strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied
was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist
zoude zijn.
Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van
de Triëster samenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter
Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te
achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans
medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.
Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en
Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder
persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen
slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen
teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting
dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen,
niet meer uit het oog te verliezen.
Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen
overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde
hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen,
terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met
de _Ferrato_ zouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik
aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net
al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.
De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen
en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet
moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal
en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl
Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van
Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht
hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in
den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder
toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter
weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig
te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat
daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had,
namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele
slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas
Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid
besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover
moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat
hen vervolgd had. Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet
alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en
vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit
hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte,
dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat
het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met
vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke
greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.
Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt,
evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te La Valetta op
het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren
draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.
Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte
Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de
salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen,
volgde hij hen ook.
Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok
van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl
de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.
Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote
geestdrift heerschte.
De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar
bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan,
sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar
stelselmatig er deel aan te nemen.
Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een
onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs,
om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf
francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten
wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden,
hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had
hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor,
een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom
niet? Was het betweterij?
"Om te slagen in het spel," had deze gezegd, "moet men er zich
op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te
winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!"
Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde
verder.
Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij
zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik
gekomen achtten, om de veine "den tand te voelen", zooals zij dat
uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der
roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander,
en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd,
maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren
den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers
van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk
ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.
Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen
plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der
minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de
begonnen partij stelden.
Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander
op. Winst en verlies stonden gelijk.
Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en
Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk
op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de
eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de
roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet
tegen hen.
Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer
te begunstigen.
Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken
bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De
gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.
De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig,
wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet
ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de
bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.
Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen
enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat
bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan
te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd,
de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.
Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen
en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al
die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide
mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af,
of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op
te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven,
te behouden.
Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal en
Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter
betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten
einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer
opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben,
zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.
"Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn," mompelde hij in zich
zelven, "dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik
mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar
om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin,
wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen."
Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren,
de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig
niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen
springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het
aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.
Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers
van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer
genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op
die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie
der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.
Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen
ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd,
eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d'or te boven
ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas
Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken
was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen,
maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij
zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen,
alsof de lucht zijner longen hem benauwde.
Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den
bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te
ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel
moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te
onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.
Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap
van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel,
alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.
Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet
bespeuren konden.
Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin
Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in
wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.
Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die
wel gehad hebben?
Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats
naast zijn vriend op de bank.
"Kom," zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken
stem.
"Is het oogenblik gekomen?" vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond
en mede wilde gaan.
"Welk oogenblik?"
"Hou je me voor den gek?" vroeg de reus gemelijk. "Pescadospunt zou
mij niet begrijpen?"
"Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?" vroeg
de kleine man ongeduldig.
"Het oogenblik van ... van ... je weet wel.... Och, je wilt mij
niet verstaan...."
"O, van ten tooneele te verschijnen?" riep Pescadospunt uit, wien
een licht plotseling opging.
"Juist!"
"Neen, mijn waarde Kaap!... Nog niet!... Blijf nog maar wat ter
zijde!..." was het antwoord.
"Drommels!" pruttelde de reus. "Ik beken het volgaarne, ik begin mij
gruwelijk met dat niets-doen te vervelen."
"Hebt ge al gegeten?" vroeg zijn vriend hem met alle
belangstelling. "Ik hoop van ja."
"Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,"
antwoordde Kaap Matifou met een zucht.
"Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo
laag is zij gezakt."
"Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou
niet op z'n plaats."
"Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet."
"Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch
zoovele behoeften niet."
"Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik
tijd heb. Intusschen...."
"Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht
wilt bezigen."
"Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap
Matifou! Begrepen?"
"Daar kunt ge op aan!" bromde de athleet. "Maar het begint knapjes
saai te worden."
Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas
Toronthal thans afdaalden.
Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich
het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt
den tijd om plaats te nemen aan de table d'hôte van het hôtel. Het
was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half
uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag
weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in
het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met
zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid....
Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op,
ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn
bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen,
die hem wist te gebruiken.
"Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te
spelen!" mompelde hij. "Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar,
wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan
worden. Daartoe is het te laat."
Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over
de aangelegenheden, die hij te behartigen had.
De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad
stellen kon, was:
"Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino
terugkeeren of niet?"
Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting
van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te
begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.
Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te
bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn
medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op
bevelenden toon te zeggen:
"Het moet, Silas!... Ik wil het!... Zoo gij niet naar mij hoort
... dan blijven de gevolgen voor uwe rekening."
Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.
De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op,
die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt
volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt,
verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.
Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde,
zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar
verflauwde.
"Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat
zou dwaasheid zijn!... Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!... Wat,
wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet
hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen
forceeren?... Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene
gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te
overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door
onze schuld laten ontsnappen?... Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?"
"Maar,..." poogde de ongelukkige te zeggen. "Als wij alles eens
verloren?... Denk daar toch aan."
Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam
oogenblikkelijk:
"Silas, voelt gij dan niet dat de veine!..."
"Als zij maar niet uitgeput is!" mompelde Silas Toronthal uiterst
neerslachtig. "Ik heb zoo'n voorgevoel."
"Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!" hernam Sarcany
met drift. "Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat
gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der
beenderen!... Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels
van het Casino!... Ja, een millioen!... hoort ge, een millioen! En ik
zal die laten ontsnappen!... Bij den duivel! dat moogt gij ook niet,
Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!"
"Speel gij dan, Sarcany!... Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,"
stamelde de bankier.
"Ik?"
"Ja, gij!"
"Ik!... Ik alleen spelen?... Neen, waarachtig niet!... Wij spelen
samen!... Ja!... En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou
ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk
en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!... Speel dus en gij
zult winnen...."
"Maar...."
"Zwijg!... ik wil het!... Er valt hier niet meer op terug te komen,"
sprak de verleider op kort afgebroken toon.
Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou
vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd
zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was,
dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm
zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij
gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar
die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem
te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!
Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was
dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten van
den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen
toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd
zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te
Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend
vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had
zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende
de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het
onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij
op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra
vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.
Die dwaas!
Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal
op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het
verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het geluk _heeft_
mij toegelachen,--wat inderdaad waar was,--prevelde hij: het geluk
_lacht_ mij toe--wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die
plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering
gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste
wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo
juist ter snede zeide:
"Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!"
Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door
Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog
een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des
tempels andermaal weifelden.
"Silas," vermaande Sarcany toen, "Silas, geene aarzeling!... Gij zijt
vast besloten om te spelen, niet waar?"
"Ja!" antwoordde de bankier, die zijn moed als 't ware met beide
handen greep. "Ja, ik ben vast besloten!"
"Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen
weifelen! Vast besloten!"
"Bepaald en vast besloten ... om alles te wagen, ten einde alles te
winnen!" ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen
verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes,
dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig
voort: "Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!"
"Ik wil geen invloed op u uitoefenen!" hernam Sarcany met zachte stem
en teemend.
"Dat hoeft ook niet," antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met
hartstochtelijke stem.
"Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het
gelukskind, niet ik."
"Juist."
"Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle
overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen."
"Dat denk ik ook."
"Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een
ander voornemen?"
"Neen,... ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te
zetten!" antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw
binnentraden.
"Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!... De roulette
heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het
overige wel verrichten!"
Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en
neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een
der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel
der spelers schaarden.
Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar
zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van
inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler
groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is
het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar
eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene
duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te
New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.
Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen,
was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde
nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is,
als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven
ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om
zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en
de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft,
wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen
die verblinden niet in te zien.
Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die
laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de
afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere
winst of verlies aanteekening hield.
In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen
elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal
te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij,
duidelijk op te maken.
Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne
oogen schitterden van begeerlijkheid.
Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander
aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane inzetten
op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend
franken zijn.
Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid
beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene
krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde
maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het
voordeel.
Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke
verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!
Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog
voor en na.
De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen
en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd
steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij
klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes
bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon
loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met
zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een
man zou overkomen, die op 't punt is van te verdrinken! Er was niemand
om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem
toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging,
om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren,
alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen
was onder de toeijlende golf van het verderf!