"Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft,

dat komt mij ernstiger voor!... Wie is die man toch?... Dat zou mij,

alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem

niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd vond in

alles wat mij betreft! ... Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie

Bathory! ... Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen

heeft! ... Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven

gekost heeft! ... Hij was daar dicht bij Tetuan! ... Maar het schijnt

niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de

schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag

zijn, die evenwel nog gebeuren kan! ... Wij zullen zien, of die niet

voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor

het tegenwoordige! ... De Senousisten zullen weldra meester zijn van de

geheele Cyrenaïsche kuststrook; ... zij zullen dan slechts een zeearm

over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! ... Als zij

in dat spoor voortgedreven moeten worden ... welnu, dan zal ik wel ..."

Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan

Sarcany's gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die

hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk

hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een

struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En

van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die

tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om

hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige

zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was

het krankzinnig worden nabij.

"Ja," zoo sprak hij tot zich zelven, "wij zijn, inderdaad, zonder

uitweg tegen den muur gedrongen! ... Morgen wordt alles op één worp,

op één dobbelsteen gezet! ... Of de bank zal springen, of ... wij! Dat

ik geruïneerd zal zijn door zijn val ... wat kan dat schelen? Ik kan

mij herstellen ... Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders ... Dan

zal hij gevaarlijk worden, ... dan kan hij geneigd zijn te praten,

... dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst

rust! ... Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is,

macht over mij krijgen!"

En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij

kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele

waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht

en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die

lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.

Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo'n benauwend

uiterste.

Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den

ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem

gelegen was, plaats vond.

Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een

lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast

noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie

voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na

langzamerhand de Focicana-kaap tot vlak onder het duiven-schietterrein

van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats,

voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker

in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer

vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip

verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats

hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen

strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl

de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was

het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door

een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor

na te laten, in de duisternis verdwenen.

Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de

strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten

hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna

sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen

van Monte Carlo voert.

Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit

oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan... Maar

hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige

die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene

stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.

"Silas! ... ik in de macht van Silas Toronthal!.." zoo herhaalde hij

al prevelend in zich zelven. "Silas, die met één woord mij zou kunnen

beletten, mijn doel te bereiken! ... Dat nooit! ... Als wij morgen

het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft,

dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! ... Ja, dat zal ik ... mij

te volgen tot Tetuan toe ... en wie zal zich daar op de Marokkaansche

kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te

verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?"

De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor

eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de

omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid

harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en

uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.

Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging

naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat

zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich

deed gevoelen.

Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een

schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van

zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd

duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan

nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste

partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn

oogen ontzettend netelig.

Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne

verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld

waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij

was zelfs onbekwaam--in dit oogenblik althans--om zich rekenschap

van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals

Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet,

dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht

had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts

oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang

deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem

redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke

ellende zou doen afdalen.

Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men

ziet, voorbij.

Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich

slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen

slapeloosheid.

Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij

Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield

zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en

formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid

doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte

wanhoop.

"Welnu, Silas Toronthal," begon de Siciliaan op dien luchtigen toon,

die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan

zij waard is.

De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en

berekeningen verdiept.

"Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur

geschonken?" vervolgde Sarcany.

"Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!" siste Silas Toronthal meer

dan hij sprak.

"Niet?"

"Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?" vroeg de bankier woest,

terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.

"Zeker heb ik kunnen slapen. Maar ... des te erger, Silas Toronthal,

des te erger voor u."

"Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat

wil en moet ik weten."

"Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar

uren rust u goed gedaan hebben."

"Och, wat! Bah!... Wat beteekent rust?... Heb ik rust noodig?.. En

toch...."

"Kijk mij... Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den

gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik

wilde, dat gij zoo kalm waart als ik."

"De fortuin?... De fortuin?..." herhaalde Silas Toronthal nadenkend

en met de hand voor het voorhoofd geslagen.

"Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt

zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te

beheerschen en haar onder den duim te houden,"

"Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene

vrouw doen kan!"

"Bah!... Een eenvoudige gril!... Als die gril over is, keert zij tot

ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult

zien, zij komt tot ons terug!"

Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot

hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor

hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend

had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de

cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of

te hooren.

"Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?" vroeg Sarcany, terwijl

hij het papier greep.

"Ik?" hernam de bankier als verschrikt... "Ik?... Geef mij dat papier

terug, Sarcany."

"Berekeningen, ... onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels,

waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het

begint u waarlijk in het hoofd te schelen!"

"Kom, loop heen, ik... Maar geef mij dat papier terug, Sarcany,

ik bid er u om."

"De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door

berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans

alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!"

"Welnu?" vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de

handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.

"Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,"

hernam Sarcany op spotzieken toon.

"Welnu?" herhaalde de bankier vragend: "Zeg mij die manier, Sarcany,

als zij goed is."

"Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben ... en

op dat gebied--dit moet gij erkennen--is onze opvoeding onvoltooid

gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten."

"Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?" vroeg Silas

Toronthal stampvoetende.

"Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had

de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal

hebben. En als dat zoo is, dan"... Sarcany's oogen glinsterden... "heb

ik u niets meer te zeggen."

"Dan?..."

"Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult

gij dan tevreden zijn?"

"Alles?..."

"Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij

mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij."

"God geve het!" zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk

verdiende penningen gold.

"Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel

stoutheid en koelbloedigheid!"

"En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?" hernam de bankier,

die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. "Zeg,

als wij hedenavond niets meer hebben zullen?"

"Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal,

niet waar?"

"Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?... Zoo

zonder geld?"

"Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is

te Monaco niets uit te richten."

"Monaco verlaten?... Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet,

dunkt mij."

Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen

gelijk.

"O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag,

toen ik uwe diensten verzocht!"

De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst

interessant voor hem.

"Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!" ging de

bankier kermend voort.

"Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien

uit de sloot te halen!" antwoordde de schaamtelooze kerel. "Dat moest

ge toch zelf inzien."

"Zwijg!" riep de bankier uiterst vertoornd. "Zwijg, of ik zal u..."

"Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten

te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft. Dat is

de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!"

"Pas op!" riep de bankier verbolgen uit. "Ik waarschuw u ernstig. Pas

op!"

"Ja!... ik zal oppassen!" mompelde Sarcany onverstaanbaar. "Daar kunt

ge staat op maken."

Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in

het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen,

hem te kunnen benadeelen.

Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd

was:

"Waarde Silas," zei hij honigzoet, "laten wij toch niet boos

op elkander worden!... Waartoe zou dat dienen?... Dat overspant

slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig

zijn!... Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!... Gij

zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!"

"Maar, intusschen.... Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is

de vraag."

"Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.... Dan ... ja

dan...."

"Welnu?..."

"Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb,

waarvan gij uw deel zult hebben."

"Ja!... Ja!..." riep Silas Toronthal uit, bij wien de

spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand

kreeg. "Ja!... Ja!... ik moet mijne revanche hebben! De bank is te

gelukkig geweest!"

"Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken

ik u weer."

"Te gelukkig geweest!" herhaalde Silas Toronthal, "en dezen avond

nog.... Ja, dezen avond!..."

"Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!" riep Sarcany uit,

"en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij

teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge ... wij

zullen dan het spelen staken."

"Heden?..." vroeg de bankier in gespannen verwachting. "Het spelen

staken?... Heden reeds?"

"Morgen verlaten wij Monte Carlo!... Morgen stevenen wij naar Tetuan."

"Naar Tetuan?... Monte Carlo verlaten?... Waarom, als ik u bidden mag?"

"Ja, wij zullen vertrekken.... En deze noodlottige plaats ontvlieden,

waar men slechts zijn geld kan verliezen."

"Waarheen?... Maar, waarheen dan toch?"

"Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen

hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke

croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje."

Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich

weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam

niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.

IV.

DE LAATSTE INZET.

De salons van den Vreemdelingen-Kring--gewoonlijk Casino

geheeten--waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog

zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille

van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans

die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.

De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld

geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas

staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch

invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende

schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers

zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele

van de bank hun voordeel kunnen doen.

Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel

in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der

twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat

is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen

geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting

genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met

hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op

zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom,

want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij

wordt als het ware opgelicht en afgezet.

Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met

hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd

waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in

gespannen verwachting.

In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en

hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers,

terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek

te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier

plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd

en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en

weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.

Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon

contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker

dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags

te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde

een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.

Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van

het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met

belangstelling het vervolg van zoo'n serie te zien en op te merken.

De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over

die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt

meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker

versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld

en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de

olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn,

en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.

Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den

boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het

metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die

geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van

de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: "rood wint en kleur" of

"zeventien, zwart, oneven," door de eentonige en onverschillige stem

des speldrijvers uitgegalmd.

Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den

afgrond der menschelijke hartstochten gunt.

Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren

nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers

op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de

veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et

quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen

tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van

den vorigen dag zich weer zou voordoen.

Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino

binnen.

Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal

op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid tot zich

trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij

den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen

dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.

Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen

gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te

winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar

genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer

verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany

was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider

lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.

Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten

inzet gingen wagen.

Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid

hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan

veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten

scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud,

met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus--een

van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.--Zijne

oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een

bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig

en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan

ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te

beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om

met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om

des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij

was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten

offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te

bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat

naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk

niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken,

die den glans der nieuwheid nog bezaten.

Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand

anders dan Pescadospunt in eigen persoon.

Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide

vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.

Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt

in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd,

gekomen waren?

Zij waren daags te voren door de vlet van de _Electric 2_, behoorende

tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo

zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.

Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen,

in die plaats des verderfs?

Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal

ons wel tot de ontknooping voeren.

Twee dagen nadat Carpena aan boord van de _Ferrato_ gebracht

was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne

tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het

eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte

van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene

gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren

tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur

van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van

dokter Antekirrt.

Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden,

hoezeer hij zijn brein ook aftobde.

Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder

ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk

te stellen, om zijn toestand te verbeteren.

Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die

hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid

te antwoorden.

Of hij den Triëster bankier Silas Toronthal al dan niet kende?

Daarop antwoordde hij ontkennend.

Sarcany dan?

Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met

groote tusschenpoozen gezien had.

Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert

deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania

onveilig maakte?

Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht

werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen

bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht,

waarbij Zirone omgekomen was.

Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter

Antekirrt.

Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort

verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf

gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier

Silas Toronthal.

Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar

het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht

te beginnen.

Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende,

waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich

van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena niet gissen,

dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem

ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van

den visscher van Rovigno.

Mathias Sandorf [3] · 第 6 / 20 段