Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van
zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem
gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia
haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid
haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij
zoovelen van zijn vrienden had geholpen.
Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over
haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:
"Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb
gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te
geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef
het mij daarom."
Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw
zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer
had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe
hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had
gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn
hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon
uitbrengen.
Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag
zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn
weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta
Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar
in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde,
die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die
zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche
aanmoediging.
"Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester," zei ze,
"en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in
verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde
kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen
dringen tusschen U en mij."
Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in
hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde,
die hij voelde, overwon zijn schaamte.
Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een
van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen.
Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen
naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen.
Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang
haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht
ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst
op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard
gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw
Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat
Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.
Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: "Het
schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw
antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela
afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken
mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig
werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende
loon heeft gekregen."
Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was
zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in
zijn borst woonden.
"Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef,
evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat
het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in
mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst
treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede,
de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle
kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden,
dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der
ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid
heet."
* * * * *
Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis
regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de
heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche
rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog--ten minste voor de
oogen van kleine kinderen--een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in
't haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de
slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.
Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur
openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel
willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te
vertoonen.
Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende,
die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren
landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.
DE KANONNIER.
De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt
opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze
moet meedeelen, roept naar binnen:
"Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is
doodgeschoten!" Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat
verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet
blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is
zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd
heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt
daarheen terug te gaan.
De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil
te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich
zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze
heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade
zal worden gehouden.
Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar
alle toebereidselen laten zien.
"Kijk daar nu eens heen," had hij gezegd. "Dat is de tribune voor den
president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast
zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier
vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige
menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een
billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar
ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken
hooren. Daar kun je mij ook zien," had hij er schertsend bijgevoegd.
"Nu, waar zul jij dan staan?" had ze gevraagd.
"Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet?
't Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten
worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet
beginnen."
"Arme mijnheer Carnot!" had ze toen gezegd. "Jelui hebt het kanon vlak
voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar
niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden."
"Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar
een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen
verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de
toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten
alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind
het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een
groote massa menschen staat."
Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen
zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was.
Ze had dus thuis moeten blijven.
En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo
trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn?
Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is
immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze
voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar
over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te
loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching.
Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als
hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.
"Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere
proef had afgelegd," placht hij te zeggen. "Neem nu mij maar. Ik ben
nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de
kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik
heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten."
"Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post," had ze geantwoord.
"Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit
zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester.
Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de
proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar
dreigt."
Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam
te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich
bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet
voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.
't Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet
de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die
schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen
ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen
lokken.
Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze
weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.
Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't
Veld daarvoor is leeg--bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats
staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of
verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.
Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de
politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.
"Ga daarheen! Daar vindt je hem," zegt hij en wijst naar het troepje
midden op het veld.
Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen
ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille,
zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen
heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op
en gaat haar tegemoet.
"Wacht even," zegt hij. "Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst
vertellen wat er gebeurd is."
Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door
te kunnen loopen.
"Wacht!" zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. "U moet hem nog
niet zien. U moet eerst weten..."
"Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft
gegooid."
"Neen," zegt de officier. "U weet niets. Zoo is het heelemaal niet."
Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze
begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog.
Misschien is hij alleen maar gewond.
"Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?" zegt de officier. "U weet, dat uw man
dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het
kanon is gebouwd?"
"Ik zag dat gisteren al, Mijnheer," snikt de vrouw. "Mijn man liet me
zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde
zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't
geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden."
"Welnu," zegt de officier. "Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij
had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen
verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de
armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon,
alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen,
dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af
en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt."
Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier
houdt haar terug.
"Wacht nog even," zei hij. "U moet weten wat we zagen toen we daarheen
snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was
doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier
getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?"
"Ja," antwoordde zij.
"Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en
had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in
het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht,
voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen
heeft hij in een oogenblik voor zich gezien--want voor denken had hij
geen tijd--wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune
vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even
veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk
medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn
eigen lichaam te ontvangen."
"O mijn God!" barst de vrouw uit en vouwt de handen.
Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.
"Mevrouw," zegt hij. "Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien.
Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in
de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te
verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om
al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij
allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te
handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het
om 't leven gaat--dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel
in zich omdragen."
DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.
Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren
menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren
Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook
onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke
groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar
Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de
ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine
belgische schilderes en een italiaansche diacones.
Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over
Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een
geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste
wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel
hem snel in de rede.
"Neen, Mijnheer de Consul," zei ze, "U hebt ons nog niet gezegd wat het
voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is."
"Ach!" zei de oude heer, wat spotachtig, "het voornaamste verschil! Hebt
U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?"
"Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping
hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan
boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het
oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons
afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische
rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een
luchttorpedo uitvinden."
"Nu, en wij dan," zei de consul en wierp snel een blik op zijn
reisgenooten, "wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een
innerlijke roeping volgen."
"Pardon, Mijnheer!" zei de Belgische, "U blijft in den stand, waarin U
is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U
laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons
er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden."
"Nu ja," zei de andere Franschman bemiddelend, "daar kunt u gelijk aan
hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen
vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen."
Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de
bewering van de schilderes te ontzenuwen. "Zuster Agnes!" riep hij en
wendde zich tot de diacones, "U hebt veel fransche zusters in uw orde.
Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?"
"Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout," antwoordde de
diacones. "Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn.
Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van
den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De
meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen
wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was."
"Maar u zelf, Mevrouw?" Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de
Belgische. "U is schilderes; u hebt al naam gemaakt..."
Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman
in: "Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen.
Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen
volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe,
dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en
die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen."
"Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn.
Roeping kan niet falen."
"Ach Mijnheer," barstte de Belgische uit. "Innerlijke roeping! Is er
iets wat meer bedriegelijk is?"
"Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij,
Franschen die missen," zei een van de Fransche dames.
"Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U
weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt."
Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een
vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken
over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de
wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet
overeen stemden.
"Ik ken een groot schrijver," zei een van de dames, "die meent, dat
zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij
verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij
helaas! die niet heeft kunnen volgen."
De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder
uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een
veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.
"Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?" vroeg hij.
"Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw
landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde," zei de
diacones. "Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij
was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde
opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster
Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen,
die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een
Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en
gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen,
òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive
daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en
vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd
ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een
grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive
Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen
paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa
had omgegaan.
Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en
bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen
kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een
grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene
maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen,
maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon
wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek
had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel
geld en ze trad op in het Theatre Français.
Toen ik Zuster Olive zag, had ik--zooals ik al zei--moeite om te
gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster
Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over
zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk
of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive
zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag,
dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich
had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was
waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die
eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en
met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het
Theatre Français te krijgen.
Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was
indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar
positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij
nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar
eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen
intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke
kameraad, waar allen van hielden.
Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had
gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had
begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar
't ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als
waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele
leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.
't Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat
haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang
in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer
bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te
houden en in de lucht te blijven zweven.
Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een
boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd
onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze
nooit een stad of een theater gezien.
Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt
in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en
dochter mee naar het theater nam.
Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was
Hernani,--Hernani van den grooten Victor Hugo.
Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een
andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam
haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze
trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al
beleefd had.
Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive
Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een
boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze
zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone
Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani,
en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk,
voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen
werd.
Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één
gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje
gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna
Sol spelen.
't Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te
maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar
vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen
man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat
zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt,
zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.