Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlöf:
Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Prijs ingenaaid f =4.90=; gebonden in prachtband f =5.90=
=Jan Ligthart=:
=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.=
=Het Nieuws van den Dag=:
Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische
dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den
voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen,
die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt
meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende
verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft
een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels
wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan
allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en
beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder
opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is
dit te zijn.
=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor
kinderen.=
=De Nederlander=:
=Een mooi boek.= Het "sprookje" heeft een filosofischen ondergrond,
zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma
Lagerlöf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld
gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend
geschenk.=
=De Tijd=:
Dit werk van Selma Lagerlöf heeft iets wonderbaars in zich, van dat
sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken
meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naïeve
bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de
zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere
waarde.
=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer):
=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer
en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.=
=De Nieuwe Arnhemsche Courant=:
=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra
populair zal worden.=
=De Hofstad=:
Een prachtig sprookje à la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond
van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd
en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n
tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste poëzie, waar
doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlöf's phantasie
laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op
vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden.
_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_:
De Wonderen van den Anti-Christ
Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF
DOOR
MARGARETHA MEIJBOOM.
TWEEDE DRUK.
Prijs ingenaaid f =3.90=; gebonden f =4.90=
=Eenige Bladen over "De Wonderen van den Anti-Christ".=
=De Kerkelijke Courant=:
Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar
vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar
fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo
gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek
speelt op het eiland Sicilië met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het
Socialisme tegenover het Christendom. "Hebt uw schat in den hemel," zegt
het laatste. "Hebt uw schat op aarde," predikt het eerste. Het slot is,
wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar
trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien
of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: "Alle menschen
klagen." Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop
zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: "Alle menschen
juichen." Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten
derden male uit, die terugkeerende zei: "Sommigen weenen en sommigen
lachen." Toen verklaarde God de wereld gereed.
=Het Vaderland=:
Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.
=Het Nieuws van den Dag=:
Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.
=Nederland=:
Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in
haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer
boeiend.
=De Telegraaf=:
Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm
aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, geïnspireerd
door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.
VONKEN
VONKEN
NAAR HET ZWEEDSCH
VAN
SELMA LAGERLÖF
DOOR
MARGARETHA MEIJBOOM
GEAUTORISEERDE UITGAVE
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.
INHOUD.
EERSTE DEEL.
Bladz.
De Doodskop 1
De Zonsverduistering 19
Iets over Landverhuizing 29
Kalle Frykstedt 38
De Legende van den Luciadag 50
De Kanonnier 87
De Geschiedenis van Zuster Olive 95
TWEEDE DEEL.
De Prinses van Babylonië 117
Stemmingen uit den Oorlogstijd 124
I. 't Schreien van Rachel 124
II. De verlaten Kerk 133
III. De Mist 139
IV. De jonge Zeeman 152
V. De Ster 161
VI. De Brandstapel 169
VII. Gustav Fröding 176
EERSTE DEEL.
DE DOODSKOP.
Er was eens een man in de gemeente Svartsjö in Wermeland, die op een
Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond,
maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg
wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de
schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te
halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef
dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.
De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan,
en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was
uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij
gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw
was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als
geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de
Kersttafel?
"'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen," zei
hij, "'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden
om Kerstavond in mijn huis te vieren."
Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen
van de menschen in Svartsjö,--nog nooit was het iemand in die
gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen,
omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook
geen gewone doodgraver. Hij heette Anders Öster en was uit een oud
speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers
geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was
geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.
Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een
betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming,
waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.
"Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't
kerkhof moeten vragen," mompelde hij, "die zullen zich ten minste niet
schamen om op een feest bij den doodgraver te komen."
Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het
kerkhof van Svartsjö loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij
zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan
daar ernst van te maken.
Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond,
wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat
scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien
wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering
niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en
steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven,
en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.
In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een
mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval
in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het
knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets
zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn
hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een
eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve
als hij in zijn allerslechtste humeur was.
"Goeden avond, goeden avond!" zei hij. "Ik ben blij dat ik u ontmoet.
Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik
u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen.
Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te
komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten
en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen."
Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de
hand, als om 't antwoord af te wachten.
"Ja--u zegt ten minste geen: Nee," ging hij voort, toen hij een
behoorlijken tijd had gewacht, "dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik
woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet
ver te loopen."
Toen lachte Anders Öster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging
naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.
't Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in
't kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't
voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet
geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk
op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis.
Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den
natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.
"Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder
oogenblik kunnen komen," zei de man, terwijl hij binnen kwam.
Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi
met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.
"Zoo, er was niemand die komen wou," zei ze. "Ja, dat dacht ik wel.
Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond
uitgaat."
"Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen
komen," zei hij, zóó heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was.
"Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam," ging hij
onverschillig voort, "maar hij komt wat later."
"Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en
't licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar."
Maar Anders Öster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd
werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den
weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem
stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de
kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open
haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en
Anders Öster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets
ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van
geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken,
aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote
ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek,
schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen
rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en
onverstoorbare kalmte.
De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit
zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn
van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders Öster deftig en prettig
voor, en hij zei tegen zijn vrouw:
"Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in
de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren
wil."
De vrouw zag heel verschrikt op.
"Wat bedoel je?" vroeg ze. "Wil je hier beneden zitten drinken met dien
gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de
vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten."
Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van
de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon
er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.
Maar Anders Öster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond
alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.
"Wees nu niet lastig, Bolla!" zei hij. "Ik zeg je, dat ik hier van avond
wil zitten met ons Kerstmaal."
't Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die
hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel
zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats
konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige
mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als
een aanzienlijk man, een groote boer, en dáár had hij behoefte aan.
"Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat
doet," zei zijn vrouw. "Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik
leef."
Toen zijn vrouw zich zóó beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn
woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in
hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij
antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in.
Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.
Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de
leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te
schuren.
"Bolla, Bolla," zei hij met een stem zóó zacht en hoog, dat ze bijna
suikerzoet klonk! "Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel
in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?"
"Ja, dat meen ik!" riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had,
dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze
wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't
geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.
Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook
en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.
"Almachtige God!" Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar
buiten in 't donker.
Öster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend,
zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer
naar boven en hing het aan den wand.
Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals
hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang
om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor
het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij
legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie
kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten
boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden
met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een
schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst
sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel
met een kring glazen om de kraan heen.
Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en
dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.
't Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem zóó kwelde,
dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het
schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet
anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.
Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten?
Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar
zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan,
en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.
Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze
tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de
baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten.
Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn
huwelijk.
Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje,
toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort
van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.
Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.
"Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt," zei
hij. "Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga
halen."
Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam
spoedig terug met den doodskop in de hand.
Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en
droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt
zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.--
Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die
vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die
probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar
uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun
Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof
ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.
"Hij heeft op me geschoten!" dacht ze telkens weer. "Hij heeft me willen
vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!"
Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij
was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.
Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden
meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen
dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid
voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen
hadden doorgemaakt.
Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een
paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele
geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't
kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.
"Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de
kerkeraadskamer," vertelden ze. En een poos later was het: "Nu zit hij
in den voorzittersstoel te eten en te drinken."
Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er
iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand
toe, dien de kinderen niet konden zien.
De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders
denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die
beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar
geschoten!
't Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was
niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor
een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar
verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende
gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier
te overvallen.
't Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit
ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd,
was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.
Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te
roeren en de Kersttafel te dekken.
"Hij heeft mij met zijn schot gedood," dacht ze. "Het is mij dwars door
't hart gegaan."
Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen
de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder
de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar
niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen
maar.
't Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het
waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te
kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten
nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en
meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.
"Er is iets met hem gebeurd," dacht ze. "Hij is niet meer dezelfde,
die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek
geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot."
Ze stond op van haar plaats en zei zacht: "Ik dank jelui wel," en ging
naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten
en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het
gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep--dan hij
zelf.
Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar
daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats.
Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag
alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.
Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel
stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op
den doodskop.
"Zie daar eens naar," zei hij.
Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.
"Zie je wel, dat hij geschoten--vermoord is?" zei hij. "Dat is geen
zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter
het oor."
"Ja, dat zie ik," zei ze en een siddering van verwachting kwam over
haar.
"Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente
is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en
ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd
zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de
eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een
schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen."
Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.
"Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den
grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar één, die
door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond
bij mij."
De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.
"Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met
het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar
toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat,
kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon
dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de
duisternis buiten te laten liggen, en dan ook--ik wou iemand hebben om
mee te spreken. En toen ik hem vóór mij op de tafel zette en een glas
inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een
schot was verbrijzeld.
Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam
hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen
moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?"
"Dat was zeker God," fluisterde zij en vouwde de handen.
"Ja," antwoordde hij--ook fluisterend. "Zoo is het. Het was Gods wil.
Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat
het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn
groote zonde en ellende zou inzien."
Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en
stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als
van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei
hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden
met hen had en hen wilde redden.
Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De
vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze
had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen.
De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis
zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al
hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze
nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over
hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke--dat ze er toe zouden
komen elkaar te haten.
God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden.
Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten
ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste
geluk, dat menschen kunnen genieten.
DE ZONSVERDUISTERING.
Het waren Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude
vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den
grooten heuvel, in een streek, die zóó woest en vol steenen was, dat
geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te
slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere
had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een
heuvel, die zóó steil was, dat het een heel werk was om boven te komen.
En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men
er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er
niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen
hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar
hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er
allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar,
dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel
steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een
schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe
slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen
hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg
uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend
tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een
overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor
hen in orde was gebracht.
Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want
al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun
kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen
kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine
kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen
gezelschap noemen.
Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat
ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat
ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid
toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn
van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze
daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens
menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en
over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren
spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om
die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.
't Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen.
Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de
heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden
ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en
suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje
in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk
was--dat was een aanleiding te vinden.
Want allen:--Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere
oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag
ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met
je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een
slechten naam kunnen krijgen.
En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een
koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan
hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap
genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis
gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den
heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een
heilige dag was.
Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De
meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote
gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of
dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen,
die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een
geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren
vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te
zetten.
Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en
eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze
wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets
tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat
iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.
Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is
uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar
familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was héél
oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en
ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker
hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed
koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een
koffiefeest voor een kat te geven.
Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar
almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar
bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het
koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten
en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door,
zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist
dat van daar de hulp moest komen.
Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het
1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op
den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om
twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren.
Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in
eens werd het helder licht in haar binnenste. "Nu weet ik wat ik doen
zal," zei ze.
Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde.
Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden
lachen.
Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de
gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon
te overleggen of zij 't niet wagen zou.
Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar
ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen
winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen,
die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug
zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die
altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen.
Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het
altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er
zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was
alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden
zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als
een rondwandelend lijk.
Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag
in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar
vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke
overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.
't Was nog maar kort vóór den 17den April; maar er was nog tijd
genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de
zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en
Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmörkret koffie te drinken. Ze
dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder
andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had
aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar
daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was,
toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag
en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van
't laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,--toen alleen
voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en
toen ging het weer over.
Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan
den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit
zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar--toen zagen ze de oude
Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag
neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:
Weer straalt het heldre zonnelicht!
Wij danken U o Heer,
Met kracht en moed en nieuwe hoop.
Zie zeegnend op ons neer!
Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar
terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar
leven kleur en kracht wilden geven.
Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei--half
verontschuldigend: "Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en
daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik
vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't
donker weer te voorschijn kwam."
Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en
begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed
voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was
hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te
leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.
Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en
vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht
hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.
* * * * *
Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende
van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een
geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te
berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart
en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit
de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De
couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde,
hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de
verduistering op 't hoogste was gekomen.
Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was--ik heb niet
gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om
de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te
voorschijn kwam.
IETS OVER LANDVERHUIZING.
Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de
eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de
lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.
Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en
alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en
de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was
benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de
vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar
ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van
gedachten over een en ander te wisselen.
En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op
de quaestie van landverhuizing.
En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam,
zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.
En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen
dan iemand wist.
En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente
den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat
groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden
uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.
En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat
ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de
jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet
anders gaan.
En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen,
wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand
ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.
En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn
meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet
meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak
zou zeggen.
Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had,
die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog
zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat
hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op
eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost
zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de
kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor
en de inspecteur van de nieuwe lijn.
Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen
werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren
immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen
tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven.
Want dat de landverhuizing het land schaadde--dat was toch zeker niet
tegen te spreken!
En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen
voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu
een ander land ten goede zou komen.
En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel,
wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende,
hoorde je nooit wat.
En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen,
als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te
sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren
juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook
naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.
En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was,
dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan
hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en
onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.
Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er
een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen
glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op,
want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij
kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen
wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de
anderen over deze zaak.
En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten
stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar
verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een
paar honderd.
En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat
het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar
Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen
wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.
't Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun
vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je
nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't
oude land.
Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den
presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.
Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel
zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren
vertrokken.
Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er
wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.
Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen,
die om hem heen zaten, strak aan.
"Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,"
zei hij. "Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze
terugkwamen?"
En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen
over de borst.
Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro
dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon
gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had,
die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou
hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem
had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken.
En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel
werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen
woord.
De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de
Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele
gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan
ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en
daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes
onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele
gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er
niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar
te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.
Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het
sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde
hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn
station aankwamen, op het perron zou staan en "Hoera!" roepen. Maar toen
dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij
eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele
jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was--hij zou haar toch niet graag
ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder
een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te
antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard
te zadelen.
Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en
luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat
hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste
zou kunnen bezorgen--dat zou heelemaal niet moeilijk zijn--kwam hem in
de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen,
er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo
diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle
huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar
de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.
En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend
in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond
op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een
paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn
dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat
de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had
gebracht.
De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed
oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer.
En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die
zendingen ophielden.
De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een
schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens
gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist
niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook
op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van
't toeristbureau, die daar hingen.
Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had
aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon
overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht,
terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó
innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel
in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd
gekregen had naar Amerika te gaan.
De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij
merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de
tafel zat, wendde hij zich tot hem:
"Ja, wat zegt u er van, Söderberg?"
"Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is."
"Ja, dat zou ik ook meenen," zei de proost. "Ik wist wel, dat allen tot
die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te
denken."
KALLE FRYKSTEDT.
Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost
in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet.
"Zoo was het leven in dien tijd niet," zei ze tegen mij, kort nadat het
boek verschenen was. "Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist
geteekend."
Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en
hun land zou brengen.
Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had,
dat van dien kant te hooren.
De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van
't vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen
enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen
kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.
Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over
te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen.
Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor
Gösta Berling genomen had.
Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was,
waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde
opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het
ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.
De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.
"Jawel, Kalle Frykstedt," zei ze. "Ik dacht wel, dat je aan hem had
gedacht."
Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan
vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.
Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van
Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.
Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder
dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest,
nadat ze getrouwd was.
"Was hij toen al door den drank gesloopt?" vroeg ik.
"Kalle Frykstedt!" riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag
mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.
Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar
eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd
als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette,
haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij
hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige
menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en
dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof
ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid
kwamen.