De 10 Opwerpingen van Ido tegen het Esperanto weerlegd.
Wij geven hieronder de vertaling van een rondschrijven, door duitsche
esperantisten onlangs uitgegeven, in antwoord op de beweringen van
een ander rondschrijven, door de duitsche idisten verspreid.
* * * * *
1. Alphabet.--«_Ido gebruikt het gewoon internationaal alphabet, en
heeft dus geene beteekende letters._»
In het Esperanto-alphabet zijn de regels der phonetiek, welke
anderszins door de theoretiekers van Ido vereischt worden, ten
strengste nageleefd. Alleen in Esperanto, niet in Ido, komt aan
iederen klank een teeken toe en beduidt elk teeken maar _éénen_
klank. Verder is het Esperanto-alphabet meer geschikt tot het
vertalen van eigennamen, en bijzonder van geographische namen.
Het is ook praktischer en korter, ŝ en ĉ te schrijven dan sh
en ch waarvan het laatste in de verschillende nationale talen op
verschillende wijze wordt uitgesproken. De Esperantische ŝ, ĉ,
enz., kunnen evenmin als een terugstap tegenover sh en ch aangezien
worden, als de Duitsche ö en ü tegenover oe en ue. Door de dubbele
rol, welke de idistische j vervult, ontstaan onnatuurlijke
woordvormen, zooals _jenante_, _injeniero_, _jeneroza_, enz. De
geringe nadeelen, welke de boventeekens voor het drukken kunnen
teweegbrengen, kunnen, zooals de Ido-Boekdrukkerij het wel
weet, vermeden worden en verdwijnen meer en meer door de steeds
aangroeiende uitbreiding van Esperanto.
2. Klemtoon.--«_Ido heeft eenen natuurlijken klemtoon (f_i_lio),
niet eenen stijven, onnatuurlijken zooals Esperanto (fil_i_o)_.»
Die zoogezegde natuurlijke klemtoon legt aan hem, die Ido leert,
een aantal regels en uitzonderingen over den nadruk en de
uitspraak op, terwijl _Esperanto éenen enkelen nadruksregel zonder
uitzonderingen_ heeft. De door Ido nagestreefde «natuurlijke»
betoningswijze is meestal niet voorhanden (vergelijkt het Duitsch
«Syst_e_m», het Engelsch «s_y_stem»; het Duitsch «Horiz_o_nt»,
het Engelsch «hor_i_zon»; het Duitsch «Kom_ö_die», het Fransch
«coméd_ie_») en wordt zoodra verworpen dat er, al ware het maar
éene vormingslettergreep aan het woord wordt toegevoegd. Een
nadruksregel welke zonder uitzonderingen kan toegepast worden is dus
het eenvoudigste en natuurlijkste vooral voor personen die maar eene
taal machtig zijn, en zich niet verstaan aan zulke spraakkundige
«fijnheden». De nadruk op de voorlaatste lettergreep van ieder woord
geeft aan Esperanto eenen gemakkelijken, natuurlijk vloeienden
rythmus welke aan Ido meestendeels ontbreekt.
3. Meervoud.--«_Ido heeft den Italiaanschen, schoonen
meervoudsvorm_ i, _niet de zware, onschoone vormen_ oj, aj,
uj.»
Doch Esperanto heeft de «schoone Italiaansche _i_» als uitgang der
werkwoorden. Overigens die kwestie van smaak is zeer betwistbaar. De
filologen der oude talen roemen algemeen de schoonheid der Grieksche
taal, juist om haren rijkdom aan de volle klanken _ai_ en _ei_. Van
groot belang zijn deze Esperanto uitgangen voor de goed afgeteekende
scheiding der woorden en voor het klare opvatten en onderscheiden
van den gesproken tekst. De dienstigheid eener hulptaal ook vooral
voor het mondeling gebruik schijnt voor de Idisten slechts bijzaak te
zijn.
4. Hoedanigheidswoord.--«_Ido heeft de onveranderlijke
hoedanigheid; Esperanto verandert het volgens het getal en den
naamval._»
Deze grootere eenvoudigheid is zoowel een nadeel als een voordeel.
Want het spreekt van zelf, dat het hoedanigheidswoord, dat in
getal en naamval met het hoofdwoord overeenkomt veel duidelijker
zijn logisch verband te kennen geeft dan het onveranderlijke
hoedanigheidswoord, en dat daardoor de inhoud van den zin
gemakkelijker en vlugger begrepen, en eene grootere vrijheid in
de volgorde der woorden verkregen wordt. Overigens in Ido is het
hoedanigheidswoord niet altijd onveranderlijk, zooals men het
beweert; in menig geval moet het de teekens van het meervoud en den
accusatief aan nemen.
5. Werkwoord.--«_Ido geeft den internationalen uitgang_ r in
_plaats van den willekeurigen vorm_ i _van Esperanto. Ido kan
daarbij de noemvormen in overeenstemming brengen met de tijdvormen._»
Deze zoogezegde internationale _r_ wordt slechts bij Spaansche
werkwoorden algemeen als uitgang uitgesproken, bij de meeste
Fransche werkwoorden is ze toonloos, en in 't Italiaansche zijn
de uitgangen der werkwoorden _are_, _ire_, _ere_; zij bevatten
dus wel is waar eene _r_, maar niet als uitgang. Is het nu hoogst
wetenschappelijk of hoogst belachelijk, zulken enkel vormenden
uitgang volgens het princiep der grootste internationaliteit te
willen kiezen? Of is het niet veel vernuftiger, zulken uitgang
volgens zuiver praktisch oogpunt te bepalen, zoodat hij gemakkelijk
uit te spreken, goed hoorbaar en van andere uitgangen wel
onderscheiden zij?
Onder dat opzicht is de invoering van den uitgang _ar_ in Ido eene
der grootste misgrepen geweest. Het voorwendsel, dat hij ook in
't Spaansch bestaat, houdt geen stand, want voor eene natuurlijke
taal komt het er veel minder op aan, of zulke uitgang duidelijk
onderscheidbaar is of niet, dan wel voor eene kunstmatige taal.
Weldra hebben dan de ontwerpers van Ido bemerkt, dat eene _r_ als
eindletter bij het spreken nauwelijks hoorbaar wordt, wanneer men ze
niet voortrolt. Zij verbraken daarom den betoningsregel en legden bij
werkwoorden den klemtoon op de laatste lettergreep. Het kwaad werd
daardoor niet hersteld, integendeel, andere nadeelen voegden zich
bij het eerste. Door het betonen der vormingslettergreep _ar_ wordt
de aandacht bij het hooren afgewend van de hoofdzaak, den stam des
woords, naar de nevenzaak, de vormingslettergreep. Men vergelijke:
Ido: traduk_ar_, Esperanto: trad_u_ki.
» obedi_ar_, » ob_e_i.
» punis_ar_, » p_u_ni.
» rapec_ar_, » fl_i_ki.
Een ander onaangenaam gevolg is de storing in de zinsbetoning,
storing welke zich voordoet telkens dat na een infinitief een
tweelettergrepig woord komt. B. v.: Me _vo_las skri_bar_ _kar_to,
tegenover het vloeiende Esperanto: Mi _vo_las _skri_bi _kar_ton.
Laten wij daarom aan ido, zonder het te benijden, zijne
internationale _r_ en behouden wij onze «willekeurige _i_»!
Eene tweede fout onder opzicht van klank is de uitgang _ez_ voor de
gebiedende wijze. Ook deze eindmedeklinker wordt slechts hoorbaar,
wanneer men hem luid sist; _ez_ is licht te verwarren met _is_.
Men vergelijke daarmede den vollen krachtigen uitgang _u_ van het
Esperanto: _lernu_ tegenover _lernez_. De nationale talen hebben
de zachte, uitgesproken _s_ meest in het midden of in 't begin der
woorden, en zelden op 't einde. De opmerking, dat de gebiedende wijze
in 't Fransch ook op _ez_ eindigt, is dwaas, daar onze _z_ toonloos
is.
6. Verbuiging.--«_Ido heeft geenen verplichtenden accusatief,
maar gebruikt dien slechts in de noodzakelijkste gevallen bij de
woordomzetting._»
.... «Om hem dan ten slotte in de noodzakelijkste gevallen te
vergeten, zooals het voorbeeld toont van den «vere idana leono»
(zoo noemd «Idano» den heer Peus).[5] Want elk willekeurig gebruik
van eenen grammatischen vorm eischt weder eenen bijzonderen regel
om te bepalen wanneer, al of niet, die regel moet gebruikt worden.
En wat weegt nu bij Ido tegen dit «voordeel» op? In de plaats van
den verplichtenden accusatief heeft het de verplichtende woordorde,
waarbij elke zin moet gebouwd worden volgens het schema «Onderwerp,
gezegde, voorwerp». Men kan nu het eene of het andere verkiezen;
eenen gewissen dwang ontgaat men, om logische redenen, echter niet.
De verplichtende accusatief verschaft aan het Esperanto de grootste
vrijheid in de woordorde en eene grootere logische klaarheid.
7. Woordenlijst.--A. «_Ido gebruikt geene kunstmatige woorden
zooals Esperanto._»
Doch het gebruikt daarvoor woorden uit eene doode taal, het Latijn;
en men moet daarom in Ido 24 verschillende elementen leeren,
waar in Esperanto 14 voldoende zijn. Buitendien, de zoogenaamde
tabellenwoorden zijn in Esperanto niet geheel conventioneel: al de
woorden met eenen onbepaalden zin beginnen met _i_, wat men in het
Duitsch _irgend_ terugvindt; de aanwijzende woorden met _ti_, wat in
't Duitsch _d_, in 't Engelsch _th_ is; de ontkennende woorden hebben
de _n_, die aan alle talen gemeen is; de vragende woorden beginnen
met _k_ (Fransche _ki_, Duitsche altijd _w_, Engelsche _wh_).
B. «_De woordenstammen in Ido zijn niet willekeurig uitgezocht,
zooals in Esperanto; zij zijn gekozen volgens het princiep der
grootste internationaliteit.--B. v.: Uit het Duitsche_ Kavallerie,
_het Engelsch_ cavalry, _het Fransch_ cavallerie, _het Italiaansch_
cavallo, _het Spaansch_ caballo, _het Russisch_ kabaleria, _kiest
Ido voor het woord «paard» het eenige internationale woord_ kavalo;
_Esperanto heeft het misvormde Fransche woord_ ĉevalo.»
Inderdaad, Ido heeft het princiep der grootste internationaliteit,
dat overigens in Esperanto ook overweegt, met meer nauwkeurigheid,
maar ook met waanswijsheid doorgedreven. De Ido-geleerden hebben het
princiep te veel naar den vorm behandeld; zij aanzien het als eene
zuivere getalkwestie, en voor hen telt 1 Spanjaard of 1 Italiaan voor
evenveel als 1 Duitscher, 1 Hollander of 1 Skandinaviër. Anders
gezegd: men heeft den graad van ontwikkeling der verschillende
nationaliteiten niet in aanmerking genomen, en daardoor komt het
dat, ten gevolge van het Spaansch en Italiaansch, Ido een meer
romaansch uitzicht bekomt, en dat vele germaansche woordstammen die
in Esperanto voorkomen, zooals _tago_, _fremda_, _dika_, _veti_,
enz., uit Ido verbannen werden. Esperanto kent met recht aan het
germaansch element wat meer invloed in de woordenlijst toe. Wanneer
in bovenvermeld voorbeeld het Duitsche _kavallerie_ ten gunste van
_kavalo_ (paard) word aangehaald, zoo kan men ook het Duitsche
«_Chevauxlegers_» en «_chevaleresk_», en het Engelsch «_chivalrous_»,
ten voordeele van _ĉevalo_, inbrengen, welke vorm, zoo daaruit
blijkt, niet alleen aan de Franschen bekend is. En zoo _ĉevalo_,
een vervormd Fransch woord is, dan zijn de Ido woorden _tuchar_,
_chasar_, _chapelo_, _charniro_, _chanjar_, enz., eveneens verminkte
Fransche uitdrukkingen.
8. Woordafleiding.--_«Ido heeft eene klare, logische, regelmatige
woord afleiding; in Esperanto is ze dikwijls onklaar, onlogisch en
onregelmatig. Ido is daarom duidelijker, lichter verstaanbaar en
gemakkelijker te handhaven._»--Als voorbeeld volgt de vertaling van
den zin: _Een visscher kan visschen zonder visschen te vangen._
Esperanto: _Fiŝkaptisto povas fiŝkapti sen kapti fiŝojn_ (of beter):
_ne kaptante fiŝojn._ Ido: _Peskero povas peskar sen kaptar fishi._
Wat ontbreekt er aan de Esperanto vertaling? Het woordenspel
en de lichte ironie, die in 't Nederlandsch, of in 't Duitsch,
tusschen voor en nazin bestaat, wordt, door Esperanto, veel juister
weergegeven dan door Ido, waar zij verloren gaan door het bijzondere
woord _peskar_ voor visschen. Of verwijt men den vorm _fiŝkapti_
voor visschen? Dan beschouwe men eerst de Idowoorden _tronsidar_ (op
eenen troon zitten) voor tronen, en _seglirar_ (zegel gaan) voor
zegelen. (Men bemerkte ook weder, wanneer men den Ido zin leest, den
storenden zinrythmus: kap_tar_ fishi). Daarbij kan men in Esperanto
voor _fiŝkapti_ nog _fiŝreti_ of _fiŝhoki_ zeggen.
Komen wij nu tot de algemeenheden. De woordafleiding in Ido zou
moeten klaar, logisch en regelmatig zijn voor het princiep der
_reversibiliteit_ (weerkeerbaarheid), een princiep dat voor den
eenvoudigen mensch moeilijk te verstaan, en nog moeilijker om aan
te wenden is, vooral bij het haastig wandeling gebruik; ten gevolge
van dit princiep overlast Ido de omgangstaal met een te groot getal
vormingslettergrepen en bekomt daardoor toch geene logische eenheid.
De grondbeginsels der _noodwendigheid_ en der _toereikendheid_,
door de Saussure voor Esperanto vastgesteld, zijn dan minstens even
zoo logisch, en buitendien veel eenvoudiger, daar zij de noodige
vrijheid van aanwending laten, voor personen van verschillende
verstandsontwikkeling.
Als voorbeeld van het voorgewende onlogische van Esperanto volgen de
werkwoorden _kroni_, _plumi_, _brosi_, _remi_.
Zeggen wij vooreerst dat _plumi_ verkeerdelijk wordt aangehaald:
pluimen is niet _plumi_ in Esperanto, maar _senplumigi_.
Esperanto leidt de woorden _kroni_ en _brosi_ rechtstreeks van
het hoofdwoord af, zooals in alle nationale talen: Duitsch _krone
- krönen_, Fransch _couronne - couronner_, Italiaansch _corona
- coronare_, Spaansch _corona - coronar_, Engelsch _crown - to
crown_; eveneens _bürste - bürsten_, _brosse - brosser_, _spazzola -
spazzolare_, _cepilo - cepilar_, _brush - to brush_.
En met trots beroemt de opsteller zich verder over de
onvoorwaardelijke regelmatigheid der woordafleiding:
«Ido daarentegen onderscheidt met juistheid...._brosar per brosilo_,
_remar per remilo_.»
Indien men zich op die regelmatige woordafleiding van Ido vertrouwen
wilde, zou men spoedig zijn eigen voordeel met het Ido-woordenboek in
strijd zien komen. Zoo mag men niet zeggen:
hameren met eenen hamer, door martelar per martelilo,
vijlen met eene vijl, » limar per limilo,
ziften met eene zift, » kriblar per kriblilo,
remmen met eene rem, » frenar per frenilo,
maar men moet zeggen:
martelagar per martelo,
limagar per limo,
frenagar per freno, enz.
En nochtans is het logisch verband tusschen al deze woordenparen
hetzelfde als tusschen (_riemen_ en _riem_) het Duitsch _rudern_ en
_ruder_; en het Fransch _ramer_ en _rame_. Dat toont ons de «klare,
logische en regelmatige woordafleiding» van Ido.
9. Ontwikkeling.--«_Ido kan zich regelmatig en op betrouwbare
wijze verder ontwikkelen, want de Ido Akademie, samengesteld uit
bevoegde personen van verschillende taalgebieden, heeft tot last
de taalkwesties te onderzoeken en volgens nauwkeurig bepaalde
grondbeginsels op te lossen; in Esperanto daarentegen kan ieder,
zelfs de meest onbekwame, volgens goeddunken nieuwe woorden invoeren
en de taal voor vreemden onverstaanbaar maken._»
Ido is zeker niet meer bestand dan Esperanto tegen de mogelijkheid
dat zijne aanhangers in hunne teksten verkeerde nieuwe woorden
gebruiken. Maar dat zulke woorden als officieele woorden aanzien
woorden, daarvoor is Esperanto zooveel als Ido gevrijwaard door zijne
taal-Akademie. En dat nu de Ido-Akademie in tegenstelling met de
Esperanto-Akademie uit «bevoegde» personen bestaat, dat zou nog eerst
grondig moeten bewezen worden. Het feit dat 2 taalkundigen er deel
van maken, is zeker nog geen bewijs; want de taalwetenschap heeft
tot op onze dagen de mogelijkheid eener kunstmatige taal doorgaans
bestreden, zelfs nog wanneer de tastbaarste bewijzen daarvoor
instonden. De wereldhulptaal is een gansch nieuw terrein voor de
algemeene philologie; en hierin is de niet-philoloog, die zich
jarenlang praktisch en theoretisch met de zaak heeft bezig gehouden,
veel meer bevoegd, vooral aangaande de vereischten van eenvoudigheid
en gemakkelijkheid, dan de taalgeleerde die met wetenschap en
omvattende taalkennis voorzien is.
Dat ook de Esperanto-Akademie nauwkeurige grondbeginsels heeft
vastgesteld, volgens dewelke de verdere ontwikkeling der taal zich
regelen moet, dat zou de opsteller van vermeld schrijven eigenlijk
moeten weten. Doch wat zou het baten? De «bevoegde personen» bevinden
zich volgens hem in de Ido-Akademie.
10. Standvastigheid en vooruitgang.--«_Ido is de ware
internationale taal, want Ido vereenigt in zich de praktische
standvastigheid en den wetenschappelijken vooruitgang, terwijl
Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet, daar op het
eerste kongres geheel onbevoegde, niet gevolmachtigde en toevallige
deelnemers een boek als een ontastbaar fondament verklaard hebben
dat tot in zijne klaarblijkelijkste fouten, ja zelfs drukfouten,
onveranderlijk blijven moet._»
Wanneer men in den eersten zin het woord «Ido» door «Esperanto»
vervangt, dan wint hij veel meer aan waarheid, want de _praktische
standvastigheid_ van Ido, die eerst in den loop van dit jaar werd
ingevoerd, duurt slechts zoolang dat de «bevoegde personen» der
Ido-Akademie die recht houden. (En het is bekend dat deze invoering
der standvastigheid in het Idistisch kamp zelf vele tegenstanders
gevonden heeft). Wanneer nu deze personen, zooals het reeds gebeurde,
hunne wetenschappelijke meening verder wijzigen, of wanneer nieuwe
arbeidslustige personen de Akademie binnentreden, dan kan die
standvastigheid der taal weer licht aan 't wankelen gaan. Want op
taalgebied kan men betrekkelijk licht bijna geheel tegenovergestelde
theoriën «wetenschappelijk» verdedigen.
Zeggen dat Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet,
is niets dan eene der onrechtzinnige beweringen, welke de Idisten
voortdurend aangaande Esperanto verspreiden, en welke door de
gansche ontwikkeling van Esperanto werden tegengesproken. Overigens
de beoordeelaar moet verder zelfs bekennen, dat zulke «heilige
onaantastbaarheid» van het Fondament niet bestaat, en dat de erkende
feilen er werden uitgeschrabt. Van de praktische noodwendigheid
eener vaste bazis, van de verdere ontwikkeling van Esperanto en het
samenstellen van wetenschappelijke woordenlijsten in Esperanto,
schijnt de opsteller weinig te weten of te willen weten.