"De eene is Carpena," antwoordde Sarcany. "Gij weet wel, de Spanjaard
Carpena!"
"Zoo!" gromde de Marokkaansche met sombere stem. "En wie is de andere?"
"De andere... dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de
familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam,
en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!"
De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar
oogenblik.
"Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta
vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door
tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen
heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van
zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken,
natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!"
"Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is," antwoordde Namir. "Meer
dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen... Ik
heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd."
"Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen
steeds te weten, wat hij uitvoert..."
"Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel
zoudt meenen."
"Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,"
sprak de Tripolitaan.
"Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,"
antwoordde Namir.
"Waarom dat?"
"Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in
dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer
aan het andere uiteinde!"
"Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te
bezitten!" riep Sarcany met een zucht uit. "Maar het zal niet gezegd
worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken,
zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich
ernstig in acht neme!"
"Voorzichtig, Sarcany!" vermaande de oude. "Voorzichtig toch! Als
gij met vuur omgaat..."
"En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,"
ging Sarcany hartstochtelijk voort, "ik zal hem..."
"Als dat huwelijk voltrokken is," suste hem Namir, "dan zult gij
van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar,
Sarcany? Van niemand meer?"
"Ongetwijfeld, Namir; ... maar intusschen ... is dat huwelijk nog
niet voltrokken."
"Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig
uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem
hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?"
"Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?"
"Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan,
waar wij ons bevinden."
"Dat is waar."
"Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien
man te vreezen?"
"Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe
makkers en vrienden waren."
"Zoo!"
"Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele
rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan
... dan zou ik verloren zijn."
"Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta,
veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord,
niet waar?"
"Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik
u niet verbergen."
"Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste
gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen."
"Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting
van straf te erlangen, aan het verraden gaan."
"Och, kom!... Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo
gauw niet."
"Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat
anderen ook."
"Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet
vatbaar is."
"Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem
te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man
wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken."
"Dat is niet onmogelijk," zei Namir peinzende. "En in dat geval is
inderdaad het gevaar groot."
"Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe
bezit hij de middelen."
"Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men
zou hem dat daar toch maar afnemen."
"Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd
goud gebruiken."
"Ja, zoo beschouwd... Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel
geld!" zei de Marokkaansche.
"Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het
verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!"
Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer
scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen
des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als
bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.
Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand,
zeer gevaarlijk kon worden.
"Waarom," riep Sarcany uit, "is hij niet in stede van Zirone daar ginds
verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!"
"Wat niet in Sicilië gebeurd is," antwoordde Namir kalm en op ijskouden
toon, "kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier
geen krater ter beschikking staat."
Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen
elkander.
Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen,
dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig
zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee
steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de
strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu
de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou
het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking
te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig
hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig
geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het
schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk
brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood
van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand,
niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over
zijne verdwijning?
Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den
gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets
meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen
van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena's geheimen
te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.
Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van
de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena,
werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk
te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden,
vanwaar niemand ontvluchten kan.
Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en
Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid
van elkander.
Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan
opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar
overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de
pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.
Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een
pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde,
alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.
Dat was de _Ferrato_. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het
Catania aandeed, herkende het dadelijk.
"Dokter Antekirrt hier!" prevelde zij binnensmonds. "Sarcany heeft
gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan
iemand onzer zelfs vermoedt."
Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te
Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare
maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.
Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest,
als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te
brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.
Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht
kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de
tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek
gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige
dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir
bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat
het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel
geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen,
dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.
"Dus," dacht zij, "er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk,
een geluk bij een ongeluk!"
En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de
veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.
Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van
Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de
plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk
verzekeren.
De _Ferrato_ kwam in den avond van den 22sten September in het
binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai
werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd,
zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet
lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat
wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory
begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar het Post Office
in de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.
Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan
den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek
der _Ferrato_, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina,
zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.
Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd
was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner
wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij
verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou,
die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.
De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van
Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van
eene moeder dan wel van eene zuster.
Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger
in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij
voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.
Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van de _Ferrato_ te vullen met
behulp der gabara's, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen
halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede
ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd
zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten
van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.
Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die
in een hôtel op de Commercial Square gedineerd hadden, aan boord
terugkwamen, op het oogenblik dat het "first gun fire", het eerste
kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin
de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als
in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche
vesting als Mainz of Coblenz.
Toch lichtte de _Ferrato_ niet dienzelfden avond het anker. Daar het
vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te
steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder
stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta,
na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn,
die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige
pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond
te boren.
Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar
de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde
plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had,
niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der
stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de
zeewinden gedekt was. Daar liet de _Ferrato_ op twee kabellengten
afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor
de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen
onbewegelijk liggen.
Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier,
die in zee uitgebouwd was.
Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen
van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar
natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den
avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk
niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en
te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot,
gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen,
uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.
Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie,
vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat
was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.
"Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!" riep kolonel Guyara
uit. "Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen
dag toebehoort..., zult gij mij niet ontsnappen."
"Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn
gast zult geweest zijn. Vergeet niet..."
"Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag...!" vroeg
kolonel Guyara.
"Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van de _Ferrato_
gereed staat."
"Dat's waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het
niet beleefd zijn, mij te laten wachten!"
De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De
tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in
het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.
Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur
der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de
betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de
inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over
dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren
op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap
gewekt had.
"Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?" vroeg hij niet zonder
belangstelling.
"Niets," antwoordde de gouverneur. "Ten minste, zooals mij is
gerapporteerd geworden."
"Dat verwondert mij niet," opperde dokter Antekirrt zoo ernstig
mogelijk.
"Maar," ging kolonel Guyara voort, "hij is niet meer ten arbeid
gesteld aan de verharding der wegen."
"Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer
gouverneur?"
"Neen, dokter Antekirrt," antwoordde de kolonel. "Volstrekt niet."
"Waar is hij dan?" vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van
ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar
te nemen.
"Hij is in het hospitaal," antwoordde de gouverneur. "Het schijnt dat
dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar,
die moet hersteld worden?"
"Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher
of een Italiaan?"
"Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet," antwoordde kolonel
Guyara. "Hij is voor levenslang hier."
"Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd,
die hem hier gebracht hebben?"
"Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling
verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk
geen verlies voor het Presidio zijn!"
Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte
de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in
dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal
zou verlaten.
Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek
rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe
rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van
het achterschip bevallig omhoog kronkelden.
Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den
gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich
thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche
grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.
Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou
tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te
geleiden en hem alles te laten bezichtigen.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid
door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door
de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de
strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien
dag--het was op een Zondag--waren de gedeporteerden niet aan hunnen
gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand
kon waarnemen.
Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door
het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.
De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar
Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte
van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren
ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een
keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt,
des ochtends aan boord van het stoomjacht de _Ferrato_ genoten.
Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende
die wandeling _intra et extra muros_, binnen en buiten de stad, door
Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was
van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten,
wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?
Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie,
verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke
handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het
genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van
den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.
De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door
Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door
Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon
niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel
verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het
was volgens hem bewonderenswaardig.
"Maar," liet hij er op volgen, "het toezicht over de veroordeelden
moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?"
"Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken
zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht..."
"Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen,
denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden."
De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk,
alsof hij nadacht.
"Daar nu de gevangenen," ging de dokter voort, "er meer aan denken
om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt
daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou
mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl
mankeerden."
"Nooit!" riep de gouverneur uit. "Nooit! Ik zou wel eens willen zien,
dat zoo iets zou gebeuren!"
"Evenwel, heer gouverneur... Er bestaan legenden van beroemde
ontsnappingen."
"Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens
af! Daarin zit de groote moeilijkheid."
"Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve
maar te kiezen hebben."
"Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over
land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking
van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan
ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit
voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan
een doode ontsnapte."
"Als dat zoo is," antwoordde de dokter, "dan kan ik u gelukwenschen,
heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen
in de toekomst allengs moeielijker zal worden."
"Om welke reden, als het u belieft?" vroeg een der genoodigden,
die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur
der strafkolonie was.
"Welnu, mijnheer," antwoordde de dokter, "omdat de studie der
magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen
heeft gemaakt...."
"Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen
te maken?" vroeg de verblufte directeur.
Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde,
alsof hij niet gestoord ware:
"Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen
kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der
gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets
minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen
te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken
moeielijk wordt."
"En, in dat geval?" ... vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder
achterdocht.
"In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn,
niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat
zult gij moeten toegeven!"
"Hé, hé!" riep de directeur geërgerd uit. "Dat is sterk. Als de
bewakers bewaakt zullen moeten worden!"
"Gedurende mijne reizen, heer gouverneur," ging dokter Antekirrt voort,
"ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor
mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is."
"Dus gij meent?..." vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.
"Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet
vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks
zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten,
eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even
onbewust kan laten ontsnappen."
"Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel
bestaat?" vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.
"Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks
verlangt. Spreek maar een woord."
"Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede
zeer verplichten."
"Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en ... zijn beter. Een
enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,"
antwoordde de dokter.
"Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt," zei de gouverneur. "En
wachten met ongeduld uw voorbeeld."
"Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft
tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat
is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed
op hem uitoefent... Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van
zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den
bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij
hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur
der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen."
"Ongetwijfeld, heer dokter," antwoordde de directeur, "maar op eene
voorwaarde, niet waar?"
"En die is?" vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.
"Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben,
meen ik?"
"Daarin vergist gij u, mijnheer," antwoordde de dokter hoogst ernstig.
"Zou ik?"
"Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden
toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of
ondervindt."
"Wat, gij beweert...?"