Doch toen hij de beambten naar beneden had geleid en deze onderzoekend

rondkeken, weerklonken plotseling drie slagen op de geheime deur. Een

stem riep:

„Ik heb u hierheen gebracht om u den bedrijver van den museumdiefstal

aan te wijzen. Breek de geheime deur open—daar vindt gij opheldering!”

De stem zweeg. Men hoorde een zacht geruisch en alles was stil. De

aanwezigen stonden als versteend. Opeens zag Marholm, dat de Amerikaan

zich plotseling uit de voeten wilde maken. Doch de beambte plaatste

zich breed voor den uitgang en riep:

„Niemand verlaat deze ruimte! Geef een breekijzer!”

De dunne houten deur, die er als een steenen muur uitzag, was spoedig

opengebroken en men drong het nevenvertrek binnen, Marholm dicht achter

den Amerikaan aan.

Van het plafond scheen getemperd electrisch licht omlaag, de geroofde

kunstwerken en geheel vooraan het groote Madonnabeeld van Rafaël

bestralend. Daarvoor, op een rijk besneden kast stond een elegante

Engelsche cylinderhoed, en daarop lag een brief in een

deftig-langwerpig couvert met het opschrift:

Den inspecteur van politie Baxter, Scotland Yard, tijdelijk Bois de

Boulogne, ten huize van den rijken schurk Talbott.

Een kreet van verbazing klonk uit den mond van alle aanwezigen. Baxter

maakte haastig den brief open. Er viel een kleine fotografie uit, die

den Amerikaan voorstelde met miss Kitty Potter in het café te Rome.

Daarbij bevond zich het volgend schrijven:

Zeer geachte Mr. Baxter!

Ik deel u mede, dat zich in dezen cylinderhoed tusschen de zijden

voering het gestolen landschapje uit het Kensington-museum in

ongeschonden staat bevindt. Ik liet het stelen en hierheen brengen,

om eindelijk eens de aandacht der politie te vestigen op Mr.

Charles L. Talbott, die met behulp van zijn millioenen de arme

menschen berooft van het laatste geluk, dat hun geschonken kan

worden, het kunstgenot der musea. Bovenal maak ik u opmerkzaam op

het groote kostbare Madonnabeeld, dat u zeker ook in de grootste

verrukking zal brengen.

Welnu, om de Engelsche politie op het spoor der schurken te

brengen, pleegde ik den diefstal van het landschap van Constable.

Zoek niet naar mij, ik ben reeds lang in veiligheid en behoud den

cylinderhoed als souvenir.

Uw

John Raffles,

de groote onbekende.

Daarnaast lag een brief met het opschrift:

Aan den Rechter van instructie.

De bijzonderheden der diefstallen zal u de in voorarrest zittende

gevangene Dent meedeelen, die tevens de moordenaar is van den

Florentijnschen Pasini. Als getuigen der diefstallen heeft u

professor Ciatti uit Florence en professor Grombeck uit Rome uit te

noodigen.

Raffles.

Opeens wilde de Amerikaan door een plotselingen uitval den schijnbaar

onoplettenden Marholm op zij duwen om den uitgang te bereiken. Doch de

vloo was op zijn hoede. Met een sprong wierp hij zich op Talbott, en

voordat de van woede kokende het wist, waren zijn handen geboeid.

Waar was Raffles echter gebleven? Eindelijk ontdekte men een opening in

den muur, die toegang gaf tot de lange gang, die naar het paleis van

den hertog des Esseintes voerde.

De beambten snelden naar binnen en stonden plotseling voor den

ontstelden ouden Huysmans, den bediende van den hertog. Doch deze kon

alleen meedeelen, dat even tevoren uit het geheimzinnig vertrek, dat de

kostbaarheden van den hertog bevatte, een zwarte gedaante was geslopen,

die hij echter als gezichtsbedrog had beschouwd.

TIENDE HOOFDSTUK.

DE ONECHTE Mr. TALBOTT.

In het Parijsche Bois de Boulogne, in het aristocratische

Paviljoen-café, waar een kopje koffie twee francs kost, zat, temidden

der bonte menigte van de meest bekende dames der Parijzer wereld, een

vrouw, wier geheeld wezen moest opvallen.

De trekken van haar wonderschoon gelaat waren bijzonder energiek.

Daarbij was zij weliswaar volgens Engelsche mode, doch naar Parijsche

opvatting, zeer elegant gekleed.

Zij gevoelde zich daar, hoewel het nauwelijks merkbaar was, niet geheel

op haar gemak, en scheen op iemand te wachten.

Eindelijk trad een elegant gekleed heer het paviljoen binnen, wiens

geheele verschijning ons welbekend is: Charles L. Talbott.

Hij ging naar de dame toe, nam zijn hoed af en ging aan haar tafel

zitten, met een zucht van verlichting door haar begroet.

„Ben je daar eindelijk, Charles?” sprak zij. „Denk er toch aan,” voegde

zij er zacht aan toe, „dat we op onze hoede moeten zijn—Raffles is in

Parijs en ons op het spoor.”

De aangesprokene, die niemand anders was dan Lord Lister, de groote

onbekende in eigen persoon, had zich, dadelijk na de inhechtenisneming

van Talbott, vermomd als die persoon, teneinde het laatste lid der

bende van internationale museumdieven, die nog niet in hechtenis was

genomen, in zijn macht te krijgen.

En nu zat hij dan tegenover Miss Kitty Potter, hier in het deftige café

van het Bois de Boulogne om uit haar eigen mond te hooren: „Raffles is

in Parijs.”

Na een langdurig stilzwijgen merkte Kitty op:

„Eigenlijk imponeert mij die man door zijn ongelooflijke geslepenheid.”

Om zichzelf te amuseeren speelde Raffles een beetje den jaloersche:

„Wat, hij imponeert je, mijn beste, en ik dan?”

Doch Kitty antwoordde heel verbaasd:

„Nu, Charles, je zult toch niet jaloersch worden op dien Raffles,

daartoe zijn wij te nauw aan elkaar verbonden.”

„Och, ik ben nu juist niet jaloersch op Raffles, doch veeleer op dien

Dent!” gaf Lister ten antwoord.

„Ach, op Dent—maar dat is toch lang voorbij, Charles! En jijzelf hebt

mij immers destijds de kennismaking met hem aangeraden, om een goeden

handlanger te hebben!”

Raffles zweeg een oogenblik en zei toen:

„Hoor eens Kitty, het zou, dunkt mij, zeer interessant zijn, wanneer

we, louter voor pleizier eens de avonturen, die we op onze

museum-diefstallen hebben beleefd, op schrift stelden en, gedrukt in

een klein boekje, toezonden aan alle museum-directeuren der geheele

wereld. Natuurlijk, zonder daarbij namen te noemen. Herinner je je

bijv. nog die geschiedenis met de Madonna van Rafaël uit Florence?”

Ondertusschen waren ze opgestaan, Raffles had betaald, en geleidde nu

zijn dame naar buiten in het voorjaarszonnetje van het Bois de

Boulogne.

„Zeker herinner ik me dat nog,” antwoordde Kitty lachend. „Mijn

genoegen zou ongestoord zijn geweest, wanneer Pasini niet was

doodgestoken.

„Ik had jullie toen immers dat groote Madonna schilderij gegeven, dat

Grombeck naar Rafaëls Madonna had gecopiëerd en waarop de verliefde

ezel mijn trekken aanbracht in plaats van die der Madonna.

„Daarop moest Dent met het schilderij het museum binnensluipen in de

rol van ijverig leerling-schilder. Hij verborg zich onder een tegen den

muur staande groote sofa. ’s Nachts sneed hij het origineele schilderij

van Rafaël uit de lijst en zette de copie van Grombeck er voor in de

plaats. Dat was een meesterstuk van jouw gedachtengang, want slechts op

deze wijze kon het gelukken, dat de roof verborgen bleef, totdat onze

sporen voor altijd waren uitgewischt.

„Beneden op het Lungarno stond Pasini ’s nachts op wacht. Ik loerde

onder de donkere zuilengang van het museum rond en waakte er voor, dat

wij niet werden verrast. Eindelijk opende Dent boven een raam en liet

het kostbare, opgerolde schilderij aan een touw naar beneden zakken,

waar Pasini het opving en aan mij gaf. Daarop sloot Dent het raam weer

dicht en verborg zich opnieuw onder de sofa.

„’s Morgens, toen de galerij van het museum voor het publiek geopend

werd, sloop hij ongemerkt naar buiten. Daardoor had niemand iets van

den diefstal ontdekt. Later begon Pasini zich op te dringen en toen

moest Dent wel—”, hier bootste zij de beweging na van iemand, die een

dolksteek toebrengt.

Raffles wist genoeg. Hij had wel al veel beleefd, doch nog nooit bij

zoo’n schoone vrouw zooveel slechtheid aangetroffen.

Zijn plan stond vast. Hij nam in het Bois de Boulogne een automobiel en

reed met Kitty Potter naar Parijs terug. Voor een postkantoor liet hij

halt houden, stapte uit en verzond twee telegrammen: een aan Charly

Brand, het andere aan inspecteur Baxter.

Hij deed het op de wijze van iemand, die belangrijke handelszaken per

telegraaf afdoet, en door de talloos vele handelsbetrekkingen van

Talbott kon dit Kitty niet verbazen.

Daarop stapte hij weer bij zijn gezellin in het rijtuig en beval den

chauffeur hen naar een der bekende restaurants met chambres séparées te

brengen.

Toen zij in restaurant Riche aankwamen, waar alle kellners Talbott

kenden, werd hun direct een gesepareerde kamer gegeven, waar de

voorgewende Talbott het souper liet opdienen.

Het kon niemand opgevallen zijn, dat hij ondertusschen even de kamer

verlaten had, want hij kwam direct terug.

Doch dit oogenblik was voldoende geweest om eenige woorden te wisselen

met Charly Brand, dien hij telegrafisch naar het restaurant had

ontboden.

Even later verscheen er een nieuwe kellner, die naar de wenschen van

het gezelschap informeerde—het was Charly Brand, wien het gelukt was

een kellner over te halen hem zijn kleeding af te staan.

Raffles had hem opgedragen om voor zichzelf den terugtocht te dekken.

Voorloopig echter was hij nog vertrouwelijk in gesprek met Kitty

Potter. Steeds weer vroeg hij haar voorzichtig naar de bijzonderheden

der diefstallen.

Zoo vertelde zij hem, hoe Dent en zij in het Quirinaal-Museum te Rome

den antieken spiegel hadden geroofd.

„En wat zei Talbott daar wel van?” vroeg Raffles, vol aandacht

luisterend.

„Talbott?” lachte Kitty verbaasd, „maar dat ben jij immers zelf— —”

Dat eene oogenblik, waarop Raffles zich had vergist, was voldoende om

hem heel verlegen even te doen zijn.

Maar de vrouw, met veel ondervinding op dit gebied, wierp een scherpen

blik op hem en hem strak aankijkend, riep zij plotseling met een kreet

uit:

„Ha—jij bent Talbott niet!”—en met een ruk trachtte zij hem baard en

pruik van het hoofd te trekken.

Raffles had echter zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen. En

terwijl hij de vrouw met sterken, vasten greep bij de polsen vasthield,

zei hij lachend tot haar:

„Gij hebt gelijk, liefste, ik ben Talbott niet!”

„Ontzettend!” riep Kitty uit, „maar wie ben je dan? Er is maar één man

op de wereld, wien het zou kunnen gelukken, mij te overtroeven en dat

is—”

„Raffles!” viel Lord Lister haar in de rede.

„En jij?”

„Ja, ik ben Raffles!” was het vroolijke antwoord.

Doch nu volgde iets, wat Raffles in ’t geheel niet had verwacht.

Kitty’s gelaat straalde plotseling van vreugde, en Raffles werd met een

stortvloed van woorden overstelpt. Zij vertelde, dat zij er steeds naar

verlangd had, hem te leeren kennen. In hem zag zij den grooten held,

dien haar hart zocht. Talbott bezat haar liefde in ’t geheel niet,

slechts zijn millioenen hadden haar ingepalmd. Maar nu—nu had zij voor

’t eerst lief. En wien ze liefhad, dat was—Raffles!

„Kom, neem mij en vlucht met mij naar verre landen,” zoo besloot zij

haar hartstochtelijke liefdesbetuiging, „niemand zal ons daar kennen,

wij zullen een nieuw leven beginnen!”

Dat was een gevaarlijk moment. Ieder, die Raffles niet van nabij kende,

zou gedacht hebben, dat hij zich ten slotte door de liefdesverklaringen

van een mooie vrouw zou laten verteederen.

Op dit oogenblik werd er echter aan de deur geklopt.

De kellner, of liever Charly Brand trad binnen.

„Excuseer, het rijtuig, dat meneer besteld heeft, staat buiten!”

„Een rijtuig?” vroeg Raffles schijnbaar ontstemd over de stoornis en

verbaasd, „ik heb geen rijtuig besteld.”

In werkelijkheid was dit een met Charly afgesproken teeken, dat Charly

zou geven wanneer de per telegraaf ingelichte inspecteur Baxter met

Marholm waren aangekomen.

Raffles stond schijnbaar geërgerd op.

„Dat is een vergissing!” riep hij uit, „maar ik wil me even overtuigen,

wie zich die grap heeft veroorloofd!”

En schijnbaar woedend snelde hij naar buiten.

Het was echter ook hoog tijd, want op hetzelfde oogenblik drongen

Baxter en Marholm de kamer al binnen.

Kitty, die beiden direct herkende, viel met een luiden kreet door deze

onverwachte truc van den grooten onbekende in zwijm. (Zie titelblad.)

Toen de politiebeambten de spoedig weer tot bewustzijn gekomene

wegleidden, overhandigde de kellner eerbiedig aan den inspecteur een

wit, smal couvert met het opschrift:

„Den Heer Inspecteur Baxter, Scotland Yard,

tijdelijk restaurant Riche.”

„Inspecteur,” grijnsde Marholm, „wedden, dat gij vermoedt van wien die

brief komt?”

„Loop naar den duivel met je opmerkingen!” brulde Baxter woedend.

„Natuurlijk vermoed ik van wien die brief komt—van dien vervloekten— —”

„Raffles!” viel Marholm lachend in de rede. En toen Baxter het couvert

opende, las hij:

„Mijn belofte, ook het laatste lid van de museum-dievenbende aan u

over te leveren, heb ik door de gevangenneming van Miss Kitty

Potter vervuld.

De kellner was overigens mijn vriend Charly Brand.

Uw zeer onderdanige

RAFFLES.”

De groote onbekende zat met zijn vriend in een deftig Parijsch hotel

aan de ontbijttafel.

Juist waren zij met eten klaar en staken een sigaret op om daarbij de

Parijsche morgenbladen door te vliegen.

„Nu Charly,” begon Raffles, „het wordt tijd, dat we onze

detective-werkzaamheden staken en tot onzen ouden arbeid terugkeeren!”

Doch nauwelijks had hij dit gezegd, of hij viel bij het openvouwen der

courant zichzelf met een kreet van schrik in de rede.

„Drie gevangenen uit het Huis van Bewaring ontvlucht!”

Charly sprong overeind.

„Het zullen toch niet— —” riep hij uit.

„Ja verduiveld,” zei Raffles, „je hebt goed geraden, het is hun gelukt,

die vervloekte honden!”

En inderdaad, de mededeeling in de courant klonk troosteloos.

Het was aan de drie gevangenen, Talbott, Dent en Kitty Potter gelukt te

ontvluchten!

Het strenge onderzoek, dat was ingesteld, had het volgende aan het

licht gebracht:

Talbott had Kassiber naar Kitty gezonden.

En de millioenen van den Amerikaan tezamen met de betooverende bekoring

van Kitty hadden bewerkt, dat twee gevangenbewaarders zich lieten

omkoopen, zoodat de drie misdadigers aan de hoede van den Franschen

Staat waren ontsnapt.

„De donder moge hun halen,” riep Charly, nog ontsteld, uit.

Doch Raffles was alweer zichzelf.

„Mijn beste Charly,” sprak hij, een nieuwe sigaret opstekend, „ik had

daarjuist ongelijk. Onze detective-arbeid is in ’t geheel nog niet ten

einde. Aan het werk dus! Wij moeten achter het drietal aan!”

Natuurlijk hadden de millioenen van Talbott het zeer gemakkelijk

gemaakt voor de drie vluchtelingen, om in de Fransche hoofdstad

spoorloos te verdwijnen.

Doch Raffles behoefde niet te wanhopen.

Hij had immers in alle kringen der samenleving vrienden, die hun oogen

den kost gaven, en daardoor wist hij weldra van een kleinen

straatjongen, dat deze een oudachtig heer, in wiens gezelschap zich

waarschijnlijk een jongere heer en dame bevonden, aan het station drie

kaarten naar Marseille had zien nemen.

„Dus naar Marseille zijn zij gereisd?” riep hij. „Nu, ik twijfel er

niet aan, of we zullen spoedig uit een of ander hoekje der wereld van

nieuwe museum-diefstallen hooren. Dat zal ons op hun spoor brengen. De

vos verliest zijn streken niet!”

Dadelijk reisden zij naar de Zuid-Fransche havenstad.

In Marseille kwam Raffles na lange vergeefsche strooptochten en toen

hij op het punt stond zijn onderzoek te staken, op zekeren dag in een

kleine herberg aan de haven.

Het was een nauw vertrek, waar men den rook kon snijden, met balken in

de zoldering, en vol met woest en gevaarlijk scheepsvolk.

Hij ging op het eenige plaatsje zitten, dat nog vrij was en zette zijn

glas jenever voor zich op de ruwe, natte, houten tafels.

Plotseling deed een ruwe hand een greep naar zijn glas, en een

reusachtige kerel met pikzwart haar en baard, half beschonken, zei

lachend, half Fransch, half Spaansch:

„Gij permitteert toch, mijnheertje!”

„Ho, ho,” sprak Raffles, „man, blijf met uw hand van mijn glas!”

„Mannetje, wat verbeeldt jij je wel!” brulde de reus. Doch Raffles was

al overeind gesprongen, had bliksemsnel, zooals hij in Japan had

geleerd, den kraag van het matrozenpak met beide handen krachtig over

den nek van den ander naar beneden getrokken, zoodat de reus hulpeloos

en verbluft stond te kijken, halverwege in zijn hemdsmouwen staande en

door zijn eigen jas weerloos gemaakt.

En voordat hij iets kon beginnen, had Raffles zijn arm beetgepakt en

omgedraaid, zoodat hij met weinig moeite het glas uit zijn hand kon

nemen.

Alle gasten waren gaan staan en hadden om het tweetal een kring

gevormd.

Toen nu, tegen alle verwachting in, de groote onbekende overwinnaar was

gebleven, steeg er een luid gelach op, onderbroken door gelukwenschen

voor den overwinnaar, die ondertusschen weer was gaan zitten en met

kalme stem bij den waard „nog een glas jenever voor dien dorstigen man

daar!” besteld had.

„Hola, José”, sprak de waard hem toe, toen hij den borrel bracht, „die

heeft het je leelijk afgeleerd!”

De zwartlokkige reus, José genaamd, stond nog altijd verstomd over den

verloop en dronk mopperend zijn glas leeg.

„Wie zijt gij, jonge man?” vroeg de waard vol respect aan Raffles, „dat

gij het tegen hem kondt opnemen? Dat heeft nog niemand vóór u gedaan!”

Zwijgend keek de groote onbekende het vertrek rond. Toen hij niemand

ontdekte, die hem verdacht voorkwam, sprak hij op kalmen toon:

„Ik heet Raffles!”

Hij wist, dat hij die lagen van het volk door het noemen van zijn naam

nog steeds op zijn hand had gekregen. En hij had zich ook nu niet

vergist.

Velen kwamen vol eerbied naar hem toe om hem de hand te drukken.

Zelfs José ontwaakte uit zijn overpeinzing, er kwam een glimlach op

zijn gelaat en ook hij drukte den grooten onbekende de hand.

„Wanneer gij Raffles zijt,” sprak hij half in het Spaansch, half in het

Fransch, „dan was het voor mij geen schande overwonnen te worden!”

„Hoor eens, vriend,” begon de groote onbekende, nadat hij de

vriendschap voldoende door eenige glazen jenever had bekrachtigd, „hoor

eens, vriend, hebt gij hier in de haven misschien ook een Amerikaan

gezien, in gezelschap van een mooie vrouw en een jongen man met een

echt bulldoggen misdadigersgezicht?”

Tegelijkertijd haalde John Raffles uit zijn borstzak de photographie te

voorschijn, die hij eens van Kitty en den misdadigen Amerikaan in de

Osteria te Rome had gemaakt.

„Die man en die vrouw—en nog een derde— —”, antwoordde José

voorzichtig, „ja, dat kan wel zijn. Die drie namen, geloof ik, plaatsen

op een boot naar— —wacht eens— —juist, ik ben er, naar Valencia!”

„Aldus, op naar Valencia!” mompelde Raffles in zichzelf. „Nu, ik ben

nieuwsgierig wat voor schurkenstreken de echte Mr. Talbott in het arme

Spanje voor heeft!”

Spoedig daarop besprak hij met Charly plaatsen op de eerste boot die

naar Valencia vertrok.

Doch zelfs aan den scherpen spiedersblik van Raffles was het ontgaan,

dat even na hem een vuile in lompen gekleede matroos, die tot nu toe

onopgemerkt, half verborgen achter vaten, in een hoek had gezeten, de

herberg verliet en naar het telegraafkantoor ging om een telegram te

zenden naar Valencia.

Het was de schurk Dent.

Spiegelglad en groenachtig blauw vertoonde zich de golf van Valencia,

die Raffles en Charly in een broeiend heete zon doorsneden, aan hun

oogen.

Lui lagen de passagiers op het dek onder de daken van zeil, die hen

tegen de brandend heete zon moesten beschutten.

Midden op den warmen dag kwamen ze op hun bestemming aan. Het schip

liep de haven van Valencia, de voorstad Grao, binnen.

Een bonte troep armoedig gekleede mannen kwam op het tweetal af om zich

van hun bagage meester te maken. Raffles en Charly klommen in een

zoogenaamde tartane, een karretje op twee wielen, zonder veeren en door

een muildier getrokken. Zoo reden zij Valencia binnen.

Hier ontrolde zich het eerste groote beeld van het Spaansche leven aan

de oogen van Charly.

Raffles, die dat alles reeds kende, keek onverschillig rond.

Doch zijn vriend verbaasde zich over de bijzonder nauwe straten, waar

oeroude Spaansche paleizen, die er gedeeltelijk uitzagen als gotische

kerken, gedeeltelijk als Oostersche bouwwerken, dicht grensden aan

kleine bouwvallige huizen.

Te midden der palmen, oude fonteinen en vervallen marmeren trappen

krioelde een menigte bedelaars, straatjongens en kooplieden doorelkaar.

Doch plotseling kwam er beweging onder de menschen.

Juist was de nieuwste uitgave der groote Spaansche courant „El

Nacional” verschenen, en de jongens, die ze verkochten, liepen, zooals

in alle zuidelijke landen, schreeuwend met hun pak door de straten.

Raffles kocht een exemplaar.

Doch nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste pagina, of hij

zei hardop lachend tegen Charly:

„Ik wist wel, dat een vos zijn streken niet verliest. Door hun daden

herkennen wij die kerels. Luister eens, Charly, wat ik hier juist zie.”

Daarop las hij het volgende telegram voor:

„Groote schilderijdiefstal in het beroemde Prado-museum te Madrid.

Een schilderij van Velasquez van den muur gestolen. Daders

onbekend.”

„Ziezoo, mijn waarde,” merkte hij op, „nu zullen ze wel in de val

loopen, en niet weer ontsnappen, wil ik wedden!— —Dus, op naar Madrid!”

Met den eerstvolgenden trein reisden zij naar Madrid, door een streek,

die niet de minste bekoring had voor het oog. Het was een onmetelijke,

door de zon verbrande vlakte met hier en daar een enkel schraal

korenveld aan den voet van een heuvel.

Een ontzettende loomheid maakte zich van de beide vrienden meester in

de benauwde spoorwegcoupé, die geblakerd werd door de gloeiende

zonnestralen. En reeds begonnen zij het voorbeeld van de andere

reizigers te volgen: zij maakten het zich gemakkelijk en waren op het

punt in te slapen.

Plotseling weerklonk een geluid als van zware donderslagen en een

geweldige ontploffing deed den trein schudden.

Alsof zij van den grond werden opgetild, zoo werden allen in de hoogte

geslingerd. Met een enkelen blik zag Raffles, dat de deur der coupé

open stond en dat met woeste gebaren Talbott en Dent trachtten binnen

te dringen.

Op hetzelfde oogenblik greep hij zijn revolver en vuurde twee schoten

op hen af.

Daarop snelden hij en Charly Brand naar buiten.

Als door een wonder waren zij ongedeerd gebleven. De locomotief was

vernield, twee wagens waren omgevallen. Overal lagen dooden en

verminkten.

Ongetwijfeld was een aanslag gepleegd op den trein en was deze gemunt

geweest op het leven van Raffles en Charly Brand.

De groote onbekende was er vast van overtuigd, dat Talbott, die van

zijn reis naar Madrid wist, op deze wijze had getracht hem onschadelijk

te maken en met behulp van zijn geld een ontsporing had weten te

veroorzaken.

Maar juist de wagen, waarin de groote onbekende en diens vriend zaten,

de voorlaatste van den trein, was gespaard gebleven.

Met Charly Brand trachtte hij de gewonden te helpen. Daarop wilde hij

trachten, het volgende station te bereiken om, zonder zijn naam te

noemen, hulp te krijgen voor de ongelukkige slachtoffers, die nog te

redden waren. En ten slotte wilde hij den vervloekten Amerikanen hun

rechtmatige straf bezorgen.

Doch van Talbott en zijn medeplichtigen was in den geheelen omtrek geen

spoor te ontdekken.

Urenlang liepen Raffles en Charly door de bruingebrande vlakte, totdat

hun vermoeide voeten zoo pijnlijk waren geworden, dat zij hen bijna

niet meer konden dragen.

Eindelijk wilde Charly niet verder gaan.

Raffles trachtte hem op alle manieren over te halen, doch niets hielp.

„Neen, Edward,” sprak Charly op zachten toon, „laat mij hier nu maar

liggen, ik kan niet verder!”

Lord Lister goot uit zijn veldflesch een paar druppels cognac in den

mond, maar in de gloeiend heete zon vermeerderde dit nog Charly’s

ondragelijken dorst.

Raffles lag naast zijn vriend in het harde, droge gras.

Zijn keel was als dichtgeschroefd.

Charly lag roerloos naast hem.

De duisternis viel even nadat de zon was ondergegaan en een

schitterende sterrenhemel keek op de beide uitgeputte mannen neer.

Plotseling meende Raffles op verren afstand geluid te hooren, dat

langzamerhand nader kwam.

Hij richtte zich half op—neen, hij had zich niet vergist. Het was een

regelmatig geluid, alsof men aan den oever van een meer het luiden

hoort van een klok van de overzijde van het water.

Lord Lister No. 0038: Een Museumdiefstal · 第 4 / 5 段