naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en
kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam
stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat
zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen
te nemen en naar zijn burcht te dragen.
Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en
hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl
misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij
sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar
gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van
zijn kinderen te kijken.
Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet
haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen.
Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van
haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in
ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en
kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge
positie te berooven.
Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want
het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan
de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op
haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde
het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed,
wat Heer Eskil wel moest afkeuren.
Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien
van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de
jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De
bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De
koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras
en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen.
Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij
beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de
hoeve neerdaalde.
Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die
goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte
menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken
of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder
veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar
zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was
rondgetrokken--brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren
zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand
staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven
hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en
zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen
verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de
verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over
wat ze hadden verloren.
Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle
levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging.
Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den
overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer
over de lippen kon krijgen.
Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren
voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote
lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles
dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse,
die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen
jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar
oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had
om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was
en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en
gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat
ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging
te doen om te helpen.
Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht
van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een
reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten
vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man
komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij
Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig
feest.
Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien
herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst,
die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen
alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand
te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen
geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.
Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich,
door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed
bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters
achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar
bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag,
onbegrensd aan alle zijden als een zee.
Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en
berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't
Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst
bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer
teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of
beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen
haan had gekraaid, geen koe had geloeid.
Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven,
die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn
gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en
huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die
in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden
verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs
of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood
nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware
wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam
aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog
verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te
lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods
zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste
klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar
land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan
land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit
liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij
dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen:
gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken,
kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam
de hulp als door een wonder.
Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits
in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude
boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de
eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe
komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een
kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd,
maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de
puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen
te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag
en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met
inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te
jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het
niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den
heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd
ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw
Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog
verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige
heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten.
Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad,
dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden
haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen
behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één
geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de
vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden
verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif
wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen
daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het
strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de
duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze
kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig
hadden om den winter door te komen.
Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een
kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen
de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog
overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting
gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw
verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun
kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet
vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote
ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken
en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen
probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind
in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren,
wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid,
toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze
beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen
nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep
de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.
Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't
Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te
voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer
te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het
voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog
zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't
minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog,
toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij
laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond
dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den
heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over
eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.
"Maar nu krijgen we een drukken tijd," ging ze voort, "morgen kunnen
we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals
andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en
slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil
terugkomt."
Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers,
dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op
dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.
Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers
uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks
had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken
paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De
burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de
plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was
thuis gekomen met al zijn ruiters.
Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze
eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het
balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet
verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al
op weg naar haar kamer.
Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel
meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een
uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog,
dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en
dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met
bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze
wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen
gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op
Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden
angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.
"Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?" vroeg
hij hoonend. "Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik
en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten
gehad. Maar morgen," voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn
toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, "verwachten
wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een
maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet
vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten
brengen."
Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen
zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande,
bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen.
Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was,
die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door
hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.
Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in
't minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich
over haar heen en zei met een vreeselijke stem: "Bij het kruis van onzen
Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet
voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!"
Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof
haar voor zich uit de slaapkamer in.
Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot
nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar
plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig
had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn,
omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij
probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en
hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar
niet aan het woord komen.
"Ga nu naar bed, Vrouw Lucia," zei hij, "en pas op dat je niet vóór den
gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet
voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je
krachten voor noodig hebt."
Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog
deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen
oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe
meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij
daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij
zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf
gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had
beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij
verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf
haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden,
langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit
zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou
veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone
dievegge.
Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,--en dat was werkelijk het
geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede
gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende
te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest
gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik
verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.
"Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig
man een maal voor te zetten?" dacht ze in haar wanhoop. "Ik kan even
goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt."
't Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was
onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse.
"O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad zij, "het is
morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden
zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het
is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van
hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit
mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te
ontkomen."
Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van
den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het
verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor
het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden
stonden met geraas op in den stal.
"Nu wordt ook Heer Eskil wakker," dacht zij. "Hij zal me dadelijk
bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó
onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te
verkwikken."
Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon
haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar
beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar
lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat
honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had
gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid
en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit
sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger
had geleden en liefde gegeven.
En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den
poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het
zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het
volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó
dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van
vuur,--dat meende de wachter ten minste,--bevond zich een jong meisje,
zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de
hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.
Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven
slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de
slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad
tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een
gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen
gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone
bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele
kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de
lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan
iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid
uitstraalden.
In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een
zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de
kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal
en bood hem die aan.
Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op
zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als
hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem
geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten
droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele
Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was
zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd,
voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde
de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in
toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.
De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te
onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al
de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende
krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het
zuiden.
Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid
genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van
streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.
Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen,
of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden
gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar
bedienden aan 't werk.
Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils
welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen
moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden
onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd,
rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.
De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe
kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden
gelegd.
En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen.
Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon,
dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij
zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de
ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen
was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met
groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over
zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en
onteerende straf op te leggen.
"Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,"
dacht hij. "Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij
mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar
naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf."
Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar
de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en
wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel
voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.
Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in;
maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een
maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo
gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich
voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.
Maar toen zag zij op de tafel vóór zich de groote koperen kan, die de
heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met
geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming
van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl
ze hem vertelde hoe die naar Börtsholm was gekomen, waar hij met de
grootste verbazing naar luisterde.
Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal
toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend,
vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat
Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke,
Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: "Heer Kolbjörn is een van
mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon
helpen."