kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het
tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was
geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over
den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te
houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone
opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat
ze gauw zou mogen optreden. "Och, u moest toch een geschikte rol voor
die arme Olive zoeken," zeiden ze tegen den directeur.
Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt
had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als
de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove
stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.
Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos
werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde,
had ze nooit geschreid.
Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze
nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht
vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als
molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als
schoenmakersjongen begonnen.
Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon.
Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk
gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar
gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude,
geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.
Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor
haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat
vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.
En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't
verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd
optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in
verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met
vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.
Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing
bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De
directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen
contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te
laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar
ze altijd succes mee had, maar Hernani--Hernani, verklaarde hij, was
verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire
te zetten.
De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor
haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar
de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en
ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of
inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze
zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar
spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar
intrede deed in het huis van Molière.
Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de
voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste
tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die
eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden
gebracht.
Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle
groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld,
dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de
tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.
"Nu of nooit," zei ze tegen zich zelf. "Je weet, dat je Donna Sol kunt
spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je
hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet
van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet
tot in het Theater français hoeven opwerken."
Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en
hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich
drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.
Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze
op een dag weer op haar klachten terug:
"Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend," zei ze. "Nu moet u mij
Donna Sol geven, Mijnheer."
Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het
Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.
"We moeten 't Olive Miteau laten probeeren," zeiden ze. "Natuurlijk
wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen."
De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk
vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't
Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar
taak was.
"Ik moet het doen," dacht ze, "maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als
het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren."
En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde,
vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.
"Ach!" zei ze, "ze hebben mij te oud laten worden." Maar eigenlijk lag
de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw
leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden
wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere
manier haar handen moest leeren bewegen.
"'t Is immers onzinnig," zei ze meer dan eens. "Nooit heeft iemand op
die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor
een mensch."
Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over
haar rol; en dan dacht ze: "Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk
op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit
deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er
toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't
beslissend oogenblik te voorschijn komen zal." Maar toch was Zuster
Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door
den directeur en de andere artisten.
"Mademoiselle Miteau," zei de directeur op een dag, heel vriendelijk.
"Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het
werkelijk?"
"Ik weet niet of ik het wil," antwoordde zij, "maar ik weet, dat ik
moet!"
Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de
eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche
Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.
Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te
verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken
en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar
levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde
nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met
olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als
adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig
uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen
zij de Spaansche schoone moest voorstellen.
"Maar het moet me gelukken," dacht ze. "Al van mijn zeventiende jaar af
heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die
rol te spelen."
't Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar
dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater
vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen
door die levenslange liefde.
"Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?" vroeg men. "Ze is te
oud. Dat wordt akelig."
Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van
haar leven scheen te wezen.
Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek.
Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te
spreken!--Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen
was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men
probeerde haar te vergeten.
Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling
doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren
heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig
verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan.
"Ze kan in ieder geval tevreden zijn," zei men. "Ze heeft op die manier
een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die
vreeselijke rol op te treden."
Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar
rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó
onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna
lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben
en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.
"Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?" dacht ze, toen ze zwaar en
ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en
zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi,
dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't
zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster
Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden.
Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze
aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. "Was het zóó erg?"
dacht ze. "Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft
spreken?"
Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive
een bezoek.
Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij
verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.
"U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet.
U speelde--om zoo te zeggen--met een strik om den hals en geboeide
handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag
moet u uitrusten; maar morgen,--wilt u 't morgen weer probeeren?"
Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men
het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het
nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had
niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het
ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.
Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.
De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over
iets anders te spreken.
Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: "We zien
elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?"
Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde.
Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en
onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar
duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen
kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de
directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het.
Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was
ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.
Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen
tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar
ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.
En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld
had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd,
zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te
praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone
Spaansche.
Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een
practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar
ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk
werd die haar te machtig.
"Ik heb nu genoeg rollen verknoeid," zei ze tegen haar directeur. "Er
blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan."
Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en
opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons.
Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en
ik vroeg haar meer dan eens: "Verlangt u niet naar de wereld terug,
Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw
sierlijk huis?"
Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke
vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan
lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar
ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar
heldere oogen.
"Waar zou ik naar verlangen?" zei ze. "'t Was immers onmogelijk langer
door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar
ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.""
Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.
"Wil ik u eens wat zeggen?" zei de consul. "Ik heb haar zien spelen. Ik
was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een
geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?"
"We kunnen er maar één ding van zeggen," barstte de Belgische schilderes
uit. "De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers."
"Men moet haar zeker wantrouwen," zei een van de Fransche dames.
"Wantrouwen! wantrouwen!" riep de consul uit. "Dan moeten we ook de
liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets!
En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden?
Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?"
"Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout."
"Ja, vast en zeker!" zei de Consul. "En al kan dat goddelijke ook
gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!"
TWEEDE DEEL.
DE PRINSES VAN BABYLONIË.
't Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de
huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook,
zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn
rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik
Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken,
terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken,
dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat
dien winter vier jaar was.
Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet
bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding
hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje
zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist
zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf
kreeg,--dat wist Katharina wel--zou ze nooit een verstandig mensch
worden.
Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind
hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want
nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd,
in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te
bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den
toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid
had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.
"Ja, en ze kwamen aandragen met klei," zei Jan, "en ze bakten steenen,
en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken
dag hooger.
Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren
bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den
hemel te komen en te zien hoe het daar is.
"Luister nu eens, menschen," zei Onze Lieve Heer, "nu zeg ik jelui voor
't laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij
ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten
komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af
komt, en er nooit iets tegen kunt doen."
Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou
zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.
Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe
hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het
uit met dat pleizier.
Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: "Breng wat klei," dan zeiden ze
in plaats daarvan: "Kolvippen, kolvappen." En als de leerjongens wilden
vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: "Erbe, derbe, mirbe, marbe?" En
dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.
De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden,
maar als ze wilden zeggen: "Praat toch behoorlijk," dan zeiden ze in
plaats daarvan: "Ullen, dullen, dorf." En als de leerjongens wilden
vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan:
"Abekadabra?"
Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de
haren vlogen en begonnen te vechten.
Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en
niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen,
zijn eigen kant uit."
Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde
naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw
en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort.
Hij sprak alleen wat zachter.
"Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een
koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje
begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch
een van de anderen er een woord van konden begrijpen.
Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't
paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote,
wijde wereld in.
Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers
niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn
voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze
haar in 't oog kregen.
Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.
Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe,
zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze
wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde,
en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.
Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een
landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar
binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen
hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan.
Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven,
kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch
was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist
door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: "Goeien avond."
Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te
warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze
ook: "Goeienavond."
Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze
zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun
niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.
"Hoe heet deze hut?" vroeg ze, om hen op de proef te stellen.
"Die heet Skrolycka," antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat
ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze
vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.
"Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?" vroeg ze.
"Die heet de Wermelandsche taal," zeiden de menschen in de hut.
Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven
mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen
konden verstaan wat ze zei.
Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje
uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze
zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De
Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze,
zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.
Maar 't prinsesje wou niet toegeven. "Nee," zei ze, "nu merk ik wel, dat
ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde
brengen en nuttig zijn," zei ze."
De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en
geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan
zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't
hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit
te voren gezien had.
"Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is," zei ze eindelijk.
"Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben
gekomen."
Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was
geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.
"Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt
dat ze heel wat deftigs en groots is," zei ze.
STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.
I.
't Schreien van Rachel.
Augustus 1914.
In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn
huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk
geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart
en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst
verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan
kwam.
Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat
vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal
gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de
heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet
in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een
weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.
't Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil--of wat
men het ook noemen mocht--van een mensch kon komen, die gekwetst was.
Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden.
De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen
wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen
ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.
De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag,
heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de
bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en
bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande
woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist
gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam,
dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet
van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.
Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden
we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken
waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren--pijnigend
als een martelwerktuig.
Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij
waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten.
Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had
gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de
verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.
Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst,
naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in
welgevormde heuvels.
Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog
boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een
heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel
een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de
plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in
mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene
loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van
Wermeland en Zweden.