

"Dat meen ik ook. Wees intusschen gerust, ik zal oppassen,

Pescadospunt."

"Daarenboven, er valt hier niet te kiezen... Kom vooruit, waarde

Kaap, vooruit!"

En voortspoedende hadden zij Silas Toronthal weldra ingehaald. Dat

merkten zij weldra.

Deze besteeg snel de straat van Turbia. Nadat hij de kleine

verhevenheid, waarop de Augustustoren verrijst, voorbij geijld was,

liep hij met vlugge schreden langs de huizen, welker deuren reeds

gesloten waren, en bevond zich weldra op den weg der Kroonlijst.

Pescadospunt en Kaap Matifou volgden hem op een afstand van ongeveer

vijftig passen en verloren hem niet uit het oog.

De weg der Corniche of der Kroonlijst is het overblijfsel van eene oude

Romeinsche heerbaan. Van Turbia af daalt zij langs de berghellingen,

te midden van prachtige rotspartijen, van alleen staande kegelheuvels,

van diepe afgronden, die zich tot bij de spoorbaan uitstrekken, welke

langs de kuststrook aangelegd is, naar Nizza af. Over den spoorweg

heen, waren bij den helderen sterrenhemel en bij het zachte licht der

maan, die in het oosten opkwam, in het nevelig verschiet zes baaien

te ontwaren, alsmede het Hospitaaleiland, de monding van de Var,

de golf van Juan, de Lerinische eilanden, de golf van Napocila, het

schiereiland van Garoupa, de kaap van Antibes en daarachter als een

verheven achtergrond: het Esterelgebergte. Hier en daar schitterden

havenlichten, zooals dat van Beaulieu, hetwelk aan den voet der

steile oevers van Klein-Afrika opgericht is, dat van Villafranca,

hetwelk door den Leuzaberg beheerscht wordt. Vervolgens werden nog

eenige signaallichten van visschersvaartuigen ontwaard, die zich in

de kalme wateroppervlakte spiegelden.

Het was toen iets later dan middernacht. In de verte stierf het

metalen geluid van een klokkentoren weg.

Op dit oogenblik was Silas Toronthal aan het einde der Turbiastraat

gekomen en verliet thans den weg der Kroonlijst en spoedde zich op een

pad voort, dat rechtstreeks naar Eza voert, hetwelk een adelaarsnest

genoemd moet worden, alwaar een half barbaarsche bevolking, boven op

dien rotsblok, te midden van woeste pijnboomen en wild struikgewas,

huist. Dat pad was volmaakt eenzaam. De waanzinnige bankier volgde

het gedurende een poos, zonder den pas te vertragen, zonder het hoofd

om te keeren, ten einde achterwaarts te zien. Plotseling wendde hij

zich ter linkerzijde langs een smal padje, dat den hoogen rotsmuur

van de kuststrook, waarlangs de spoorbaan en de rijweg onder een

tunnel aangelegd zijn, scheidde en schier raakte.

Pescadospunt en Kaap Matifou volgden den radelooze op den voet en

verloren hem niet uit het oog.

Op honderd passen verder ongeveer bleef Silas Toronthal eindelijk

stilstaan. Hij was op eene rots gesprongen, die loodrecht boven een

afgrond hing, waarvan de zool eenige honderd meter lager door de

deininggolven der Middellandsche zee, die er donderend tegen brak,

gezweept werd.

Wat wilde Silas Toronthal daar doen? Dat vroegen de twee vrienden

zich met ontzetting af.

Was eene gedachte aan zelfmoord in dat ziekelijke brein opgekomen? Zou

hij zich willen van kant maken?

Wilde hij, door in dien afgrond te springen, een einde aan zijn

ellendig bestaan maken?

"Duizend duivels!" riep Pescadospunt uit. "Dat zou onze geheele

rekening in de war sturen!"

"Ik doe er evenveel duivels bij," antwoordde Kaap Matifou. "Maar wat

moeten die duivels? Wat is er aan de hand?"

"Wij moeten hem levend hebben! Kaap, wij moeten dien kerel levend

aan dokter Antekirrt overleveren."

"Dat 's waar ook," beaamde Kaap Matifou beteuterd. "Drommels ja,

dat is waar ook!"

"Grijp hem," riep Pescadospunt, "en houd hem goed vast! Grijp hem,

maar verworg hem niet!"

Maar nauwelijks hadden beiden ongeveer twintig passen afgelegd, toen

zij een man ter rechterzijde van het pad zagen verschijnen. Deze gleed

als het ware langs de helling tusschen mastiek- en mirten-struiken

door en sloop blijkbaar naar de rots, waarop Silas Toronthal zich

bevond. Het was alsof een verscheurend gedierte naderde.

Dat was Sarcany. De beide acrobaten herkenden hem dadelijk. Men kon

zich trouwens daarin niet vergissen.

"Drommels!" mompelde Pescadospunt tusschen de tanden. "Daar is die

andere nu ook!"

"Wie is er nu weer?" vroeg de reus, die eensklaps stil bleef

staan. "Zeg, wie is er nu weer?"

"Het is niet onmogelijk, dat die schurk zijn makker een handje wil

helpen, dat hij hem een duwtje wil geven, om hem van deze wereld naar

de andere te zenden...."

"Dat is zelfs zeer waarschijnlijk.... Dat bespaart ons de moeite,

dunkt me."

"Welnu, Kaap Matifou, gij den eenen en ik den anderen. Dan hebben

wij ze beiden."

Maar Sarcany was stil blijven staan.... Hij had iets gehoord ... en

wilde niet herkend worden....

Plotseling ontsnapte een ijselijke vloek aan zijne lippen. Daarna

ijlde hij rechts af en verdween, alvorens Pescadospunt hem had kunnen

bereiken, te midden van het struikgewas.

Toen Silas Toronthal een oogenblik later in den afgrond wilde springen,

werd hij door Kaap Matifou gegrepen en op den weg teruggebracht.

"Laat mij!..." riep hij. "Laat mij!... Wat moet gij van mij

hebben?... Wilt gij geld?... Ik heb het niet."

"Wij zouden u een misstap laten doen, die u het leven zou kunnen

kosten, mijnheer Toronthal," antwoordde Pescadospunt. "Dat nooit!"

"Dat nooit!" herhaalde Kaap Matifou. "Geloof ons, inderdaad,

dat nooit!"

De slimme Pescadospunt was op dit voorval, hetwelk zijne instructiën

niet voorzien konden, natuurlijk niet voorbereid geweest. Maar al was

Sarcany ook al ontsnapt, zoo was toch Silas Toronthal in den val, en

er bleef thans slechts over, om hem naar Antekirrta over te voeren,

alwaar hij met al de eerbetuigingen, die hem rechtens toekwamen,

zoude ontvangen worden. Dat was de eindbeslissing, waartoe onze beide

akrobaten besloten.

"Wilt ge u tegen verminderden prijs met den vervoer van mijnheer

belasten?" vroeg Pescadospunt aan Kaap Matifou.

"Volgaarne," antwoordde deze. "Hij zal het bij mij goed hebben. Hij zal

niets te betalen hebben en daarentegen goed eten en drinken krijgen."

Silas Toronthal had zelfs geen besef meer van hetgeen met hem voorviel,

en kon dan ook geen weerstand bieden. Pescadospunt stapte vooruit

en daalde langs een steil voetpad, dat langs een afgrond naar het

strand leidde. Hij werd onmiddellijk door Kaap Matifou gevolgd,

die het bewustelooze lichaam van den bankier nu eens voortsleepte,

dan weer eens op zijne schouders torschte, zoo als hij met een stout

kind zoude gedaan hebben.

Die afdaling was uiterst moeielijk, en inderdaad, zonder de

buitengewone behendigheid van Pescadospunt, en zonder de buitengewone

lichaamskracht van Kaap Matifou, zoude een ongeluk onvermijdelijk

gebeurd zijn, en zouden twee van die drie mannen naar beneden gestort

zijn, waar zij een oogenblikkelijken dood zouden gevonden hebben.

Eindelijk evenwel bereikten zij, na zeker twintig malen hun leven

gewaagd te hebben, de laatste rotslagen, die met de oppervlakte der

zee gelijk waren. Daar bestond de kuststrook uit eene aaneenschakeling

van kleine inhammen, die grillig in de rotswanden ingesneden waren. De

wanden dier kleine baaien waren steil en hoog en hadden eene roode

kleur, afkomstig van ijzerverbindingen, waaruit het gesteente bestond,

maar waardoor zij aan de golfjes van de branding eene akelige

bloedkleur verleenden.

De dag begon juist aan te breken, toen Pescadospunt eene schuilplaats

in een van die uithollingen van den oever ontdekte, die voorzeker door

een der geologische beroeringen in vroegere eeuwen gevormd was. Daarin

werd Silas Toronthal op den oever neergelegd, om onder bewaking van

Kaap Matifou een poos te verwijlen.

Toen deze den bankier, die er niets van scheen te bemerken en zich

ook niet verontrustte, daarheen gebracht had, zei Pescadospunt tot

Kaap Matifou:

"Ge blijft bij hem, niet waar, Kaap? Luister als je blieft goed

naar mij".

"Ja, ik luister. Ik zal bij hem blijven, zoolang als ge wilt,

Pescadospunt."

"Ook al blijf ik twaalf uren weg? Dat is lang, niet waar, Kaap

Matifou?"

"Zeker.... Maar, wees gerust, ik zal bij hem blijven. Als ik dat

beloof, gebeurt het ook."

"Zonder te eten?"...

"Drommels, zonder eten?... Maar alles wel beschouwd, wat zal dat er

toe doen?"

"Zoo zonder ontbijt?"

"Bah, als ik hedenochtend niet ontbijt", antwoordde de reus, "zal

ik van avond bij het diner mijn schade inhalen. Ik zal dan voor

twee eten."

"En als gij niet dineert, Kaap Matifou? Hoort ge, dat wordt ernstiger!"

"Bah!... Dan zal ik voor vier soupeeren", antwoordde de edele kerel

kalm en gelaten.

Kaap Matifou nam toen zoodanig plaats op een rots, dat hij zijn

gevangene geen seconde uit het oog verloor. Pescadospunt volgde van

zijn kant den zeeoever van baai tot baai en richtte zijn schreden

naar den kant van Monaco. Het was geen gemakkelijke weg, die hier

over dat rotsachtig strand met zijne scherpe punten te volgen was.

Pescadospunt zou evenwel zoo langen tijd niet behoeven weg te

blijven, als hij eerst berekend had. In minder dan twee uren had hij

de _Elektriek_ opgespoord. Deze lag ten anker in een van die eenzame

kreken, die door een aaneenschakeling van rotsen tegen de deininggolven

uit volle zee beveiligd waren. Een uur later kwam het vlugge vaartuig

voor de monding der smalle baai aan, waar Kaap Matifou, van uit zee

gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus, die de kudden

van Neptunus weidde. Hij was van de plaats niet afgeweest en had den

bankier niet uit het oog verloren.

Het duurde niet lang, of Silas Toronthal en Kaap Matifou waren

aan boord ingescheept. Men had daarbij noch kustbewakers, noch

ambtenaren van de in- en uitgaande rechten, noch zelfs kustvisschers

ontwaard. Zoodra de inscheping volbracht was, sloeg de _Elektriek_

met volle kracht vooruit, verliet de golf van Genua, stevende de

Tyrrheensche zee in en richtte den boeg naar het eiland Antekirrta

in de Syrtische zee.

V.

AAN GODS GOEDE ZORGEN OVERGELATEN.

Dat het ons thans vergund zij een algemeen overzicht van de

volkplanting te Antekirrta te leveren.

Silas Toronthal en Carpena waren thans in de macht van dokter Antekirrt

of beter van graaf Mathias Sandorf, en deze wachtte slechts op een

gunstige gelegenheid, om het spoor van Sarcany te vervolgen. Aan den

anderen kant beijverden zijne zaakgelastigden zich om te ontdekken,

waar mevrouw Bathory zich ophield. Tot nu toe was hun dat slecht

gelukt. Sedert zijne moeder, in gezelschap van den ouden Borik,

die haar eenige steun was, spoorloos verdwenen was, had eene ware

wanhoop, die zich ieder uur, iedere minuut deed gevoelen, zich van

Piet Bathory meester gemaakt. Zichtbaar leed hij daaronder. Het zou

dan ook voor dokter Antekirrt een groot geluk geweest zijn, wanneer

hij eenige verzachting aan dat hart, hetwelk tweemaal gebroken was,

had kunnen schenken. Wanneer de jonge man toch van zijne moeder

sprak, dan voelde de dokter dat hij dan aan Sava Toronthal dacht,

hoewel die naam in hunne gesprekken nimmer uitgesproken werd.

In het stedeke, dat de hoofdplaats van het eiland Antekirrta uitmaakte,

bewoonde Maria Ferrato niet verre van het stadhuis een der fraaiste

woningen van Artenak. De dankbaarheid van dokter Antekirrt had daarin

alle voorwerpen vereenigd, die de meeste gemakken aanbieden en het

leven kunnen veraangenamen. Haar broeder woonde daar bij haar,

wanneer hij niet op zee was, of wanneer hij niet met den een of

anderen transportdienst of eenig opzicht belast was. Dan ging er geen

dag voorbij, zonder dat die twee jonge lieden een bezoek bij dokter

Antekirrt aflegden, of dat deze hen opzocht. Zijne toegenegenheid voor

de kinderen van den visscher van Rovigno vermeerderde aanmerkelijk,

naarmate hij hen beter leerde kennen. Dat was natuurlijk, want beiden

bezaten eene edele geaardheid.

"Hoe gelukkig zouden wij zijn," herhaalde Maria meermalen, "wanneer

Piet het ook kon wezen."

"Ja zeker," zuchtte Luigi, "maar dat kan eerst, wanneer hij zijne

moeder weergevonden zal hebben. Daaromtrent, Maria, heb ik nog niet

alle hoop opgegeven. Met de middelen, waarover dokter Antekirrt

te beschikken heeft, moet den een of anderen dag het oord ontdekt

worden, waarheen Borik bij het verlaten van Ragusa mevrouw Bathory

vervoerd heeft."

"Die hoop koester ik ook, Luigi, maar..."

Hier zweeg het meisje als ware zij beschroomd.

"Maar, wat? Nu, spreek op, zusjelief. Wat wildet gij mij zeggen,

Maria?"

"Zou Piet geheel getroost wezen, wanneer hij alleen zijne moeder weer

gevonden had?..."

"Mij dunkt van neen."

"Waarom niet, Luigi? Mij dunkt, dat hem dat al zeer gelukkig moest

maken."

"Omdat het niet mogelijk is, Maria, dat Sava Toronthal ooit zijne

vrouw wordt."

"Luigi," antwoordde Maria, "wat den mensch onmogelijk toeschijnt,

is dat onmogelijk voor God?"

Toen Piet aan Luigi de verzekering had gegeven, dat zij beide broeders

voor elkander zouden zijn, kende hij Maria Ferrato nog niet en kon hij

dus nog niet weten, welke teedere, toegenegene en liefderijke zuster

hij in haar zoude aantreffen! Toen hij dan ook gelegenheid had gehad,

haar naar eisch te kunnen waardeeren, aarzelde hij geen oogenblik,

om haar zijne smarten en zijne droefheden toe te vertrouwen. Dat

verlichtte hem een weinig, wanneer zij te zamen praatten. Wat hij aan

dokter Antekirrt niet had willen zeggen, wat hij zich zelven verbood

hem mede te deelen, dat vertrouwde hij Maria toe. Hij vond in haar een

liefhebbend hart, dat voor het medelijden geheel en al geopend was,

een hart, dat hem begreep, dat hem troostte; hij vond in haar een

vertrouwvolle ziel, die de wanhoop niet kende. Wanneer Piet Bathory

buitengewoon veel leed, wanneer zijn hart ten boorden toe overvuld

was, wanneer zijne smart hem dreigde te overweldigen, dan ijlde hij

naar haar, en wie weet hoe menigmaal Maria er in slaagde, hem troost

en vertrouwen in de toekomst in te boezemen.

Intusschen bevond zich thans een man in de kasematten van Antekirrta,

die weten moest, waar Sava Toronthal zich bevond, of ook zij nog

steeds in de macht van Sarcany was. Dat was hij, die haar voor zijne

dochter had laten doorgaan, dat was de bankier Silas Toronthal. Maar

uit eerbied voor de nagedachtenis van haren vader, zou hij nimmer

gepoogd hebben, hem over dit onderwerp aan het praten te krijgen.

Silas Toronthal bevond zich daarenboven sedert zijne gevangenneming

in een zoodanigen geestestoestand, in een zoodanige lichamelijke en

zedelijke neerslachtigheid, dat hij niets zou hebben kunnen mededeelen,

al had zijn eigen belang gevergd, dat hij zulks deed. Maar hij had

integendeel in het geheel geen belang er bij om mede te deelen, wat

hij van Sava wist, omdat hij onkundig was dat hij de gevangene van

dokter Antekirrt was, ook dat Piet Bathory niet dood maar levend op

het eiland Antekirrta aanwezig was, een eiland waarvan hij den naam

zelfs niet kende, en dus nog veel minder wist, waar dat ergens ter

wereld gelegen was.

Inderdaad, slechts God, zooals Maria Ferrato zeide, kon dien toestand

ontwikkelen.

Mathias Sandorf [3] · 第 8 / 20 段