Toen Raffles den volgenden morgen volgens afspraak bij den m

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 38 EEN MUSEUMDIEFSTAL.

EEN MUSEUMDIEFSTAL

EERSTE HOOFDSTUK.

IN HET MUSEUM TE FLORENCE.

Lord Lister stond reisvaardig in zijn Londensch huis tegenover zijn

vriend Charly Brand. Terwijl hij een sigaret aanstak, keek hij

eenigszins zenuwachtig naar zijn kisten en koffers.

„Je wilt dus werkelijk zonder mij weggaan?” vroeg zijn vriend.

„Ja, mijn beste”, klonk het antwoord. „Ik moet eens vacantie nemen.

Slechts voor vier weken ga ik Londen verlaten. Ik heb wat rust noodig

na onzen laatsten grooten truc. Mijn zenuwen zijn een beetje

overspannen en ik heb er behoefte aan om mij ergens te bevinden, waar

ik inspecteur Baxter van Scotland Yard en zijn assistent, den

voortreffelijken Marholm, bijgenaamd de Vloo, niet telkens zie

opduiken.

„Bij den tegenwoordigen toestand van mijn zenuwen zou ik die beide

heeren weleens onaangenaam kunnen bejegenen en, je weet het immers: ik

houd er niet van, om onbeleefd op te treden.”

„Maar waar wil je dan heengaan?” vroeg Charly Brand.

„Ja, waarheen?” antwoordde Lord Lister aarzelend. „Wacht eens, laten

wij eens in den reisgids nazien, wanneer de eerste expresse naar Parijs

vertrekt.”

„Wil je je gaan verpoozen in de Seinestad?” vroeg Brand.

„Neen, oude jongen”, klonk het antwoord. „Nu vergis je je geweldig. In

Parijs, te midden van al die millioenen aan geld en brillanten zou ik

er niet toe kunnen komen om amusementen na te jagen.

„Ongetwijfeld zou de oude dievenaard in mij wakker worden en ik zou met

zoo koortsachtigen ijver aan het werk gaan als dat in Londen of

New-York slechts denkbaar was.

„Maar wacht eens, ik ben er!

„Ik reis via Parijs naar de Riviera, trek naar het schoone Genua en

geniet rustig van mijn vacantiedagen in Italië als de eerste de beste

Engelsche tourist.

„Jij, mijn lieve Charly, blijft hier, bewaakt het huis en seint mij

dadelijk, als er iets bijzonders gebeurt.

„In Italië kent men mij nog niet in mijn ware gedaante. Daar weet nog

niemand iets van John Raffles, die door de politie wordt achtervolgd,

omdat hij den millionnairs hun geld afneemt en het aan de arme

bedrogenen teruggeeft.

„In Italië ga ik nog altijd door voor de rijke en voorname Lord Lister,

die zeer vrijgevig is met geschenken en fooien en die zoo bemind is bij

arm en rijk, omdat hij een goedhartig, beminnelijk aristocraat is.

„Daarop ga ik naar Rome en daar bezoek ik mijn ouden vriend, den

Duitschen schilder professor Grombeck. Wij kennen elkaar nog van

vroeger, toen ik een hartstochtelijk verzamelaar van kostbare

schilderijen was.

„Ik denk dat ik, als er vier weken van alleenzijn achter mij liggen,

jou bij mij laat komen.”

Raffles genoot reeds eenige weken van het verrukkelijkste voorjaarsweer

aan de Riviera.

Maar het onrustige bloed in zijn aderen, dat steeds naar nieuwe

avonturen verlangde, kon hem niet lang met rust laten.

Toen hij in de beroemde internationale badplaats Rapallo was, verveelde

hij zich doodelijk. De oberkellner van het hotel, waar hij zijn intrek

had genomen, legde hem de kurlijst voor.

Reeds wilde hij zich inschrijven als Mr. Smith uit Londen, toen een

plotselinge gedachte in hem opkwam en hem deed glimlachen. Vastberaden

schreef hij:

Politieinspecteur Baxter,

Scotland Yard, Londen.

„Wat zou mijn doodsvijand daar wel van zeggen?” dacht hij, inwendig

lachend, „als hij eens wist, dat ik hier onder zijn naam verblijf

houd!— —”

Twee dagen later las hij in het kleine weekblaadje, dat gedurende het

badseizoen te Rapallo verschijnt in de Italiaansche taal, het volgende:

„Een groote beroemdheid op het gebied van de jacht op misdadigers

vertoeft sinds eenige dagen in ons midden. Het is de inspecteur

Baxter van het Londensche hoofdbureau van politie.”

Hierop volgde een opsomming van Baxter’s heldendaden.

„Wel, ik ben ervan overtuigd”, dacht Raffles lachend bij het lezen van

deze regelen, „dat deze mededeeling in de courant haar gevolgen wel zal

hebben.”

Hij had zich niet vergist. Reeds den volgenden dag vond hij in zijn

kamer een dringend telegram van dezen inhoud:

„Inspecteur Baxter, vertoevende: Rapallo,

Hotel Al Cancellerio,

Verzoeke onmiddellijk wegens dringende aangelegenheid naar Florence

te komen. Strengste geheimhouding. Spoed!”

Het telegram was onderteekend door den bekenden professor dr. Ciatti,

directeur van de Koninklijke Musea en kunstverzamelingen te Florence.

„Wat voor dringende aangelegenheden kunnen er in Florence zijn

voorgevallen?” dacht Lister bij zichzelf, „in die rustige, prachtige

stad, waar de kunst van het verleden een grootere rol speelt dan het

leven van den tegenwoordigen tijd?”

De naam van den afzender van het telegram deed vermoeden, dat er sprake

was van een gewichtige museumaangelegenheid.

Onmiddellijk begaf Raffles zich naar Florence.

„Kom,” mompelde hij tot zichzelf, „laten wij ook maar eens voor

detective spelen.”

Directeur Ciatti bevond zich in de wereldberoemde Galerij, toen Raffles

zich aan zijn villa liet aanmelden.

Maar nauwelijks had hij den bediende den naam van inspecteur Baxter

genoemd, of deze wenkte een voorbijrijdend huurrijtuig en verzocht

Raffles, dadelijk naar het Museumgebouw te rijden, waar de directeur op

hem wachtte.

Het was juist een dag, waarop het Museum gratis toegankelijk is voor

belangstellenden; toen Raffles voor den ingang uitstapte en de

zuilengalerij betrad, die een soort van voorportaal vormt, stroomde een

bonte, internationale menigte naar de deur.

Alle zalen waren gevuld met publiek.

Geleid door den bediende, liep de Groote Onbekende een lange rij

prachtige vertrekken door. De kostbare, met goud versierde plafonds van

deze zalen, de kunstig ingelegde vloeren, het artistieke houtsnijwerk

der deuren—dit alles scheen slechts als omlijsting te dienen.

Alle wanden waren van boven tot beneden met schilderijen behangen,

waarvan elk stuk, in een zware omlijsting gezet, een vermogen

vertegenwoordigde, vele zelfs het vermogen van een millionnair.

Bijzonder vol was het in de ronde zaal der Galerij, waar het

voornaamste sieraad van de geheele verzameling hing—de beroemde Madonna

van Rafaël.

Toen Lord Lister met snelle schreden hier voorbij liep, drong door de

wijdgeopende, hooge deuren een luid gegons van bewondering in zijn

ooren. In alle mogelijke talen hoorde men uitroepen van verbazing en

verrukking.

In de onmiddellijke nabijheid bevonden zich de vertrekken, waarin het

secretariaat was gevestigd en het ambtsvertrek van den directeur van

het Museum, waar Raffles nu binnentrad.

De directeur, een bejaarde, eerwaardige heer met den karakteristieken

kop van een geleerde, begroette hem.

„Ik dank u zeer, dat gij onmiddellijk gevolg hebt gegeven aan mijn

verzoek,” sprak hij. „Wij bevinden ons hier in de grootste

moeilijkheden en ik geloof, dat gij alleen, geëerde heer Baxter, ons in

dit geval kunt helpen.”

„Als de bescheiden krachten van een Engelschen detective de kunst van

dienst mogen zijn...”, antwoordde Raffles glimlachend.

„Het handelt in dit geval om een misdaad, die voorbeeldeloos brutaal

is,” vertelde de directeur. „Om kort te zijn: het gaat om onze kostbare

Madonna van Rafaël.”

„Die heb ik toch zooeven in het voorbijgaan vluchtig gezien,” meende

Raffles.

„Ja, dagelijks zien honderden en duizenden menschen haar,” antwoordde

professor Ciatti, „en toch—en toch is dat, wat de menigte bewondert,

niet de Madonna van Rafaël, maar iets anders.”

Een kreet van verbazing ontglipte onwillekeurig aan de lippen van den

Grooten Onbekende. En hetgeen hij hoorde, was dan ook zeer merkwaardig.

De Madonna van Rafaël bevond zich sinds onheuglijke tijden in het bezit

van het Florentijnsche Museum.

Als bijzonder kostbaar stuk werd dit schilderij nog gestrenger bewaakt

dan de andere schatten, ja, het stond zelfs onder persoonlijk toezicht

van den directeur.

De minste beschadiging van het schilderij of zelfs van de omlijsting

moest den directeur onmiddellijk worden gemeld. Elken Zaterdag werd

door hem persoonlijk het schilderij nauwkeurig onderzocht.

Op zekeren dag overviel hem bij deze bezichtiging een vreemde

gewaarwording. Al was hij ook in den loop der twintig jaren, gedurende

welke hij in dienst was van de Koninklijke verzameling te Florence

vrijwel gewend geraakt aan het genie van Rafaël, toch kon hij niet

nalaten, de Madonna telkenkeere opnieuw te bewonderen.

Maar dezen keer was die bewondering gemengd geweest met eigenaardige

gewaarwordingen.

Het was hem alsof de trekken der Madonna weinig, heel weinig, voor

niemand merkbaar, waren veranderd, alsof het landschap, dat de

wonderbare gestalte omgaf, een ander karakter had gekregen.

Het was Rafaël en toch ook weer niet de door God begenadigde

kunstenaar, het was niet volkomen deze groote meester, of misschien nog

iets meer, de Madonna van Rafaël en nog iets anders...

Professor Ciatti bracht een geheelen dag alleen met het schilderij

door. En toen hij des avonds, bleek en uitgeput, de ronde zaal van het

schilderijenmuseum verliet, stond het vreeselijke feit bij hem vast:

De Madonna van Rafaël was geruild!

Hij vertrouwde eerst zijn eigen oogen niet!

En toch—het was zoo!

Hoe was het mogelijk, dat binnen deze acht dagen het zoo streng

bewaakte schilderij was weggehaald en een goede copie er van op zijn

plaats kon zijn opgehangen!

En dat men hier te doen had met een vervalsching, een zeer handige

vervalsching, stond voor professor Ciatti vast. Slechts een bekwaam

schilder, ja, alleen een beroemd meester kon dit schilderij zoo

copieeren, dat het geen enkelen der talrijke bezoekers van het Museum

was opgevallen.

En nog iets was den directeur duidelijk: eenmaal moest de verwisseling

publiek bekend worden en dan was het gedaan met hem, met zijn geheele

bestaan! Hij alleen zou, volgens het oordeel der wereld, het schilderij

vervalscht kunnen hebben.

Zoodoende liep hij groot gevaar, voor het gerecht en in de gevangenis

te zullen komen. In de eerstkomende weken zou te Florence een

internationale conferentie tot instandhouding van kunststukken worden

gehouden en het was zoo goed als zeker, dat dan de verwisseling van het

beroemde schilderij ontdekt zou worden.

Voordat het zoover kwam, moest er dus raad worden geschaft. Al zijn

hoop was nu gevestigd op inspecteur Baxter van Scotland Yard!— —

Peinzend verliet de Groote Onbekende den directeur van het Museum.

Hij haatte het plegen van dergelijke diefstallen. Wel had hij indertijd

het beroemde schilderij van Murillo ontvreemd (zie no. 15: „De Zilveren

Apostel”), maar hij had het reeds lang weer terugbezorgd en uit een

museum had hij anders nog nooit iets gestolen.

Want hij was er van overtuigd, dat de kunstschatten van dergelijke

inrichtingen juist den armen kosteloos genot verschaffen, zooals zich

dat anders slechts millionnairs kunnen veroorloven.

Hij begreep zeer goed, dat men hier niet met een gewonen dief te doen

had. En hij besloot, de vervolging op zich te nemen.

Hij wist hoe streng de schilderijen werden bewaakt.

Om een groot, zwaar schilderij, dat met een solied slot aan den muur

was bevestigd, van zijn plaats te krijgen en daarvoor een ander neer te

hangen, dat er precies op geleek—dat was een meesterstuk, dat alle

andere boevenstreken verre overtrof.

Maar hoe den dief te vinden?

Tot dusverre hadden alle nasporingen, welke de directeur in alle stilte

in het werk had gesteld, niets gegeven, totaal niets!

De inlichtingen, welke hij inwon omtrent de personen, die het Museum

het meest bezochten, hadden ook tot niets geleid. Het heette, dat

gedurende de laatste weken, waarin Florence overstroomd werd door

vreemdelingen, als bijzonder drukke bezoekers van het Museum slechts

twee personen waren opgevallen: een jonge man en een dame met een zeer

voornaam uiterlijk.

Maar de jonge man copieerde alleen met voorkennis van den directeur een

klein schilderij en was daarop onmiddellijk weer afgereisd. Ook de dame

had naar alle waarschijnlijkheid Florence reeds verlaten, want sinds

eenige weken had men haar niet meer gezien.

In gedachten verdiept, liep John Raffles langs den oever van de Arno,

langs de Lungarno, de mooiste straat van Florence met haar voorname

hotels en het schilderachtige uitzicht op de heuvelen en bosschen.

Plotseling hoorde hij luidkeels roepen: „Giornale di

sera!”—„Avondblad!”—„Het lijk in de Cascinen!”

Een courantenjongen kwam Raffles tegemoet met een bundel avondbladen

onder den arm. De Groote Onbekende gaf hem een koperen muntstuk en

kocht een nummer.

Wat hij daarin las, scheen een zeer alledaagsch geval te zijn. In het

stadspark van Florence, in de zoogenaamde Cascinen, was het lijk

gevonden van een mannelijk persoon, die herkend was als de dertigjarige

ongehuwde Carlo Pasini.

Pasini was een onbeduidend handelaar in oudheden of eigenlijk een

tusschenpersoon, een van die figuren, van wie het in Florence wemelt en

die het den vreemdelingen soms zeer lastig maken.

Pasini was een tamelijk verloopen sujet, hij dronk en speelde en moest

nog in de allerlaatste dagen een vrij aanzienlijke som hebben verloren,

die zijn gewone inkomsten verre overschreed. Vanwaar hij dat geld had,

was onbekend.

Zooals de buren van Pasini beweerden, moest de nu overledene een rijke

beschermer hebben gehad, een Amerikaan. De man had dikwijls gepocht,

dat hij van dezen zooveel geld kon krijgen als hij maar wilde.

Maar ondanks deze pocherij verkeerde Pasini voortdurend in groote

geldverlegenheid en daarin zou ook wel de oorzaak van zijn zelfmoord

liggen.

Dat Pasini niet het slachtoffer was geworden van een misdaad, maar door

zelfmoord om het leven was gekomen, had een geneeskundig onderzoek, dat

onmiddellijk was ingesteld, bewezen.

Het lijk had een diepe steekwonde.

Er naast lag de dolk, waarmede de ongelukkige zich zelf van het leven

had beroofd. In de zakken van den doode vond men 3 Lire 70 centesimi

aan kopergeld en een gouden horloge.

Raffles stond tegen de steenen borstwering geleund en hield de courant

in zijn hand. Er was eigenlijk niets opvallends in dit bericht en

toch—waarom bleven zijn gedachten, die nog zooeven met den diefstal van

het schilderij waren vervuld, zich nu hiermede bezighouden?

Opeens doorkliefde een gedachte het brein van den Grooten Onbekende,

zoo scherp en helder als een bliksemstraal.

Raffles kon zichzelf niet verklaren waarom. Maar hij wist opeens met

groote zekerheid dat tusschen de beide gebeurtenissen, welke hij dezen

dag te weten was gekomen, tusschen den schilderijendiefstal en het

gevonden lijk, eenig verband bestond.

Hij vatte het besluit, het spoor van den vermeenden zelfmoord verder te

volgen.

In het lijkenhuis was de doode niet meer. Als had de politie er haast

mee gemaakt om het lijk kwijt te raken, was het lichaam van Pasini nog

dienzelfden dag ter beschikking gesteld van zijn familie.

Men toonde Raffles het wapen waarmede de handelaar in oudheden den

zelfmoord zou hebben gepleegd.

Het was een eenvoudige dolk, zooals de Italianen die dikwijls gebruiken

bij vechtpartijen, maar bij nader onderzoek van het wapen ontging het

den scherpen blik van den Grooten Onbekende niet, dat de dolk langen

tijd ongebruikt gelegen moest hebben.

Hij ontdekte ook eenige vingerafdrukken op het heft en deze sporen

wezen er met alle zekerheid op, dat zij door een persoon waren

achtergelaten, die niet gewend was, er mee om te gaan.

Raffles zag duidelijk voor zijn geestesoog, hoe het wapen was

vastgehouden en dat was hem voldoende om de overtuiging te krijgen, dat

de handelaar in oudheden, Carlo Pasini, door een ongeoefende, vreemde

hand was vermoord.

Den volgenden dag vervoegde zich bij de oude moeder van den vermoorden

Pasini een man met een klein, houten kistje, dat hij met een riem over

den schouder droeg. Men zag dadelijk aan zijn uiterlijk, dat hij kleine

sieraden in het kistje had, zooals die veel in de straten van Florence

te koop worden aangeboden.

De koopman sprak dialect en gedroeg zich tamelijk brutaal.

Met luide stem verlangde hij van de oude vrouw, dat zij hem 25 lire zou

betalen, die haar zoon hem schuldig zou zijn gebleven.

„Die schurk, die bedrieger!” schreeuwde de man, „vijf en twintig lire

is hij mij schuldig. Als ik ze niet krijg, sla ik u de vensters in!”

Nu begon de Italiaansche van haar kant ook te schelden. Een half uur

lang duurde dit geschreeuw en gevloek; eindelijk begreep de oude vrouw,

dat de man niet zoo gemakkelijk weg te krijgen was en riep:

„Wat wilt gij dan? Ik heb geen geld. Mij heeft hij nooit wat gegeven;

Carlo kreeg alles. Ga naar hem, misschien betaalt hij je het

verschuldigde!”

„Wie?” vroeg de woedende koopman.

„Wel, die vervloekte Amerikaan uit het hotel Bellevue; aan hem en zijn

geld heb ik het nu te danken, dat mijn zoon Carlo de hand aan zichzelf

heeft geslagen. Ga naar hem, en...”

Bij deze woorden sloeg de vrouw de deur dicht.

De koopman bleef een oogenblik staan, daarop sprong hij vlug op en

begaf zich met haastige schreden naar het bedoelde hotel.

Daar verzocht hij den portier zoo beleefd en onderdanig mogelijk om

vergunning, den rijken Amerikaan te mogen spreken; hij vertelde, dat

hij de vriend van Carlo Pasini was en dien heer eenige belangrijke

mededeelingen had te doen. De goedige portier liet den koopman door en

riep een der kellners toe:

„Breng dien man naar Mr. Kinley.”

Toen John Raffles—want de koopman was niemand anders dan de geniale

meesterdief—boven was, moest hij eenige minuten op den Amerikaan

wachten. Deze had juist bezoek.

Nauwelijks was de kellner verdwenen, of John Raffles legde zijn oor

tegen de deur en hoorde nog het laatste van een gesprek:

Naar de stemmen te oordeelen sprak een oudere heer.

„Hoor eens, ik moet het hebben, ik moet; het moge kosten, wat het wil.”

„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde een tweede, jongere mannenstem.

„Ik bied u tienduizend francs!”

„Het gaat niet,” antwoordde de jongere op kalmen toon.

„Ik bied u vijftien, twintigduizend!” riep de oudere heer opgewonden.

„Neen, ik doe het nu ook niet voor honderdduizend. Bedenk eens...”

De stem ging over tot een gefluister. Raffles hoorde niets meer.

Daarop ging de deur open en een jonge, elegant gekleede man snelde de

gang door. Een vluchtige blik was den Grooten Onbekende voldoende om

zijn trekken goed op te nemen.

De voorbijsnellende zag er volkomen uit als een man van de wereld, maar

Raffles zag dadelijk, dat deze uiterlijke chic van eenigszins

verdachten aard was.

„Wat wenscht gij!” klonk op dit oogenblik een stem naast hem.

„Genadige Signore,” begon Raffles en bijna uitte hij een kreet van

verbazing, want dien Amerikaan, die daar voor hem stond, kende hij—maar

onder een anderen naam!

Onmiddellijk echter bedwong hij zijn verwondering en op onderdanigen

toon vervolgde hij:

„Wilt gij mooie, oude dingen koopen, signore? Echte antieke stukken?”

„Laat eens kijken, wat gij hebt,” riep de Amerikaan uit en ging,

gevolgd door Raffles, de zitkamer binnen.

De Groote Onbekende begon met hem over antieke meubelen, porselein en

schilderijen te praten. De Amerikaan luisterde vol aandacht, wilde de

dingen zien en beloofde, goed te zullen betalen.

„Ja, genadige Signore,” riep de koopman, „ik weet dat gij goedhartig

zijt. Mijn vriend, die arme Carlo Pasini, heeft het mij altijd wel

gezegd.”

„O, zoo? Hebt gij Pasini gekend?” vroeg Mr. Kinley, schijnbaar volkomen

kalm, maar het ontging niet aan de scherpe ooren van Raffles, dat zijn

stem onzeker was.

„Nu, goed, goed, wij zullen zien. Kom morgen terug. Vandaag heb ik geen

tijd,” sprak de Amerikaan, terwijl hij opstond.

Toen Raffles op straat was gekomen, gaf hij zich geheel aan zijn

gedachten over.

„Kinley? Kinley? Hoe komt hij er toe, hier in Florence, in deze

rustige, vreedzame stad, een valschen naam aan te nemen?”

Raffles had den Amerikaan op den eersten blik herkend. Dikwijls genoeg

had hij diens portret gezien en zijn naam in couranten gelezen. Ja,

zelfs vaker dan de namen van andere Amerikaansche multi-millionnairs,

want de ijdelheid en zucht naar roem van dezen man waren bijna even

groot als zijn rijkdom.

Charles C. Talbott ging door voor een der rijkste onder de opperste

tienduizend in Philadelphia. Hij was beroemd door zijn weldadigheidszin

en om zijn reusachtige kunstverzamelingen. In verschillende steden van

Amerika en Europa bezat hij prachtig ingerichte huizen, want hij reisde

zeer veel.

Wat bewoog Charles C. Talbott, dezen ijdelsten van alle millionnairs,

ertoe om in Florence den naam Kinley te dragen? Wilde hij zich door

zijn incognito misschien rust verzekeren en lastige bedelaars op een

afstand houden?

Maar ook onder den naam Kinley stond hij in hotel Bellevue bekend als

Amerikaansch millionnair en werd hij door allerlei soort kooplieden,

bedelaars en verzamelaars lastig gevallen!

Raffles zag iets raadselachtigs in de handelwijze van Charles C.

Talbott en dit raadsel moest opgelost worden. Hij was nu opmerkzaam

geworden op den millionnair en hij wilde dezen niet zoo spoedig uit het

oog verliezen.

De Groote Onbekende verdween voor een oogenblik onder de brug van de

Arno, die in de buurt van hotel Bellevue was en toen hij weer te

voorschijn kwam, had hij zijn kistje met snuisterijen niet meer bij

zich. Daarvoor in de plaats droeg hij een mandje met viooltjes in de

hand en zijn gelaat was onherkenbaar veranderd.

„Viooltjes, versche viooltjes!” riep hij. Hij zocht een plaatsje bij

het hotel, zooals de Italiaansche bloemenverkoopers dat gewend zijn te

doen en bood den voorbijgangers zijn koopwaar aan.

Maar hij verloor de vestibule van het hotel geen oogenblik uit het oog.

Er verliep ongeveer een uur, toen Mr. Talbott bij den uitgang

verscheen.

Een rijtuig kwam voor, de millionnair stapte in en reed weg. In snellen

draf helde de bloemenverkooper het rijtuig na.

In een der stedelijke plantsoenen, die boogvormig om het binnenste

gedeelte van de stad loopen, bleef het rijtuig staan. Talbott betaalde

den koetsier en nam zijn weg door de nauwe, smalle straatjes weer naar

het centrum der stad.

Raffles volgde hem ongemerkt.

Hij had geen bloemen meer bij zich en maakte den indruk van een mensch,

die geen bedelaar van beroep is, maar slechts af en toe zijn hand

ophoudt.

Bij een klein, onooglijk wijnlokaal bleef Talbott staan. Hij keek met

een snellen blik om zich heen en verdween in het huis.

De Groote Onbekende volgde hem.

Het wijnhuis bestond uit een vrij groot vertrek en een achterkamertje.

De kastelein zat bij het buffet en schreef langzaam en met inspanning

in zijn boek. Het was in den namiddag, geen enkele bezoeker bevond zich

in het lokaal.

Raffles bestelde een halven liter goedkoopen landwijn en ging in een

hoekje zitten. Nadat hij een glas had gedronken, legde hij zijn hoofd

op de armen en sliep schijnbaar in.

Hij wist, dat Talbott in het aangrenzende achterkamertje moest zijn.

Maar hij wilde geen achterdocht opwekken en bleef geduldig zitten.

Opeens hoorde hij zachte schreden. Zonder zijn houding van slapenden

drinker te veranderen, haalde Lord Lister snel een photographisch

zaktoestel te voorschijn. Op dit oogenblik ging Talbott hem voorbij en

achter hem kwam een dame, die haar sluier had opgeslagen, zoodat men

haar buitengewoon mooi gelaat kon zien.

Bliksemsnel richtte Raffles zijn toestel op het tweetal. Daarop stond

hij geeuwend op, betaalde den herbergier den wijn en verliet het

lokaal.

Hij zag Talbott en diens gezellin, die nu haar sluier liet vallen, op

ongeveer honderd pas afstands in een rijtuig stappen.

Raffles snelde het voertuig na. Maar blijkbaar op bevel van de

inzittenden ging het plotseling in vluggen draf, zoodat Lord Lister het

rijtuig niet meer te voet kon volgen. Hij sprong achter op het rijtuig,

maar de dame bemerkte dit en gaf den koetsier een wenk. Deze sloeg met

de zweep achteruit en Raffles kon nog juist op het laatste oogenblik

afspringen. In razende snelheid verdween het rijtuig uit het oog van

Lord Lister.

„Wat zou de aristocratie in Philadelphia zeggen, als men u, Mr.

Talbott, in een huurrijtuig op deze wijze door Florence zag snellen?”

dacht de Groote Onbekende. „Welke reden heeft hij om dat te doen?”

Toen Raffles den volgenden morgen volgens afspraak bij den millionnair

kwam in het hotel Bellevue, vertelde de portier hem, dat Mr. Charles C.

Talbott rechtstreeks naar Londen was vertrokken.

„Gij hebt er dus reden toe, voor een bescheiden handelaar in oudheden

te vluchten, Mr. Talbott”, sprak Raffles lachend tot zichzelf.

Hij wist, dat het hem niets zou geven, al wilde hij den millionnair

volgen, want hij begreep, dat Londen slechts het voorgewende doel der

reis was. Nu twijfelde hij er geen oogenblik meer aan, of Talbott stond

tot de misdaad in betrekking.

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN DE EEUWIGE STAD.

In het „Internationale tijdschrift voor Kunst” stond op zekeren dag de

volgende advertentie:

„Een geleerde is van plan een wetenschappelijk werk over oude

Italiaansche schilderijen en hun copieën uit te geven. Hij verzoekt

derhalve alle artisten en kunstliefhebbers, welke goede copieën

bezitten van oude Italiaansche schilderijen, in het belang der

wetenschap, hun adres op te geven bij directeur Professor Ciatti,

Florence.”

Toen Lord Lister zich bij directeur Ciatti liet aandienen, kwam deze

hem tegemoet met een stapel brieven in de hand.

„Uw raad was voortreffelijk, hooggeachte Mr. Baxter”, sprak hij op

opgewekten toon. „Deze hoop brieven kwam alleen van artisten, welke in

den loop der laatste 40 jaar onze Madonna van Rafaël hebben

gecopieerd.”

„Gij weet nu zeker wel, heer directeur, wiens penseel de

voortreffelijke copie heeft kunnen vervaardigen, die inplaats van het

gestolen schilderij is achtergelaten”, sprak Raffles.

„Jawel. Ik heb al de brieven doorgekeken en ik geloof, dat er de naam

bij is van den persoon, aan wien de copie kan worden toegeschreven.”

„En die is?” vroeg Raffles.

„Professor Grombeck te Rome”, sprak de directeur.

„Aha! Dat is mijn vriend!” viel Raffles hem verbaasd in de rede.

„Kent gij professor Grombeck?” vroeg de directeur verrast.

„Ja, van zijn reis naar Amerika”, antwoordde de vermeende inspecteur.

„Wat schrijft hij?”

Professor Ciatti overhandigde hem den brief.

„Hooggeachte heer!” schreef de bekende schilder. „Bij dezen ben ik

zoo vrij, u mede te deelen, dat ook ik eens een groot Italiaansch

doek heb gecopieerd en wel de beroemde Madonna van Rafaël, die zich

in het Museum te Florence bevindt. De copie is helaas sinds langen

tijd niet meer in mijn bezit.

Met de meeste hoogachting

GROMBECK.”

„Gij gelooft dus stellig, dat Grombeck de copie heeft gemaakt?” vroeg

Raffles, nadat hij den brief had gelezen.

„Ja, stellig! Ik wilde zelfs dadelijk nadere inlichtingen van den

professor vragen.”

„Ik verzoek u, dat niet te doen”, viel Raffles den directeur in de

rede. „Ik wilde gaarne, dat gij eenige dagen lang niets zonder mijn

voorkennis deedt. Ik vertrek nog heden naar Rome. Mijn adres is

post-restant.”

Spoedig daarna zat de Groote Onbekende in den spoortrein en las de

courant, toen plotseling een artikel zijn aandacht trok:

„Museum-diefstallen.

Hedenmorgen bevatte ons blad het bericht omtrent een nieuwen,

belangrijken diefstal, welke in een onzer nationale verzamelingen

is gepleegd.

Dezen keer geldt het een kostbaren Renaissance-spiegel, die eens

aan de beroemde heeft toebehoord.

Het laatst was dit kostbare stuk het eigendom van de hertogin der

Abruzzen, welke het aan de koninklijke verzameling ten geschenke

gaf.

Steeds opnieuw moeten wij erop wijzen, hoe slecht onze musea worden

bewaakt. De lijst van de gestolen voorwerpen groeit op

onrustbarende wijze.

En het is merkwaardig, dat al deze diefstallen bijna tegelijkertijd

worden gepleegd. Heeft men hier te doen met een epidemie of vallen

onze kunstvoorwerpen in handen van een wijdvertakte bende?

Maar hoe het ook zij, het wordt tijd, dat er een eind komt aan het

bedrijf van deze brutale misdadigers!”

Zoo eindigde het artikel in de courant.

Raffles zat een poosje na te denken.

„Het schijnt inderdaad”, sprak hij tot zichzelf, „dat ik mij in dit

land der kunst met de kunst moet bezighouden, maar op een zeer

eigenaardige manier.”

Nog voordat John Raffles zich den volgenden dag naar zijn vriend,

professor Grombeck, begaf, nam hij op het postkantoor een telegram in

ontvangst van directeur Ciatti, van den volgenden inhoud:

„Verzoeke u dadelijk te melden bij den museum-directeur van het

Quirinaal. Persoonlijk onderhoud noodzakelijk!”

„Dat dacht ik wel”, mompelde de Groote Onbekende.

In het paleis van het Quirinaal, de verblijfplaats van den Koning, kon

Lord Lister slechts met moeite den directeur te spreken krijgen.

De kunstverzamelingen waren voor het publiek gesloten. Onder de

beambten heerschte de grootste opgewondenheid.

Al vertegenwoordigde de gestolen spiegel ook geen bijzonder groote

waarde, toch was het een ongehoord geval, dat uit de persoonlijke

eigendommen van den Koning op klaarlichten dag iets was gestolen.

De directeur was de kluts kwijt.

Door de politie werd huiszoeking gedaan bij verschillende beambten van

het Quirinaal-museum, maar niets werd gevonden. De beambte, onder wiens

bijzonder toezicht de gesloten glazen kast stond, waaruit de spiegel

was ontvreemd, werd gevangen genomen.

De Groote Onbekende vernam al deze bijzonderheden van den directeur.

Deze hooggeplaatste ambtenaar verzocht den vermeenden inspecteur Baxter

dringend om hulp. Hij had van diens verblijf te Florence gehoord en

nauwelijks was de diefstal van den spiegel ontdekt, of hij richtte zich

tot zijn collega, professor Ciatti.

De directeur zegende het toeval, dat Baxter zich te Rome bevond en de

Italiaansche koninklijke beambte aarzelde geen oogenblik, om de geheele

aangelegenheid aan Raffles toe te vertrouwen.

Wat nu te doen?

Lord Lister was sinds zijn komst te Florence in een aantal

moeilijkheden gewikkeld, tot welker oplossing in het geheel geen

gegevens voorhanden waren.

De verwisseling van het beroemde schilderij van Rafaël, de moord op

Pasini—want voor Raffles stond het vast dat men hier met een moord te

doen had—en nu den diefstal van den kostbaren spiegel. Aan welke van

deze drie problemen zou hij zijn krachten en zijn scherpzinnigheid

wijden?

Iedere detective zou in zijn plaats beginnen met zich met een dezer

drie gevallen bezig te houden. Maar Raffles was een geheel ander

mensch.

Hij wist, dat er voor hem geen toeval bestond. De opeenvolgende reeks

van zijn ervaringen en avonturen, zooals die zich geleidelijk achter

elkander hadden afgespeeld, was voor hem niet, zooals voor gewone

menschen, een spel van het toeval.

Zijn instinct deed hem altijd eenig verband vinden tusschen de op zich

zelf staande, schijnbaar van elkaar onafhankelijke gebeurtenissen.

En daarom besloot hij nu, om te trachten alle drie misdaden

tegelijkertijd op het spoor te komen en, zoo mogelijk, van al deze drie

gevallen den dader te vinden.

Toen Lord Lister bij zijn vriend, professor Grombeck kwam, bevond deze

zich juist in de Campagna, de groote Romeinsche laagvlakte, waar hij

aan een landschapsschilderij werkte. Raffles moest een geheelen dag

wachten, voordat Grombeck terugkwam.

Hij keerde daarom naar het Quirinaal-museum terug en bestudeerde daar

de zaal en de glazen kast, waaruit de spiegel was gestolen.

Maar hij kon niets bijzonders ontdekken. Het slot der kast was geheel

onbeschadigd en toen hij vroeg, wie den sleutel van dit slot bezat,

kreeg hij ten antwoord, dat deze anders in handen van den beambte

Grasso was, die zich nu in hechtenis bevond.

Om zijn tijd zoo mogelijk nuttig te besteden, besloot Raffles nu, om,

voordat zijn vriend, de schilder, terugkwam, een bezoek te gaan brengen

bij de familie van den gevangen genomen Grasso.

Hij verwachtte, in verband met de verdenking, die op Grasso rustte, een

vuile bende te zullen vinden van twijfelachtige eerlijkheid. Maar hij

was aangenaam verrast, toen hij een kleine, zeer zindelijke woning

binnentrad en de vrouw van den beambte hem, zelfs in haar ongeluk zeer

vriendelijk, tegemoet kwam.

Het was een slanke, donkergelokte vrouw met levendige, diep zwarte

oogen, een echte Italiaansche schoonheid. Dadelijk daarna verscheen ook

de moeder van den gevangene, een oud, door de jaren gebukt vrouwtje met

zachte, goedige gelaatstrekken.

John Raffles stelde zich voor als collega van Grasso en binnen eenige

oogenblikken wist hij het vertrouwen der beide vrouwen te winnen.

Oprecht en openhartig vertelden zij hem, hoe zij aanvankelijk geheel

verslagen waren geweest door de inhechtenisneming van den beminden zoon

en echtgenoot. Zij twijfelden echter geen oogenblik aan zijn onschuld

en beschouwden het alleen als een verzoeking van Hooger Hand, dat zij

zoo lang moesten wachten en lijden, voordat de waarheid aan het licht

kwam.

Daar de beide vrouwen in Raffles een vriend zagen, toonden zij hem alle

notitieboeken, brieven en papieren van den gevangene, maar hoe

nauwkeurig Raffles dit alles ook doorkeek, hij vond daarin niet het

minste, wat aanleiding kon geven om Grasso te verdenken, aandeel te

hebben in den diefstal.

Het was reeds avond geworden, toen Raffles de goede menschen verliet.

Het was heerlijk, zacht weer, een der lenteavonden, waarin Rome, de

oude stad, in den vollen tooverglans van haar antieke pracht straalt.

Raffles besloot, te voet naar zijn hotel terug te keeren en zich

onderweg in de frissche lucht geheel aan zijn gedachten over te geven.

Hij wist het: als het koele verstand zweeg, dan wees zijn phantasie hem

nieuwe wegen en middelen, die als uit zijn ziel opdoken.

De familie Grasso woonde in het midden der oude stad. De nauwe en

kromme straatjes, waarin ook een inwoner der stad slechts met moeite

den weg kan vinden, geleken Raffles een doolhof. Nadat hij een tijdlang

rondgewandeld had, ging hij onder een lantaarn staan en haalde een

kaart van den platten grond van Rome te voorschijn om zich omtrent den

weg te oriënteeren.

Hij was zoo in dit werk verdiept, dat hij niet bemerkte, hoe op het

oogenblik, waarop hij de kaart uit zijn zak haalde, daaruit een couvert

op den grond viel.

Raffles teekende den weg, dien hij moest nemen, op de kaart aan, stak

zijn gids weer bij zich en ging langzaam en nadenkend verder.

Opeens hoorde hij achter zich roepen:

„Signore! Signore!”

Hij keek om en zag een jongen van ongeveer twaalf jaar, die buiten adem

met een couvert in de hand naar hem toekwam.

„Gij hebt iets verloren!” riep het kind buiten adem en gaf Raffles het

couvert.

Op het eerste oogenblik herkende de Groote Onbekende zijn eigendom niet

eens. Maar nu viel hem in, dat hij in Florence, bij de vervolging van

den Amerikaan, dezen in het wijnlokaal te zamen met de gesluierde dame

ongemerkt had gephotografeerd.

Later had hij deze moment-opname laten vergrooten en ze in zijn zak

gestoken.

Om zich ervan te overtuigen of het werkelijk de photo was, die hij

zooeven had verloren, opende hij het couvert.

Raffles stond naast een helder verlichten winkel. Tegenover hem stond

de jongen en zijn zwarte, vonkelende oogen volgden nieuwsgierig elke

beweging van den vreemden heer.

Opeens slaakte hij een kreet van vreugde, wees naar de photographie en

riep:

„O, de signora, de vreemde dame!”

Raffles keek op.

„Je bent een brave jongen”, sprak hij. „Daar heb je een paar soldi,

omdat je mij het couvert hebt terug gegeven.”

„Ik dank u zeer, signore!” riep de jongen verrukt uit. „Gij zijt goed.

Gij zijt zeker de broeder van de signora, want zij is ook zoo goed. Gij

zijt een buitenlander, de signora is ook een buitenlandsche en alle

vreemdelingen zijn goed.”

„Zoo, mijn jongen?” viel Raffles hem in de rede, „hoe is je voornaam?”

„Alberto”, luidde het antwoord.

„Jij bent een flinke jongen, Alberto”, sprak de Groote Onbekende op

vriendelijken toon. „Kom, ga een eindje met mij mee en vertel mij

iets.”

Met de echte vertrouwelijkheid der Italianen begon Alberto allerlei

verhalen van zichzelf en zijn familie te vertellen. Raffles luisterde

geduldig; daarop vroeg hij, als terloops:

„En de buitenlandsche signora? Ken je die reeds langen tijd?”

„O ja! Ik ken de signora reeds verleden voorjaar. Maar zij is zoo

dikwijls op reis. Dan komt zij opeens terug en geeft mij soldi.”

„Weet je ook, Alberto, of de signora nu op reis is?”

„Neen, zij is weer hier!” riep Alberto op levendigen toon. „Ik heb haar

vandaag juist ontmoet, vroeg in den morgen, toen ik bij de Sint

Paolokerk stond, kwam zij daar uit en heeft een heele poos tegen mij

gepraat.”

„Zij heeft je ook iets omtrent signore Grasso gevraagd, nietwaar?”

vroeg Raffles. „Dien ken je toch zeker wel, dat is de man, die nu in de

gevangenis zit.”

„Ja”, sprak de jongen. „De signora heeft ook over hem gesproken en over

zijn familie. De signora is goed.”

„Weet je ook, waar zij woont, Alberto?”

„En of! In de buurt van het groote paleis, waar het huis van onzen

koning is. De signora zei.......”

„Mooi, mijn kind”, viel Raffles den mededeelzamen jongen in de rede.

„Je bent een verstandige jongen, dat zie ik wel. Wil je mij een

pleizier doen?”

„O ja, graag!”

„Dan moet je morgenochtend heel vroeg bij het huis der signora zijn en

den geheelen dag haar volgen en goed opletten, wat zij doet. Maar zij

mag niets van ons gesprek weten, begrijp je, Alberto?

„Dan kom je morgenavond bij mij in het groote koffiehuis op de Corso,

waar de rijke heeren altijd zitten en dan vertel je mij weer alles.

„Daarvoor krijg je dan een heele hoop soldi van mij.”

„Goed”, riep Alberto verrukt uit, „ik zal alles doen, wat gij mij hebt

gezegd. En niemand zal er iets van te weten komen.”

De ontmoeting tusschen Lord Lister en den Duitschen schilder was zeer

hartelijk. Zij hadden elkaar sinds jaren niet gezien en de professor

was innig verheugd zijn vriend, Lord Lister, weder te ontmoeten.

Zonder den professor de werkelijke aanleiding tot zijn reis naar Rome

mede te deelen, vertelde Raffles hem, dat hij toevallig door een

kennis, den directeur van het Koninklijke Museum te Florence, had

vernomen, dat hij, professor Grombeck, zich te Rome bevond en daar hij

zich alleen voor zijn genoegen in Italië bevond, wilde hij niet

verzuimen, zijn vriend op te zoeken.

Het gesprek liep al spoedig over kunst, vooral over de schilderkunst,

het vak van den professor.

„Toen ik in de schilderijengalerij van het Museum te Florence de

wonderschoone, wereldberoemde Madonna van Rafaël bewonderde, vertelde

directeur Ciatti mij, dat ook gij eens dit kunstwerk hebt gecopieerd.

Zou ik dat werk eens mogen zien, mijn beste vriend?”

De heldere oogen van den schilder werden als door een doffen sluier

bedekt.

„Helaas neen”, sprak hij op droevigen toon, „het schilderij is weg,

evenals mijn mooie droom van geluk verdwenen is, onherroepelijk en voor

eeuwig!”

Raffles bemerkte, dat hij, door over het schilderij te spreken,

treurige herinneringen bij zijn vriend had opgewekt. Hij vatte diens

hand en sprak op zachten toon:

„Ik vraag het niet uit nieuwsgierigheid; en al verzwijg ik ook de reden

van mijn weetgierigheid, gij begrijpt zeker wel—dat is een gewichtige

en daarom—vertel mij van uw copie. Wanneer hebt gij deze gemaakt?”

„Wanneer ik die heb gemaakt?” herhaalde de professor weemoedig. „De

tijd, waarin ik dat stuk heb gewrocht, ligt reeds lang achter mij.

„Ik was toen nog jong, zoo jong, dat ik aan trouw en in de menschen

geloofde. Ik leefde voor mijn ideaal en dat was een jonge vrouw, geloof

mij, zij was zelf als de Madonna van Rafaël, want Kitty geleek op haar

als de eene tweelingzuster op de andere.

„Ik beminde Kitty en vereerde het schilderij. Daar ik haar haar eigen

schilderij wilde geven, begon ik de Madonna te copieeren. Met

koortsachtigen ijver werkte ik, dag in, dag uit, veel maanden lang en

toen de copie gereed was,—mijn vrienden prezen haar en vergeleken haar

bij de beste oorspronkelijke schilderijen—kwam de groote ontnuchtering.

„Kitty had alleen het gelaat en de handen van de Goddelijke Madonna,

haar ziel echter was die van een duivelin.

„Het beviel haar niet, de vrouw te worden van een eenvoudig schilder,

die toen nog onbekend was.

„Zij wilde niets meer van den armen drommel weten. Zij verlangde naar

rijkdom, naar pracht en praal, zij wilde machtig zijn.......

„En op zekeren dag was zij verdwenen en met haar was het gecopieerde

schilderstuk, waaraan ik met hart en ziel had gewerkt, voor altijd weg.

„Ik heb geen van beiden ooit terug gezien”, eindigde Grombeck bijna

fluisterend zijn verhaal.

„Hoe heette de vrouw, die zooveel gelijkenis vertoonde met de Madonna?”

vroeg Lord Lister, toen na een poosje zijn vriend weer kalmer was

geworden.

„Kitty Molders”, sprak de schilder. „Ik heb nimmer gehoord, wat er van

haar is geworden, waar zij is gebleven.”

John Raffles zweeg.

„Zou de directeur te Florence zich vergist hebben?” dacht hij. „Maar

neen, dat was niet mogelijk. Ook ik, die niet aan schilderen doe, zou

erop zweren, dat de copie van een modern artist moet zijn en die artist

is mijn vriend Grombeck.

„Maar hoe is de copie op de plaats van het gestolen schilderij

gekomen?”

DERDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT WEERZIEN.

Toen Raffles den professor had verlaten, twijfelde hij er geen

oogenblik aan, dat het geschenk van den schilder aan de geliefde uit

zijn jeugd niet door toeval in de handen van den brutalen museumdief

was geraakt.

Hij wist nog niet, wie deze dief was.

Zooveel kon hij slechts met zekerheid zeggen: er moest verband bestaan

tusschen den millionnair Talbott, de dame, welke door den Romeinschen

straatjongen Alberto signora Potter werd genoemd en het gebeurde te

Florence, misschien ook was de vermetele diefstal in het

Quirinaal-museum te Rome er bij betrokken.

Maar ook dit wist hij: het zou niets geven, al liet hij de dame, wier

adres hij nu immers kende, door de Italiaansche politie in hechtenis

nemen.

Raffles wist maar al te goed uit eigen ervaring, hoe voorzichtig men

moest zijn met het gevangen nemen van rijke en voorname lieden.

Zulk een maatregel zou groot opzien verwekken en hemzelf een

onafzienbare reeks onaangenaamheden bezorgen. Intusschen zouden dan

alle sporen der misdaad volkomen zijn uitgewischt.

Verdiept in deze overpeinzingen, liep hij plotseling op het smalle

trottoir tegen een voorbijganger aan. Hij mompelde een

verontschuldiging, sprong terug en keek onwillekeurig op. Maar

onmiddellijk keek hij weer voor zich en verdween tusschen de menschen.

De voorbijganger herkende hem niet, maar met scherpen blik keek Raffles

den man na. Waar had hij dien eigenaardigen gang gezien, dit uiterlijk

van vervallen grootheid, die puntige knevels en dat gladgestreken

zwarte haar.......

Zijn geheugen was hem nimmer ontrouw—hij wist het al—het was de jonge

elegante heer, wiens gesprek met den Amerikaanschen millionnair hij in

hotel Bellevue te Florence had afgeluisterd. Talbott had hem toen Dent

genoemd.

John Raffles overtuigde er zich eerst van, dat de man hem niet had

herkend, daarop volgde hij hem onopgemerkt.

Een tijdlang liepen zij achter elkaar.

Plotseling vloog een gedachte door het brein van den Grooten Onbekende,

die hem in het eerste oogenblik dwaas scheen. Maar er was geen tijd om

lang na te denken. Zij waren nu bij een drukke hoofdstraat gekomen.

Raffles liep met vlugge stappen langs Dent en begon:

„Pardon, mijnheer”,.......

„Gij wenscht?” vroeg deze op verbaasden toon.

„Ziet gij niet een spook?” vroeg Raffles met de onschuldigste stem van

de wereld.

„Een spook?—Zijt gij krankzinnig, mijnheer?—Wat voor een spook?” vroeg

Dent verbaasd.

„Het spook van...... Carlo Pasini”, sprak Raffles kalm en langzaam.

Een woeste uitdrukking verscheen in de oogen van den man, maar hij

verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet.

Zij bevonden zich op een der drukste punten van de Romeinsche

hoofdstraat. Rondom hen bewoog zich een talrijke menigte.

Plotseling sprong Dent terzijde en schreeuwde:

„Een dief, een dief! Men heeft mijn beurs gestolen! Houdt den dief!”

Dadelijk was alles in beroering, iedereen liep achter den man aan.

Allen schreeuwden en de verwarring werd hoe langer hoe grooter. In een

oogenblik waren Raffles en Dent door een groote volksmenigte van elkaar

gescheiden.— —

Toen Lister, die bedaard was blijven staan, om zich heen keek, was Dent

niet meer te zien.

„Je truc is je gelukt”, sprak Raffles tot zichzelf, terwijl hij spijtig

glimlachte, „maar het zal je niet baten. Ik weet, wat ik wenschte te

weten!”

Hij snelde naar het café, waar hij Alberto zou ontmoeten. Het was er

vol bezoekers.

John Raffles nam in een hoekje plaats en wachtte geduldig.

Opeens zag hij, hoe een straatjongen zich vooruitwerkte door het gewoel

der gasten en naar hem toekwam.

Juist, het was Alberto, de slimme, Romeinsche straatjongen.

Maar hij bleef bij geen enkel tafeltje staan en kondigde zijn koopwaar

ook niet aan; hij naderde Raffles onmiddellijk en fluisterde dezen toe:

„Zij gaat vanavond naar Parijs!”

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DEN D-TREIN.

De expresse Rome-Parijs zou binnen een uur vertrekken.

Lord Lister had nog juist tijd, om afscheid te nemen van Rome en de

noodige maatregelen te nemen.

Het was twee minuten voor het vertrek van den trein. De

courantenverkoopers en buffetjongens liepen op het perron heen en weer

en boden met luider stemme het reizend publiek ververschingen en

lectuur aan.

De reizigers hadden reeds plaats genomen in de coupé’s en wachtten op

het teeken tot vertrek, terwijl zij zich nog door de openstaande

raampjes en waggondeuren onderhielden met de personen, die hen

wegbrachten.

De locomotief dampte en snoof als een vurig paard, dat zich op een

langen rit voorbereidt.

De spoorwegbeambten holden heen en weer en deelden hun laatste bevelen

uit.

Plotseling verscheen in de laatste minuut voor het vertrek van den

trein nog een late passagier op het perron. Het was een slanke dame met

zeer voornaam uiterlijk.

Een vrouw, waarschijnlijk haar kamenier, volgde met talrijke doozen en

pakjes.

Aller oogen vestigden zich op de slanke vrouwengestalte. De conducteur

opende het portier van een coupé eerste klasse en hielp haar instappen.

De kamervrouw stapte mede in.

De conducteur wilde reeds de deur van den waggon weer dichtslaan, toen

nog een reiziger naderde.

Het was een corpulente katholieke geestelijke, die hijgend met zijn

handkoffertje kwam aanhollen en in Romeinsch dialect vroeg:

„Eerste klasse, niet rooken?”

De conducteur liet hem in dezelfde coupé plaats nemen, waar de dame

reeds zat. Op het volgende oogenblik gaf de stationschef het teeken tot

vertrek en zette de trein zich in beweging.— — —

Reeds eenige uren lang zat de dame in haar hoekje tegen het roode

pluche geleund, schijnbaar te sluimeren. Ook de geestelijke zat

onbeweeglijk en toonde geen belangstelling voor de streek, waardoor zij

reisden, hoewel het landschap, badend in het zachte maanlicht, een

tooverachtigen aanblik bood.

Alles was stil; men hoorde alleen het geratel der wielen en het stampen

van de locomotief.

Eindelijk sliep de geestelijke in.

Zijn zware ademhaling en zacht gesnurk schenen de dame te hinderen,

want plotseling stond zij op.

Met een vluchtigen blik overtuigde zij zich ervan, dat de geestelijke

sliep. Daarop begaf zij zich naar de lange zijgang en liep naar den

kant, waar zich de rookcoupé’s bevonden.

Voor een der afdeelingen bleef zij staan. Slechts een heer zat daar,

een man van middelbaren leeftijd, in wien men dadelijk den Amerikaan

herkende.

Zij aarzelde een oogenblik; toen klonk het op zachten toon van haar

lippen:

„Charly!”

De heer sprong op, maar op hetzelfde oogenblik klonken achter de dame

zware voetstappen. Het tweetal keerde zich om en zag den geestelijke,

die met langzame stappen naderkwam.

Met groote tegenwoordigheid van geest kwam de dame naar hem toe en

vroeg met een betooverend glimlachje:

„Pardon, kunt u mij ook zeggen, waar de restauratiewagen is?”

„Ik geloof, aan het eind van den trein, dame”, antwoordde de

geestelijke.

Met een vriendelijk „dank u” ruischte de dame in de aangeduide

richting.

De geestelijke bleef in den zijgang bij het raampje staan. Hij scheen

naar buiten te kijken, maar het ontging zijn scherpen blik niet, hoe

zij, op het oogenblik, dat zij de coupé van den Amerikaan passeerde,

als per ongeluk een klein stukje wit papier ter grootte van een

visitekaartje liet vallen. Onmiddellijk zette de Amerikaan er zijn voet

op.

Lord Lister No. 0038: Een Museumdiefstal · 第 1 / 5 段