Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten.

Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: "Wacht eens, nu zul je

hooren hoe Kalle Frykstedt was," zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu

zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.

"'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was," begon ze. En nu wist

ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker

verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar

op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig

hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist,

die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die

pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat

ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.

Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten

had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in

Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters

ook predikanten moesten zijn.

"Moest hij dan naar Upsala terug?" vroeg ik.

"Neen, alleen maar naar Karlstad," antwoordde mijn tante. "Toen kon je

dat examen in Karlstad doen."

Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en

verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't

predikantsexamen duurde.

En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.

"Neen, hoe durfde hij dat te wagen?" zei ik.

"Ja, het moest wel," antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog

te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming

begonnen.

"Maar ik zou nu niet van ons vertellen," ging ze voort, "maar van

Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde

in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als

huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem

overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn

brood te kunnen verdienen."

"En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als

alle andere menschen," zei ik.

"Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter."

"O!" riep ik, héél verbaasd. "En ik dacht..."

"Je vroeg of hij door den drank gesloopt was," zei mijn tante. "Maar

hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen,

toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken--dat deed hij. Hammargren

en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor

een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den

heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op

zijn beenen kunnen staan."

Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van

Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in

die richting te zeggen.

"Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?" vroeg ik.

"Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten

graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was," voegde

zij er bij.

Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet

voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen

erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten

van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat

Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te

verzorgen krijgen.

Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door

zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te

geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den

kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het

feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou

drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen

gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.

't Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen

maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd

met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de

keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar

eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten

was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het

grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en

zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van

vrienden en bekenden moest leenen.

Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten

vragen.

't Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de

examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk

genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.

Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag

als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest

ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar

verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.

Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe,

maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die

diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets

plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem

gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie,

levendige geestdrift vervuld.

Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon

zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone

toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien

middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden.

Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar

nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de

hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij

zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel

't genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.

Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop

Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en

begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze

verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken

welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.

Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks

aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet

veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan

tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij

den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest,

dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den

bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok

zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed

te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer

en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.

Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij

ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel

geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij,

viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk.

Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den

tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te

verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een

massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en

verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken

goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen

geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen

mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle

uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden,

aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de

ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet

beter had verzorgd.

Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante

droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en

kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje

praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante

onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid

te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te

verontschuldigen.

"Ik weet 't niet recht meer..." zei hij en streek met de hand over het

voorhoofd. "Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet

onbehoorlijk gedragen?"

"Neen," zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag

met haar bekoorlijken glimlach. "U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk

gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed--dat is

veel te weinig--die ons allen in verrukking bracht."

Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel

gerustgesteld. "Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was..."

"U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren," zei mijn tante op

stelligen toon.

Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar

stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem

leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich

verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.

"O! wat ben ik blij!" had de arme stakker uitgeroepen. "Wat ben ik

blij!"

Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote

aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol

geest geworden als den vorigen dag.

Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen

bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er

lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den

ouden tijd.

Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les

kende, jubelde er in mij iets hoog op.

"Mannen en vrouwen uit het verleden," dacht ik, "al ontkent ge het

zelf,--toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom."

DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.

Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke,

gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een

burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve--aan

de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land

stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden

opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een

kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van

knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te

betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar

voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen,

bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet

anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den

inham te gaan.

Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van

de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is

waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar

reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als

zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van

Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.

Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens,

die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die

door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door

den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een

goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar

schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk,

dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.

Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er

iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel

onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met

acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden

genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog

niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed

gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar

nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen,

dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren

had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den

burcht alles regelen en besturen.

Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij

was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn

eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan

zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken

bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan

zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen

te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn

jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat

er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord,

waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht

beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood

te gemoet ging.

Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is

verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit

alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn

huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die

oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar

boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.

"Lieve Eskil," ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was

van de uitwerking van wat zij zei. "Ik weet, dat er nu gelegenheid is

voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk

genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan

een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de

jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."

Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een

jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging

voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met

de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die

dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu

toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was

daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar

had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding

geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.

"Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn," zeide Vrouw Rangela,

"dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van

ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal

niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus,

als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt."

Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen

aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw

Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een

paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela

volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in

verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden

toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het

voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar

twintigsten verjaardag had gevierd.

Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest,

omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had

gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar

de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog

wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot

over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.

Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar

maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die

op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland

verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren

uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen,

die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het

gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten

geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge

bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk

soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze

wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.

Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er

onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen

op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun

tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en

probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl

de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken

uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij

werkelijk leeg waren.

Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der

armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm

kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar

toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit:

"Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan

land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien

tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot."

De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te

spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met

blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het

niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het

tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein

kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en

vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar

hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met

licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er

was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna

bang was haar aan te raken.

Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en

toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij

ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol

geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die

gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen.

Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van

dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun

van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze

haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig

moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog

meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar

vroegere duisternis te doen terugkeeren.

Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos

opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar

deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten

en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden.

Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan

gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis

goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de

bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een

machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte

en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed

bezorgde.

Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken,

maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met

Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het

hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een

paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters

en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de

vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek

kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon

krijgen.

Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn

kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk

een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar

buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.

Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort

van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.

"'t Is om je arme kinderen, Eskil," riep ze, "ze zijn in levensgevaar

op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg

naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit

mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te

waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat

't leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te

laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!"

Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen

waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis.

Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met

alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm

leidde.

De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar

was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof

ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar

beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan

om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en

riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen

toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar

boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.

Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen,

was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar

gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal

niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat

wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een

stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich

met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna

den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag.

Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze

in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela

bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze

hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle

kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken

zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.

't Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van

dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op

den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart

gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze

zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij

bleef onbeweeglijk en machteloos.

Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van

veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar

zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de

handen klappend.

Vonken · 第 2 / 8 段