dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe
wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in
eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige
gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken
of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche
evenwicht een rechtgeaarden speler aan?
Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat
zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats
hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als
medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.
"Bijna een millioen!" mompelde men in de verschillende groepjes. "Bijna
een millioen!"
En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote
meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke
uitkomst gestreden hadden.
Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste
deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de
"déveine" genoemd wordt.
De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote
aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek
gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat,
had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van
een waanzinnige of van een wanhopige.
Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het
duister naar den kant van de Duivenschietbaan.
"Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte
serie ons te staan komt!" riep de oudste dier twee uit. "Het is
verschrikkelijk!"
"Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend," verbeterde
de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling
controleert.
"En thans blijft mij...."
"Hoeveel?... Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch
niets baten!"
"Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!" jammerde de eerste
speler op treurigen toon.
"Denkt ge dat?" vroeg de andere snijdend spottend. "Ik geloof, dat
gij u vergist!"
"Meent ge meer?"
"Het mocht wat!... Slechts honderd zeven en negentig
duizend!" antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen
toon.
"Slechts dat?"
"Ja, kijk maar!" ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een
met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.
"Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik
nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen."
"Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets
meer of minder dan dat!"
"En dat in minder dan twee maanden!..."
"In een maand en zestien dagen!"
"Sarcany!..." riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns
makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers,
die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.
"Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te
houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap."
"Ga zoo niet voort!" sprak de andere dreigend.
"Ah bah!" zei de ander met een luchtig gebaar. "Gij zijt heden in
een booze bui."
Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met
elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort
tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun
vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig
aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne
schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had,
was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop
hadden beiden met Sava die stad verlaten.
Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven
van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund
om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde
gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille,
dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier,
die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens
zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind
geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe
van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had
slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.
Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen
bieden?
Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij
zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?
Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem
weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid
in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep
gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering
op te richten.
Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van
weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof
hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De
onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica
deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.
De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa
onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft,
verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde
bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan,
als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche
rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.
Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen,
de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te
noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava
evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en
had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet
Bathory. Maar, ... zou zij--die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen
weerstand bieden?
Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te
gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf
daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel
mede te hebben.
In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote
bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren
opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen
der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal
aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was
zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En
dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld
op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat
dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar
het verderf.
Daarenboven wat de spelers de "déveine" noemen,--een naam waarachter
zij hunne domme verblindheid verbergen,--verklaarde zich werkelijk in
hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen
beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest,
om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.
Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte
der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf
afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan,
om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat
was een zware slag voor den bankier geweest.
Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar
het "rien ne va plus" der "croupiers" in de Peloponesische taal,
in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij
ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan
de roulette en aan het "trente et quarante" te Monte Carlo. Dat zij
nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne
stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd
bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.
En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie
weken te Monte Carlo bevonden.
Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar
het _à tout Seigneur tout honneur_ ook hier betracht dient te worden,
zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk
en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.
Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning
van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van
de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes
Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid
dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860
Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone
en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan
laatstgenoemd rijk af.
Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5 vierk. geograpische mijl
beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts
honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt
eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.
Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een
tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad,
die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon
nationale militie.
Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras,
en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat
en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele
vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd
door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg
drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen
en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare
breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een
sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot
schuilplaats van zeeroovers dienden.
Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met
zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg
heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.
De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met
fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de
rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven
worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal,
waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde
wereld vindt.
Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichte
_Salons de jeu_ te vinden.
Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de
onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.
Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.
De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij,
die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net
genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats
wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich
aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.
Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler
zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een
pistoolschot het leven benam.
De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng,
ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te
wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée-
of beter eene introductie-kaart, die door den _Commissaire Spécial_
onderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige
opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven,
terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts
voor één dag geldig is.
Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien
met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.
In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid
voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden
waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte
menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk
de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt
nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men
hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van
het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook
dat is door de almachtige "Administration" bepaald.
Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat
gebarenspel!
In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij
verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de
nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in
het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der
roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur
van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op
de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest
eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de
raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich
thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die
blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en pleegden de meest
bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn
verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren
heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij
het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt
er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er
toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft
er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld,
welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.
Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond,
die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo,
door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen
eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij het _trente
et quarante_ uitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens
meer tweemaal honderd duizend francs over.
Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet,
vooral voor mannen als deze.
Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch
nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het
terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen,
die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep
en uitriep:
"Kijk!... Kijk!... Hij draait steeds!... Hij draait steeds!... En
zal altijd draaien!..."
Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig
reden om te lachen.
De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer,
hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder,
door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide,
draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der
wereld!...
De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!
"Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?" vroeg Sarcany
aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis
was.
"Kalm, kalm!" bromde de bankier binnensmonds. "Gij hebt goed praten! Ik
wilde u wel in mijne plaats zien."
"Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil,
in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen."
"Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten;
maar ik wilde u wel in mijne plaats zien."
"Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo," vervolgde Sarcany; "maar het
lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder
dat wij er iets voor doen."
Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende,
knorde steeds binnensmonds.
"Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger
te stemmen!" ging Sarcany voort. "Dat is gevaarlijk, en daarenboven
geheel overbodig.... Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen,
wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in
ons voordeel is!... Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend
zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij
de veine hebben, hoog op te voeren."
Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die
evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht,
zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep
ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte,
namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem
uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn
verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een
gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van
beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte
ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van
nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens
hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste
citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met
Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal
wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke
wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet
meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat
oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had
Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.
"Silas Toronthal," hernam Sarcany, "wij zijn heden zoo ongelukkig
geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!... Morgen
zal het ons gunstig zijn!"
"En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!" antwoordde de
bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte
op te komen. "Zeg, wat dan?"
"Dan blijft ons Sava Toronthal over!" was het antwoord, dat Sarcany
vrij driftig gaf.
"En dan?" vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. "En
dan?..."
"Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk
overgetroefd worden!"
"Ja, morgen!... Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt,
niet waar?"
"Zeker morgen!" bevestigde Sarcany. "Morgen zal het mijn geluksdag
zijn, wees daarvan verzekerd."
"Ja, morgen! ... morgen!" herhaalde de bankier, die zich in die
gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou
stellen. "Morgen!... Morgen!... Welaan, het zij zoo!"
Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan
gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.
De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en
het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die
toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij
buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den
Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels,
de villa's en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet
van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is
en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.
De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt
op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst
zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden
door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het
eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der
peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der
boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen,
myrten, palmachristi's en zoovele anderen, die in eene bevallige
wanorde naast en tusschen elkander groeien.
Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats
Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa's, die zich
op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende
straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg
halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat
Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de
gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen,
van villa's in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende
boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is
inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone
Italië oplevert.
Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven,
van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend
dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad:
dat is La Condamine.
Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel,
naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft
verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd
twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat
gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche
grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het
Monacosche rijkje.
Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een
prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte
daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een
door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters
hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men
een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco
uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat
dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen,
zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.
Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in
hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den
toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden
der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te
zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?
Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan
aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in
alle haast een blik in.
In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor
hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in
de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden
verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt
van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den
Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.
Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne
kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich,
terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de
blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen
over. Die waren verre van rooskleurig.
"Carpena dood!... Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!... Komaan,
dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den
bodem van den Oceaan begraven!... Van dien kant kan ik dus gerust
zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!"
Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief
overgaande: