Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten

en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die

niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met

verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te

genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en

bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren

van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen

in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van

nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn

als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te

zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet

het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden."

Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee

verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een

slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van

't gebed van de zwerfster: "Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere

God!" Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing,

maar hij liet zich niet terughouden.

"Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist," barstte hij uit, "en nieuwe

schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt.

Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan

verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen

om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb."

Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende

iets te hooren dat leek op: "U geschiede naar uw wensch!"

Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde

oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist

in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam

zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist

in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar

het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de

natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen

toe te geven.

Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog,

hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet zóó kwelden als vroeger.

Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen

hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst

bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.

De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich

als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht

en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en

voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed,

die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den

dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde.

Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij

was zóó dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om

zich niet met een hopeloos streven te overspannen.

Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om

een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun

spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen

in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten

wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid

hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch

hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere

sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht

hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en

voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw,

die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan.

En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: "In uw tijd liet

Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge

u voor 't stormweer zoudt verbergen?"

Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: "'t Was

bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat

ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik

vreesde meer te schaden dan goed te doen."

Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: "Ik weet dat Ik u geen verstand

genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht

genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen."

Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon

stond. "Die vrouw heeft gesproken--en gesproken zonder ophouden," zou

hij zeggen, "en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de

harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten."

Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. "Maar mijn

armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid."

Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn

wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot

die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche

stilte en alles omsluierende nevel is.

IV.

De jonge Zeeman.

't Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden

tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is

een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is

open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om

heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die

zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt

voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en

voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk

aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet,

glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste

aanbiedt wat haar huis kan opleveren.

Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen.

Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor

ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.

't Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte

kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een

welgestelden zeeman. De beide ouden zijn zóó onder den indruk van 't

feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat

ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man

voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.

"Moeder en Tante!" roept hij uit, "wat is 't prettig, dat we zulk mooi

weer hebben op dezen tocht."

"Ja, dat is heel prettig," antwoorden de twee ouden uit één mond, en dan

daalt de stilte weer op hen neer.

Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge

zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de

zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er

heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een

genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.

De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn

buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar

zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een

zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man

en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is

niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar

vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.

"Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op

dezen tocht!" roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.

Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude

vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke

echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar

eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze

't niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te

vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze

voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en

naar 't gezang luisteren.

Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld één keer mee heeft

willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het

groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in

zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze

vreedzame plaats trokken.

Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze

er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar

haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit

gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.

Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt.

De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als

ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan

aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem

gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten.

Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de

kopjes doet--alles overvloedig.

Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij

durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten

doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie

gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt

hij zóóveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat

hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht.

Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu

haar onthaalt, dàt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit

de nauwe straat te lokken.

Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen

keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de

loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij

eens aannemen.

Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten,

denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk

een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om

zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman

is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't

zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze

weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij

schenkt ieder weer een volle kop in.

"Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een

lange reis!"

Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit

kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.

Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij

zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan

tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.

"Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer

drinken wilt!"

Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden

vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.

Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij

en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken

rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier

hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.

"Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben

gehad," zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de

zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer

van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er

niet verder over door.

De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze

werkelijk tot een gesprek uitlokken.

"Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen," zegt hij.

De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar

oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er

niet toe. "Ja, en wat vliegen ze mooi!" zegt ze.

Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige

een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt

ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het

hier zoo genoeglijk.

En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het

gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is

volkomen met zijn lot tevreden.

Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen.

Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een

heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen

heerschte.

Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en

wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan

verder.

Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne

gelaatskleur en groote, smeekende oogen.

"Dag Kristenssen," zegt ze en komt aarzelend dichterbij.

De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de

handen niet uit den zak.

"Dag Anna."

"Je was van morgen niet bij 't zeilen."

"Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't

begraven van den duitschen matroos."

"Maar van avond kom je toch zeker mee dansen."

Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.

"Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je

weet wel, dat ik morgen weg moet."

"Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen."

"Dag Anna."

Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer

zachtjes te fluiten.

De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht

gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over

hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever

bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.

Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze

moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor

't feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder

uit: "Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!"

De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij

blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier

aldoor zou willen blijven.

Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge

zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde

steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en

steunt haar.

Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij

zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.

En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt,

maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.

"Hij is bang," denk ik. "Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken

schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist

als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn

moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?"

Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben

gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel

geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den

man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de

kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee

aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten,

hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door

zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft

verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige

haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de

zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen

verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder

voorbehoud geschonken wordt.

V.

De Ster.

_(Brief van een Zweedsch arbeider)._

... 20 April 1917.

Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar

beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte

gezien. Die valt--en valt en komt elken dag nader!

Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben

ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten

met de Openbaring voor me, om er profetieën uit te zoeken. Ik houd me

alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die

spreken in waanzin.

Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en

pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een

Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche

gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en

rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden,

en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik

heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan

verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.

Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef

niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in

een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld,

en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden.

Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb

ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van

groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat

alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte

en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.

Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't

heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er

toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want

ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten

zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me

duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde

moest komen.

Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar

een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op

wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden,

zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je

denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen,

en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare

machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid

is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die

geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en

houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij

maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang

en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen

ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag

menschen tusschen de machines raken.

Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo

kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en

een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de

oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe

arbeiders wou probeeren.

Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig

geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken

wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen.

Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk

moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den

rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de

revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht

verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk,

dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was

of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog

iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste

had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.

Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe

celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten

luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te

vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige

gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te

worden. "Jelui moet niet zoo angstig wezen," zeg ik tot hen. "'t Kwam

alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo

moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat

we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal

vernietigen," maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was

of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende

niet vol was.

En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen

ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen,

overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster

naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in

den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging,

links en rechts.

Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was

die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.

"Sta op," zei de stem. "Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op

aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote

hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in

Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal

niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan

de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de

bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.

Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het

uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn

zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.

Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden

en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal

uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der

aarde zullen gespaard blijven."

En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan

elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan

had, sprak zij opnieuw.

"Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult

dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de

autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken

vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered

worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is.

Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen

over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om

een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten,

zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten."

Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.

Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot

mij zelf: "Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou

spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de

geheele wereld?"

Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan

de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de

sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren

en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?

Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen

boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de

Openbaring voor me, om er de profetieën uit te zoeken; maar sinds dien

nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn

lichaam.

Er is geen tijd voor twijfel.

Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de

heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik

nadert...

VI.

De Brandstapel.

_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._

Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik

niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke

gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te

zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.

Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb

juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en

wat men "dichtervrede" noemt--daar geniet ik niet veel van. Ik zit in

een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberië, en ik heb

negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.

Vonken · 第 7 / 8 段