sloeg, inplaats van naar het Bois de Boulogne te gaan, den weg in naar
een der groote hotels, waar veel vreemdelingen logeerden.
Daar verwachtte Lord Lister den gevangenbewaarder.
„Honderd francs heeft mijnheer mij beloofd,” vertelde deze.
„Goed, gij zult uw geld dadelijk hebben,” sprak Raffles. „Hier hebt gij
150. Ga onmiddellijk naar dien heer terug en vertel hem, dat Mr.
Talbott op reis is. Den brief kunt gij hem terugbrengen, nadat ik hem
heb gelezen.”
De Groote Onbekende las:
„Mijnheer, al waart gij niet bang voor mijn dreigementen, toen ik
in uw huis op een gemakkelijken stoel zat, dan zult gij het
misschien nu wel zijn, nu ik op een brits zit in de gevangenis. Nu
is mijn geduld ten einde en ik ben tot alles in staat. Ik schrijf u
nu voor de laatste maal. Binnen drie dagen moet ik vrij zijn; ik
weet, dat het een kleinigheid voor u—met uw vermogen en uwe
relaties—is, om dat te bewerkstelligen. En dan verwacht ik een
contoboek bij de Crédit Lyonnais van een millioen francs.
Mocht ik na verloop van drie dagen nog gedwongen zijn, mijn
vrijheid te missen, dan neem ik het laatste middel te baat: „Hertog
des Esseintes zal mij niet laten wachten!””
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN RIJKE ZONDERLING.
Hertog des Esseintes behoorde tot een der alleroudste families van
Frankrijk. Hij was de laatste afstammeling van zijn geslacht, dat met
hem uitstierf.
Na een stormachtige jeugd, die hij in de Parijsche salons had
doorgebracht, verdween de hertog opeens.
Alleen zijn allerintiemste vrienden wisten, waar hij zich bevond, maar
ook zij mochten hem niet bezoeken.
Aan den rand van het Bois de Boulogne dichtbij de woning van Talbott,
stond zijn paleis, omgeven door een groot park. Niet het geringste
geluid drong door tot den bewoner van het kasteel.
Hij leefde daar met een ouden bediende, den Vlaam Huysmans en diens
vrouw en deze twee moesten telkens, wanneer zij de vertrekken van den
hertog binnengingen, viltpantoffels aantrekken.
Alles in huis was zoo ingericht, dat hij nimmer behoefde te bevelen of
iets te zoeken. De edelman ontving geen bezoek, de post bracht hem
brieven noch couranten en de vrijwillige kluizenaar wist niets van
alles, wat er in de wereld gebeurde.
Zijn eenig gezelschap waren zijn boeken, zijn kunstvoorwerpen en zijn
bloemen.
Zijn zenuwen waren echter mettertijd zoo zwak geworden, dat hij reeds
eenmaal bewusteloos in een der broeikassen was gevonden, verdoofd door
de sterke geuren der bloemen.
Eveneens was de bonte kleurenpracht der schilderijen te sterk voor zijn
zenuwen en daarom vertoefde hij het meest in de bibliotheek en de
groote zalen, welke zijn kunstverzamelingen bevatten, lagen als een oud
kerkhof, eenzaam en verlaten terneer.
Het was een heldere lentemorgen, toen Raffles het kasteel van des
Esseintes bereikte. Aan de zware massieve deur, die zorgvuldig gesloten
was, vond hij bel noch klopper: deze ingang was niet voor vreemdelingen
berekend.
De Groote Onbekende moest geruimen tijd kloppen, voordat de oude
bediende, verbaasd over de ongewone storing, verscheen.
„Gij vergist u zeker?” vroeg hij kortaf.
„Neen, ik zou gaarne den Hertog des Esseintes willen spreken,”
antwoordde Raffles.
De verbaasde bediende nam hem van het hoofd tot de voeten op.
„De hertog is nooit te spreken,” sprak hij met bijzonderen nadruk op
het woordje „nooit”.
Maar Raffles liet zich niet afwijzen.
Dringend verlangde hij te worden ontvangen en ten slotte bleef den
ouden man niets over dan het den hertog zelf te gaan vragen.
Ook deze scheen over dit ongewone, ongevraagde bezoek zoo verbaasd te
zijn, dat hij, tot groote verbazing van den bediende, den heer liet
verzoeken, in zijn salon te komen.
Ook Raffles moest vilten pantoffels aantrekken, als bij het betreden
van een zaal, wier kostbare mozaïekvloer niet geschonden mag worden.
Door een lange reeks vertrekken werd de bezoeker door den bediende
geleid en wat hij daar zag, was meer dan zeldzaam.
De eetzaal was laag en zag er uit als de hut van een stoomboot. Van uit
de vensters zag men geen landschap, maar door middel van een kunstig
mechaniek, helder, golvend water, zoodat men zich verbeeldde, dat daar
buiten de blauwe zee golfde.
Een andere zaal zag er uit, alsof alles uit ijs was gehouwen. Het
vertrek, waar de hertog zijn bezoeker ontving, was geheel met zwart
fluweel bekleed. De kamer had den vorm van een zwarten halven kogel,
waarvan de bodem de doorsnede was.
De bleeke, bloedelooze gestalte van den hertog geleek op een schim in
dat donkere vertrek. Hij was nog jong, maar het bloed zijner voorouders
liep langzaam en traag door zijn aderen.
Nadat de gebruikelijke beleefdheidswoorden waren gewisseld, sprak Lord
Lister tot den hertog:
„Ik ben gekomen om uwe hoogheid te vragen, of uwe hoogheid Mr. Talbott
kent.”
„Het spijt mij, monsieur,” antwoordde de ander, „alles wat daar buiten
leeft, heb ik aan de andere zijde van den drempel gelaten.”
De Groote Onbekende was verbaasd. Hoe zat dit? Weigerde de hertog te
antwoorden? Dan zou hij niet veel verder komen. Hij vroeg daarom na een
korte pauze verder:
„Zou Uwe Hoogheid mij willen toestaan, de kunstverzamelingen te
bezichtigen?”
„Vraag dat mijn bediende!” antwoordde de hertog.
Lord Lister kon dus heengaan.
Toen hij den bediende naar Talbott vroeg, kon de oude man hem niets
vertellen. Daar niemand den hertog bezocht, wist de bediende niet, of
des Esseintes den Amerikaan kende of niet.
John Raffles vroeg nu naar de kunstverzameling van den hertog.
De oude man werd verlegen.
„Daar heeft niemand toegang,” sprak hij.
„Waarom?” vroeg Lord Lister.
„De hertog wil het niet hebben,” antwoordde de bediende.
„Maar als Zijne Hoogheid het veroorlooft...” sprak Raffles.
De bediende zweeg een poosje, daarop sprak hij, zachtjes het hoofd
schuddend:
„Het zijn doode dingen, die schilderijen. Men voelt zich daarbij niet
op zijn gemak.”
„Niet op zijn gemak?” vroeg Raffles.
„Ja,” knikte de bediende. „Ziet gij, ik ben een verstandig mensch en
geloof niet meer aan geesten of spoken, maar ik verzeker u, als ik
alleen ben in de groote zaal en aan de muren een zacht geritsel
hoor—het is misschien niets anders dan het geratel van een ver
verwijderden spoortrein—dan voel ik, oude man, mij niet op mijn gemak.”
„Zoo?” vroeg Raffles nieuwsgierig. „Hoort gij geluiden in de
schilderijengalerij?”
„Neen, ik durf dat niet stellig beweren,” antwoordde de oude
ontwijkend. „Het kan wel toeval zijn, maar in elk geval ben ik daar
niet graag.”
„Hm,” bromde Raffles. „Maar dit is voor mij geen bezwaar!”
En terwijl hij den ouden bediende vriendelijk op zij schoof, trad hij
de schilderijenzaal binnen.
John Raffles keek in de groote zaal om zich heen zonder iets verdachts
te ontdekken. Hij begaf zich naar een kleiner aangrenzend vertrek,
waarin ook schilderijen hingen. Daar beklopte hij de muren, maar ook
hier vond hij niets bijzonders.
Nu bukte hij zich en begon den vloer te bekloppen. Plotseling ontdekte
hij een plek, die hol klonk.
Met zijn zakmes onderzocht hij de naden van den parketvloer en stak
eindelijk op de plek, die verdacht klonk, zijn mes in een der naden,
waar hij, zonder veel moeite het eene houten blokje na het andere over
een oppervlakte van ongeveer een vierkanten meter uit den vloer
oplichtte.
Zijn verwachting kwam uit, want hij ontdekte al spoedig daaronder een
donkere, gapende opening.
Snel had hij nog meer blokjes opgelicht en voor hem lag een hellend
vlak, dat zorgvuldig met metselsteenen was geplaveid en dat toegang gaf
tot een onderaardsche gang.
John Raffles dacht bij deze ontdekking het zijne. Hij wilde niets te
vlug doen, daarom dekte hij de opening vluchtig weer toe, begaf zich
naar den ouden bediende en verzocht dezen, hem den catalogus te willen
geven van de kunstverzameling van den hertog.
Toen de Groote Onbekende den catalogus in handen had, onderzocht hij
eerst zorgvuldig of de vermelde voorwerpen werkelijk alle aanwezig
waren en hij was in het geheel niet verbaasd, dat eenige der
kostbaarste stukken, welke vermeld stonden, ontbraken.
Daaronder was een zeldzame Renaissance-beker van gedreven goud en een
kostbaar gobelin uit den tijd van Lodewijk XVI, dat met talrijke
juweelen was gezet. Bovendien ontbraken nog meerdere zeldzame
edelsteenen, die op gouden en andere sieraden bevestigd waren.
Raffles begaf zich nu in de geheime gang, die ontegenzeggelijk door
misdadige handen was gegraven.
Het was een lang, smal en donker gewelf, dat maandenlangen arbeid moest
hebben vereischt. In het huis van den hertog vermoedde natuurlijk
niemand iets van het bestaan der onderaardsche gang.
Reeds had Raffles volgens zijn berekening zooveel afstand in de gang
afgelegd, dat hij zich buiten het hertogelijk park moest bevinden, toen
hij plotseling op een muur stiet.
Het scheen alsof hier het eind der gang was, alsof het gewelf bij het
huis van den hertog behoorde.
Maar Raffles liet zich niet misleiden. Met de kleine zaklantaarn, die
hij bij zich had, verlichtte hij de wanden. En hij vond een voeg in het
metselwerk, waarin hij zijn mes als hefboom kon zetten.
En ziedaar—gemakkelijk kon hij de schijnbaar zoo zware steenen
verwijderen, zoodat een opening ontstond, waardoor gemakkelijk een man
kon kruipen.
Lord Lister liet het licht door de opening vallen.
Doch wat hij daar zag, deed hem bijna een luiden gil slaken.
Vlak tegenover hem, in het schijnsel van het electrische licht, keek
hem, bijna als een levende vrouw, de Madonna van Rafaël aan.
Nu begreep Raffles alles.
De onderaardsche gang leidde van het huis, waarin de hertog woonde,
naar een verblijf, dat de dief van het wereldberoemde schilderij,
hetwelk aan het Koninklijke Museum te Florence behoorde, voor zichzelf
had ingericht. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of hij bevond zich
hier onder het huis van den Amerikaanschen millionnair Talbott.
Het stond bij Raffles reeds lang vast, dat Talbott de museumdief was!
De Groote Onbekende kroop het onderaardsche verblijf binnen en keek om
zich heen. Onmiddellijk ontdekte hij een kraantje, waarmee hij het
electrische licht kon ontsteken.
Toen dit brandde, zag hij, dat het geheele vertrek een met prachtige
meubelen en schilderijen versierde rustkamer was. Vanuit een
aangrenzende ruimte leidde een houten trap met kostbaar beeldhouwwerk
naar boven, ongetwijfeld naar de kamers in het paleis van Talbott.
Hier was dus de zoo lang gezochte Madonna!
Toen Lord Lister het schilderij bij het dagheldere licht der
electrische lampen zag, moest hij met de verrukking van een
kunstliefhebber erkennen:
Dit was het echte schilderij, het origineel!
Maar wat nu te doen? Naar boven gaan, het huis binnendringen en alarm
maken, zou dwaasheid zijn.
Hij bedacht ook, dat het onzin was om de politie in den arm te nemen,
want hij wist uit eigen ervaring, hoe moeilijk juist op het gebied van
kunst een diefstal te bewijzen was. Er zou een langdurige strijd
ontstaan, of de Madonna van Rafaël het origineel dan wel een
uitstekende copie was en Talbott zou met zijn invloed en zijn
millioenen stellig en zeker als overwinnaar uit den strijd treden.
Er bleef dus niets anders over dan den millionnair te slim af te zijn.
Raffles moest het schilderij stelen, evenals indertijd Talbott of zijn
medeplichtigen het uit het Museum hadden gestolen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
INSPECTEUR BAXTER VAN SCOTLAND YARD.
Een tot dusverre ongekende angst had zich meester gemaakt van de
Londensche kunstvrienden, ten gevolge van een kort artikel in de
„Times”, dat tot opschrift had:
„Schilderijendiefstal in het Kensington-Museum.”
De Engelschen, die tot dusverre met onverschilligheid hadden gelezen
over de internationale bende museumdieven, geraakten in grootste
opgewondenheid, nu in hun eigen land een schilderij was ontvreemd. Het
was een klein landschap van den beroemden schilder Constable uit de
eerste helft van de negentiende eeuw.
Scotland Yard was in rep en roer. Inspecteur Baxter vloog heen en weer
en alleen zijn secretaris, detective Marholm, bijgenaamd de vloo, keek
met een kalmen glimlach naar het zenuwachtige gedoe.
Onophoudelijk was men in telephonische gemeenschap met
Kensington-Museum.
Plotseling meldde het hoofdkantoor een buitenlandsche aansluiting.
Florence vroeg gehoor.
„Hallo? Wie daar?”
„Professor Ciatti, directeur van het Koninklijk Museum te Florence. Is
inspecteur Baxter aanwezig?” klonk het.
„Ik ben zelf aan de telephoon! Hier Baxter!” riep de inspecteur in
slecht Italiaansch.
„Nu, inspecteur, hoe staat het met onze Madonna van Rafaël?”
„Welke Madonna van Rafaël?” riep Baxter verbaasd.
„Maar gij herinnert u toch zeker wel ons gesprek hier in Florence, twee
maanden geleden, betreffende den diefstal?” klonk het terug.
„Voor twee maanden?” schreeuwde Baxter met een somber voorgevoel, „ik
ben in zeventien jaar niet te Florence geweest!”
Een uitroep van verbazing klonk door de telephoon en professor Ciatti
had afgebeld.
Nu volgde een drukke wisseling van telegrammen tusschen Londen en
Florence. Eindelijk kwam inspecteur Baxter buiten zichzelf bij Marholm:
„Een ongehoord geval—in het Museum van schilderijen te Florence heeft
het een of andere individu zich onder mijn naam voorgesteld!”
„Ik vind dat geen ongehoord geval,” antwoordde Marholm spottend.
„Zullen wij eens wedden, inspecteur, dat onze vriend Raffles daar
achter steekt? Dat zou niet de eerste keer zijn!”
„Ik wed niet met u!” schreeuwde Baxter en woedend vervolgde hij:
„Alweer die vervloekte Raffles!”
Onmiddellijk begaf Baxter zich met Marholm naar het hun welbekende huis
van Lord Lister.
Maar daar stond hun een oude, grijze bediende te woord, die hen
mededeelde, dat Lord Lister dit huis, hetwelk hij reeds sinds langen
tijd niet meer bewoonde, onder zijn bewaring gesteld.
Met hen beiden stelden de politiebeambten een huiszoeking in. Maar de
kamers maakten werkelijk den indruk van verlatenheid en alleen het
kleine dienstbodenvertrek was met allerlei goedkoope prullen gevuld,
zooals een oude man die gaarne om zich heen ziet.
De dikke Marholm klopte lachend met zijn hand op een plaat en sprak:
„Nu, de concurrentie met het Kensington-Museum is niet heel groot!”
„Houd uw ongepaste aardigheden voor u!” riep Bakker hem woedend toe.
Hij was prikkelbaarder dan ooit, omdat zij bij de huiszoeking niets
hadden gevonden en nu onverrichterzake moesten heengaan.
Geen van hen beide had gezien, hoe de oude huisbewaarder bij de
schertsende woorden van Marholm een weinig bleek was geworden.
Nauwelijks waren de beide beambten van politie verdwenen, of de
bediende ontdeed zich van zijn grijze haren en livrei en van onder de
vermomming kwam te voorschijn de vriend van Lord Lister, Charly Brand,
die zich nu als een Engelsch koopman ging kleeden.
Daarop ging hij naar het dienstbodenvertrek, waar de plaat uit het
geïllustreerde tijdschrift aan den muur hing.
Voorzichtig haalde hij er de punaises uit. De plaat scheen op carton
geplakt te zijn. Maar dit was slechts schijn, want daarachter kwam het
verrukkelijke Theems-gezicht van den beroemden schilder te voorschijn.
Charly rolde het schilderij, dat op linnen was, op, haalde een
cylinderhoed, haalde er de zijden voering uit en bevestigde op die
plaats het opgerolde schilderij. Daarop naaide hij de zijden voering
daarover en met opgewekt gelaat kwam eenige oogenblikken daarna een
jonge heer uit het huis te voorschijn met een hoogen hoed op, het type
van den Londenschen beursbezoeker, zooals men die bij honderden in de
City ziet.
Nog dienzelfden dag vertrok Charly Brand van uit Dover met de
stoomboot, die hem over het Kanaal naar Calais zou brengen.
Des avonds tikte op Scotland Yard in de kamer van inspecteur Baxter het
telegraaftoestel. Baxter was juist afwezig en daarom nam Marholm het
telegram op. En wat hij op de papierstrook las, ontlokte hem, zooals
altijd in dergelijke gevallen, een vergenoegden glimlach:
„Parijs.
Politie-inspecteur Baxter,
Scotland Yard,
Londen.
Kan u mededeelen, dat gestolen schilderij uit Kensington-Museum
niet in Londen, maar te Parijs is.
Raffles.”
„Zoo, zoo,” lachte Marholm, „wat zal Baxter vloeken, als hij dit
telegram leest!”
Toen Charly Brand te Parijs op het perron aankwam, kwam een magere
pakjesdrager naar hem toe, die hem zijn koffertje bijna uit de hand
rukte. Charly, die bijna duizelig werd van de drukte om hem heen en die
vreemd was in de Fransche reuzenstad, volgde den man op den voet.
Maar plotseling zag hij, dat de kruier, achter wien hij liep, terwijl
hij tegelijkertijd naar alle kanten uitzag om Lord Lister te ontdekken
tusschen de menschenmenigte, hem niet naar den uitgang van het station
had gebracht, maar dat zij zich bijna aan het eind van het perron
bevonden.
Reeds wilde Charly wantrouwend den kruier zijn koffertje afnemen, toen
een welbekende stem hem lachend vroeg:
„Maar Charly, wie vertrouwt zijn bagage zoo blindelings den eersten den
besten toe? En als ik nu eens een politiebeambte was?”
De kruier nam zijn pet af en Charly herkende tot zijn groote vreugde
zijn vriend Raffles.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mr. BAXTER EN DE VLOO TE PARIJS.
Een dag later kreeg de directeur van het Huis van Bewaring te Parijs
tot zijn verbazing bezoek van twee Engelschen, die zich als beambten
van Scotland Yard legitimeerden. Hunne papieren en
onderscheidingsteekenen toonden aan, dat het inspecteur Baxter en
Marholm waren. Baxter verzocht den directeur een onderhoud met den in
voorarrest zittenden Dent.
Toen de beide Engelsche politiebeambten naar het kleine vertrek werden
gebracht, waar zij Dent zouden spreken, fluisterde de als Baxter
voorgestelde tot den ander:
„Charly, gij blijft dus buiten voor de deur wachten en meldt mij,
wanneer er gevaar mocht dreigen!”
De voorkamer van het kleine vertrek, waarin de voorgewende Baxter met
Dent zou spreken, gaf met zijn ramen juist uitzicht op de groote aparte
trap, die naar het Huis van Bewaring leidde. En terwijl Raffles onder
de vermomming van den inspecteur van politie binnen met Dent sprak,
ging Marholm uit verveling bij het raam zitten om te kijken naar het
voorbijgaande Parijsche leven. Eenig gevaar of een plotselinge overval
scheen hem voor het oogenblik buitengesloten.
Dent werd binnengebracht. De voorgewende Baxter gaf den bewaker een
wenk zich te verwijderen, trad daarna op den met somber gelaat voor hem
staanden persoon toe en zei met gedempte stem, hem scherp aankijkend:
„Het baat u niet te zwijgen, meneer Dent. Ik weet alles. Kitty Potter
heeft uit de school geklapt!”
Als door den bliksem getroffen keek de in voorarrest zittende den
spreker aan. Opeens sprong hij als een wild dier op Raffles toe. Doch
deze bedwong den woesteling met zijn doordringenden blik, en
langzamerhand liet Dent zijn armen omlaag zakken. Een diepe zucht kwam
over zijn lippen.
„Hebt gij in Florence Pasini vermoord?” vroeg Raffles.
Een stom knikje met het hoofd was het antwoord.
„Gij wildet hem uit den weg ruimen, omdat hij medeplichtig was aan den
diefstal in het museum?” vroeg Raffles, Dent met zijn scherpen blik als
het ware hypnotiseerend.
„Dat vervloekte wijf!” zuchtte de gevangene, „het was beter geweest,
dat ik haar nooit had gekend!”
„Het was dus Kitty Potter, die u tot den schilderijdiefstal aanzette?”
vroeg Raffles op beslisten toon, alsof hem inderdaad alles was
meegedeeld, terwijl het toch slechts een gelukkige combinatie was van
zijn vorschenden geest.
„Dat duivelsche wijf behoorde aan Talbott; hij maakte haar buigzaam,
die vervloekte millionair. En zij ving mij in haar netten; de prijs
voor de diefstallen in de musea zou zij zelf zijn!”
„Maar gij hebt beproefd, bij Talbott afpersingen te plegen, dat was dom
van u, mijn waarde,” zei Raffles.
Op hetzelfde oogenblik werd er aan de deur geklopt. Marholm stak zijn
hoofd opgewonden door de reet:
„Een enkel woord, inspecteur!”
Tijdens het verhoor van Dent was er iets zeer verontrustends geschied.
Charly had, in het masker van Marholm, heel goedmoedig uit het raam
zitten kijken. Plotseling ontwaarde hij, dat beneden bij het portaal
een automobiel stilhield. Twee mannen verlieten het gevaarte en
bestegen de groote trap. Het was inspecteur Baxter en zijn makker
Marholm, bijgenaamd de vloo! Het telegram van Lord Lister had hen naar
Parijs doen komen.
Snel deelde Charly zijn vriend de situatie mee.
„Slechts brutaliteit kan ons redden, mijn beste!” lachte de Groote
Onbekende.
En terwijl hij den bewaker op bevelenden toon toeriep: „Bewaak den
gevangene goed! Ik moet naar den directeur!” vloog hij met Charly Brand
weg.
Zij snelden door de lange gangen van het Huis van Bewaring, steeds op
hun hoede, op hun vlucht niet te zeer de aandacht te trekken.
Eindelijk hadden zij den uitgang van het huis bereikt. Reeds wilden zij
de groote aparte trap afgaan, toen plotseling, als uit den grond
gerezen, de werkelijke Baxter en de werkelijke Marholm, die juist de
trap waren opgeklommen, voor hen stonden.
Zonder de beide naderbijkomenden den tijd te laten hen aan te kijken,
liepen Raffles en Charly, als in groote haast, met een vaart tegen hen
aan, en zonder zich te verontschuldigen, snelden ze weg over de
lichamen der beide politiebeambten heen, die door den hevigen stoot op
den grond waren gevallen.
Lang keken beiden elkaar aan, totdat Marholm voorzichtig het woord nam:
„Hoor eens inspecteur, we zouden immers eerst dit huis
binnentreden—doch het is mij juist, alsof we er pas uitgeloopen zijn.
In elk geval leek die andere kerel verduiveld veel op mij!”
Inspecteur Baxter bukte zich ondertusschen naar een klein, wit kaartje,
dat voor hem op den grond lag, las het, en met een woedenden kreet riep
hij:
„Raffles!”
Terwijl de twee Engelsche politiebeambten nog in de grootste
opgewondenheid met den directeur van het Huis van Bewaring
confereerden, ontving deze juist een telegram. Het was geadresseerd aan
inspecteur Baxter, Scotland Yard. Tijdelijk Huis van Bewaring, Parijs.
Directeurskamer.
„Wie kan nu weten, dat ik op ’t oogenblik hier ben?” sprak de
inspecteur verbaasd, terwijl hij het telegram openscheurde. Doch de
inhoud deed hem blijkbaar nog meer versteld staan:
Het waren de volgende woorden, die Marholm, over Baxter’s schouder
heen, las:
„Raffles houdt zich verborgen in het huis van Charles L. Talbott, Bois
de Boulogne.”
Alles kwam in opschudding. Wie kon dat telegram hebben verzonden?
Alleen een verrader van Lord Lister.
Niemand kwam natuurlijk op de gedachte, dat de Groote Onbekende zelf,
ten dienste van zijn doel, het telegram had verzonden.
Dadelijk vroeg Baxter aan den heer Lépine, den Parijschen prefect van
politie, verlof, het huis van den rijken Amerikaan, onder leiding van
een Franschen beambte te mogen binnendringen.
Toen de Engelschen met de beambten der Fransche politie bij den
Amerikaan verschenen, was deze aanvankelijk weinig geneigd, hun wensch
tot een huiszoeking toe te staan. Dat Raffles zich in zijn huis zou
bevinden, scheen hem de vinding van een dolleman. Maar aan de
schriftelijke verklaring met de handteekening van den prefect van
politie moest hij zich onderwerpen. Met een handbeweging stelde hij
zijn huis ter beschikking van de beambten:
„Ga uw gang, gij zult niets vinden!”
Geen der beambten vermoedde natuurlijk de aanwezigheid van een
onderaardsch gewelf. Reeds wilden zij onverrichter zake vertrekken,
toen plotseling als diep uit den schoot der aarde een gedempte stem
klonk:
„Zoek dieper!”
Ontsteld keken zij elkaar aan. De Amerikaan was bleek geworden.
„Och, ik vergat nog,” zei hij geërgerd, „dat ik beneden een gewelf heb,
waarin ik eenige sieraden bewaar. Nu, daar zal nauwelijks iemand kunnen
binnendringen.”
Doch de beambten verzochten dringend te worden toegelaten tot de zich
beneden bevindende ruimte.
De Amerikaan bedacht zich, dat feitelijk in het eerste gewelf slechts
een paar onbeduidende kasten met brokaten stonden, en dat de deur, die
naar het vertrek met de geroofde kunstwerken leidde, direct in den muur
was aangebracht. Hij behoefde dus de beambten alleen te verklaren, dat
dit de eenige ruimte was beneden in huis; van de aanwezigheid van
geroofde schatten zoo dicht bij zouden zij niet het geringste vermoeden
hebben.