Charly Brand wilde reeds opspringen en luidde om hulp roepen, maar als

door een plotselinge ingeving belette Raffles dit door hem de hand op

den mond te leggen.

En zoo lagen zij in den stillen nacht te luisteren naar het naderende

hoefgetrappel.

De minuten verliepen in pijnlijke onzekerheid.

Eindelijk zagen zij in de verte een klein voertuig, waarin twee

gestalten zaten. Een walmende lantaarn bengelde voor aan het rijtuigje.

Zij konden hun ongeduld nauwelijks bedwingen en reeds wilde Raffles de

nachtelijke reizigers roepen, toen Charly zijn arm greep en fluisterde:

„Mijn hemel—daarin zitten Talbott en Dent!”

Plotseling hield het kleine voertuig, een Spaansche tartane, stil en

een bevelende stem riep door de duisternis:

„Halt! Hier is iemand! Ik heb het duidelijk gehoord! Wie daar?

Antwoord! of het zal u slecht vergaan!”

Met groote onverschrokkenheid stond Raffles op en riep met heldere

stem:

„Hallo, Mr. Talbott! Ik zocht u juist!”

Daar weerklonk uit het rijtuig een woeste kreet:

„Dat is Raffles!”

Een donkere gestalte sprong uit de tartane en liep op Raffles toe.

Charly Brand kwam vloekend toegesneld om Raffles ter hulp te komen.

Met stalen vuist hield Dent, want deze was het, Raffles bij de keel.

Maar Charly greep hem van achteren beet en Dent moest zijn vijand

loslaten.

Nu was echter ook Talbott naderbij gekomen en wilde zich op Charly

Brand werpen. Lord Lister echter, die nu zijn armen vrij had, haalde

bliksemsnel zijn revolver te voorschijn, en eenige keeren schoot hij in

de lucht.

Onmiddellijk lieten Talbott en Dent hun vervolgers los en Raffles zag,

hoe zij inderhaast achter een groot steenblok op korten afstand van hen

verdwenen.

Zij hoorden een woest hoongelach van Talbott, dat als het ware in den

grond verdween en Raffles en Charly het bloed in de aderen deed

verstijven.

Geruischloos op den buik voortkruipend, slopen zij naar den steen toe,

totdat zij plotseling, op eenigen afstand daarvan, met opgeheven

revolver voorwaarts snelden.

Maar geen menschelijk wezen was te vinden: Talbott en Dent waren

spoorloos verdwenen!

Met een vloek riep Charly Brand:

„O, wat een schurken! Dus is het toch waar, wat alle Fransche en

Spaansche misdadigers vertellen van de schuilhoeken, die Talbott overal

op de wereld heeft! Zij zijn in een onderaardsche gang gevlucht!”

Raffles begreep onmiddellijk, dat de groote steen den ingang van een

dergelijke schuilplaats moest bedekken en het toeval had hen de beide

schurken juist op deze plek doen ontmoeten.

En nu in den donkeren nacht was het onmogelijk om de geheime plek te

vinden, waar men den steen kon doen wijken. De beide vluchtelingen

waren ongetwijfeld reeds in veiligheid.

Raffles en Brand namen derhalve in het voertuig plaats en reden in de

richting van Madrid.

Het was tegen het krieken van den dag, toen zij aan den horizont de

lichten der stad zagen. Charly Brand stiet een kreet van vreugde uit en

ook Raffles voelde zich als herboren.

Zij zorgden er, bij aankomst in de stad, voor, dat verplegers en

doctoren naar de plaats des onheils werden gezonden en begaven zich

daarna doodelijk vermoeid naar een hotel in een der voorsteden, waar

zij de zoozeer benoodigde rust eindelijk vonden.

Hoe geheel anders zag Madrid er uit, toen het heldere zonlicht de

straten en gebouwen bescheen! Nu zag men een elegante stad voor zich,

terwijl in den nacht alles er even afschuwelijk had uitgezien.

Met innig welbehagen lieten zij zich meevoeren door den stroom van

keurig gekleede dames en heeren, die zich allen begaven naar het

voornaamste plein der stad, de Puerta del Sol (poort van de zon).

Plotseling zag Raffles op een marmeren trap aan de overzijde van het

plein een welbekende gestalte.

„Talbott!” riep hij en haastig trok hij Charly mee naar de marmeren

trap.

Maar het gedrang vóór hen werd steeds grooter, een waterdrager liep hen

voor de voeten en toen Raffles opkeek, was Talbott verdwenen.

Doch hij wist nu, dat Talbott zich te Madrid bevond!

Daar trad hun een vuile, oude man met de oogen van een roofvogel

tegemoet.

Op kruipend vriendelijken toon vroeg hij: „Willen de Sennores niet een

kaart voor de stierengevechten? Hedenmiddag is de corrida

(stierengevecht). Dit zijn de laatste kaarten, die ik nog heb. De

Sennores kunnen in heel Madrid geen kaarten meer krijgen.”

„Hoeveel kosten uw kaarten?” vroeg Raffles.

„Twee realen!” luidde het antwoord.

„Goed, geef ze hier!” sprak de Groote Onbekende.

Maar nauwelijks had hij de kaarten in handen, of de verkooper

verwijderde zich plotseling met groote haast, zelfs zonder op betaling

te wachten.

Dit stemde Raffles tot nadenken.

Zou hier weer een truc van Talbott achter steken? Doch juist deze

mogelijkheid deed hem besluiten, tot elken prijs den vijand het hoofd

te bieden— —

Op ongeveer een kwartier afstands van Madrid bevindt zich de groote

arena, gebouwd naar het voorbeeld van een Romeinsch circus. Hierheen

begaven zich Raffles en Charly Brand.

Buiten prijkte een reuzenschild met het woord: „Corrida.”

(Stierengevecht.)

Inwendig cirkelvormig gebouwd, gingen de rijen zitplaatsen geleidelijk

in de hoogte als breede, witmarmeren trappen.

Rondom de arena liep een borstwering, die de kampplaats van de ruimte

der toeschouwers scheidde.

Nu werden de deuren onder de koningsloge geopend en daaruit kwamen te

voorschijn allen, die deel zouden nemen aan de voorstelling.

Het was een schitterende stoet, getooid in blauw atlas, purper-fluweel,

vleeschkleurig satijn, geheel bestikt met tressen, zilver en gouden

borduursel.

Allen droegen korte, witte mantels van gele of roode kleur, witte

kousen, zijden sjerpen om het lijf en spitse mutsjes op het hoofd.

Fanfares weerklonken als teeken dat het spel zou beginnen.

Doodsche stilte heerschte in het gebouw, slechts onderbroken door een

dof gebrul, dat steeds naderkwam.

Een reusachtige wilde stier rende door een geopende poort de arena

binnen.

Nauwelijks had hij zijn vijanden ontdekt, of met woede snelde hij naar

hen toe. Maar deze wisten het beest telkens af te leiden, door om den

stier heen te springen en met behulp van roode doeken steeds tot groote

woede te prikkelen.

Daar naderde de zoogenaamde Espada, de eigenlijke stierenvechter, die

het dier met een handigen degenstoot moet dooden. Hij hield een stok,

waaraan een lang, rood doek wapperde, in de linkerhand.

Hoorbare stilte heerschte in het gebouw.

Plotseling hoorden Raffles en Charly Brand achter zich een afschuwelijk

schril gelach. Vol ontzetting keken zij om en zagen tot hun schrik

Talbott en naast hem aan weerskanten Dent en Kitty.

Het drietal hield een grooten, vuurrooden doek in de handen en aan hun

gezichten zag Raffles, dat zij iets vreeselijks voor hadden.

„Talbott!” riep hij vol afkeer uit.

„Ja, ik ben het, Talbott, je vijand!” schreeuwde de ander terug. „En nu

is het met je gedaan!” vervolgde hij. „Ik heb je hierheen gelokt en dat

is je dood!”

Als een krankzinnige lachte hij.

Plotseling greep hij den rooden doek en begon, vlak achter Raffles en

Charly Brand ermee zwaaiend den stier te tergen tot het uiterste.

De oogen van het beest waren met bloed beloopen en puilden ver uit hun

kassen.

Opeens stormde hij met een vervaarlijk gebrul op den rooden doek los.

Op dit oogenblik gelukte het Raffles en Charly Brand naar rechts en

links opzij te springen. Met bijna bovennatuurlijke kracht sprong de

stier op de eikenhouten borstwering, zoodat deze krakend verbrijzeld

werd.

Ook Talbott wilde opzij springen, maar hij raakte in den grooten doek

verward.

Een duizendvoudige kreet van ontzetting weerklonk door het groote

gebouw, toen Talbott neerviel.

Raffles en Brand wisselden bliksemsnel een blik van verstandhouding en

haalden hun revolvers te voorschijn.

De stier bukte zich, boorde een secondelang zijn horens diep in het

lichaam van den gevallene, om dezen in het volgende oogenblik hoog in

de lucht te werpen.

Maar nog voordat dit laatste kon geschieden, gaf Raffles een teeken en

twee schoten troffen den stier links en rechts in de oogen.

Brullend zakte hij in elkaar—nog een gerochel en het dier was dood.

Het volk barstte uit in een luid gejubel ter eere van de beide koene

vreemdelingen.

Doch nog voordat iemand begreep was er gebeurde, hadden Raffles en

Charly Brand zich op Kitty en Dent geworpen en beiden geboeid.

Op den grond lag Talbott den laatsten doodstrijd te strijden.

Politie snelde nu van alle zijden toe en zonder dat de omstanders er

iets van begrepen, had Raffles Kitty en Dent overgegeven aan de

vertegenwoordigers der wet.

Hij stelde zichzelf en zijn vriend aan hen voor als inspecteur Baxter

en detective Marholm van Scotland Yard.

In een van Talbotts schuilhoeken, welke deze nog voor zijn dood bekend

maakte, vond men het gestolen schilderij van Velasquez uit het

Prado-Museum te Madrid.

Dent en Kitty durfden, nu hun beschermer, de millionnair, was

gestorven, niet meer ontkennen.

En terwijl Raffles met vriendschappelijke woorden afscheid nam van de

Spaansche politie, sprak hij:

„Het verdere zullen mijn collega’s van de Engelsche politie wel in orde

maken, die dezer dagen naar Madrid komen. Mij roepen mijn zaken helaas

weer terug naar Londen.”

En allervriendelijkst uitgeleid door de Spaansche ambtenaren van

politie, begaf hij zich met Charly Brand naar het hoofdtelegraafkantoor

van Madrid, waar hij een geestig telegram verzond aan inspecteur

Baxter, Scotland Yard, Londen.

AANTEEKENING

[1] Majordomus = voornaamste bediende, die het toezicht over alles

houdt in deftige huizen.

Lord Lister No. 0038: Een Museumdiefstal · 第 5 / 5 段