Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles

doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen

liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze

niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't

verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik

me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.

Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil

me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde

werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben

over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.

Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de

gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig

van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze

ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten,

die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen

onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberië gezonden.

Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen

bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer

opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog

betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn

hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde,

toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen

verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.

Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag

ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet

ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?

Er kan maar één bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht,

opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen

gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten

zal en nooit tot een vergelijk zal komen.

Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm

te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden,

die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak

uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die

niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen

worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een

beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter

aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt

zich om om te zien wat daar valt.

Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in

een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet

schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie

jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn zóó versleten, dat

ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het

venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp

komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord,

dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem

smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven

in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberië.

Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische

gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn

velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben

nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.

Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de

wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en

boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven

en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit

vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden

zooals vonken hooibergen aansteken.

Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van

het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En

als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den

oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt

en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun

huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle

oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en

met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En

dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.

Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige

heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed:

hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste

ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook

de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn

proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden

verteerd.

En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten

vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn

schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en

kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.

Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot

vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeeërs, de

vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde

voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het

menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog

bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar

verdrukker!

Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn

woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.

* * * * *

Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den

vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen.

Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.

Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet

sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven

wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten

vrede-brandstapel.

Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen,

en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het

ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn

gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze

hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik

zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.

Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn

gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet

goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberië

is gestorven.

Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de

menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt

voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te

steken?

Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberië. Er is

typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.

Mijn arme verzen, zullen zij leven?--Zullen zij leven, als ik uit dit

leven zal zijn heengegaan?

VII.

Gustav Fröding.

_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Fröding in 't Koninklijk

Theater in Stockholm)._

8 Febr. 1921.

Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,

Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden

In het land van den Klarelf,

Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodieën

En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;

Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig

En hun macht was als die van den liefdedronk,

Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.

Zeg mij, Wermelands dochters!

Gij, die dwaalt over de bergen,

Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,

Waarom is zijn harp verstomd?

Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek

In de maneschijnsnachten?

Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:

"O, waar zijt gij?"

Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,

Als de dans van de dochter van een grooten koning,

Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,

Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,

Als zonneschijn na stormvlagen,

Als dauw in de droogte van den zomer.

't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.

Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,

Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;

Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,

Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans;

Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.

Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,

Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,

Waar de schuimvlokken rondvliegen

En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.

Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,

Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,

Hij was de speelman, die in den stroom speelt,

Hij was de stroomgeest met gouden harp,

Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,

Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.

En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.

Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;

Hij speelde alles wat hij gehoord had;

Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,

Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de

zaligheid.

En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;

Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop

En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,

Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,

Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,

Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,

Maar zijn harp was als die van Daniël;

Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van

smart.

Vele dagen zijn voorbijgegaan,

Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend,

bij den waterval.

Waarom zijn die tonen verstomd,

Die een lichtglans wierpen over de ziel,

Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?

Zeg mij, Wermelands dochters!

Gij, die de kudde hoedt op de bergen,

Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,

Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?

Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,

Die niemand kon doorbreken,

Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?

Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.

Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,

Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering

En door velen geëerd en benijd wordt.

Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen

En zich met ringen en kettingen getooid.

De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en

edelgesteenten.

O, gij Wermelands dochters!

Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?

Onze vriend was als een heel schuwe vogel;

Hij was teer als de bloem van den meidoorn

En licht te breken als de wilg aan den oever.

Gij, Wermelands dochters!

Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde,

als hij speelde?

Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.

Met groote kunst greep hij in de snaren

En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,

De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.

Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,

Zooals die komen kan over de watergeesten,

En zijn spel werd woest en grillig.

Zeg mij, gij Wermelands dochters!

Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?

Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?

Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?

Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,

Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?

Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren

Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:

"Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?

Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?

Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis

brengt?"

Toen zweeg de gouden harp,

Toen zonk de speelman neer in den waterval,

Toen ging een rilling door het sparrenwoud,

Toen bruiste de waterval toornig en woest,

Als wilde hij een vijand aanvallen.

Zeg mij, gij Wermelands dochters!

Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?

Hij was teer als de bloem van den meidoorn

En licht te breken als de wilgetak.

Hij was een heel schuwe vogel.

Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,

Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar

zaligheid?

Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?

Ge wacht te vergeefs aan den oever.

Ach! Wermelands dochters!

Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,

Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,

Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,

Met handen als vlammen snel zich bewegend,

Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.

Als ge hem nu nog weerziet

Ligt hij stil op de golven,

Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,

Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van

de bergen,

Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,

De vreeselijke oogen van den watergeest,

Die van geen hoop of verlangen weten,

Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.

Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,

Sinds we de harp van onzen vriend hoorden

In het land van de Klarelf,

Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodieën

En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,

Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!

Gij, die de kudden weidt op de bergen

Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.

Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;

Want onze vriend was meer dan alle anderen,

Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels

En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk

En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.

VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER

SELMA LAGERLÖF

VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:

=GÖSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. f 3.90 EN EEN

PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG

PAULI, PRIJS IN PRACHTB. f 5.50.

=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND f 5.50.

=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND f 5.90.

=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. f 4.50.

=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.50.

=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN f 4.50.

=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.90.

=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB.

f 5.90.

=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.50.

=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.90.

=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND

f 4.90.

=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. f 4.90.

=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND f 3.90.

=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.50.

=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f 2.90.

=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f 2.50.

=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND

f 2.50.

=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f 4.50.

+--------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: |

| C: EERSTE DEEL. |

| B: van Zuster Oliva 95 |

| C: van Zuster Olive 95 |

| B: de bleek had gelegen 't Was |

| C: de bleek had gelegen. 't Was |

| B: ze allemaal: Stine en Line, en |

| C: ze allemaal: Stina en Lina, en |

| B: als je oud werdt, kwam |

| C: als je oud werd, kwam |

| B: brood te kunnen verdienen. |

| C: brood te kunnen verdienen." |

| B: zijn beenen kunnen staan. |

| C: zijn beenen kunnen staan." |

| B: toe ge-geroeid, en 't was |

| C: toe geroeid, en 't was |

| B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA. |

| C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. |

| B: had, daar had ik geen lust in." |

| C: had, daar had ik geen lust in."" |

| B: zijn eigen kant uit. |

| C: zijn eigen kant uit." |

| B: brengen en nuttig zijn," zei ze. |

| C: brengen en nuttig zijn," zei ze." |

| B: kerk in de wildernis. |

| C: kerk in de wildernis." |

| B: hij zeggen. "en wat heeft het |

| C: hij zeggen, "en wat heeft het |

| B: in Zijn barmhartigheid: "Gij zult |

| C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult |

| B: het vervloekte land: Siberie. |

| C: het vervloekte land: Siberië. |

| B: Waar Wermeland's zonen en dochters |

| C: Waar Wermelands zonen en dochters |

| B: mij, Wermeland's dochters! |

| C: mij, Wermelands dochters! |

| |

+--------------------------------------------------------+

End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf

Vonken · 第 8 / 8 段