bracht het stukje papier bij zijn oogen. Tegelijkertijd schoof de
geestelijke den blauwen bril, welken hij droeg, terug en wierp een
haastigen, maar scherpen blik over den schouder van zijn medereiziger
en las tegelijk met den Amerikaan de volgende woorden:
„Dent ontmoette heden Raffles in Rome.”
Het geheele voorval duurde niet meer dan een halve seconde; reeds stond
de geestelijke weer uit het raampje te kijken en vlak bij hem rekte de
Amerikaan zich geeuwend uit.
Toen de geestelijke zijn eigen afdeeling weer had bereikt, was de dame
daarin reeds weer uit den restauratiewagen teruggekeerd. Zij leunde met
gesloten oogen in de kussens en scheen den binnenkomenden reiziger niet
eens op te merken.
Deze nam kalm zijn plaats weer in.
Na een poosje stond hij echter weer op en sprak op beleefden toon tot
de dame, die juist de oogen even opende:
„Gij wilt zeker slapen, dame, ik wil u niet storen. De trein is bijna
leeg, want er vertrekken in dit heerlijke seizoen weinig menschen uit
ons schoone Italië.
„Het is een kleine moeite voor mij om een plaatsje te vinden in een
andere afdeeling. Gij zijt dan ongestoord.......”
„Ik dank u zeer, gij zijt zeer vriendelijk”, antwoordde de dame.
De geestelijke nam zijn handtaschje op en verliet met een eerbiedigen
groet de afdeeling. Daarop zocht hij de coupé op, waar de Amerikaan zat
en nam tegenover dezen plaats.
Zonder met den man een gesprek aan te knoopen bleef de geestelijke
zwijgend zitten. Als uit verveling keek hij met onverschillige blikken
naar zijn vis-à-vis.
Deze had een Engelsch romannetje in de hand en scheen aandachtig te
lezen. Maar zijn oogen dwaalden af en de geestelijke zag, dat de bladen
van het boek onopengesneden waren.
De bagage van den Amerikaan lag in het net boven zijn hoofd; als
toevallig keek de geestelijke naar de pakjes, waarbij zich een in de
lengte opgerold cartonnen foudraal bevond.
Het was eigenlijk te lang om als handbagage van een eerste klasse
reiziger te dienen en men begreep, dat de inhoud van te veel waarde
moest zijn, dan dat die aan den bagagewagen kon worden toevertrouwd.
Eenige oogenblikken rustte de blik van den dikken geestelijke op den
cartonnen koker, daarop richtte hij het woord tot den Amerikaan en
sprak op jovialen toon: „Een mooi land is ons Italië, vindt u niet?”
„Ja, Italië is prachtig”, antwoordde de Amerikaan kortaf.
Zij hadden nu een onderwerp van gesprek en nadat zij eenigen tijd over
de voordeden van het zuidelijk klimaat hadden geredeneerd, sprak de
geestelijke:
„En dan de kunst! Denk eens aan onze groote artisten, zooals Rafaël,
Michel Angelo, Leonardo da Vinci!”
Een bijna onmerkbare schaduw vloog over het gelaat van den Amerikaan.
„Ja”, sprak hij langzaam, „het is immers ter wille van de Italiaansche
kunst, dat wij Italië bezoeken.”
Hij staarde peinzend voor zich uit; de geestelijke trachtte nog het
gesprek weer aan te knoopen, maar de antwoorden van den Amerikaan
werden steeds korter en eindelijk zweeg hij.— —
„Alles uitstappen! Douane!”
De trein stopte aan de Fransche grens. Een bende pakjesdragers stormde
op den trein aan; koffers, doozen, valiezen, kleine en groote tasschen,
alles werd uit den trein geladen en opgestapeld in de groote ruimte,
waar het onderzoek der douanen plaats vond.
De reizigers gingen rondom lage tafels staan, die in een halven cirkel
rondom de bagageruimte waren geplaatst.
Namen werden opgeroepen, koffers geopend, kostbare stoffen, sieraden en
kunstvoorwerpen werden door de beambten getaxeerd en belast.
„Hebt gij iets aan te geven?” vroeg de kleine Fransche beambte met het
puntbaardje, terwijl hij den corpulenten Italiaanschen geestelijke
naderde. Reeds wilde hij bevel geven het handkoffertje te laten openen,
toen de geestelijke zich tot den beambte boog en dezen in het oor
fluisterde:
„Laat mijn bagage niet openen. Gij hebt zeker reeds een bevel van
hooger hand daaromtrent gekregen. Mijn naam is...” de laatste woorden
waren alleen verstaanbaar voor den douane-ambtenaar.
Deze glimlachte veelbeteekenend en antwoordde met een buitengewoon
beleefden groet:
„Een klein plezierreisje naar Parijs zeker?”
John Raffles verloor geen oogenblik den Amerikaan uit het oog.
Het duurde zeer lang, voordat diens bagage werd getaxeerd. Het waren
ware kostbaarheden, welke de rijkaard medenam uit Italië: schilderijen,
beeldhouwwerk, sieraden, snijwerk in hout en ivoor, kunstig ingelegde
mozaïeken en ontelbare andere voorwerpen, welke de verzamelaar voor
veel geld in Italië kan koopen.
Bij verscheiden voorwerpen, welke zeldzame antiquiteiten waren, moest
de Amerikaan de koopacte vertoonen en daardoor werd de belasting nog
hooger.
Eindelijk had alles een beurt gehad en bleef alleen nog de lange
cartonnen koker over.
Raffles zag, dat de beambte hem opnam en dat het een zwaar voorwerp
was. Toen het étui werd geopend lag daarin een lange, sierlijk bewerkte
verrekijker uit het begin der negentiende eeuw. Vermoedelijk had deze
kijker groote historische of artistieke waarde, waarom de kooper zijn
eigendom zoo zorgvuldig bij zich hield. Het werd belast met een klein
bedrag aan inkomende rechten.
De verrekijker werd weer in het étui geborgen en het viel Raffles, die
met scherpe blikken toekeek, op, dat de Amerikaan het voorwerp met
welgevallen weer in het omhulsel zag verdwijnen.
Alsof hij niemand zijn kleinood toevertrouwde, nam hij zelf het zware
cartonnen étui op en droeg het naar zijn coupé terug.
De dame had niet veel aan te geven. Eigenlijk behoefde zij slechts voor
één enkel schilderij inkomende rechten te betalen. Dat was een modern,
goedkoop, met harde kleuren geschilderd landschap.
Zelfs een leek kon bij het zien van dit schilderstuk onmiddellijk
constateeren, dat het een vrij waardeloos modern Italiaansch doek was.
Des te kostbaarder echter was de zware prachtige omlijsting van het
schilderij.
De galante Fransche beambte kon niet nalaten op schertsenden toon op te
merken:
„Madame betaalt alleen belasting voor de zware lijst!”
En als om het schilderij te taxeeren, nam de Franschman het in de hand
en woog het met lachend gezicht.
Een doodelijke bleekheid bedekte het gelaat der dame. Maar zij
beheerschte zich en glimlachte flauwtjes.
De beambte, die dezen glimlach als een aanmoediging opvatte, vervolgde
op half officieelen, half schertsenden toon:
„Als onze belasting zoo hoog was als het schilderij met de lijst zwaar
is, moest Madame nu meer betalen dan het geheele stuk waard is!”— — —
Daar buiten pufte de locomotief als gereed om weer te vertrekken. De
eigenaardige drukte, welke heerscht aan het station der
Italiaansch-Fransche douane, was afgeloopen. De reizigers hadden hun
plaatsen weer ingenomen, de bagagewagen was gevuld, het platvorm was
weer leeg.
Toen Raffles zijn coupé weer binnenging kwamen hem van den anderen kant
de Amerikaan en de dame tegemoet. De groote onbekende zag, dat de
Amerikaan in de nauwe zijgang haar de hand drukte en hij hoorde hem
fluisteren:
„Ik dank je, Kitty!”
Daarop deden zij beiden weer alsof zij elkaar niet kenden. Elk nam zijn
plaats in, de locomotief liet een gillend gefluit hooren en de trein
rolde verder.—
Naar Parijs!
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE TELEFOONARBEIDER.
Charles L. Talbott was in Parijs een niet minder bekende
persoonlijkheid dan in Philadelphia.
Hij bezat in de Fransche hoofdstad een reusachtig paleis en in den
omtrek eenige uitgestrekte bezittingen.
De intieme vrienden van den milliardair uit Philadelphia wisten, dat
hij, wat opvoeding en eigenaardigheden betrof, meer Franschman was dan
Amerikaan. Toen hij de dertig was gepasseerd, had hij het zoover in
zaken gebracht, dat ook gedurende zijn afwezigheid zijn bankierszaak in
Philadelphia reuzenwinsten afwierp.
Daarom nam hij elke gelegenheid te baat om reizen te maken naar Europa.
Zijn scherp verstand en zijn helder inzicht stelden hem in staat de
financieele markt zoodanig te overzien, dat hij vanuit het vasteland
van Europa door middel van telegraphische bevelen groote en belangrijke
zaken kon ondernemen, welke enormen invloed hadden op de beurskoersen.
Charles Talbott bleef, ondanks zijn onmetelijken rijkdom en zijn
allerwege bekende beminnelijkheid, ongehuwd. Deze man, die even hoog
ontwikkeld als rijkbegaafd was, kende slechts één hartstocht: de kunst.
Hij was een der meest hartstochtelijke verzamelaars van geheel Amerika.
In den loop der jaren had hij een waar museum gemaakt van zijn huis in
Philadelphia.
Later, toen zijn reizen naar Europa steeds menigvuldiger werden,
verhuisde hij bijna geheel naar Parijs. Het gezellige leven in de
hoofdstad van de Fransche Republiek had meer aanlokkelijks voor hem dan
het onophoudelijke „zaken doen” in zijn vaderstad.
Zeer spoedig na zijn verhuizing naar Frankrijk werd Talbott’s naam
populair. Ook hier wist men veel te vertellen, evenals in de Vereenigde
Staten, van de groote vrijgevigheid en de even groote ijdelheid van den
Amerikaanschen geldkoning. Zijn giften voor liefdadige doeleinden en
ten behoeve van de kunst waren vorstelijk.
Hij schonk meer dan een millioen aan de Academie, de rente van een
ander millioen francs bestemde hij voor ondersteuning van begaafde
beeldhouwers en bijna ontelbare malen hielp hij met milde hand jonge
kunstenaars op elk gebied vooruit.
Talbott leidde in Parijs een leven, dat weinig in overeenkomst was met
zijn persoonlijke ijdelheid.
Hij kwam slechts zelden in gezelschappen. Dikwijls wist men wekenlang
niet, of hij thuis was dan wel op reis. Zijn paleis in de nabijheid van
het Bois de Boulogne, in een der voornaamste wijken, was slechts zelden
geopend voor bezoekers of grootere gezelschappen.
Men vertelde, dat het een der kostbaarste particuliere
kunstverzamelingen van Parijs bevatte, doch slechts zeer zelden had
iemand het voorrecht, deze verzameling te mogen bezichtigen.
Men had de schitterendste aanbevelingen noodig om in het huis van
Charles Talbott te worden ontvangen.
Daarvan overtuigde Lord Lister zich zeer spoedig uit eigen ervaring,
toen hij trachtte, door middel van zijn uitgebreide relatiën, die hij
in Parijs bezat, toegang te krijgen bij den Amerikaan.
Het was, als stond er een hooge muur rondom het prachtige paleis, die
het volkomen van de buitenwereld scheidde. Hoe dikwijls Lord Lister ook
zijn visitekaartje afgaf met den naam van een Franschen markies, onder
welken naam hij introductie bij den millionnair wilde krijgen,—telken
keere heette het: Mr. Talbott ontvangt niet!
Het scheen alsof er geen kans op was, door het ontvangsalon het huis
van den Amerikaan binnen te dringen.
Hij zou zich dus langs een anderen weg dan door het salon toegang
moeten verschaffen.
Op zekeren morgen, kort na zijn terugkomst uit Italië, zat Mr. Talbott
in zijn cabinet. Hij wilde uitrijden en belde den kamerdienaar, die hem
bij het kleeden behulpzaam moest zijn. Eenige minuten verliepen—de
kamerdienaar kwam niet. Vol ongeduld drukte Talbott weer op het knopje
der electrische bel, een paar minuten later nog eens—maar niemand
verscheen. Geërgerd begaf Talbott zich naar de voorkamer en riep:
„Jean!”
„Gij wenscht, mijnheer?”
„Waarom komt gij niet? Ik heb u reeds drie keer gebeld”, sprak Talbott
ongeduldig.
„Ik heb niets gehoord”, antwoordde de bediende op beleefden toon.
Juist kwam de majordomus [1] om mede te deelen dat op onverklaarbare
wijze alle electrische geleidingen in huis niet meer werkten, zelfs de
telephoon niet. Onmiddellijk moest een deskundige op electrotechnisch
gebied worden gehaald en opdat het euvel zoo spoedig mogelijk verholpen
zou zijn, beval de heer des huizes, dat een der bedienden zich zoo
spoedig mogelijk naar de electrische centrale moest begeven om eenige
bekwame werklieden te halen.
De bediende begaf zich dadelijk op weg.
Raffles, die reeds sinds den morgen om het huis van Talbott rondzwierf,
haalde hem in. Het duurde niet lang of hij was met den bediende in een
levendig gesprek gewikkeld over de groote wedrennen, welke dien dag
gehouden zouden worden in Passy, een der voorsteden van Parijs.
John Raffles was gekleed als een Fransch burgermannetje en bezigde
uitdrukkingen, welke men veel hoort uit den mond van handwerkslieden
uit de Westelijke voorsteden van Parijs.
„Zoudt gij graag naar de wedrennen willen gaan, vriend?” vroeg John
Raffles den bediende. „Ik heb namelijk een toegangsbewijs voor de
tribune, maar ik kan niet gaan: mijn vrouw zou het mij kwalijk nemen.
Maar gij—gij kunt het biljet krijgen. Ik wil het u voor een kleinigheid
geven, voor 1 franc; het heeft tien francs gekost.”
De bediende dacht na.
„Eigenlijk heb ik het niet erg druk vandaag. De majordomus heeft
bovendien beloofd, mij deze week een dag vrij te geven. Maar ik moet nu
naar het electrotechnisch bureau.......”
„Dat hindert niet”, viel Raffles hem in de rede; „als gij mij 1 franc
voor het biljet geeft, wil ik wel voor u naar den electricien gaan om
de boodschap over te brengen.”
De koop was gesloten. De bediende betaalde zijn francs en trok
welgemoed met zijn biljet naar de wedrennen te Passy.
Raffles wachtte tot de man was verdwenen, keerde toen terug en begaf
zich naar het paleis van Talbott. Maar nog voordat hij de groote poort
van het gebouw was binnengegaan, droeg hij plotseling een pet van de
electrotechnische maatschappij in Parijs en had hij een kistje met
gereedschap in de hand.
Hij wist, wat er hersteld moest worden.
Met veel moeite en voorzichtigheid was het hem gelukt in de nachtelijke
uren de electrische geleidingen naar het huis door te snijden. Wat hij
daarmede beoogde, had hij door zijn onderhoud met den sportlievenden
bediende bereikt.
Met het uiterlijk van een deskundige luisterde hij naar het verhaal van
den majordomus omtrent de storingen. Nadat hij den aanleg der
electrische geleidingen van het huis had bekeken, verklaarde hij, dat
de storing te zoeken was in een chemische werking in de samenstelling
van eenige der geleiddraden. Die draden moesten dus vernieuwd worden,
een werk, dat twee dagen in beslag zou nemen.
Raffles werkte onder voortdurend toezicht van een der bedienden. Maar
ondanks deze strenge contrôle kon hij toch een goed overzicht krijgen
van het reusachtige gebouw.
Eigenlijk bewoond werden slechts 5 of 6 kamers. Hierin werkte en sliep
de heer des huizes en ontving hij de zeldzame bezoekers. Aan de
slaapkamer grensde de enorm groote bibliotheek en vandaar gaf een deur
toegang tot de kunstverzameling. Het overige gedeelte van het huis
bestond uit een lange rij prachtige vertrekken, die met al hun weelde
koud en ongezellig waren.
De Groote Onbekende veronderstelde, dat Talbott geen twee vreemde
werklieden in zijn huis zou willen hebben, wanneer een het werk zou
kunnen afdoen. Hij hield rekening met het wantrouwen van den
millionnair en hij vergiste zich niet: twee dagen werden hem toegestaan
om alles in orde te maken.
Als het werk sneller gedaan moest worden, dan zou hij nog een werkman
gaan halen.
Eindelijk was de arbeid van Raffles zoover gevorderd, dat hij
mededeelde, behalve de bibliotheek en de kunstverzameling gereed te
zijn. Hij verzocht den bediende, die steeds toezicht op hem hield, hem
naar deze vertrekken te willen brengen.
De bediende zweeg verlegen. Hij wist, dat nimmer, onder geen enkel
voorwendsel, iemand deze vertrekken mocht binnengaan. Zelfs als de
kamers werden schoongemaakt, geschiedde dat in tegenwoordigheid van Mr.
Talbott.
Daartegenover stond, dat juist hier de electrische geleidingen volkomen
in orde moesten zijn, want elk der kostbare schilderijen was niet
alleen met een slot aan den muur bevestigd, maar ook verbonden met een
electrische belinrichting, die onmiddellijk in werking trad als men zou
trachten het schilderij van den muur te nemen.
Besluiteloos, hoe in dit geval te handelen, begaf de bediende zich naar
zijn heer. Deze liet Raffles bij zich roepen. Met scherpen blik bekeek
Mr. Talbott het naïeve gezicht van den werkman; maar de goedige,
eenigszins domme trekken van den man wekten het vertrouwen van den
Amerikaan op en deze besloot daarom, in zijn tegenwoordigheid den
jongen man in zijn kunstverzameling te laten werken.
Slechts met moeite kon Raffles zijn ongeduld bedwingen, toen hij de
groote zalen met het bovenlicht binnentrad, waar al de kostbaarheden
verzameld waren. Eerst langzamerhand konden zijn oogen aan deze
rijkdommen wennen en begon hij zich te oriënteeren.
Hij stelde vast, dat men hier schilderijen van de beroemdste schilders
had, zooals men die alleen vond in de koninklijke Museums te Florence,
in de National-galerie te Londen, in het Kaiser Friedrich Museum te
Berlijn, in het Louvre te Parijs of in de Eremitage te Sint Petersburg.
Hij was er van overtuigd, dat elk dezer schilderijen een waarde
vertegenwoordigde van een half of een heel millioen, sommige waren
zelfs nog veel meer waard en deze verzameling bewees ten volle hoe
onmetelijk rijk de Amerikaansche bankier moest zijn.
Al deze schilderijen hingen in zwaar vergulde lijsten en elk was
voorzien van een plaatje, waarop de naam en de jaartallen vermeld
stonden van den schilder. Maar de gestolen Madonna was er niet bij...
De werkman arbeidde vlijtig door aan de geleidingen. Mr. Talbott stond
op eenigen afstand van hem en keek voortdurend naar het werk.
Plotseling werd er aan de deur geklopt en den bediende berichtte:
„De jonge heer is daar weer. Hij wenscht u dadelijk te spreken, sir!”
„Zeg, dat ik ziek ben,” antwoordde de Amerikaan op verdrietigen toon.
„Sir, hij laat zich niet afwijzen!”
Een oogenblik dacht Mr. Talbott na, toen sprak hij op korten, beslisten
toon:
„Laat hem binnen, hiernaast in de zijkamer.”
De bediende ging heen. Mr. Talbott wierp nog een blik op den werkman en
verwijderde zich.
De Groote Onbekende hoorde lichte mannenstappen naderen, daarop werd
alles stil.
Evenals vroeger in Florence, sprong Raffles naar de deur en legde zijn
oor tegen het sleutelgat. Hoe groot was zijn verbazing toen hij hoorde,
dat de bezoeker van den Amerikaan dezen keer dezelfde was als destijds
te Florence, namelijk Dent.
Aanvankelijk waren de woorden, welke daarbinnen werden gesproken, bijna
niet te verstaan; langzamerhand wond Talbott zich echter op en
eindelijk schreeuwde hij:
„En nu basta, zeg ik u. Hoort gij, ik zeg u, dat het uit is!”
Eerst zweeg de ander, daarop sprak hij met verbazing in zijn stem:
„Gij zult mij toch niet afwijzen, Mr. Talbott?...”
„Ja, dat zal ik, ik herhaal het u nog eens—het is nu uit.”
De stem van den Amerikaan trilde van opgewondenheid.
Dent liep door de kamer heen en weer en sprak:
„En zijt gij niet bang, dat ik...”
„Doe, wat gij wilt,” viel de Amerikaan hem hoonend in de rede. „Ach
kom, denkt gij werkelijk, dat iemand u zal gelooven? Waarvoor heb ik
mijn millioenen?”
„Maar ik heb een getuige,” antwoordde Dent kalm.
„Dien hebt gij niet!” schreeuwde de Amerikaan. „Die is dood, dat weet
gij beter dan ik!”
„Ik spreek niet van de dooden, ik bedoel een persoon, met wie gij
misschien op meer dan vriendschappelijken voet hebt gestaan: Kitty!”
Nauwelijks had Dent dezen naam uitgesproken of een waanzinnige woede
scheen zich van den Amerikaan meester te maken en als dol schreeuwde
hij:
„Noem haar naam niet, kerel!”
Een zegevierend lachje klonk van de lippen van den afperser. Als een
kat sprong hij op Talbott toe, greep diens arm en siste:
„En geef mij nu, wat ik verlang of......”
Hij had de kracht van Talbott te gering geschat. Met een ruk had deze
zijn hand bevrijd en pakte Dent bij den kraag.
Een vreeslijke worsteling ontstond.
Talbott’s krachten begonnen hem te begeven. Met een handige beweging
wierp Dent hem op den grond.
De millionnair hijgde en stikte bijna. Dent drukte zijn knieën op de
borst van den Amerikaan en boog zich over hem heen...
Maar op dit oogenblik werden zijn beide handen van achteren beetgepakt.
Nog voordat hij begreep wat er gebeurde, werd hij op den grond
geworpen. Raffles sprong daarop naar het venster, trok het open en riep
met luider stem:
„Hulp!”
Talbott stond op.
De Groote Onbekende hield intusschen zijn blik onafgewend gevestigd op
Dent, die er roerloos bij stond.
Een oogenblik later ging de deur open en, vergezeld door de verbaasde
bedienden, verschenen twee agenten van politie....
De afperser werd in hechtenis genomen. Brieschend van woede werd hij
door de politieagenten weggeleid.
Talbott stond bleek als een doode, met verwarde haren midden in zijn
kamer en keek Dent na. Men zag, dat een vreeselijke storm in zijn borst
woedde.
Hij wilde Dent terughouden, hij wilde alles als een scherts en een
misverstand doen voorkomen, maar de tusschenkomst der politie was niet
meer ongedaan te maken.
„Hoe zijt gij er toe gekomen, om hulp te roepen?” vroeg Talbott aan
Raffles.
„Ik hoorde stoelen omvallen, mijnheer, toen ik hiernaast aan het werk
was,” antwoordde Raffles. „Ik was bang, dat mijnheer iets kon
overkomen, daarom snelde ik hierheen en riep om hulp, want de
electrische bel werkt nog niet.”
„Zoo,” sprak Talbott in gedachten. „Nu, gij zijt een brave kerel. Gij
hebt mij het leven gered!”
„Ik geloof het ook, mijnheer, maar ik heb alleen mijn plicht gedaan,”
antwoordde Raffles met een gemoedelijk lachje.
„Ik dank u. Hier hebt gij een kleinigheid voor uw moeite,” sprak
Talbott en bij deze woorden gaf hij Raffles een biljet van 25 francs.
ZESDE HOOFDSTUK.
IN VOORARREST.
Onderweg van Talbott’s paleis naar Parijs dacht Dent over den toestand
na. Hij was er vast van overtuigd, dat hij alleen door de bemoeiing van
dien werkman gevangen was genomen, maar hij trok zich niet veel van het
geval aan.
Een korte gevangenisstraf—dat was alles, wat hem te wachten stond, want
hij wist, dat Talbott zich alle mogelijke moeite zou geven om het geval
als onbeduidend voor te stellen.
„Dat zal hem nu echter nog meer kosten,” mompelde Dent bij zichzelf.
Hij was vroolijk, floot een straatdeuntje en dacht alleen aan het
humoristische van zijn toestand.
Maar de eene dag verliep na den anderen en nog steeds zat Dent in
voorarrest. De rechter van instructie, die tweemaal een onderhoud met
hem had, vroeg hem uitvoerig omtrent zijn vroeger leven en zijn
verhouding tot Talbott. Dent vertelde, dat hij een Schot was en, dat
hij evenals Talbott, voor zijn genoegen in Parijs woonde.
Hij beweerde, den milliardair te kennen door ontmoetingen in Musea en
daar zij beiden evenveel belang stelden in kunstwerken, waren zij
vrienden geworden en was hij meermalen bij Talbott aan huis geweest.
Terloops vroeg de rechter van instructie hem of hij Florence kende.
Dent antwoordde ontkennend.
Op de vraag, waarom hij Talbott had aangevallen en uit welke oorzaak de
strijd was ontstaan, weigerde de schurk te antwoorden.
Maar langzamerhand begon hij ongerust te worden en naar een onderhoud
met Talbott te verlangen.
Dit laatste werd hem echter niet toegestaan. Hij schreef brieven,
waarin hij den Amerikaan met dringende woorden verzocht, met hem te
komen spreken. Maar Talbott kwam niet en Dent werd ongeduldig.
De bewaker, onder wiens toezicht de gevangene stond, was een oude,
knorrige Franschman, die alle vragen met een onverstaanbaar gemompel
beantwoordde. Groot was dus Dent’s vreugde, toen de oude brombeer hem
vertelde, dat hij twee dagen verlof had gekregen en een ander hem zou
vervangen!
Die andere was een fideele kerel. De gevangene bemerkte dadelijk, dat
hij van dezen jongen man veel meer kon gedaan krijgen dan van den oude.
Er was nog geen halve dag voorbijgegaan, of de bewaarder wist reeds dat
zijn gevangene een rijke Schot was, die voor een bewezen dienst veel
geld over had. Dent verwachtte veel van hem.
„Zoudt gij mij een groot genoegen willen doen?” vroeg hij den tweeden
dag. „Gij krijgt er 100 francs voor.”
„Een mooie, ronde som,” antwoordde de ander lachend.
„Ik zal een brief schrijven en dien moet gij zelf wegbrengen, gij moet
hem persoonlijk aan den geadresseerde afgeven en mij het antwoord
brengen. Maar gij moet ervoor zorgen, dat de brief in de goede handen
komt, hoort gij? Gij kent immers het groote paleis aan het Bois de
Boulogne, dat van den rijken Amerikaan.”
„Talbott,” viel de bewaarder hem in de rede.