En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke

dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe

wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in

eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige

gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken

of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche

evenwicht een rechtgeaarden speler aan?

Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat

zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats

hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als

medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.

"Bijna een millioen!" mompelde men in de verschillende groepjes. "Bijna

een millioen!"

En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote

meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke

uitkomst gestreden hadden.

Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste

deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de

"déveine" genoemd wordt.

De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote

aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek

gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat,

had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van

een waanzinnige of van een wanhopige.

Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het

duister naar den kant van de Duivenschietbaan.

"Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte

serie ons te staan komt!" riep de oudste dier twee uit. "Het is

verschrikkelijk!"

"Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend," verbeterde

de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling

controleert.

"En thans blijft mij...."

"Hoeveel?... Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch

niets baten!"

"Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!" jammerde de eerste

speler op treurigen toon.

"Denkt ge dat?" vroeg de andere snijdend spottend. "Ik geloof, dat

gij u vergist!"

"Meent ge meer?"

"Het mocht wat!... Slechts honderd zeven en negentig

duizend!" antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen

toon.

"Slechts dat?"

"Ja, kijk maar!" ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een

met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.

"Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik

nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen."

"Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets

meer of minder dan dat!"

"En dat in minder dan twee maanden!..."

"In een maand en zestien dagen!"

"Sarcany!..." riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns

makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers,

die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.

"Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te

houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap."

"Ga zoo niet voort!" sprak de andere dreigend.

"Ah bah!" zei de ander met een luchtig gebaar. "Gij zijt heden in

een booze bui."

Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met

elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort

tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun

vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig

aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne

schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had,

was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop

hadden beiden met Sava die stad verlaten.

Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven

van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund

om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde

gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille,

dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier,

die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens

zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind

geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe

van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had

slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.

Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen

bieden?

Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij

zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?

Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem

weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid

in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep

gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering

op te richten.

Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van

weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof

hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De

onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica

deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.

De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa

onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft,

verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde

bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan,

als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche

rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.

Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen,

de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te

noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava

evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en

had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet

Bathory. Maar, ... zou zij--die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen

weerstand bieden?

Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te

gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf

daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel

mede te hebben.

In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote

bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren

opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen

der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal

aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was

zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En

dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld

op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat

dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar

het verderf.

Daarenboven wat de spelers de "déveine" noemen,--een naam waarachter

zij hunne domme verblindheid verbergen,--verklaarde zich werkelijk in

hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen

beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest,

om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.

Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte

der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf

afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan,

om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat

was een zware slag voor den bankier geweest.

Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar

het "rien ne va plus" der "croupiers" in de Peloponesische taal,

in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij

ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan

de roulette en aan het "trente et quarante" te Monte Carlo. Dat zij

nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne

stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd

bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.

En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie

weken te Monte Carlo bevonden.

Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar

het _à tout Seigneur tout honneur_ ook hier betracht dient te worden,

zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk

en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.

Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning

van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van

de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes

Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid

dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860

Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone

en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan

laatstgenoemd rijk af.

Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5 vierk. geograpische mijl

beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts

honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt

eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.

Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een

tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad,

die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon

nationale militie.

Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras,

en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat

en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele

vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd

door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg

drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen

en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare

breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een

sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot

schuilplaats van zeeroovers dienden.

Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met

zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg

heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.

De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met

fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de

rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven

worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal,

waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde

wereld vindt.

Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichte

_Salons de jeu_ te vinden.

Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de

onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.

Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.

De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij,

die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net

genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats

wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich

aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.

Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler

zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een

pistoolschot het leven benam.

De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng,

ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te

wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée-

of beter eene introductie-kaart, die door den _Commissaire Spécial_

onderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige

opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven,

terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts

voor één dag geldig is.

Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien

met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.

In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid

voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden

waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte

menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk

de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt

nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men

hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van

het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook

dat is door de almachtige "Administration" bepaald.

Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat

gebarenspel!

In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij

verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de

nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in

het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der

roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur

van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op

de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest

eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de

raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich

thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die

blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en pleegden de meest

bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn

verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren

heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij

het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt

er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er

toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft

er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld,

welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.

Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond,

die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo,

door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen

eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij het _trente

et quarante_ uitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens

meer tweemaal honderd duizend francs over.

Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet,

vooral voor mannen als deze.

Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch

nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het

terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen,

die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep

en uitriep:

"Kijk!... Kijk!... Hij draait steeds!... Hij draait steeds!... En

zal altijd draaien!..."

Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig

reden om te lachen.

De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer,

hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder,

door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide,

draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der

wereld!...

De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!

"Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?" vroeg Sarcany

aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis

was.

"Kalm, kalm!" bromde de bankier binnensmonds. "Gij hebt goed praten! Ik

wilde u wel in mijne plaats zien."

"Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil,

in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen."

"Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten;

maar ik wilde u wel in mijne plaats zien."

"Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo," vervolgde Sarcany; "maar het

lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder

dat wij er iets voor doen."

Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende,

knorde steeds binnensmonds.

"Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger

te stemmen!" ging Sarcany voort. "Dat is gevaarlijk, en daarenboven

geheel overbodig.... Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen,

wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in

ons voordeel is!... Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend

zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij

de veine hebben, hoog op te voeren."

Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die

evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht,

zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep

ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte,

namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem

uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn

verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een

gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van

beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte

ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van

nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens

hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste

citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met

Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal

wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke

wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet

meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat

oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had

Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.

"Silas Toronthal," hernam Sarcany, "wij zijn heden zoo ongelukkig

geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!... Morgen

zal het ons gunstig zijn!"

"En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!" antwoordde de

bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte

op te komen. "Zeg, wat dan?"

"Dan blijft ons Sava Toronthal over!" was het antwoord, dat Sarcany

vrij driftig gaf.

"En dan?" vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. "En

dan?..."

"Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk

overgetroefd worden!"

"Ja, morgen!... Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt,

niet waar?"

"Zeker morgen!" bevestigde Sarcany. "Morgen zal het mijn geluksdag

zijn, wees daarvan verzekerd."

"Ja, morgen! ... morgen!" herhaalde de bankier, die zich in die

gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou

stellen. "Morgen!... Morgen!... Welaan, het zij zoo!"

Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan

gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.

De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en

het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die

toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij

buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den

Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels,

de villa's en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet

van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is

en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.

De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt

op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst

zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden

door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het

eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der

peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der

boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen,

myrten, palmachristi's en zoovele anderen, die in eene bevallige

wanorde naast en tusschen elkander groeien.

Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats

Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa's, die zich

op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende

straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg

halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat

Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de

gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen,

van villa's in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende

boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is

inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone

Italië oplevert.

Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven,

van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend

dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad:

dat is La Condamine.

Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel,

naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft

verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd

twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat

gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche

grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het

Monacosche rijkje.

Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een

prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte

daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een

door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters

hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men

een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco

uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat

dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen,

zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.

Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in

hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den

toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden

der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te

zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?

Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan

aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in

alle haast een blik in.

In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor

hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in

de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden

verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt

van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den

Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.

Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne

kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich,

terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de

blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen

over. Die waren verre van rooskleurig.

"Carpena dood!... Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!... Komaan,

dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den

bodem van den Oceaan begraven!... Van dien kant kan ik dus gerust

zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!"

Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief

overgaande:

Mathias Sandorf [3] · 第 5 / 20 段