zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of
dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen,
en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio
openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij
zult mij niet zien!... Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk."
"Dat alles, wanneer hij wakker is?" vroeg de directeur steeds uiterst
ongeloovig.
"Juist wanneer hij volkomen wakker is!" bevestigde de dokter op een
toon, die geen tegenspraak duldde.
Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof
gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering,
als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van
den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam
hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.
"Niets is toch zekerder evenwel," zei toen Piet Bathory; "en ik zelf
ben getuige geweest van daadzaken ..."
"Zoodat," zei de gouverneur, "men de stoffelijkheid van een persoon
aan den blik van een andere kan onttrekken?"
"Geheel en al, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt,
"evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige
wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg
brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn,
of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan
zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der
verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan
dien invloed onderworpen."
"Dokter Antekirrt" zei toen de gouverneur, "ik meen het gevoelen van
alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die
zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!"
"En, zelfs dan nog! ..." meende een der tegenwoordige personen bij
wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.
"Het is dus zeer betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "dat de
weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet
veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen."
"Maar... met uw verlof, heer gouverneur," zei de dokter tot den
gouverneur.
"Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?" vroeg kolonel Guyara. "Gij
wildet iets zeggen."
"Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven."
"Mijne toestemming? Dadelijk," sprak de gouverneur opgewonden uit.
"Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!" antwoordde dokter Antekirrt
bescheiden.
"Ja, wat mij betreft," antwoordde de gouverneur. "Zult gij willen? Zult
gij kunnen?"
"Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te
Ceuta de baas."
"Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze
weetgierigheid te bevredigen."
"Het zij zoo," antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. "Gij
zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der
veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op
den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man
was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag
gedompeld. Herinnert gij u dat nog?"
"Inderdaad," zei de directeur der strafkolonie, "en die man bevindt
zich thans in het hospitaal."
"Gij herinnert u ook, niet waar," ging de dokter voort tot den
gouverneur, "dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der
bewakers daarin geslaagd was?"
"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde kolonel Guyara levendig.
"Welnu, dat is voldoende geweest," ging de dokter kalm en bedaard
voort.
"Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?" vroeg de gouverneur. "Voldoende
voor wat?"
"Om tusschen mij en dien... Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?"
"Carpena."
"...Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing
te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt."
"Ha!" riep de directeur ongeloovig. "Dat zal te bewijzen vallen,
dokter Antekirrt!"
"Zoodat... gij hier in het gouvernements-hôtel ... en hij daar ginds
in het hospitaal!..." vroeg de gouverneur nieuwsgierig.
"Ongeloofelijk!" zei de directeur hoofdschuddend. "Dat is niet
mogelijk!"
"Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur," vroeg de dokter,
"om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en
van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?"
"Jawel, hij zal wegloopen!" antwoordde kolonel Guyara met een gullen
lach.
Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de
geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.
"Neen, heeren," hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, "die Carpena
zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld
doen, dan wat ik zal willen!"
"Maar wat, als 't u blieft?" vroeg kolonel Guyara met aandrang.
"Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik
hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel,
heer gouverneur."
"En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk."
"Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt
ge? Spreek slechts."
"Mij wel," antwoordde de gouverneur. "Ik geef ten volle permissie,
heer directeur."
"Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?" zeide
dokter Antekirrt.
"Mij?"
"Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,--en dat
zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,--zal
ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te
houden."
"Voor wien, als 't u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd
naar! Voor wien?"
"Ja, voor wien?... Laat zien... Bij voorbeeld... voor den Koning
Alphonsus XII."
"Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?" vroeg kolonel Guyara
ongeloovig.
"Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen..."
"Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven."
"Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven
nog..."
"Wat?"
"Het Isabella-kruis!"
Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter
Antekirrt. Het was een jool van belang!
"En die man zal dat volkomen wakker doen?" vroeg de directeur van
de strafkolonie.
"Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon
van de zaak kunnen overtuigen."
"Neen!... Neen!... Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!" riep
kolonel Guyara uit.
"Meent gij, heer gouverneur?" vroeg de dokter met een glimlach. "Wacht
de uitkomst af."
"Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult
gij mij kunnen overtuigen."
"Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?"
"Hoe kan dat?"
"Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen
late!"
"Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef."
"Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten
hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen,
wat ik zoo even gezegd heb."
"Welnu, dat is afgesproken," zei de gouverneur. "En wanneer gij
slechts zult willen..."
"Het is thans acht uren." zei de dokter, terwijl hij zijn horloge
raadpleegde. "Welnu, te negen uren. Is dat goed?"
"Zeer goed. Maar...."
"Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal
toelichten."
"Na de proef?..."
"Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren,
zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij
verricht zal hebben."
"Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?" vroeg de directeur van het
bagno onthutst.
"Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,--en dat is de eenige uitleg,
die van het verschijnsel te geven is,--Carpena zal van nu af geheel
en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in
werkelijkheid zal _hij_ dat alles niet verrichten, maar _ik_! Ik, die
hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten."
De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische
verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij
aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om
den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven,
daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd
worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen,
aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In
gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de
verte wegstierf.
Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en
gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon,
om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.
Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk
over de verschillende verschijnselen van het magnetisme of van
het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige
gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele
tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de
lezer nagaan.
Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes
aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der
donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen
niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig
verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker
geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die
hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in
staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen,
men wachtte op de komst van Carpena.
Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de
rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten
ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon
aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp
van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden
voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de
ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders
voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.
Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte
de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen,
zei eensklaps dokter Antekirrt:
"Het is thans drie minuten vóór half negen."
"Wat wilt gij daarmede zeggen?" vroeg kolonel Guyara, die ook zijn
horloge raadpleegde.
"Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het
hospitaal verlaat."
Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een
kwakzalver te doen te hebben.
Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en
bedaard als altijd:
"Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink
door."
De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate
indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel
Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.
Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en
het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd,
tot op het oogenblik,--het was vijf minuten vóór negen,--dat de dokter
andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:
"Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel
genaderd!"
"Och, kom!" zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een
glimlach. "Is hij reeds zoo nabij?"
Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een
bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon,
die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem
te spreken.
Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden
zij toch gemeend, te mogen twijfelen.
"Laat dien persoon binnen komen," antwoordde kolonel Guyara, wiens
ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen
feiten.
Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der
deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en
keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen
te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel,
toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor
hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.
"Sire!" zei hij met heldere stembuiging, "ik vraag gratie van Uwe
Koninklijke Majesteit!"
De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld
geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder
den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet
wat te antwoorden.
"Gij kunt hem gerust gratie verleenen," zei de dokter glimlachende;
"want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde
overblijven."
"Ik verleen ze u!" antwoordde de gouverneur met eene waardigheid,
alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk
in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.
"Ja, maar..." zei Carpena aarzelend. "Ik wenschte nog een verzoek
te doen."
"Wat wilt ge nog meer?" vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.
"Dat ge die gratie aanvult," ging de veroordeelde steeds geknield
voort, "met het eerekruis van de Isabella-orde."
"Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets
te verzoeken?"
Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar,
alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk
deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis
eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds met het
gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de
zaal uit.
Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan
de deur van het gouvernements-hôtel.
"Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien
terugkeeren!" riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een
heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen
zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel
andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den
invloed van zijn gast.
"Gelooft gij mij nog niet?" vroeg dokter Antekirrt met een ietwat
schamperen glimlach.
"Ik kan niet!" antwoordde kolonel Guyara. "Het gaat totaal mijn begrip
te boven."
"Welnu, kom dan!" zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel
oprees. "Kom dan!"
De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van
nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena,
die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van
het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had,
sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor
hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik
gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den weg te ruimen.
De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas
zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van
zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers
van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit
het oog te verliezen.
De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de
tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op
het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de
weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en
het toplicht van de _Ferrato_, welker vormen ijl en nevelachtig,
maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.
Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg
rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van
twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar
van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts
eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den
Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.
De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen,
ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de
gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene ontsnapping
tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.
Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij
daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid
gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de
beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund
hebben. Dokter Antekirrt's wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan
den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een
zeer leelijk standbeeld.
De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde
zich toen tot zijn gast:
"Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid
hulde doen!..."
"Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer
gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt zegevierend.
"Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet,
al begrijpt men ze niet."
"Dat's nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen
geslaagd?"
"Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man
de gedachte op..."
"Welke, heer gouverneur?... Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte
wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?"
"Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt
u dat!"
Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena
zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van
de haven stortte.
Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad
zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan
de macht en den invloed des dokters?
Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal
onverklaarbaar.
Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl
de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de
zee uitstrekte...
Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige
visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen
van het stoomjacht... Alles was overbodig... Men vond zelfs het lijk
van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette,
had het voorzeker naar volle zee gedreven.
"Heer gouverneur," zei dokter Antekirrt, "ik betreur inderdaad
levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop
niemand verdacht kon zijn, heeft gehad."
"Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?" vroeg de
gouverneur belangstellend.
"Niet anders dan daardoor," antwoordde dokter Antekirrt, "dat bij de
uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en
de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog
onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan
mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij
door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak
in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen
neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig..."
"Och kom!" zei kolonel Guyara lachende. "Wat is er bij zoo'n geval
betreurenswaardig!"
"Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur," hernam dokter Antekirrt
op zeer ernstigen toon. "Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij
werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!"
"Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!" antwoordde de gouverneur
wijsgeerig.
Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was
geen andere waard.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur
van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta
te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken
voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting
genoten hadden.
De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem
een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven,
dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij
daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht
naar het gouvernements-hôtel aan.
Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate
misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara,
den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele,
dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij
mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was
eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet
uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn
leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: "duizend
wegen... maar één doel!" [2]
Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had,
en die had hem naar zijn doel gevoerd.
Weinig tijds later had een van de sloepen van de _Ferrato_ den
dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan
de valreep en ontving hen hartelijk.
"En die man?..." vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. "Is
die man aan boord?"
"De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen
bespiedde," antwoordde de jeugdige zeeman, "heeft hem na zijn val
dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in
de kajuit van het voorschip doen opsluiten."
"Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?..." vroeg
Piet Bathory.
"Niets," antwoordde Luigi.
"In het geheel niets?"
"Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken... Hij schijnt
stom te zijn."
"Waarom kan hij niet spreken?"
"Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen
bewustzijn zijner handelingen."
"Goed," zei dokter Antekirrt.
De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden
het niet eene vraag te uiten.
"Het was mijn wil," ging de dokter voort, "dat Carpena van boven die
rots neerstortte en... hij is er afgestort.... Het was mijn wil,
dat hij sliep en... hij slaapt!... Wanneer ik zal willen dat hij
ontwaakt, zal hij ontwaken!... En nu, Luigi, anker op, en onder
stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het
oog verloren hebben."
De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne
volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige
minuten later had de _Ferrato_ de open Middellandsche zee bereikt en
stevende oostwaarts op naar Antekirrta.
III.
ZEVENTIEN MALEN
"Zeventien malen?..."
"Ja, zeventien malen!"
"Onmogelijk!"
"Wel mogelijk!... Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!"
"Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik
houd dat vol!"
"Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó
en niet anders!"
"En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?"
"Ja!"
"Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand
verloren?"
"De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!"
"Zeventien malen?... Zeventien malen?... Achter elkander?..."
"Ja, zeventien malen! en achter elkander!"
"Met de roulette of met het trente et quarante?... Zeg mij, met welke
dier beiden?"
"Met het trente et quarante!"
"Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet
voorgekomen."
"Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog
eens gebeurd!" antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de
eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. "Ja,
mijnheer, en het was toen zomer--wat zeer opmerkelijk is.--Ik ben
betaald, om er iets van te weten."
Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het
voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te
Monte Carlo in den avond van den 3den October, dus acht dagen na de
ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.
En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers,
zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen
leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van
geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.
Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een
paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van
Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.