"Was de kerel, alles wel beschouwd, niet ietwat onder den invloed van

sterken drank?" vroeg de gouverneur met een spotachtigen glimlach. "Het

kwam mij zoo voor."

"Dat geloof ik niet," antwoordde dokter Antekirrt ernstig. "Neen,

dat was het niet."

"Vooreerst ontbrak geheel en al de alcohollucht," zei Piet Bathory,

die den dokter te hulp kwam.

"Meent ge? Ik moet erkennen, dat ik daar niet op gelet heb," zei

kolonel Guyara.

"En dan valt hier slechts eene eenvoudige uitwerking van het

somnambulisme te constateeren."

"Maar hoe kan die uitwerking te voorschijn geroepen zijn?" vroeg

de gouverneur.

"Daarop kan ik niet antwoorden, heer gouverneur. Misschien is die

man onderhevig aan dergelijke aanvallen."

"Maar hij is nu op de been, verdere zorgen mijnerzijds zijn nu

overbodig en deze aanval zal hem geen kwaad doen."

"Mijnentwege," dacht de gouverneur. "Zoo'n boef! Alsof ik mij daarom

bekommeren zou."

Het rijtuig bereikte weldra den gordel der vestingwerken, reed de

stad in en dwars door en hield stil op een klein plein, waarbij de

verschillende inschepings-kaden van Ceuta uitkwamen.

Daar nam dokter Antekirrt hartelijk afscheid van den kolonel Guyara.

"Ziet, daar ligt de _Ferrato_," sprak de eerstgenoemde, terwijl hij

naar het sierlijk stoomjacht wees, dat op de open reede bevallig

door de deining heen en weer bewogen werd. "Vergeef mij, dat ik

u uwe belofte herinner. Gij zult niet vergeten, heer gouverneur,

dat gij aangenomen hebt, om aanstaanden Zondag-ochtend aan boord te

komen ontbijten?"

"Zeker niet, dokter Antekirrt. Evenmin als gij vergeten zult, dat gij

Zondag-avond op het gouvernementshuis dineeren zult! Denk daar ook om;

want ik reken er op."

"Ik zal woord houden, heer gouverneur, dat verzeker ik u," zei dokter

Antekirrt met plichtpleging.

"En ik ook, wees daar verzekerd van," was het wederantwoord van

den kolonel.

Beiden scheidden en de gouverneur verliet de kade niet, dan nadat

hij de sloep had zien afsteken.

"Een merkwaardig man!" zei hij bij het heengaan tot zijn

adjudant. "Bepaald een merkwaardig man."

De jonge officier knikte toestemmend, zooals dat een goed

ondergeschikte betaamt.

Toen de sloep aan boord gekomen was, antwoordde dokter Antekirrt

op de vraag van Piet Bathory, of alles volmaakt naar zijn wensch

was afgeloopen en of hij de uitvoering zijner plannen meer nabij

gekomen was:

"Ja!"

"Meent gij dat wezenlijk?" vroeg Piet Bathory, niet zonder ietwat

verbazing te laten blijken.

"Zeker! Want Zondag-avond zal Carpena met of zonder vergunning van

den gouverneur aan boord van de _Ferrato_ zijn."

Tegen acht uren verliet het stoomjacht zijne ankerplaats, wendde

den steven noordwaarts en weldra verdween de berg Hacho, die deze

Afrikaansche kusten beheerscht, in den nevel, die zich bij het vallen

van den avond uit den Atlantischen Oceaan en uit de Middellandsche

zee verhief.

II.

EENE PROEFNEMING VAN DOKTER ANTEKIRRT.

Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig,

waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op

welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar

voet aan wal zet.

Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen

voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen

gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat

gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke

geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een

onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is,

die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk

bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den

naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat

blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen

en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars,

van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers,

tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten

en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als

een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden,

Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers--dus zoowat

van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die

hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun

eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht

blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne

gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben,

en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.

Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die

zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de

Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.

Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van

Europa en voert langs veelkleurige villa's en groenende squares, onder

het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken,

die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met

kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die

in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over eene lengte

van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van

de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris

vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San

Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in

de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige

verschijning, van uit zee gezien.

Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig

meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met

zijne kanonnen, met zijne "oude besjestanden" zooals de Spanjaarden ze

noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van

die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen

door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije

kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst

somber aanzien verleenen.

Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting

wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de

voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te

rekenen, die beruchte "monos", een soort van staartelooze apen, Simia

Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van

de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen

zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de

eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden,

de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.

Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der

vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met

uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar

met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het

hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met

zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met

een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden

dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland

niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat

zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel

is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het

westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen

over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken

kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde

luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven

en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen

aard en verwerven daardoor veler gunst.

Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de

geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan en

heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en

aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer

het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.

De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen

en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en

laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt,

ten einde steeds op hunne hoede te zijn.

Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan

Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de

Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen

ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De

rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene

lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland

verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien

duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd

meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch

gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen,

onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige

gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt

zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den

zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar

eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk

bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d'Europa, verheft zich een

vuurtoren op 36° 6' 42'' Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel

ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der

stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden

nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal,

op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots

de Spaansche stad Santa Roqua.

Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting

gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de

Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal

bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde

muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt

de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal

gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen

vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te

verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in

de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede

rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van

1779-1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee

honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht--twee

boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut

bewapend zijn.

Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone

garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend

man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een

kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk

watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er

toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De

berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden

er een weelderigen plantengroei.

Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der

indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden,

werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste

gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de

straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant

gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de

donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.

Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor

de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met

sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den

berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa's

en tuinen, een weg naar Punta d'Europa.

Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het

gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen

een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is

een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis

herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest

in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.

Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee;

uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels;

maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad;

heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude

Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche

grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69 vierk. geografische

mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten

worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten

anker komen,--jaarlijks ongeveer tienduizend,--geven aanleiding tot

een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel

gedreven met Spanje.

Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden

ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere

Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen

Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden

ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen den

21sten Juli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar

dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal,

die reeds den 4en Augustus onder aanvoering van den Keizerlijken

luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting

bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12en

daaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de

vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal

Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen

der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot

verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg,

dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag

leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in

het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle

hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in

de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak

van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7en Maart 1727 het beleg

voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen

admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.

Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting;

het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle

aanspraken op Gibraltar afzien.

In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden

ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden,

om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De

bezetting deed op den 27sten November 1781 een gelukkigen uitval naar

de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar

vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd,

vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende

batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk

op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.

De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen,

nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden

meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.

Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa

aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.

Wanneer de _Ferrato_, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen

vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter

Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op

de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot

buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen

te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel

aan de linkerzijde verheffen, dan zouden wellicht de gebeurtenissen,

die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel

ander verloop hebben gehad.

Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19en September op een

dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te

vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug

naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede

kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij

er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars

konden worden beluisterd.

Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de

Marokkaansche vrouw Namir.

De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben,

dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest

vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de

Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo'n

vreeselijken dood vond.

Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd,

veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde,

dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen,

die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.

De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij

ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de

Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.

Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht

had te komen.

Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden

dag te kunnen vertrekken.

Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam

toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche

rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer

verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het

Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de

vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen

het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele

woorden verhaald werd.

Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de

meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna

altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan

Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone,

zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een

gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben,

zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.

Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat

hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over

Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.

Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van

Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en

het werd in de Arabische taal gevoerd.

Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een

antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende

beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.

"Sava?..." vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. "Waar

is Sava?"

"Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid," antwoordde het oude wijf,

met een grijnslach.

"Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje

in?" vroeg de Tripolitaan.

"Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust," was het antwoord van de

oude feeks.

"Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik

kunnen gemaakt worden...."

"Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande

iets te vreezen te hebben."

"Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op

het spel staan."

"Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude

jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw

kan ik volkomen vertrouwen."

"Is dat zeker?"

"Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen

dan gij. Daarenboven..."

"Ga voort... Ga dan toch voort... Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij."

"Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie

ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees

dus volkomen gerust."

"Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?... Gij weet, dat dit

van belang is."

"Voorzeker, Sarcany," antwoordde Namir. "Ik laat haar niet van het

denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal

zij! Dat heb ik gezworen!"

"Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen

van Toronthal nog maar weinig meer overblijft... Waarlijk, die arme

Silas heeft weinig geluk bij het spel."

"Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden,

dan gij ooit geweest zijt!"

"Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop

mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet,

dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht

weigeren... Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat

vermogen mij."

"Ik zal haar wel noodzaken toe te geven," antwoordde Namir

gemelijk. "Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!... Laat dat

maar aan mij over, Sarcany!"

Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor

te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij

zoo sprak.

"Goed, Namir, zeer goed!" antwoordde Sarcany, geheel en al

gerustgesteld.

"O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd,

niet waar, Sarcany?"

"Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,"

antwoordde deze.

"Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te

verlaten?" vroeg de Marokkaansche.

"Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn," antwoordde

Sarcany met een glimlach.

"Gij hebt gelijk," zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden

toon.

"Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal

kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte,

om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is

goed afgesproken, niet waar?"

"Zoo is het goed, Sarcany," hernam Namir. "Maar zeg mij nu, waarom

gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?"

"Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te

zeggen dan te schrijven."

"Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek

het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren,

al ware het ook een moord!"

"Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister

goed," antwoordde Sarcany: "Mevrouw Bathory is verdwenen en haar

zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te

vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van

dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen,

die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas

Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De

andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op

Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand

kan praten en ook niemand zal praten!"

"Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend," zei Namir met haren

leelijken grijnslach.

"Ja, maar ..." hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende

stem. "Ja maar...."

"Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?" vroeg Namir,

terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.

"Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan

de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in

mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is."

Mathias Sandorf [3] · 第 2 / 20 段