vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot
klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden
landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote
stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op
een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik
herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de
rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de
omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen
ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank
zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het
hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met
een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van
den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen
voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele
heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen
gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een
stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen
voorbij komen.
De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en
hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar
een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid
van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit
over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob,
ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort
nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen
zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een
zwerftocht door de woestijn.
Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had
een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan
niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon
Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een
koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee
was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar
graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.
De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen
toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen
was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de
stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór
den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord
worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den
avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom
tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters.
En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de
Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden
Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange
tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den
slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk
bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig
door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid
door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend
wezen uiten kan.
Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is,
dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle
menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar
kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en
niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand
aan haar rustplaats te slaan.
Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt.
Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is
't geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een
langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.
't Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons
trommelvlies. Er is niets menschelijks in--en ook niets dierlijks. Het
hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten,
zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo
heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over
Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle
tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan
geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den
wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.
Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een
Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor
een zieken zoon.
Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat
wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen
tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet
hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen
in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het
meegevoel van de sluimerende doode te wekken.
We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche
vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit
zullen hooren.
We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag,
den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak
bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen
't gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord,
hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.
Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze
zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar
eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake
van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij
meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog
was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan
schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat
ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den
oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.
Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in
haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het
geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men
het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van
welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld,
was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en
nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.
Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen
herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders,
die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien
ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.
II.
De verlaten Kerk.
Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het
groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer
merkwaardige dingen waren.
Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam,
dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand
precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van
overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen
aan den rand van een donkeren vijver--zooveel wist men er van. En als
maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van
haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien,
dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen.
Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was
een geneeskrachtige bron.
Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel
van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg
daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de
lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't
Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of
naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren
zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand
zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van
Bethesda.
De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude
verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest
woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.
Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen
en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen
doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat
hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.
In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was
arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een
grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen
man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het
dak te reiken.
Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar
dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en
houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok
was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar
de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had
nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar
binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren
gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten,
daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met
groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen,
zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok
was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.
Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht
mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De
adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd
van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er
nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven.
Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar
nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen
hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat
ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden
gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen
daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.
't Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en
getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen
hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar
waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen
huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en
al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de
sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed
over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.
Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke
jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige
dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er
gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met
angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van
den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er
nooit iets gevonden.
Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en
vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in
't bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd,
van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren
onwaarheid te spreken.
En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs
gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht
de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik
het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.
Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor
dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend
gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker,
dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat
niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt
stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp
geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken,
had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of
genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat
getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele
dorpen en streken.
"Verlaten kerk," zou ik willen zeggen, "de tijd van verwoesting is weer
gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken.
Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De
zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den
grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden.
Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens
de uwe.
Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan
gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is
geen spel of scherts meer.
Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder
gezang.
Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden
van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij
weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en
verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude
kerk in de wildernis."
III.
De Mist.
Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog,
breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de
wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame
woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin
en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet
doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn
gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij
op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.
Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó
vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets
drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien,
en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij
zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.
Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik
scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen.
Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller
dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't
eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te
bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen.
Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde
spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren
gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de
schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen
van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende
schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.
Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met
nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met
takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat
hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem,
telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn
humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik
in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de
takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij
toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware
lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden
kunnen dragen.
Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het,
die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan
kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.
"Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet," dacht hij, "is het ten
allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen."
Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een
paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien
het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de
mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam
snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde
hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een
sterke, zware stem riep ergens in den mist:
"O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God,
wees genadig voor de oorlogvoerenden!"
Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist
tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.
"Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja,
wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't
Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!"
De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had
geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je
nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders
wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer
naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid
kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: "'t Bloed vloeit als
water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als
riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!"
't Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de
streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te
roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar
ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den
mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon
hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den
wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.
"Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!" herhaalde de
krankzinnige. "'t Bloed vloeit in de greppels als water!"
Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte
hij en zette zijn wandeling voort.
Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op
velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.
Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele
menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde.
Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was,
waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar
dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen
veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te
denken, dat er--omdat het wezens met verstand waren, die door den
waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een
maatregel te vinden moest zijn--die de razernij tot staan kon brengen.
Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te
peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.
"Wat kan ik doen?" vroeg hij zich af. "Mijn woorden zouden niet meer
beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch..."
Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet
stil kon blijven zitten.
Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin
gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een
lachend en innemend beeld vóór zich.
Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't
woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met
haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't
Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had
een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het
omliggende landschap scheidde.
Toen de hoeve zich daar zoo geheel geïsoleerd vertoonde, merkte hij
eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene
en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de
golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die
den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie
geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets
kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.
Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis
aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit.
Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.
Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij
alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille
leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de
wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Zóó dicht, zóó
ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het
bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.
De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in
dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den
ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets
van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve
naar de buitenwereld kunnen komen.
De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame
afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden
met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude
en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou
toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude
hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het
bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken
worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril
werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun
eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan.
De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich
zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de
wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.
Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de
ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen
uit en sprak tot den mist.
"Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen!
Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte
muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat
ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij
en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden
door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu
en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief
onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme
waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we
zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.